Beknopt onderzoeksrapport Scholingsaanbod en –behoefte bij Nederlandse sportbonden
Ward van der Waerden Amsterdam, 2012 Student/Stagiair Sportmarketing/Johan Cruijf University Hogeschool van Amsterdam
INLEIDING Op 7 januari 2012 ben ik begonnen aan mijn afstudeeronderzoek. Mijn naam is Ward van der Waerden en ik ben een student Sportmarketing/Johan Cruijf University aan de Hogeschool van Amsterdam. Mijn afstudeerstage is ondersteund door het universitair opleidings- en adviescentrum EXPOSZ. Bij de organisatie EXPOSZ lag de vraag hoe het opleidingsaanbod bij sportbonden in Nederland is opgebouwd en hoe de behoefte aan scholing is bij deze bonden. Dit leek mij een erg interessant marktonderzoek en nu vijf maanden later ben ik een hoop wijzer geworden en heb ik een hoop interessante uitkomsten ontdekt. Voorafgaand aan het onderzoek is de volgende doelstelling opgesteld, waar het onderzoeksrapport aan het einde antwoord op moet geven: Het marktonderzoek dat heeft plaatsgevonden moet inzicht bieden in de structuur van de sportbonden in Nederland. Daarnaast moet het onderzoek inzicht geven in het scholingsaanbod en de scholingsbehoefte van de sportbonden. Aan het begin van het onderzoek moest eerst een hoop deskresearch gedaan worden om een beeld te krijgen hoe het algemene scholingsaanbod wordt aangeboden. Via het NOC*NSF was hier veel informatie over te vinden. EXPOSZ heeft ondersteuning geboden aan de Academie voor Sportkader bij het opzetten van de Kwalificatiestructuur Sport, hierdoor was er intern ook veel kennis en informatie beschikbaar. Naast de deskresearch was er meer verdiepende informatie nodig om het onderzoek kwalitatief aan te vullen. Hiervoor zijn verschillende sportbonden benaderd, waarbij hen werd gevraagd om mee te werken aan een diepte-interview. Veel sportbonden waren bereidwillig om hieraan mee te werken en in totaal heb ik twaalf diepte-interviews afgenomen bij managers of coördinatoren van de afdeling ‘opleidingen’ van verschillende sportbonden. Hier kwam interessante informatie uit voort. In dit onderzoeksrapport staan alleen algemene bevindingen en worden geen voorbeelden gegeven van specifieke bonden. Dit omdat er ook vertrouwelijke informatie is verstrekt vanuit de bonden. Na de geïnterviewde bonden uitgebreid geanalyseerd te hebben, worden in dit onderzoeksrapport verbanden getrokken tussen punten die de sportbonden gemeen hebben en waar ze in verschillen. Voorafgaand aan het onderzoek zijn verschillende deelvragen opgesteld. Deze deelvragen zullen allen beantwoord worden. Een deel van de uitkomsten van dit onderzoek is gepresenteerd in het Olympisch Stadion. Hier heb ik samen met EXPOSZ een minisymposium georganiseerd. Op deze dag werden naast de presentatie ook twee workshops verzorgd over de onderwerpen motorisch leren en coachingvaardigheden.
2
INHOUDSOPGAVE Inleiding
2
1. Welke sportbonden zijn er binnen Nederland
4
2. Hoe zijn deze sportbonden organisatorisch ingedeeld?
5
3. Hoe zijn de geldstromen voor scholingsmogelijkheden opgebouwd?
5
3.1 Hoe verdeelt het NOC*NSF de geldstromen over de verschillende bonden?
5
3.2 Welke andere partijen financieren bonden op het gebied van scholing?
6
3.3 Hoeveel budget hebben de sportbonden om bijscholing van hun coaches aan te (gaan) bieden?
6
4. Wat bieden deze sportbonden aan op het gebied van scholing?
6
4.1 Hoe wordt scholing aangeboden via de verschillende sportbonden?
6
4.2 Hoever zijn alle bonden met het doorvoeren van coachen op vijf niveaus volgens de Kwalificatiestructuur Sport? 4.3 Hoeveel budget hebben de sportbonden om bijscholing van hun coaches aan te (gaan) bieden? 4.4 Aan welke normen moeten coaches voldoen?
7
4.5 Worden de digitale leeracademies van sportbonden algemeen aangeboden of alleen bij enkele uitzonderingen? 4.6 Via welke externe opdrachtgevers bieden deze sportbonden momenteel scholing aan?
5. Hoe is de behoefte aan scholing? 5.1 Wat is de behoefte aan verbetering/uitbreiding van opleiding en bijscholing binnen de sportbonden? 5.2 Welk verschil zit er tussen verschillende sportbonden in relatie tot het aanbod en de vraag naar scholing?
7 8 8 9
9 9 10
6. Met welke sportbonden heeft EXPOSZ in het verleden al samengewerkt?
11
7. In hoeverre kunnen de diensten van EXPOSZ aansluiten op de vraag naar scholing van de verschillende sportbonden?
11
Aanbevelingen
12
Nawoord
13
3
1 Welke sportbonden zijn er binnen Nederland? In Nederland bevinden zich 77 sportbonden. Onderstaande tabel geeft deze sportbonden weer.
Sportbonden 1 Kon. Ned. Voetbal Bond 2 Kon. Ned. Lawn Tennis Bond 3 Nederlandse Golf Federatie 4 Koninklijke Nederlandse Gymnastiek Unie 5 Koninklijke Nederlandse Hockey Bond 6 Kon. Nederlandse Hippische Sportfederatie 7 Kon. Ned. Zwembond 8 Atletiekunie 9 Nederlandse Volleybal Bond 10 Nederlandse Bridge Bond 11 Kon. Ned. Korfbal Verbond 12 Ned. Ski Vereniging 13 Watersportverbond 14 Kon. Ned. Schaatsenrijders Bond 15 Judo Bond Nederland 16 Badminton Nederland 17 Koninklijke Ned. Klim- en Bergsport-Vereniging 18 Nederlands Handbal Verbond 19 Kon. Ned. Motorrijders Vereniging 20 Nederlandse Toer Fiets Unie 21 Nederlandse Basketball Bond 22 Kon. Ned. Schutters Associatie 23 KNBLO 24 Nederlandse Wandelsport Bond 25 Ned. Darts Bond 26 Nederlandse Tafeltennis Bond 27 Koninklijke Nederlandse Biljart Bond 28 Kon. Ned. Roei Bond 29 Reddingsbrigade Nederland 30 Kon. Ned. Wielren Unie 31 Kon. Ned. Schaak Bond 32 Kon. Ned. Base-en Softball Bond 33 Ned. Jeu de Boules Bond 34 Ned. Onderwatersport Bond 35 Gehandicaptensport Nederland 36 Squash Bond Nederland 37 Ned. Bowling Federatie 38 Kon. Ned. Kaats Bond 39 Kon. Ned. Ver. voor Luchtvaart
40 Ned. Triathlon Bond 41 KNAF Nat. Autosport Fed. (KNAF) 42 Nederlandse Handboog Bond 43 Nederlandse Rugby Bond 44 Karate-do Bond Nederland 45 Kon. Ned. Krachtsport en Fitnessfederatie 46 Taekwondo Bond Nederland 47 Fed. Oosterse Gevechtskunsten 48 Ned. Kano Bond 49 Ned. IJshockey Bond 50 Ned. Algemene Danssport Bond 51 Kon. Ned. Kegel Bond 52 Kon. Ned. Dambond 53 Kon. Ned. Cricket Bond 54 Aikido Nederland 55 Fed. van Klootschieters en Kogelwerpers 56 Nederlandse Waterski & Wakeboard Bond 57 Nederlandse Kruisboog Bond 58 Koninklijke Nederlandse Algemene Schermbond 59 Alg. Ned. Sjoelbond 60 American Football Bond Ned 61 Ned. Indoor en Outdoor Bowls Bond 62 Ned. Beugel Bond 63 Nederlandse Boks Bond 64 Nederlandse Floorball en Unihockey Bond 65 Nederlandse Frisbee Bond 66 Nederlandse Roller sports en Bandy Bond 67 Nederlandse Go Bond 68 Holland Surfing Association 69 Ned. Minigolfbond 70 Kon. Ned. Kolf Bond 71 Nederlandse Vijfkampbond 72 Kon. Ned. Motorboot Club 73 Nederlandse Draken Boot Federatie 74 Ned. Curling Bond 75 Bob en Sleebond Nederland 76 Nederlandse Racquetball Associatie 77 Skate Bond Nederland
4
2 Hoe zijn deze sportbonden organisatorisch ingedeeld? Over het algemeen gebruiken de sportbonden ongeveer dezelfde organisatiestructuur voor hun afdeling opleidingen. Veel bonden beschikken over een aparte afdeling ‘opleidingen’. Ook zijn er verschillende sportbonden die hun afdeling ‘opleidingen’ onder de afdeling ‘sport’ of ‘breedtesport’ hebben gebracht. Het aantal medewerkers voor de afdeling opleidingen is variërend. Bij veel bonden zijn er ongeveer vier medewerkers werkzaam met een invulling van gemiddeld 2 fte. Dit is per sport verschillend. Kleinere sporten hebben aan 1 fte genoeg en de grotere sporten met een groter opleidingsaanbod hebben vaak meer medewerkers in dienst. Een grappig verschil tussen de sportbonden is de functietitel die de hoofdmedewerkers van de opleidingen hebben. Van de twaalf gesproken mensen hadden maar enkele medewerkers dezelfde functietitel, terwijl ze allemaal dezelfde of soortgelijke werkzaamheden uitvoeren. Voorbeelden hiervan zijn medewerker sport, coördinator opleidingen, coördinator kaderontwikkeling, directeur ontwikkeling van de breedtesport en opleiding, manager sportontwikkeling, enzovoort. Het maakt natuurlijk niet uit hoe een medewerker zijn functie noemt. Maar dit was wel een opvallend verschil. Er zijn veel sportbonden die samenwerken met verschillende regio’s, afdelingen of verenigingen die vaak verspreid zijn over de provincies of gewesten. Veel communicatie en scholingsaanbod wordt aangestuurd door de sportbonden en loopt daarna via deze regio’s naar de leden, sporters en coaches. Bij sommige sportbonden zorgt deze vorm van indirecte communicatie voor problemen. De regio’s geven niet goed genoeg door aan de coaches dat er nieuwe opleidingen of evenementen zijn. Hierdoor bereiken de bonden dus niet hun gehele doelgroep. Goede afspraken, samenwerking en communicatie is dan ook van groot belang in deze opzet.
3 Hoe zijn de geldstromen voor scholingsmogelijkheden opgebouwd? 3.1 Hoe verdeelt het NOC*NSF de geldstromen over de verschillende bonden. Het NOC*NSF deelt via de ASK en het KSS bepaalde budgetten uit aan bonden. Dit is verschillend per niveau en deze budgetten worden door het NOC*NSF gefinancierd vanuit de Lottogelden. Enkele jaren geleden had het NOC*NSF een bepaald sterrensysteem opgezet. Sportbonden werden gerankt aan de hand van het aanbod van hun opleidingen. De bonden konden 1, 2 of 3 sterren krijgen. De grootste bonden kregen 3 sterren en zij kregen hierdoor ook het meeste opleidingsbudget. Dit bleek toch geen groot succes te zijn. Hierna is een nieuw financieringssysteem opgezet. Sportbonden krijgen geld per opgeleide sportcoach. Per diploma en per niveau verschillen deze inkomsten. Deze zijn voor 2012 als volgt opgesteld: - Diploma op niveau 1 = 50, - per diploma - Diploma op niveau 2 = 150, - per diploma - Diploma op niveau 3 = 250, - per diploma - Diploma op niveau 4 = 350, - per diploma Het verschil in opbrengsten ontstaat, doordat een coach van niveau 4 een langer opleidingstraject moet volgen dan een coach van niveau 1, dus is er meer geld nodig om dit traject te financieren.
5
3.2 Welke andere partijen financieren bonden op het gebied van scholing Naast de geldstromen van het NOC*NSF hebben sportbonden vaak meer geld nodig om hun opleidingen kostendekkend te maken. Een andere geldstroom voor opleidingen zijn de inschrijfgelden. Deelname aan een opleiding of bijscholing kost geld. Dit wordt betaald door de coach of cursist. Vaak zijn er sportverenigingen die dit bedrag betalen voor hun coach. Zij treffen dan vaak een regeling met de coach dat de vereniging het bedrag betaalt voor de opleiding van bijvoorbeeld niveau 3 en in ruil daarvoor blijft de coach tenminste 3 jaar aan de vereniging verbonden. Voor bijscholing geldt vaak hetzelfde. Om deel te nemen aan de bijscholing dient een bepaald bedrag betaald te worden. Als de kosten voor de bond € 800,- zijn voor een bijscholingsmiddag kan de bond € 100,- per persoon vragen en op het moment dat er 8 deelnemers zijn voor die middag gaat de cursus door. Het geld dat extra wordt gegenereerd bij aangeboden scholing wordt bij elke bond weer geïnvesteerd in de ontwikkeling van de eigen opleiding. Er is dan ook geen enkele sportbond die de opleiding aanbiedt uit winstoogmerk. De bonden investeren ook bijna allemaal in hun eigen opleidingen. De afdeling ‘sport’ of ‘opleidingen’ hebben vaak een potje met budget dat uitgegeven kan worden aan scholing. Verschillend is het per bond of hier ook de salarissen van de medewerkers van worden betaald. 3.3
Hoeveel budget hebben de sportbonden om bijscholing van hun coaches aan te (gaan) bieden? Over het algemeen komen de sportbonden redelijk rond. Er is bij geen enkele bond genoeg budget, omdat er nooit genoeg is, maar er is wel voldoende budget om het huidige aanbod aan te blijven bieden. Bonden proberen wel steeds creatiever met hun budget om te gaan. Dit doen zij bijvoorbeeld door scholing via externe onderwijsinstellingen of externe partijen aan te bieden. Dit scheelt de bonden erg veel in de organisatiekosten. Zoals eerder gezegd bieden de bonden hun opleidingen aan om de kwaliteit van de sport en de scholing te verbeteren. Ze doen dit niet om meer budget te genereren of leden te werven. Daardoor is het van belang dat alle scholing kostendekkend wordt gedraaid en dat de winst van bepaalde opleidingen of bijscholing weer wordt geïnvesteerd in nieuwe scholingsontwikkeling.
4 Wat bieden deze sportbonden aan op het gebied van scholing? 4.1 Hoe wordt scholing aangeboden via de verschillende sportbonden? Scholing van coaches valt op te delen in twee gebieden die bij elke sportbond worden aangeboden, namelijk opleiding en bijscholing. Een sportcoach dient eerst zijn opleiding te volgen en een diploma te behalen. Vrijwel alle bonden houden hiervoor de Kwalificatiestructuur Sport aan. De opleidingen worden vaak door de bonden zelf aangeboden. Afhankelijk van de grote van een sport of opleiding wordt deze door verschillende verenigingen aangeboden of op een centrale plek die door de bond wordt aangewezen, zoals bij het bondsbureau zelf. Hier moeten dan wel de faciliteiten aanwezig zijn. Veel sporten bieden hun opleidingen aan via een regionaal opleidingscentrum (ROC). Sportgerichte opleidingen zoals CIOS kunnen deze opleidingen vaak prima verzorgen. De toetsing gaat dan wel meestal via het bondsbureau van de sport om de kwaliteit te kunnen bewaken. Naast de opleiding wordt er bij vrijwel elke sport bijscholing aangeboden. Dit gaat op vrijwillige basis waarbij de coach zich kan blijven ontwikkelen óf op verplichte basis aan de hand van een licentiesysteem. Het aanbod van bijscholing is varieert sterk tussen de verschillende sporten. Sommige sportbonden bieden heel veel bijscholing aan via eigen expertise, interne contacten en externe partijen. Er zijn ook bonden die hier minder waarde aan hechten of over minder financiële middelen beschikken. Deze bieden hierdoor maar enkele bijscholingsmogelijkheden aan voor de belangstellenden.
6
4.2
Hoever zijn alle bonden met het doorvoeren van coachen op vijf niveaus volgens de Kwalificatiestructuur Sport? Sinds de invoering van de Kwalificatiestructuur Sport hebben vrijwel alle sportbonden dit systeem geïmplementeerd binnen hun opleiding. De sportbonden moeten zich binnen dit systeem aan bepaalde richtlijnen houden, maar ze hebben ook een bepaalde vrijheid en zijn zelf verantwoordelijk voor de invulling. Hierdoor zijn er toch nog wel redelijk wat verschillen te ontdekken over het hanteren van het KSS systeem. Zo zijn er veel sportbonden die niveau 1 niet aanbieden. Dit omdat het niveau vaak te laag wordt bevonden. Bij veel sporten kun je op de website gratis informatie en oefeningen vinden. Door deze documenten door te lezen en de opdrachten te maken kun je al een niveau 1 diploma behalen. Hier zijn dus geen directe contactmomenten voor nodig. Niveau 2, 3 en 4 worden wel door bijna elke bond aangeboden. Er zijn enkele sportbonden die ook niveau 2 niet aanbieden. Dit komt omdat dit vaak beroepsmatige sporten zijn, waar de sportleider betaald word. Er wordt dan van deze sportleider verwacht dat hij op een goed niveau zit en hier zou niveau 2 nog niet aan voldoen. Niveau 2, 3 en 4 worden ook vaak door onderwijsinstellingen aangeboden. Dit in samenwerking met de sportbonden van de desbetreffende sporten. De bonden zijn verplicht om hun opleidingen van niveau 2, 3 en 4 aan bepaalde normen te laten voldoen en competenties op elkaar af te stemmen. Het NOC*NSF houdt hier toezicht op door de opleidingen via een auditsysteem te beoordelen. Handhaving hiervan verloopt goed en de bonden ontvangen ook extra subsidie van het NOC*NSF als hun opleiding wordt goedgekeurd. Niveau 5 wordt in de vorm van een Topcoach5 opleiding aangeboden door het NOC*NSF. Veel sporten maken hier gebruik van en de bonden bieden hierdoor ook bijna nooit een eigen niveau 5 opleiding aan. Er zijn enkele sporten die het belangrijk of noodzakelijk vinden dat hun bondscoaches sportspecifiek worden opgeleid en hierdoor bieden enkele bonden een eigen niveau 5 opleiding aan. 4.3
Welke sportbonden werken met bepaalde vormen van puntensystemen, zoals accreditatiepunten voor hun coaches en hoe is dit opgebouwd? Naast het diploma is het bij verschillende sporten mogelijk of verplicht om een licentie te behalen. Vaak kunnen sportcoaches na het behalen van een diploma direct een licentie aanvragen. Deze is dan enkele jaren geldig en hierna dient deze verlengd te worden als de coach actief blijft in de sport. Hiervoor geldt dan ook dat de coach een diploma heeft voor het leven en een licentie voor een aantal jaren. Bij veel sporten is het naast de aanvraag van de licentie ook verplicht om een aantal licentiepunten te halen voordat een coach zijn diploma mag verlengen. Omdat er geen verplichte regels of eisen zijn opgesteld aan licentiesystemen, zijn er veel verschillen te ontdekken in hoe de sportbonden een dergelijk systeem hanteren. In een sport waar ze een uitgebreid licentiesysteem toepassen moet een coach na zijn diploma een licentie aanvragen. Deze is dan bijvoorbeeld drie jaar geldig en in deze drie jaren moet de coach 12 licentiepunten behalen. Deze licentiepunten zijn te behalen door bijscholingsdagen te volgen, waarbij elk cursusuur bijvoorbeeld één licentiepunt waard is. Het voordeel van het invoeren van een licentiepuntensysteem is dat een bond weet dat de coaches up-to-date worden bijgeschoold over actuele onderwerpen die spelen binnen de sport. Nieuwe technologieën, generieke trajecten, veiligheid en sportspecifieke onderwerpen zijn vaak de speerpunten van deze bijscholingen. Vaak worden bijscholingen van externe partijen ook geaccrediteerd door sportbonden, zodat de coaches naast het aanbod van de bond ook meer mogelijkheden hebben om bijscholingspunten te halen.
7
Het nadeel van een licentiepuntensysteem zit hem vooral bij de invoering in het begin. Een sportbond moet coaches verplicht gaan stellen om bijscholing te gaan volgen. Coaches die al jaren training geven denken vaak dat ze al genoeg weten en hebben geen zin om deze bijscholing te volgen. Het kost de coaches natuurlijk extra tijd en vaak moeten de coaches er ook nog voor betalen om aan een bijscholingsdag deel te nemen. Hierdoor wordt de invoering van een dergelijk systeem niet altijd even positief ontvangen. Daarnaast is het ook voor de bond een grote administratieve opgave om voor alle coaches bij te houden hoeveel bijscholing zij hebben gevolgd en hoeveel licentiepunten ze op dat moment hebben. Wat opvalt is dat veel bonden die nog geen licentiesysteem hanteren wel bezig zijn met het implementeren van een dergelijk systeem. Ze zijn bijna allemaal aan het zoeken naar mogelijkheden om dit in hun sport te gaan invoeren. Veel bonden proberen deze invoering dan ook geleidelijk en langzaamaan te doen. Hierbij valt te denken om het eerst op niveau 4 verplicht te gaan stellen, zonder te veel eisen. Coaches die hun niveau 4 diploma behalen moeten een licentie aanvragen die bijvoorbeeld vier jaar geldig is. Voor hun licentie dienen ze één bijscholingsdag per jaar te volgen. De bond moet dan zelf zorgen dan er minimaal twee bijscholingsdagen per jaar worden aangeboden, zodat de coaches de keuzemogelijkheid hebben om een datum te kiezen. Mochten ze beide dagen niet kunnen, dan dienen ze via externe partijen of losse workshops een bepaald aantal punten per jaar te halen, die gelijk staan aan één bijscholingsdag. Op het moment dat het geen grote inspanning is voor de coaches en dat het bijscholingsaanbod leuk en interessant is, zullen coaches er sneller voor open staan. Een laatste probleem is dat er draagvlak bij de verenigingen gecreëerd moet worden. Bij veel sporten is een tekort aan coaches en zijn de verenigingen allang blij als ze een coach kunnen aannemen. Het maakt ze dan niet uit dat deze coach geen licentie heeft en soms worden coaches zelfs aangenomen zonder diploma. Coaches zullen echter sneller gemotiveerd raken om deze licentie te behalen, als verenigingen een coach pas aannemen wanneer deze een actuele licentie heeft. Maar dit is vooral voor de kleinere sporten een gevoelig en lastig onderwerp. 4.4 Aan welke normen moeten coaches voldoen? Over het algemeen moeten sportcoaches bijna overal verplicht een diploma halen. Enkele sportbonden stellen het niet verplicht. Voor het meedoen aan een opleiding wordt vaak gekeken wat de ervaring is van een sporter. Sommige oud-topsporters kunnen een sneller opleidingstraject volgen bij sommige sporten. Vaak zie je ook dat coaches met een opleiding bij een andere sport vrijstelling kunnen krijgen voor bepaalde onderdelen of op een hoger niveau kunnen instromen. Dit is per persoon verschillend. Na het behalen van de opleiding is het vaak mogelijk en soms verplicht om een licentie aan te vragen en deze bij te houden. 4.5
Worden de digitale leeracademies van sportbonden algemeen aangeboden of alleen bij enkele uitzonderingen? Een aantal sportbonden maakt gebruik van een digitale leeromgeving. Vaak ook wel de ELO genoemd, elektronische leeromgeving. Op deze digitale leeromgeving zijn vaak informatieve documenten en opdrachten te vinden over de opleidingen. Ook moeten coaches vaak een portfolio uploaden en deze bijhouden op deze elektronische leeromgeving. De meeste coaches gebruiken de ELO vanaf niveau 2. Op niveau 1 is het niet gebruikelijk en noodzakelijk om een portfolio bij te houden, dus is een ELO wat overbodig. De tevredenheid over de ELO varieert per bond. De ene bond is er erg tevreden over, de andere bond krijgt veel klachten van coaches dat het ongebruiksvriendelijk of als niet praktisch wordt gevonden. Vandaar dat er een aantal bonden aan twijfelt om een ELO te gaan gebruiken en er zijn bonden die het gebruiken en ermee willen stoppen. Dit heeft vooral met de kosten en tevredenheid te maken.
8
4.6 Via welke externe opdrachtgevers bieden deze sportbonden momenteel scholing aan? Veel sportbonden bieden de opleiding aan in samenwerking met externe instellingen of organisaties. Voor de opleidingen valt dan vooral te denken aan ROC’s die de sportcoach opleiding ook aanbieden aan eigen voltijdstudenten en geïnteresseerde contractstudenten. Niveau 5 wordt georganiseerd door het NOC*NSF en hier maken ook veel bonden gebruik van. Omdat er vaak maar weinig coaches van niveau 5 zijn is het te duur voor een bond om deze gehele opleiding zelf op te zetten. Er zijn ook enkele sportbonden die hun opleidingen geheel door een externe partij laten doen. Vaak is dit een sportspecifieke vereniging die nauw samenwerkt met de bond. Dit zijn vaak geen commerciële organisaties, maar eerder verenigingen die de desbetreffende sport willen verbeteren. Bijscholing wordt vaker verzorgd door externe partijen. Sportbonden huren dikwijls individuele experts in. Dit kan via het eigen netwerk of via particuliere bedrijfjes. Daarnaast zijn er ook organisaties die gespecialiseerd zijn in bepaalde bijscholingscursussen. ASK organiseert verschillende bijscholingen over generieke trajecten. NLCoach is een organisatie waar veel sportbonden mee samenwerken en zo zijn er nog meerdere commerciële organisaties die bijscholing aanbieden. Veel sporten hebben naast de bond nog een landelijke vereniging (voor trainers). Dit soort trainersverenigingen bieden vaak ook bijscholingsdagen aan. EXPOSZ, die dit onderzoek heeft ondersteund, kan ook gezien worden als een externe partij die een bijdrage kan leveren aan de professionalisering van sportcoaches. Deze samenwerking loopt al bij enkele sportbonden. EXPOSZ is verbonden aan de Vrije Universiteit van Amsterdam en beschikt over de nodige kennis en expertise om algemene en sport specifieke trainingen te verzorgen voor sportbonden. Kennisdomeinen waar EXPOSZ met name expertise in heeft zijn: motorisch Leren, coachingvaardigheden, gedragsverandering in de sport, sportpsychologie en curriculumontwikkeling.
5 Hoe is de behoefte aan scholing? 5.1
Wat is de behoefte aan verbetering/uitbreiding van opleiding en bijscholing binnen de sportbonden? De behoefte aan verandering is per bond verschillend. Er zijn bonden die heel tevreden zijn over hun huidige opleidingsaanbod, maar ook bij hen viel op dat ze openstaan voor mogelijke veranderingen. Er zijn ook bonden die van plan zijn grote wijzigingen door te voeren in de komende jaren. Er waren enkele veranderingen waar meerdere bonden gemeenschappelijk behoefte aan hadden. Bij veel bonden ligt de vraag hoe ze meer cursisten kunnen krijgen voor de opleidingen en de bijscholing. Ook zijn er veel sporten waar wel coaches op niveau 2 zijn, maar de doorstroming naar niveau 3 of 4 niet goed doorloopt. Er kan dan ook bij veel sporten meer draagvlak voor de scholing gecreëerd worden. Dit kan in de vorm van een beloningsysteem, waardoor het nog aantrekkelijker wordt om coach te worden. Dit is wel vaak een geldkwestie, coaches zullen gemotiveerder zijn een opleiding te volgen als ze op een hoger niveau een beter salaris krijgen, maar hier moet wel voldoende budget voor zijn. Voor bijscholing kan deze beloning ook in de vorm van het licentiepuntensysteem gebeuren. Hierdoor wordt er extrinsieke motivatie bij de coaches gecreëerd. Daarnaast is het van belang dat de coaches vanuit intrinsieke motivatie deelnemen aan de scholing. Dit kan gedaan worden door naar de behoeftes van de coaches te luisteren en te zorgen voor leuke of interessante onderwerpen. Een belangrijk hulpmiddel om dit draagvlak te creëren is goede communicatie en promotie van de opleidingen. Momenteel gebeurt dit bij veel bonden nog te weinig.
9
Veel sportbonden bieden hun opleiding heel sportspecifiek aan. Dit is erg belangrijk, omdat je elke sport anders moet benaderen. Toch zijn er nieuwe trends waarbij generieke trajecten steeds belangrijker worden gevonden. Dit kan gaan over verschillende onderwerpen. Doping of sexuele intimidatie zijn onderwerpen die door ASK gepromoot worden. Bij de bonden zelf viel op dat er ook behoefte is aan de uitbreiding van generieke coachingvaardigheden, zoals zelfreflectie. Een aantal sportbonden die nog geen licentiesysteem hanteren willen dit wel graag gaan invoeren, omdat hiermee de kwaliteit van de opleiders op peil wordt gehouden. Er is wel behoefte aan advies hoe het implementeren van een dergelijk systeem zo goed mogelijk kan verlopen. Veel bonden zijn bang dat de coaches ontevreden zullen zijn over een verplicht licentiesysteem en dat ze zullen stoppen als coach of zullen weigeren deze bijscholing te volgen. Er zitten echter geen eisen aan een licentiesysteem, dus een bond kan dit zelf zo zwaar maken als ze zelf willen. Bij de bonden die al met een licentiesysteem werken, is merkbaar dat er niet moeilijk gedaan wordt door de coaches om één of twee keer per jaar een bijscholingsdag te volgen. Ook hier is het verhaal over intrinsieke en extrinsieke motivatie weer van belang. Het is even de omschakeling en de weerstand met veranderingen is begrijpelijk, maar na gewenning zullen de coaches er alleen maar beter van worden en dit zal de sport ten goede komen. Om een dergelijk systeem te hanteren moet de bond wel voldoende bijscholingsaanbod hebben, zodat de coaches de mogelijkheid hebben om verschillende data te kiezen. Een bond kan er voor kiezen om dit bijscholingsaanbod zelf te leveren of om dit te laten doen door externe partijen. Losstaand van de scholing is er binnen enkele bonden ook behoefte aan meer kennis over bestuurlijke vraagstukken. Veel verenigingen in de sport bestaan uit vrijwilligers en hier spelen soms wel eens vraagstukken hoe deze vereniging bestuurlijk opgebouwd dienen te worden. Binnen veel bonden is dan ook behoefte aan experts, die deze verenigingen kunnen adviseren of begeleiden bij het opzetten van een bestuur. 5.2
Welk verschil zit er tussen verschillende sportbonden in relatie tot het aanbod en de vraag naar scholing? Tijdens het onderzoek is gekozen voor diversiteit, waardoor zowel grotere als kleinere bonden zijn geanalyseerd. Ook is gekeken naar Olympische sporten en team- of individuele sporten. Bij elke sportbond zijn verschillen te zien in de opleidingsstructuur. Wat opvalt, is dat de grotere bonden financieel en qua bezetting makkelijker de opleidingen gerealiseerd krijgen. De meeste grote bonden verzorgen dan ook zelf een groot deel van de opleidingen op elk niveau. De bonden verschillen in het toepassen van een licentiesysteem waar punten en bijscholing aan gekoppeld zijn. Bijscholingsdagen hiervoor worden meerdere keren per jaar georganiseerd. De kleinere bonden hebben vaak minder budget en meer vraag naar verbetering. Wel zie je dat veel kleinere bonden creatief met hun opleidingen omgaan. Via netwerk en relaties kunnen zij goede (internationale) sprekers regelen die workshops komen verzorgen. Veel bonden staan er dan ook voor open om de opleiding samen te organiseren met externe partijen. Dit scheelt organisatorisch vaak erg in de kosten.
10
6
Met welke sportbonden heeft EXPOSZ in het verleden al samengewerkt?
EXPOSZ heeft samen met de ASK meegewerkt aan de opzet van de Kwalificatiestructuur Sport. Deze samenwerking loopt nog steeds. Over een tijd zal er ook weer een nieuwe versie van de KSS uitkomen en hier heeft EXPOSZ ook een bijdrage aan geleverd. Hierdoor is EXPOSZ goed op de hoogte van de manier hoe sportbonden de KSS moeten hanteren en kunnen ze hier goed advies over geven. EXPOSZ werkt sinds een jaar ook samen met de KNHB. EXPOSZ verzorgt verschillende cursussen binnen de opleidingen van de hockeybond en verleent ondersteuning bij de curriculumontwikkeling. Deze is gericht op de niveaus 2 t/m 4. Onderwerpen die hierbij aan bod komen zijn bijvoorbeeld het geven van trainingen, coachen van wedstrijden en organiseren van activiteiten. 7
In hoeverre kunnen de diensten van EXPOSZ aansluiten op de vraag naar scholing van de verschillende sportbonden?
EXPOSZ is een non-profit organisatie die graag een bijdrage wil leveren aan het professionaliseren van beroepsbeoefenaars in de sport. De sportcoaches kunnen hier ook onder vallen. EXPOSZ heeft al enige ervaring met het samenwerken met sportbonden. De vraag naar scholing kent variatie in opleiding en/of bijscholing. EXPOSZ zou op beide vlakken een bijdrage kunnen leveren aan sportbonden. Dit kan in de vorm van advies en kennisoverdracht, maar dit kan ook in de vorm van de verzorging van cursussen. EXPOSZ heeft expertise gericht op verschillende kennisdomeinen in de sport. Hierbij valt te denken aan bijvoorbeeld motorisch leren, coachingvaardigheden en gedragsverandering in de sport. Op het moment dat EXPOSZ gaat samenwerken met een sportbond, zullen zij eerst om de tafel gaan zitten om de behoeftes met elkaar te bespreken. De ondersteuningsvraag zal per bond verschillen. Het aanbod van EXPOSZ zal in veel gevallen sportspecifiek gemaakt moeten worden. Dit is echter geen probleem voor de organisatie. Daarnaast beslaat het aanbod van EXPOSZ generieke onderwerpen die bij elke sport van belang kunnen zijn. Het cursusaanbod van EXPOSZ kan geïmplementeerd worden binnen een opleiding van verschillende niveaus, variërend van niveau 2 t/m 5. Daarnaast zou EXPOSZ ook losse workshops kunnen verzorgen op bijscholingsdagen. Een bond kan ervoor kiezen om deze workshops te laten accrediteren, zodat er punten aan verbonden zijn.
11
AANBEVELINGEN Na het gehele onderzoek heb ik een goed beeld gekregen van het scholingsaanbod en de behoefte bij verschillende sportbonden. Wat opviel was dat er veel verschillen zijn en dat de behoefte bij elke bond anders kan zijn. Omdat niet elke bond persoonlijk benaderd is voor dit onderzoek, hoeven de resultaten niet toonaangevend te zijn voor alle sportbonden. Wel waren er punten die bij veel bonden terugkwamen. In de aanbevelingen geef ik een voorbeeld hoe een opleidingsstructuur er naar mijn mening het beste uit kan zien. Dit begint met de Kwalificatiestructuur Sport. Elke sportbond zou dit moeten hanteren, want het geeft goede richtlijnen aan. Ik vind het de eigen keuze per sport, welke niveaus er aangeboden worden. Bij sommige sporten is het gewoon minder interessant om niveau 1 of niveau 5 aan te gaan bieden. Ik denk dat het belangrijk is dat de opleidingen die aangeboden worden wel van goede kwaliteit zijn. Ook moeten de cursisten de mogelijkheid hebben om op meerdere tijdstippen de cursussen te volgen. Een goede afstemming tussen thuisopdrachten en persoonlijke contactmomenten is dan ook belangrijk. Dit geeft de coaches meer vrijheid om zelf te bepalen wanneer zij hun opleiding volgen. Ik denk dat bonden niet moeten denken dat ze alles zelf kunnen. Door de kennis van externe partijen of individuen te gebruiken wordt de kwaliteit van de opleiding beter en het hoeft soms niet eens meer te kosten. Dit komt de kwaliteit van opleidingen vaak ten goede. En dit zal zich weer terugvertalen naar het kwaliteitsniveau van de coaches en de sport. Na het behalen van een opleiding denk ik dat het belangrijk is om bijscholing aan te bieden. Sport blijft veranderen en de kennis die je bij een opleiding leert zullen coaches weer gaan vergeten. Door bijscholing aan te bieden blijven ze up-to-date over de laatste trend en daarnaast toont de bond betrokkenheid naar de coaches. Om deze bijscholing te stimuleren denk ik dat een licentiesysteem een goede oplossing is. Naar mijn mening zou elke sport een licentiesysteem moeten hanteren. Het aantal verplichten licentiepunten of de contactmomenten kunnen wel per niveau of grote van sport verschillen, maar het is gewoon belangrijk om coaches bij te blijven scholen. Ook hier zou ik bonden aanraden om niet alles zelf te doen. Er zijn in Nederland veel experts over verschillende kennisonderwerpen in de sport. Meer samenwerking met andere sporten over generieke trajecten zou een goede oplossing kunnen zijn om in kosten te besparen. Onderwerpen als coachingvaardigheden en zelfreflectie kunnen bij teamsporten of individuele sporten veel overeenkomsten hebben. Door met verschillende sporten deze cursussen aan te bieden beperk je de kosten en zal de opkomst groter zijn. Uiteindelijk blijkt wel dat elke sport anders is en elke sportbond moet haar eigen afwegingen maken hoe belangrijk zij hun opleidingen vinden en hoeveel ze hierin willen en kunnen investeren.
12
NAWOORD Nu mijn afstudeerstage voorbij is ben ik blij met het uiteindelijke resultaat. Dit onderzoeksrapport is maar een deel van mijn gehele scriptie. Ik hoop dat u hiermee toch inzicht hebt gekregen in mijn bevindingen en wellicht kunt u wat met deze resultaten of herkent u het bij uw eigen sportbond. Ik wil de mensen die hebben meegewerkt aan een diepte-interview dan ook bedanken voor deze medewerking en de bijdrage die zij hebben geleverd aan het rapport. Mochten er nog vragen zijn over mijn eigen bevindingen dan mag er altijd contact met mij worden opgenomen. Dit kan via onderstaande gegevens: Ward van der Waerden
[email protected] 06-23183806 Ook wil ik EXPOSZ bedanken die het mogelijk heeft gemaakt om dit onderzoek uit te voeren. Mochten er vragen zijn naar EXPOSZ, dan zijn zij bereid naar iedereen te luisteren. Contactgegevens van EXPOSZ zijn de volgende: Carel Martens
[email protected] 020-5988607
13