Nederlandse Omroep Stichting afdeling juridische zaken Postbus 26444 1202 JJ HILVERSUM
Hilversum
Onderwerp
4 oktober 2001
Radio 1 Journaal/bestuurlijke boete
Uw kenmerk
Ons Kenmerk
Contactpersoon
Doorkiesnummer
JuZa-004911-lvdz
Mevr. drs. L.E. van der Zee
(035) 6 721 736
Bij brief van 26 juli 2001, kenmerk JuZa-003451-lvdz, hebben wij u op de hoogte gebracht van ons voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke boete wegens overtreding van artikel 52, tweede lid, van de Mediawet. In deze brief hebben wij u uitgenodigd voor een hoorzitting. Op 30 augustus 2001 heeft een hoorzitting plaatsgevonden bij het Commissariaat waarbij u uw zienswijze naar voren heeft gebracht. Het verslag van de hoorzitting is bijgevoegd (bijlage 2). 1.
Feiten
Het programmaonderdeel Radio 1 Journaal bevat dagelijks een item met de titel “het filiaal”. In de uitzending van 15 mei 2001 bezoekt de presentator een filiaal van de Konmar in Almere. Hij spreekt hier met de eigenaar, een supermarktdeskundige en een klant. Er worden onder meer de volgende uitspraken gedaan: “… maar behalve de service wat heeft de Konmar nou nog meer te bieden, wat is er speciaal?” “Speciaal is natuurlijk, zeg maar, het is een heerlijke winkel met een prachtig mooi vers assortiment, met 22.000 artikelen…”. “… zoals het hier staat is het natuurlijk een fantastische winkel…”. “Ja Albert Heijn maak je borst maar nat. De Konmar opent de aanval. Vandaag officieel met de opening van de eerst Konmar supermarkt nieuwe stijl. Veel service, veel vers, veel voordeel, het moet allemaal de omzet omhoog stuwen. Mooie marketingpraat. In dit filiaal straks een echte klant, zal die ook zo enthousiast zijn. Nou ik ben het al wel…”. “Wat vindt u er van, zo de eerste blik?” “Prachtig, ik kan niet anders zeggen. Heel mooi, mooi opgezet, heel ruim. Ik kan niet anders zeggen”. “Verse groente altijd het allerlekkerste”. “Nou dat hebben ze hier heel veel. Ziet het er goed uit?” “Ja het ziet er heel mooi uit, prachtig”. “Zeg wat vindt u er nou van, is het een beetje overzichtelijk, kunt u het allemaal goed zien?”
JuZa-004911-lvdz
“Ja het is heel overzichtelijk, je zal hier niets vergeten want je ziet alles heel duidelijk staan. De prijzen, heel mooi” “Verdorie zeg, heeft u helemaal geen kritiek?” “Nog niet nee”. “… de winkel ziet er nu prachtig uit, we zullen moeten afwachten of het zo in 800 filialen en ook gedurende het hele jaar kunnen volhouden, maar het begin is denk ik fantastisch.” “Ja het is prachtig, mooie schone vloer, ruime schappen, ruime paden…”. Voor de volledige tekst van het item verwijzen wij naar bijlage 1. De totale duur van het item bedraagt 10 minuten en 40 seconden. Op 23 januari 2001 heeft u reeds eerder in het programmaonderdeel Radio 1 Journaal, in het item “het filiaal” aandacht besteed aan de Konmar. 2.
Relevante bepalingen
Artikel 52, tweede lid, van de Mediawet: 2. De programma's als bedoeld in het eerste lid bevatten voorts geen andere reclame-uitingen tenzij dit niet vermijdbaar is. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald in welke gevallen een reclame-uiting in een programma niet vermijdbaar kan worden geacht, alsmede wanneer het is toegestaan dat programma's reclame-uitingen bevatten. Artikel 27 van het Mediabesluit: Niet vermijdbaar zijn reclame-uitingen die behoren tot het normale straatbeeld en die zonder opzet en zonder nadruk gedurende enkele seconden in een programma-onderdeel voorkomen. Artikel 28, eerste lid, van het Mediabesluit: 1. In programma-onderdelen van informatieve en educatieve aard zijn vermijdbare reclame-uitingen in de vorm van het tonen of vermelden van een product of dienst toegestaan, mits: a. de vertoning of vermelding past binnen de context van het programma; b. de vertoning of vermelding geen afbreuk doet aan de programma-formule of de integriteit van het programma; c. de vertoning of vermelding niet op een overdreven of overdadige wijze plaatsvindt; en d. er geen sprake is van specifieke aanprijzingen van deze producten of diensten. 3.
Overwegingen
In de door u uitgezonden aflevering van het programmaonderdeel Radio 1 Journaal wordt de dienst van Konmar vermeld. Deze uitingen zijn voor het publiek duidelijk waarneembaar. Op grond van het feit dat de naam Konmar wordt vermeld is het publiek in staat de door Konmar verleende dienst te identificeren. De bovengenoemde uitingen zijn voorts geschikt om een positieve houding van het publiek ten opzichte van deze dienst te bevorderen. Het mag als een feit van algemene bekendheid worden verondersteld dat indien diensten op een min of meer opvallende wijze en niet in negatieve zin worden vermeld in een uitzending doorgaans een deel van het publiek tot aankoop wordt bewogen (zie ook uitspraak RvSt., d.d. 21 augustus 1997, nr. R01.93.2121. Tros Aktua in bedrijf). De bedoelde uitingen zijn derhalve reclame-uitingen in de zin van de Mediawet.
JuZa-004911-lvdz
Ingevolge artikel 52, tweede lid, van de Mediawet, mogen programma's van publieke omroepinstellingen, afgezien van de wettelijke toegestane reclameboodschappen, geen reclameuitingen bevatten, tenzij dit niet vermijdbaar is. In de artikelen 27 tot en met 32 van het Mediabesluit is bepaald in welke gevallen een reclame-uiting in een programmaonderdeel niet vermijdbaar kan worden geacht, alsmede wanneer het tonen of vermelden van vermijdbare reclame-uitingen is toegestaan. Het vermelden van de dienst van Konmar is, gelet op artikel 27 van het Mediabesluit, een vermijdbare reclame-uiting. Ingevolge artikel 28 van het Mediabesluit mogen programmaonderdelen vermijdbare reclame-uitingen bevatten in de vorm van het tonen of vermelden van producten of diensten, mits, voor zover hier van belang, de vertoning of vermelding niet op overdreven en overdadige wijze plaatsvindt en er geen sprake is van een specifieke aanprijzing. De vermelding van de dienst van Konmar vindt naar ons oordeel op overdreven en overdadige wijze plaats, nu in het programmaonderdeel gedurende 10 minuten en 40 seconden aandacht wordt besteed aan de Konmar. Voorts is er door diverse uitspraken zoals vermeld onder punt 1 van dit voornemen sprake van een specifieke aanprijzing van de dienst van Konmar. De onderhavige reclame-uitingen zijn derhalve niet-toegestane vermijdbare reclame-uitingen. Tijdens de hoorzitting heeft u aangegeven dat u niet betwist dat de Konmar in het programmaonderdeel prominent is belicht. Naar uw oordeel kan voor de beoordeling of de vermelding van de dienst van Konmar op overdreven en overdadige wijze plaatsvindt niet gekeken worden naar de duur van het item, maar moet gekeken worden naar de inhoud van het item. Voor de vaststelling of een vertoning of vermelding op overdreven of overdadige wijze plaatsvindt dient naar ons oordeel te worden gekeken naar de wijze waarop én de duur waarmee de reclameuiting wordt getoond of vermeld. Dit betekent dat zowel de duur van het item, als de inhoud van het item wordt betrokken bij de beoordeling. In casu leidt de combinatie van de inhoud van het item, waarin uitgebreid is ingegaan op de dienst van de Konmar, in combinatie met de duur van het item ertoe dat naar ons oordeel de reclame-uiting voor de Konmar op overdreven en overdadige wijze heeft plaatsgevonden. In onze beoordeling is tevens betrokken de wijze waarop de Konmar is belicht, waarbij de presentator met verschillende mensen door de winkel loopt en beschrijft wat er allemaal te zien en te koop is. Voorts heeft u aangevoerd dat de uitspraken zoals vermeld onder feiten een vertekend beeld geven, nu de verslaggever heeft gepoogd in de grijpen. In dit kader verwijst u ondermeer naar de volgende uitspraken van de presentator: “… ja, weet ik genoeg anders wordt het teveel reclame” “… kijk dat zien we niet, nou da’s weer een minpuntje in de supermarkt” “… mijn eerste indruk is gewoon een supermarkt”. Daarnaast heeft de opmerking van de verslaggever “… zal die ook zo enthousiast zijn, nou ik ben het al wel” niet zozeer betrekking op de Konmar zelf, maar op de daar te kopen waterijsjes. Wij kunnen uw verweer dat de presentator heeft gepoogd in te grijpen niet volgen. Behoudens de door u aangehaalde uitspraken van de presentator, heeft de presentator naar ons oordeel juist door de wijze van interviewen positieve uitlatingen uitgelokt. In dit kader verwijzen wij u ondermeer naar de volgende uitspraken van de presentator: “… tevreden over de nieuwe zaak?” “… want het is een avontuur hè zo’n nieuwe zaak opstarten”
JuZa-004911-lvdz
“… ziet het er goed uit?” “… is het een beetje overzichtelijk, kunt u het allemaal goed zien?” “… goed van kwaliteit?” De presentator heeft niet verhinderd dat gedurende het gehele item verschillende mensen zich positief hebben uitgelaten over de Konmar. Wellicht ten overvloede merken wij op dat de NOS op grond van journalistieke overwegingen de inhoud van het programma bepaalt. Het staat de NOS dan ook vrij om in het programmaonderdeel Radio 1 Journaal aandacht te besteden aan de opening van de Konmar, nu deze opening op dat moment nieuwswaarde had. In dit concrete geval is de NOS echter in haar verslaggeving te ver gegaan. Wij blijven derhalve van oordeel dat u artikel 52, tweede lid, van de Mediawet, heeft overtreden. 4.
Bestuurlijke boete
Op grond van artikel 135, eerste lid, van de Mediawet, kunnen wij u een bestuurlijke boete opleggen bij overtreding van het bepaalde bij of krachtens de Mediawet. Ingevolge de Beleidslijn Sanctiemaatregelen 1999 hanteren wij, met ingang van 1 februari 1999, voor de bepaling van de hoogte van de boete vaste berekeningsgrondslagen die met factoren voor de ernst van de overtreding en voor de mate van verwijtbaarheid worden vermenigvuldigd. Bij overtreding van het bepaalde in artikel 52, tweede lid, van de Mediawet in een radioprogramma geldt voor u als publieke landelijke omroep een berekeningsgrondslag van ƒ 2.000,-. Voor wat betreft de hoogte van de boete heeft u aangevoerd dat de verslaggever zich niet positief heeft uitgelaten over de Konmar. Daarbij betreft het een live-uitzending, waarbij de verslaggever geprobeerd heeft de positieve uitlatingen binnen de perken te houden. Ook heeft de NOS voorzorgsmaatregelen genomen door een onafhankelijke deskundige bij het item te betrekken. Het was niet te voorzien dat deze zich ook positief zou uitlaten over de Konmar. Voorts is gedurende de gehele dag aandacht besteed aan de opening van de Konmar, waarbij met name in de avonduitzending meer negatieve klanken werden gehoord. Tenslotte voert u aan dat het Radio 1 Journaal first-offender is. U verzoekt in casu te volstaan met een waarschuwing. Voor de ernst van de overtreding kennen wij in dit geval vier punten toe. Hierbij hebben wij in overweging genomen dat in een nieuwsuitzending uitgebreid aandacht is besteed aan de opening van een Konmar supermarkt, waarbij uitgebreid is belicht hoe de supermarkt er uit ziet en wat er te koop is. Daarbij hebben zowel de presentator als de eigenaar van de supermarkt, de supermarktdeskundige én een klant zich lovend uitgelaten over de Konmar. Uw verweer ten aanzien van de hoogte van de boete leidt er naar ons oordeel niet toe dat de overtreding minder ernstig is. Wel hebben wij uw verweer betrokken in onze overwegingen ten aanzien van de mate van verwijtbaarheid. In de brief van 26 juli 2001 hebben wij aangekondigd voornemens te zijn voor de mate van verwijtbaarheid twee punten toe te kennen. Nu u aannemelijk heeft gemaakt dat u voldoende voorzorgsmaatregelen heeft genomen om een evenwichtige reportage te verzorgen over de Konmar hebben wij besloten voor de mate van verwijtbaarheid geen punten toe te kennen. Uw verweer dat het Radio 1 Journaal first-offender is, op basis waarvan wordt verzocht te boete te verlagen, kunnen wij niet volgen, nu met de inwerkingtreding van de Beleidslijn Sanctiemaatregelen 1999 reeds is aangekondigd dat er geen grond meer is voor het verlagen van de bestuurlijke boete opgrond van het feit dat een omroep first-offender zou zijn. Hierbij tekenen wij ten overvloede aan dat
JuZa-004911-lvdz
het er in het verleden niet toe deed of een programmaonderdeel first-offender was maar dat het moest gaan om een omroepinstelling. De NOS is in het verleden al vaker beboet voor overtreding van artikel 52, tweede lid, van de Mediawet. Wij leggen u derhalve voor overtreding van artikel 52, tweede lid, van de Mediawet, een bestuurlijke boete op te leggen van ƒ 8.000,-. Betaling Wij verzoeken u de aan u opgelegde boete binnen vier weken na ontvangst van dit besluit aan het Commissariaat voor de Media over te maken op bankrekeningnummer 67.57.61.239 van de ING-Bank te Hilversum ten name van het Commissariaat voor de Media. Commissariaat voor de Media
Prof. dr. J. van Cuilenburg Voorzitter
drs. L. van der Meulen Commissaris
Wij wijzen u erop dat op grond van de Algemene wet bestuursrecht de natuurlijke persoon of rechtspersoon wiens belang rechtstreeks bij dit besluit is betrokken, daartegen binnen zes weken na de dag waarop dit besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, een bezwaarschrift kan indienen bij het Commissariaat voor de Media, postbus 1426, 1200 BK te Hilversum.