|EN AVANT, MARCHE!| |LESBRIEF VOOR LEERKRACHTEN| DEEL II: NAVERWERKING
!! OPGELET !! Wij gaan er bij Publiekswerking steeds van uit dat er geen vaststaande antwoorden zijn op onderstaande vragen. De associaties van de leerlingen zijn dus steeds correct, hoe verschillend ze ook zijn van de mogelijk bedoelde betekenis of van de persoonlijke kijkervaring van de leerkracht (!). Elke persoonlijke associatie is steeds rijker dan de som van uitbeelding en (mogelijk bedoelde) betekenis. Wat overigens voor elke toeschouwer geldt.
TO SEE IS TO KNOW |TO SEE| 1. TO SEE… Het begin van de voorstelling.
2.
3.
4.
5.
Hoe begon de voorstelling En avant, marche!? Reconstrueer die start zo gedetailleerd mogelijk tot het moment dat alle stoelen zijn opgesteld in de orkestopstelling. Welke opeenvolgende elementen waren er aanwezig in die scène? Wat stelde die totale openingsscène van de voorstelling voor, denk je? Waarom? Wat zou het kunnen betekenen? Was dit begin voor jou komisch of niet? Leg uit, waarom dat voor jou zo was. TO SEE… Het einde van de voorstelling. Hoe eindigde de voorstelling? Reconstrueer op dezelfde wijze als bij TO SEE 1 deze scène vanaf het moment dat Wim wordt neergezet na op handen te zijn gedragen door alle acteurs en musici. Welke personages waren er aanwezig, in welke opstelling stond de fanfare, wat voor soort muziek werd er gespeeld? Wat zou dit beeld kunnen betekenen in het licht van het verhaal rondom het personage van Wim? Herkende je de foto´s van Stephan Vanfleteren misschien in dit beeld en zo ja, wat herkende je? TO SEE… Het verhaal. Bekijk de voorstelling nu in zijn geheel. Welk verhaal werd er volgens jou verteld? Beschrijf de ontwikkeling van dit verhaal en beschrijf welke scènes voor jou het sterkst aan ieder deel van het verhaal te koppelen zijn. Hoe zitten de verhaallijnen van de vier acteurs en de fanfare in dit grotere verhaal verweven, denk je? TO SEE… Het decor. Probeer goed voor de geest te halen hoe het volledige scènebeeld eruit zag. Schets het decor nu in detail. Welke functies hadden de verschillende decorelementen? Welke elementen droegen bij tot het creëren van de sfeer op de scène, denk je? Welke betekenis geef jij aan deze elementen? Leg uit. Welke decorwissels heb je waargenomen en hoe kwamen deze decorwissels tot stand? Op welke momenten in de voorstelling veranderde het decor en waarom zou er gekozen zijn om het decor te veranderen op die momenten? Bedenk hiervoor minimaal drie mogelijke redenen. TO SEE… Het lichtontwerp. Probeer zoveel mogelijk opvallende lichtstanden te beschrijven. Probeer je te herinneren wanneer ze in het stuk voorkwamen. Welke sfeer werd
6.
7.
8.
9.
er op het podium gecreëerd door die belichting? Hoe ervoer je die? Leg uit. Op welke momenten werden de lichtstanden veranderd? Probeer zoveel mogelijk momenten te reconstrueren. Wat gebeurde er toen in de voorstelling? Denk hierbij ook aan andere elementen: het decor, de kostuums, de acteurs, de musici, de fanfare en de muziek, etc. Vertelde de belichting iets over de sfeer en/of de betekenis van de voorstelling? Waarom wel en/of waarom niet? Er zat ook een black-out in de voorstelling, dat is een moment in een voorstelling, waarin de lampen helemaal uitgaan en het zowel in de zaal als op scène geheel donker is. Wanneer gebeurde dit in de voorstelling? Welke twee uitroepen zaten er voor en na deze black-out? Welke overgang in sfeer benadrukte deze black-out, denk je? Waarom zouden de regisseurs voor deze abrupte overgang hebben gekozen? Wat zou die kunnen betekenen? TO SEE.. De kostuums. Beschrijf de kostuums van ieder personage, van de musici, en van de fanfare. Uit welke kleuren bestonden de verschillende kostuums? Welke kostuumwissels heb je gezien? Op welke manieren werd er van kostuum gewisseld? Wat vond je hiervan? Welke aspecten in de kostuumwissel van de fanfare zijn je het meest bijgebleven en waarom? Wat zouden de verschillende kostuums kunnen betekenen en waarom denk je dat er van kostuum gewisseld werd? TO SEE… Het aantal personages. Hoeveel personages heb je op het toneel gezien? (En hou hierbij in het achterhoofd dat een ‘personage’ niet per se door een acteur gespeeld hoeft te worden. Denk aan wie allemaal op de scène verscheen)) Beschrijf voor elk personage één beeld, één uitspraak, één beweging… die voor jou zeer opvallend was en waaraan je een betekenis kan toekennen. Bespreek dit in functie van de thematiek van het stuk. TO SEE.. De vier hoofdpersonages. De vier hoofdpersonages, die gespeeld worden door de vier acteurs, vormden verschillende duo´s met elkaar. Bespreek de combinaties die je hebt gezien. Welke relaties waren er, volgens jullie, zichtbaar en in welke verhouding stonden deze relaties tot de thematiek van de voorstelling als geheel? TO SEE… De namen van de hoofdpersonages. Hadden de hoofdpersonages ook een naam? Wanneer ze geen naam zouden hebben, hoe zou je deze personages dan omschrijven? Wat kan de reden zijn dat deze personages geen naam hebben? Lijken deze personages op elkaar of juist niet? Leg uit en beschrijf hun rol in het
verhaal van Wim en in het grotere geheel als onderdeel van een fanfare. In de repetities kregen die vier personages vaak als ‘naam’ de vier seizoenen mee: herfst, winter, lente, zomer. Proberen jullie nu ook eens de vier seizoenen op de vier hoofdpersonages te plakken en probeer duidelijke argumenten voor jullie keuze te geven.
|TO HEAR| 1. TO HEAR… De muziek: algemeen. Er is op allerlei manieren muziek te horen geweest in de voorstelling. Op welke verschillende manieren werden de verschillende muziekstukken gemaakt? Wat voor soort muziek was het vooral? Wat vond je van de muziek en de rol van de muziek in deze voorstelling? Is jouw mening over dit genre muziek door deze voorstelling veranderd of niet, en waarom? 2. TO HEAR… De muziek: specifieke scènes. In de voorbereidende lesmap werden twee muziekstukken van twee componisten bekend gemaakt, namelijk één van Elgar en één van Holst. Welke scènes, waarin er muziek te horen was, herinner je je nog het meest en waardoor zou dit kunnen komen? Beschrijf de beelden en de sfeer die hoorden bij deze scènes. Welke personages waren bij deze scènes betrokken? Welke betekenis zou je kunnen koppelen aan deze scènes en de bijbehorende muziekstukken? (In bijlage 1 is een lijst te vinden met alle muziekfragmenten uit de voorstelling, mocht je ze nog eens willen terugbeluisteren om je bijvoorbeeld bij deze opdracht te helpen.) 3. TO HEAR… De dirigent. De dirigent, en tevens de muzikaal leider van deze productie, is ook twee keer te zien geweest op de scène. Wanneer was dit? Omschrijf wat hij deed. Wat viel hierin het meeste op? Wat vond je van zijn rol in de voorstelling? En wat zou zijn rol betekenen, denk je? 4. TO HEAR… De stem op band. Een aantal malen was er een mannelijke stem te horen, die op band stond. Weet je wie hij was? Mocht je zijn naam niet kennen, bedenk dan wie hij zou kunnen zijn en waar hij was toen deze opname werd gemaakt? Wat vond je van deze stem als je ze plaatst in het geheel van de voorstelling? Waar zou de stem voor kunnen staan binnen de thematiek van de voorstelling? Leg uit. Vergelijk de tekst van deze stem met de teksten van de acteurs. Welke gelijkenissen heb je waargenomen en welke verschillen?
5. TO HEAR… Een citaat van een Vlaamse dichter. In de eerste monoloog, die jullie ook gelezen hebben in de inleidende lesmap, wordt een bekende Vlaamse dichter geciteerd. Wie was dit? En hoe verbasterde Wim Opbrouck zijn naam? En waarom deed hij dit op die manier? Vergelijk de inhoud van dit gedicht met de thematiek van de voorstelling. Wat valt je op? Waarom is dit stukje gedicht in de voorstelling terechtgekomen, denk je? En wat zou dit stukje gedicht in de voorstelling kunnen betekenen? Leg uit. 6. TO HEAR.. De gesproken talen. Welke talen zijn er in de gehele voorstelling allemaal gesproken? Heb je alles verstaan? Zou het erg zijn geweest als je niet alles verstaat? Leg uit. Waarom, denk je, dat de regisseurs voor deze manier van tekstbehandeling hebben gekozen? Vond je deze tekstbehandeling verwarrend of juist niet? Leg uit. Welke impact had de tekst op jou?
|TO FEEL| 1. TO FEEL… Het thema. Kies voor de vier hoofdpersonages per personage een scène uit, die jij het sterkst verbindt aan dit personage. Beschrijf die scène. Welke emoties hebben die hoofdpersonages op het podium geuit? Verklaar je antwoord en leg het verband met de thematiek van de voorstelling. Kon je je inleven in bepaalde emoties? Waarom wel of waarom niet? Verbind dit aan de discussie, die jullie vooraf hebben gehad over de effecten van een ziekte op de zieke en zijn of haar omgeving. Herkende je de manieren waarop de vier hoofdpersonages reageerden? Beschrijf hun handelen. 2. TO FEEL… De fanfare. Welke rol vervulde de fanfare in deze voorstelling, denk je? Wat vond je van de aanwezigheid van de fanfare? Leg uit. Welke gevoel riep de fanfare bij jou op? Is jouw beeld of mening van fanfares door deze voorstelling veranderd? En zo ja, op welke manier(en)? 3. TO FEEL… De gehele voorstelling. Heeft de voorstelling bepaalde emoties bij je losgeweekt? Wanneer wel? Wanneer niet? Hoe heb je de voorstelling beleefd? Met wat voor gevoel kijk je terug op de voorstelling? Probeer jouw mening over de voorstelling op te schrijven. Vergelijk deze mening met de recensies, die je vindt op www.ntgent.be en in de grote kranten van Vlaanderen. Komt jouw mening overeen met die van de recensenten? Op welke vlakken wel en op welke vlakken niet?
|TO KNOW| 1. TO KNOW… Verwachtingen. Welke verwachtingen had je vooraf aan de voorstelling? Hoe dacht je bijvoorbeeld dat de samenwerking tussen theater, dans en fanfare vertaald ging worden op de scène? Waarom? Werd aan jouw verwachtingen voldaan? In welke mate verschilden jouw verwachtingen van wat je uiteindelijk gezien hebt in de voorstelling? Wat had je niet verwacht? Wat had je wel verwacht, maar is niet echt aan bod gekomen? Komen jouw verwachtingen en jouw indruk achteraf overeen met de beelden die je vooraf hebt gezien van eerdere producties van Alain Platel en Frank van Laecke? 2. TO KNOW… De voorstelling. Nu je zelf de voorstelling gezien hebt, zie je nog andere thema’s die aan bod zijn gekomen? Hecht je bijvoorbeeld een andere betekenis aan de titel of aan het begrip kostuums? Leg uit. We zijn benieuwd naar jullie reacties (goed of slecht). Mail ze naar
[email protected] of reageer rechtstreeks op de website www.ntgent.be. Onze acteurs lezen graag jullie reacties. Nog vragen over een of ander theaterteken in de voorstelling? Stel gerust je vragen aan ons.
Bijlage 1 – De muziekstukken • • • • • • • • • • • • •
Wagner – Lohengrin – Vorspiel Verdi – Aida - ´Tu che dal nulla hai tratto´ Mahler – Urlicht Bach – Koraal Schubert – An die Musik Leemans – Marche des Parachutistes Belges Elgar – Nimrod Verdi – Aida – Mohresklaven Verdi – Il Trovatore – Miserere Lemmens – Fanfare Beethoven – Quartet (Fidelio) Schubert – Der Leiermann Holst – The Planets - Jupiter