Regionaal platform Onderwijsarbeidsmarkt Utrecht vo/mbo.
Aantrekkelijker scholen in de regio Utrecht: 4 samenhangende projecten Projectplan, augustus 2012
1
INHOUDSOPGAVE A. Algemeen
3
B. Professionalisering binnen aantrekkelijke scholen
6
C. Deelprojecten nader uitgewerkt 1. Verbetering inductiefase 2. Anders leren -> anders doceren: E-learning 3. Opleidingstrajecten schoolnabij 4. Ontfuiken
9 9 12 15 18
D. Specificering van de fasering: onderzoek en resultaten
19
E. Borging: binnen scholen, regionale inbedding en verdere disseminatie
24
2
A.
ALGEMEEN
Inleiding De komende jaren is het voor de vo-scholen in de regio Utrecht van belang om aantrekkelijk te zijn en te blijven voor potentiële docenten en om zittende docenten te boeien en te binden. Onderzoek van Jan Nelissen (CentERdata), Sil Vrielink (ResearchNed) en Dik Leering (QDelft) wijst uit, dat de arbeidsmarkt krap wordt. Ook al krimpt het leerlingenaantal in de regio rond de stad Utrecht vanaf 2016, dit weegt niet op tegen de te verwachten uitstroom van leraren. Dit en veel meer, is de uitkomst van het ‘Rekenmodel’ dat de afgelopen vier jaar vanuit het regionaal platform is ontwikkeld, in samenwerking met OCW, SBO, ResearchNed, QDelft en CentERdata. Op basis van bovenstaande gegevens, die in de loop van 2011 beschikbaar kwamen, is vanaf september 2011 binnen het regionaal platform een discussie gevoerd over de te ondernemen activiteiten binnen het HRM-beleid van de schoolbesturen in de regio Utrecht. De uitkomst is dat deze zijn te clusteren in vier soorten. In de eerste plaats is het nodig de begeleiding voor de beginnende leraren te versterken: teveel leraren ontvallen in de eerste vijf jaar het onderwijs. In de tweede plaats kan de aantrekkelijkheid van het onderwijs voor docenten en leerlingen verhoogd worden door een andere wijze van leren. In de derde plaats kan de bestaande infrastructuur rond opleiden in de school verbreed en versterkt worden waardoor opleidingstrajecten (nog meer) schoolnabij worden ingericht; ook kunnen leerlingen gericht op het leraarschap worden gewezen. Tenslotte zijn er mogelijkheden om het bedrijfsleven en andere organisaties meer te verbinden aan het onderwijs, in het bijzonder via een door TeachFirst geïnspireerd programma, zodat een keuze voor het onderwijs niet meer als fuik wordt gezien. Dit leidt tot vier deelprojecten: 1. Verbetering inductiefase (5 jarig) 2. Anders leren -> anders doceren: E-learning 3. Opleidingstrajecten schoolnabij 4. Ontfuiken
De regio Utrecht Het regionaal platform onderwijsarbeidsmarkt vo/mbo is gestart in 2000 als regiegroep opleiden in de school van een vijftal besturen VO en MBO en de lerarenopleiding van Hogeschool Utrecht. In 2003 is deze groep, samen met een groot aantal andere regionale besturen VO en MBO en de lerarenopleiding van de UU verder gegaan als regionaal platform onderwijsarbeidsmarkt, ondersteund door SBO. Hoofdthema’s in het platform zijn Opleiden in de school (OidS) Academische Opleidingsschool (AOS) en praktijkgericht onderzoek Leven Lang Leren: professionaliseren (leerwerkgroepen, masters, …) In dit kader kent de regio Utrecht enkele NVAO-erkende (academische) opleidingsscholen, te weten Het Utrechts Model (academisch), ROC Midden Nederland en Gooise ScholenFederatie. Verder zijn onder andere twee tranches ‘risicoregio projecten’ (Utrechtse Kansen en Utrechtse Kansen 2) uitgevoerd in de stad Utrecht, waarbij steeds de opbrengst is gedeeld met de scholen in de regio. Belangrijke opbrengsten zijn, naast de sterk gegroeide onderlinge contacten, het Keurmerk van Het Utrechts Model, het werken in leerwerkgroepen, het ‘opbrengstgericht professionaliseren’, het ‘Rekenmodel’ ter bepaling van de kwantitatieve en kwalitatieve lerarentekorten en het traject Utrechtse MeesterDocent (professionaliteit t.a.v. taal, rekenen en burgerschap in het vmbo). Zie www.samenopleiden.nl, www.utrechtsekansen.nl en www.leraarvo.nl Het regionale netwerk van hoofden P&O speelt in toenemende mate een coördinerende en initiërende rol.
3
Naast de bovengenoemde zaken zijn in veel scholen, vaak al vele jaren, ontwikkelingen gaande t.a.v. de inductiefase en van e-learning. Het is daarom van belang die informatie onderling te delen, te benutten en te verdiepen. Basiskeuzes van het regionale platform zijn daarom: a. Aansluiting bij en versterken van regionale expertise in scholen en lerarenopleidingen. b. Versterken en verbreden van de opbrengsten van Utrechtse Kansen. c. Onderzoek, professionalisering en onderwijs in onderlinge samenhang:
Het concept leerwerkgroepen in de vorm van opbrengstgericht professionaliseren, zoals ontwikkeld en geïmplementeerd in Utrechtse Kansen 2, blijkt daarin zeer effectief. Het blijkt dat opbrengstgericht professionaliseren via leerwerkgroepen van docenten uitstekend werkt als: de deelnemers betrokken zijn op de inhoud; de deelnemers gefaciliteerd zijn door hun directie (bijv. een klas minder lesgeven of de professionaliseringsuren voor deze activiteit inzetten); de opbrengsten vooraf gedefinieerd zijn en daarop commitment is van de deelnemers en directies van de scholen; de leerwerkgroep aangestuurd wordt door een leerprocesbegeleider, die ervoor zorgt dat deelnemers van en aan elkaar leren, en die ervoor zorgt dat het eindproduct tijdig af is en kwaliteit heeft. Als het daarvoor nodig is dat op gezette tijden door de deelnemers gewenste externe expertise wordt ingezet (bijvoorbeeld door een of meer keren in overleg aan te schuiven, of door een expertmeeting te organiseren), dan zorgt de leerprocesbegeleider daarvoor. In het najaar verschijnt hierover een artikel in Meso Focus.
De deelprojecten en de aansturing We beschrijven de deelprojecten in de volgende paragrafen. We starten deze deelprojecten, in onderlinge samenhang, vanaf het schooljaar 2012-2013. Dit schooljaar zal een voorbereidend jaar zijn, de uitvoering van de verschillende onderdelen in de dagelijkse praktijk van docenten (en leerlingen!) start in schooljaar 2013-2014 met een voorbereiding vanaf april 2013. Vanaf de start zijn docenten partner in de voorbereidingen, waardoor wordt aangesloten bij hun mogelijkheden en ambities. Per deelproject wordt aangegeven met welke soorten kosten dit gepaard gaat. Deze zijn gespecificeerd in de begroting. Het totaal wordt aangestuurd door een “overall” projectleider, conform de succesvolle aanpak in Utrechtse Kansen 2. Enkele leden van het regionaal platform onderwijsarbeidsmarkt vormen namens het regionaal platform een dagelijks bestuur dat opdrachtgever is voor de projectleider.
In beeld brengen van huidige situatie en bereikte situatie: effectmeting Teneinde op regionaal niveau zicht te krijgen op de huidige situatie (najaar 2012) en de bereikte situatie in 2015 zullen metingen worden uitgevoerd. Hierbij is van de zijde van de Universiteit Utrecht prof. dr. J. van Tartwijk bij betrokken. Dit onderzoek richt zich met name op de in deelprojecten 1 en 2 beoogde resultaten. In het najaar van 2012 zal met OCW worden afgestemd hoe dit onderzoek
4
vorm krijgt en zal de rol van onderzoekers die door OCW hierbij worden betrokken worden geëxpliciteerd. Zie hiervoor verder paragraaf D.
Bestaande expertise Op de genoemde onderwerpen is natuurlijk al veel expertise en ervaring beschikbaar, we bouwen daar op voort. We baseren ons wat betreft onderzoeksgegevens mede op regiospecifieke bronnen: - Leerlingenprognose Utrecht 2010-2025 (ResearchNed en QDelft; Sil Vrielink, Dik Leering; november 2011) - Vraag naar en aanbod van leraren vo in de regio Utrecht (CentERdata; Jan Nelissen, Hendri Adriaens, Peter Fontein; november 2011) - Quick scan Mobiliteit in het leraarsberoep in Nederland en het buitenland (CAOP, Isabel Gaisbauer, Marjolein van Dijk; april 2012) t.b.v. regionaal platform - Quick scan Anders leren – anders doceren. Praktijkvoorbeelden (CAOP, Marjolein van Dijk, Luus Veeken; april 2012) t.b.v. regionaal platform - InnovatieImpuls Onderwijs, met name E-klas en PAL: informatie aan regionaal platform - Diverse materialen uit de aangesloten besturen van het regionaal platform.
Leeswijzer We beschrijven in hoofdstuk B eerst de rode draad die door alle projecten loopt: het HRM- en professionaliseringsbeleid. Vervolgens worden in hoofdstuk C de vier deelprojecten beschreven en preciseren we in hoofdstuk D de fasering, met name van het onderzoek en de te bereiken resultaten. We ronden af met de borging van de resultaten voor de jaren erna (hoofdstuk E) en de begroting (hoofdstuk F).
5
B.
PROFESSIONALISERING BINNEN AANTREKKELIJKE SCHOLEN
Vanuit het Platform Onderwijsarbeidsmarkt vo/mbo regio Utrecht is een aantal projecten geformuleerd om de scholen aantrekkelijker te maken. Hierbij speelt de professionalisering van leraren in meerdere of mindere mate een rol. We beschouwen continue professionalisering als een middel om aantrekkelijk te zijn en te blijven: professionals willen graag bij de tijd blijven. Belangrijker is nog, dat we daarmee het onderwijs aan de leerlingen actueel houden en op niveau houden of brengen. We gaan in dit hoofdstuk in op de noodzaak tot professionalisering en de relatie met de initiële opleidingen en verkennen de specifieke projecten vanuit dit perspectief.
1. Noodzaak professionalisering De kwaliteit van het onderwijs wordt voor het overgrote deel bepaald door de kwaliteit van de docenten1. Veel docenten zijn goed in staat om leerlingen activiteiten te laten uitvoeren waarvan aangenomen mag worden dat de leerlingen daar van leren. Het komt minder voor, dat docenten ook systematisch nagaan of het beoogde doel ook is bereikt bij alle leerlingen en vervolgens alternatieve activiteiten uitdenken voor leerlingen die bepaalde zaken niet beheersen en uitdagende activiteiten voor leerlingen die meer aan kunnen. Dit vereist een onderzoekende houding tijdens het onderwijs: wat werkt en waarom? Goede kennis van het desbetreffende onderwerp en inlevingsvermogen in de denkwijzen van leerlingen zijn hiervoor noodzakelijke randvoorwaarden. Hier gericht aan werken vereist professionalisering. Ook worden aan docenten hogere eisen gesteld dan in het verleden: - de gezinsachtergrond van de leerlingen is heterogener geworden; - er wordt een focus op de ontwikkeling van leerlingen gevraagd: onderwijs dat leerlingen helpt tot betere prestaties te komen en zich te blijven ontwikkelen. Een aantal met elkaar verbonden ontwikkelingen is al zichtbaar in de scholen of komt op korte termijn op ons af. Daar moet ons onderwijs goed op voorbereid zijn: - de ingrijpende rol van ICT en social media in de samenleving vraagt een doordachte incorporatie ervan in het onderwijs2; - de aandacht voor de individuele leerling neemt toe door de vraag naar maatwerk en passend onderwijs, zowel voor de zwakkere als de (hoog)begaafde leerlingen; - een flexibel en meer op maat gemaakt aanbod vereist dat taken die toebedeeld waren aan ondersteuningsinstellingen door docenten zelf (mede) gedaan worden, zoals toetsontwikkeling en het opzetten en invullen van leerlijnen. Dit betekent een versterking van de professionele rol van de docent en dus inhoudelijke doorgroeimogelijkheden voor docenten. De functiemix wordt hiertoe ingezet. Deze aandacht voor professionaliteit van docenten heeft ook consequenties voor de professionaliteit van leidinggevenden. Om ervoor te zorgen dat docenten zich kunnen ontplooien als zelfstandige beroepsbeoefenaren binnen de richting die de schoolleiding uitzet, is specifieke expertise noodzakelijk. Alleen dan kan de school zich ontwikkelen tot een professionele leergemeenschap. Om het niveau van een volwaardige professionele leergemeenschap te bereiken is inzet van docenten, ondersteunend personeel en schoolleiding vereist. Uiteraard behoort in deze leergemeenschap ook passende scholing voor het ondersteunend personeel plaats te vinden.
1
Zie onder andere John Hattie (Invisible learning) en Robert Marzano (What works in education) Interessante bronnen zijn http://atc21s.org/index.php/about/what-are-21st-century-skills/ en www.tpack.org. Het tpack model zorgt voor integratie van vakinhoud, didactiek en ICT in het onderwijs. De grondhouding van de docent hierbij is: hoe kan ICT mijn didactiek ondersteunen en verrijken en hoe verandert de vakinhoud door de opkomst van technologie? 2
6
2. Relatie met initiële opleidingen De lerarenopleidingen leggen de basis voor de professionaliteit van de leraar. Zij nemen de hierboven genoemde toenemende eisen aan leraren mee in hun onderwijs. Tegelijkertijd is het duidelijk, dat een vierjarige tweedegraads opleiding en een eenjarige of parttime driejarige eerstegraads opleiding niet zo ingericht kan worden, dat begeleiding “on the job” achterwege kan blijven: inductie en leven lang leren sluiten logisch aan op de initiële opleiding en zijn noodzakelijk om de professionaliteit van docenten te ontwikkelen en te borgen. Dit start bij de overgang van opleiding naar zelfstandig beroepsbeoefenaar: de ervaring met en eigen verantwoordelijkheid voor een grote hoeveelheid (groepen van) leerlingen kan niet in volle omvang binnen de lerarenopleiding geoefend worden. Hiermee start een inductiefase als eerste onderdeel van leven lang leren. Het is dus van belang om na de lerarenopleiding de begeleiding voort te zetten op een wijze die aansluit bij de behoeften van pas beginnende docenten en de professionele leergemeenschap die de school is of wil worden. De werkwijzen en de inhoud van het onderwijs veranderen in de loop van de jaren. Dat maakt het voor de lerarenopleidingen noodzakelijk om structureel voeling te houden met het onderwijs waarvoor wordt opgeleid. Dit wordt in de regio Utrecht sinds vele jaren in partnerschap vorm gegeven.
3. Specifieke projecten in de regio In deze paragraaf geven we een overzicht van recent gestarte of te starten projecten die binnen het regionaal platform breed worden gedeeld rond professionalisering. Het is uiteraard niet een volledige opsomming van alle relevante projecten. 3.1. ProFeed In een samenwerking tussen de Universiteit Utrecht, Hogeschool Utrecht en zes scholen voor voortgezet onderwijs in de regio Utrecht is professionalisering gepland op het terrein van het geven van inhoudelijke feedback. Deze professionalisering wordt begeleid door onderzoek teneinde grip te krijgen op de meest effectieve wijzen van scholing: op welke manier moet de professionalisering worden ingericht om te leiden tot betere feedback in de les? 3.2. Vaksgewijze professionalisering Aanvankelijk in het kader van de prestatiebeloning heeft de Willibrord Stichting een voorstel gelanceerd tot vaksgewijze professionalisering. Hierin wordt voorgesteld om teams van docenten uit dezelfde vakgroepen zich te laten professionaliseren op het terrein van pedagogisch-didactische en vakinhoudelijke thema’s. Hierbij wordt uitgegaan van de leervragen van de individuele docenten en krijgt het leren op de werkplek een duidelijke plaats. Ook hier is de vraag aan de orde welke wijze van professionalisering het meeste effect heeft op gedrag “in de klas”. Als belangrijke randvoorwaarde wordt genoemd, dat docenten zich moeten kunnen professionaliseren tijdens schooltijd en zonder dat dit tot inhaalactiviteiten moet leiden. Hier kan “anders leren -> anders doceren”, zoals genoemd in paragraaf 3.3.2., wellicht soelaas bieden. 3.3. Professionalisering binnen de deelprojecten van aantrekkelijker scholen 3.3.1. Inductie Zoals in hierboven onder 2 is gesteld, dient na de lerarenopleiding de begeleiding van (beginnende) docenten te worden voortgezet. Hiermee kan ook, zo is de verwachting, vroegtijdige uitval uit het onderwijs door leraren worden verminderd. Voor 2012-2013 is onderzoek naar de aard van deze begeleiding gepland die dan vanaf 2013-2014 wordt uitgevoerd. Voor beginnende docenten is dat dan hun (voornaamste) vorm van professionalisering. Daarenboven zullen, zo is de verwachting nu, zittende docenten geschoold moeten worden in de begeleiding van deze leraren.
7
3.3.2. Anders leren -> anders doceren Met behulp van e-learning kunnen de leerlingen op andere wijze leren en zullen de docenten op een andere wijze kunnen doceren. Zowel het arrangeren van het digitaal materiaal als reflectie op de didactische mogelijkheden vormen een stevig professionaliseringstraject. 3.3.3. Schoolnabij opleiden Het schoolnabij opleiden vereist schoolopleiders: docenten die de relatie met de studenten en de lerarenopleidingen onderhouden en delen van de opleiding mede verzorgen. Voor zover deze nog niet in alle scholen aanwezig zijn, is hiervoor opleiding noodzakelijk. Specifieke scholing is noodzakelijk om één vorm van schoolnabij onderwijs te organiseren: het schoolnabij opleiden van tweedegraads docenten tot eerstegraads docenten. Wil dit schoolnabij kunnen gebeuren, dan vergt dit een (verdere) opleiding van collega-docenten. 3.3.4. Ontfuiken Een ‘open onderwijsarbeidsmarkt’ is een concept dat al vele jaren wordt verkend; de resultaten zijn tot nu toe beperkt. Een van de aanpakken daarbinnen is EerstdeKlas, daarnaast zijn vele andere initiatieven (zoals ‘Vakmensen voor de klas’) in de afgelopen jaren verkend. Professionaliteit van docenten en docententeams kan worden versterkt als collega’s (deels en/of tijdelijk) buiten het onderwijs actief zijn en vice versa. Het regionaal platform beoogt te verkennen in hoeverre een sterk regionale aanpak en persoonlijk contact tussen bedrijven, scholen en opleidingen succes kan hebben.
8
C.
DEELPROJECTEN NADER UITGEWERKT
In deze paragraaf beschrijven we de vier beoogde deelprojecten nader. De fasering van de projecten met het belendend onderzoek wordt weergegeven in paragraaf D.
Deelproject 1: Verbetering inductiefase 1.1. Het probleem Op dit moment ziet het verloop van beginnende docenten (regio Utrecht) er als volgt uit. Het percentage uit het onderwijs vertrekkende docenten is: na 1 jaar: 7% na 2 jaar: 11% na 5 jaar: 20% na 10 jaar: 30% (Bron: Jan Nelissen) Deze percentages betreffen vertrek uit het onderwijs als sector. Er is dus een flinke uitval van leraren tijdens de eerste vijf jaar van hun docentschap. Omdat één van de doelstellingen van het platform is de situatie op de onderwijsarbeidsmarkt te bestendigen dan wel te verbeteren, ligt hier een belangrijke taak. De doelstelling is daarom om deze uitval terug te brengen omdat het niet alleen een verspilling van de geïnvesteerde (begeleidings)tijd is, het niet goed is voor het imago van het onderwijs en tot persoonlijke teleurstellingen leidt, maar ons ook onvoldoende helpt om de nodige aanwas van nieuwe docenten op peil te houden. Feit is dat alle scholen startende docenten begeleiden, maar er desondanks (te) veel starters uitvallen, en juist voor een belangrijk deel ook nog na het eerste jaar. Uitval definiëren we in dit verband als vertrek van leraren uit het onderwijs. 1.2. De aanpak De begeleiding van startende docenten kan niet los worden gezien van de competentieontwikkeling van docenten in het algemeen. Deze dient daarom aan te sluiten op bestaande systemen van gesprekscycli en trajecten voor talentontwikkeling, coachingsopleidingen, opleidingen tot projectleiders, onderzoekers of kweekvijvertrajecten voor middenmanagement, deskundigheidsbevordering, opleiden in de school, etc. Met andere woorden: het dient een integraal onderdeel van het HRMbeleid te zijn. Inductie richt zich, ook internationaal, vaak op de eerste twee jaar waar de docent zijn of haar draai vindt (of niet) als docent en als teamlid. Uit de cijfers blijkt dat juist ook in het derde t/m vijfde jaar, dus als de docent keuzes maakt over zijn verdere loopbaan en ambities, de uitval groot is. Daarom willen we expliciet zoeken naar effectieve manieren van aanpak die (ook) in deze fase werkzaam zijn – en uiteraard de vervolgstappen daarna tijdens de loopbaan. We willen het vertrek na 5 jaar terugdringen van 20% naar 10%. Daartoe willen we eerst nader kwantitatief en kwalitatief onderzoek uitvoeren, naar ervaringen en expertise binnen de scholen in de regio en naar landelijk en internationaal onderzoek op dit gebied (deskresearch). Een eerste inventarisatie leidt tot de volgende instrumenten; het nader onderzoek zal uitwijzen welke hierin werkzaam kunnen zijn in welke situatie en wat dit betekent vanuit de school als professionele leergemeenschap in ontwikkeling. a. Coaching van beginnende docenten versterken en verlengen tot 5 jaar, als onderdeel van Leven Lang Leren en loopbaanbegeleiding. b. Professionalisering van (potentiële) coaches. c. Intervisie van beginnende docenten, waarbij groepjes gevormd worden op grond van het ervaringsjaar: per ervaringsjaar doen zich verschillende problemen voor. d. Toegespitste verdere scholing van beginnende docenten waar gewenst. e. Professionalisering van de teamleiders (middenmanagement) bij coaching en loopbaanondersteuning in het kader van de gesprekscyclus. f. Het effect van het beleidsrijk implementeren van de functiemix.
9
g. Blijvende periodieke metingen van vertrek beginnende docenten (kwantitatieve gegevens) met exitinterviews (voor kwalitatieve aanwijzingen). 1.3. De eerste stap: wat zijn de oorzaken nu precies? Hoewel er literatuur met betrekking tot dit thema voorhanden is, menen we dat een beperkt kwantitatief en kwalitatief onderzoek nodig is. Met betrekking tot onze regio zijn weinig feiten bekend en wordt expertise nog weinig gedeeld. Daarnaast is de aanvliegroute zelden vanuit het standpunt van een individuele school of beginnende docent. Hoewel er binnen onze regio schoolbesturen zijn die hier al stappen in hebben gezet (bv. het Minkema College in Woerden) kiezen we niet voor het kopiëren van een voorbeeld maar voor onderzoek met de betrokkenen binnen de eigen organisaties. In een kort kwantitatief onderzoek onder scholen gaat het om vragen als: 1. Hoeveel docenten zijn er sinds het schooljaar 2007-08 binnen uw bestuur gestart? Het betreft hierbij geen ziektevervanging of andere nadrukkelijk tijdelijke functies. 2. Hoeveel daarvan werken er nog binnen uw bestuur in een onderwijsfunctie in vaste of tijdelijke dienst? 3. Van hoeveel van het aantal bij vraag 1 is binnen twee jaar afscheid genomen vanwege een onvoldoende beoordeling? 4. Hoeveel van het aantal bij vraag 1 is overgestapt naar een andere onderwijsorganisatie? 5. Hoeveel van het aantal bij vraag 1 is overgestapt naar een functie buiten het onderwijs (of nog werkzoekend)? 6. Van hoeveel van het aantal bij vraag 1 is het onbekend wat er met hen is gebeurd? De gegevens die bovenstaande inventarisatie oplevert, zullen ons in staat stellen om de omvang van het probleem per school en regionaal in kaart te brengen. Hierdoor kunnen we concreter nagaan of de geformuleerde ambitie voor de hele regio ook daadwerkelijk haalbaar en meetbaar is. Daarnaast krijgen we hiermee een eerste zicht op de aard van het probleem: betreft het onvoldoende functioneren, de aantrekkelijkheid van het beroep of is het juist de school zelf die niet voldoet of ….? Naast deze kwantitatieve gegevens is ook een onderzoek naar de mogelijke redenen van deze uitval noodzakelijk. Immers: pas wanneer we ook de oorzaken in beeld hebben kan er gewerkt gaan worden aan verbeteringen. We stellen ons voor om een gesloten vragenlijst voor te leggen aan de personeelsfunctionarissen en de interne begeleiders (coaches) van nieuwe docenten. We willen gebruik maken van de vragenlijsten die zijn gebruikt door het ministerie van OCW en onderdeel uitmaken van de notitie “De begeleiding van beginnende leraren in het VO”3. Een bijkomend voordeel van dit kwalitatieve onderzoek is dat we tegelijkertijd bewustwording en eigenaarschap bij de groep van personeelsfunctionarissen en coaches stimuleren ten aanzien van de thematiek. Men krijgt niet alleen een helder beeld van de situatie op de eigen locatie/bestuur maar zal ook uitgedaagd worden om oplossingen aan te dragen. Het inzicht voorkomt ook dat er van boven iets wordt opgelegd. 1.4. Het tijdpad We onderscheiden de volgende stappen om de inductiefase te verbeteren. a. Tot 1-8-2012 Dit projectplan bespreken met alle leden van het regionaal platform en het bijbehorende netwerk van hoofden P&O, zodat het ook binnen de scholen aan de orde kan komen. Vaststellen welke scholen gaan participeren. b. Van 1-8-2012 tot 1-4-2013 Het onderzoek (de eerste stap, zie hierboven) uitvoeren en aanbevelingen opstellen. Onder andere het Minkema College werkt al jaren met een beleidsnotitie “Begeleidingsstructuur” die aan veel van 3
www.onderwijsinspectie.nl/actueel/publicaties/De+begeleiding+van+beginnende+leraren+in+het+voortgezet +onderwijs.html).
10
de bovenstaande voorwaarden voldoet. Dit nemen we mee in de aanbevelingen. Daarnaast start een leerwerkgroep (zoals als concept binnen Utrechtse Kansen 2 is ontwikkeld en succesvol geïmplementeerd) van coaches, die vanuit de praktijk kennis delen en ontwikkelen. Zij worden daarbij ondersteund door een expert, die zowel bestaande expertise en onderzoek inbrengt als de leerwerkgroep helpt om een gerichte focus te kiezen, planmatig te werken en resultaten te boeken. c. Van 1-4-2013 tot 1-8-2013 Vóór 1-4-2013 wordt het Plan van Aanpak (deelproject 1) 2013-2015 aan het netwerk gepresenteerd en binnen de besturen uitgerold, zodat er vanaf september 2013 formatie kan worden ingezet voor de uitvoering in schooljaar 2013-14. Het volledige Plan van Aanpak 2013-2015 wordt op 1-4-2013 voorgelegd aan OCW. d. Vanaf 1-8-2013 Uitvoering van het Plan van Aanpak (deelproject 1) 2013-2015, zoals beschreven in de volgende paragraaf. 1.5. De tweede stap: uitvoeren van acties die de uitval terugdringen Als acties om de uitval in de eerste vijf jaar terug te dringen, denken we thans aan de volgende instrumenten binnen het schooleigen HRM-beleid: a. Coaching van beginnende docenten versterken en verlengen tot 5 jaar. b. Professionalisering van (potentiële) coaches. c. Intervisie van beginnende docenten waarbij groepjes gevormd worden op grond van het ervaringsjaar: per ervaringsjaar kunnen zich verschillende problemen voordoen. d. Toegespitste verdere scholing van beginnende docenten waar gewenst. e. Blijvende periodieke metingen van vertrek beginnende docenten (kwantitatieve gegevens) met exitinterviews (voor verbetering van de begeleiding en de selectie) Het nader onderzoek, zoals geformuleerd in paragraaf 1.3. zal bijdragen tot de invulling van deze instrumenten. Het kan ook zo zijn, dat noodzaak tot het invoeren van nieuwe instrumenten uit dit onderzoek voortvloeit. De definitief te bepalen middelen zijn afhankelijk van deze analyse. Bovendien zal in de tweede fase begeleidend onderzoek noodzakelijk blijven om te zien of de gekozen instrumenten effect sorteren en ook elders ingezet kunnen worden. 1.6. Kosten deelproject inductiefase Voor een deel kunnen de kosten hiervan worden opgevangen door de professionaliseringsgelden van de scholen. Daarnaast zijn projectmiddelen noodzakelijk om deze aanpak te ontwikkelen en te verankeren binnen de scholen. Overeenkomstig de planning, zoals die hiervoor is beschreven, is in 2012-2013 onderzoek noodzakelijk naar de meest effectieve begeleiding van beginnende docenten. Daarnaast worden in een leerwerkgroep de reeds bekende effectieve begeleidingsmethoden uitgewisseld en verder verspreid. Vanaf het schooljaar 2013-2014 worden de bevindingen van het onderzoek geïmplementeerd in trainingen en een voortzetting van de leerwerkgroep. Ook zal de leerwerkgroep in samenspraak met P&O-medewerkers een handboek opstellen waarmee succesvolle interventies voor een goede loopbaanontwikkeling kunnen worden overgedragen aan andere scholen.
11
Deelproject 2: Anders leren -> anders doceren: E-learning 2.1. Inleiding: waarom anders leren ? Willen we ook voor toekomstige generaties het onderwijs als loopbaanperspectief in beeld brengen, dan zijn andere wijzen van leren en daarmee samenhangend andere wijzen van doceren noodzakelijk. Dit lijkt goed te verwezenlijken met een steviger inzet van E-learning: leren dat ondersteund wordt met ICT en het didactisch benutten van social media. Hiermee kan ook een bijdrage geleverd worden aan de kwaliteitsverhoging van het onderwijs: differentiëren in tempo, niveau en leerstijl wordt beter mogelijk. Daarnaast kan E-learning bijdragen aan een andere opzet van het onderwijs of individuele lessen. Zo zou, bij een combinatie van E-learning met een PAL-student, een docent ondersteund door studenten (bijvoorbeeld) aan twee of drie klassen kunnen lesgeven. Hier kunnen een kwantitatieve en kwalitatieve innovatie elkaar versterken. Bij de keuze voor de vakken zal in het bijzonder gekeken worden naar mogelijke tekortvakken. In het najaar van 2012 hopen we de beschikking te hebben over up-to-date gegevens over de vraag waar de tekorten zich zullen aftekenen. Deze spelen een rol bij de keuze van de vakken waarmee geëxperimenteerd zal worden. 2.2. Het concept E-klas en PAL-student4 Het concept E-Klas en PAL-student betreft de inzet van E-klassen én HO-studenten in het voortgezet onderwijs. Hiernaast worden waar nodig klassikale lessen verzorgd. Een E-klas is een rijk gevulde elektronische leeromgeving, ingericht met studiewijzers, digitaal lesmateriaal, software, videoinstructies, animaties, (zelf)toetsen, ‘chat’ functies voor leerlingen en docenten, streaming video’s, enzovoorts. Een team van vakdocenten binnen en tussen scholen ontwikkelt het elektronisch lesmateriaal of didactiseert bestaand materiaal. Bij de ontwikkeling dient vakinhoudelijke, didactische en ICT ondersteuning van het hoger onderwijs beschikbaar te zijn. Bij het toepassen van dit concept heeft de docent de regie. De lesstof bestaat uit ‘brokken’ (modules). De vakdocenten stellen aan de hand hiervan de leergangen samen. De winst van dit concept zit in het anders organiseren van het onderwijs. Met dit concept kan op termijn het aantal contacturen van vakdocenten met de helft worden gereduceerd en wordt de begeleiding van leerlingen deels verzorgd door middel van ondersteuning door studenten. Daarnaast zal naar verwachting de kwaliteit van het onderwijs verbeteren, omdat de docent met dit concept beter kan inspelen op de ontwikkeling bij de individuele leerling. Hiermee wordt recht gedaan aan zowel de moeilijk lerende als de goede leerling. In de huidige E-klassen zijn de volgende randvoorwaarden vermeldenswaard: Het IIO-concept E-Klas en PAL-student wordt toegepast bij 29 scholen met een concentratie in Noord-Holland en Twente. Het concept wordt toegepast bij bètavakken in de bovenbouw. Het ontwikkelde materiaal wordt opgenomen in Wikiwijs / VO-content. Het concept staat of valt met kwalitatief goed materiaal (lessen en ict-infrastructuur). Er moet hoger onderwijs in de nabije omgeving van de scholen zijn (zij leveren de PALstudenten en ondersteunen de scholen bij de inhoudelijke ontwikkeling en bij de ict). Begin niet te groot. Vakdocenten meekrijgen: begin met vakdocenten die enthousiast zijn voor het concept. Concept vergt soms specifieke ruimtes of gebouwaanpassingen. 2.3. Aanpak in de regio Utrecht E-learning wordt toegepast in een grote diversiteit binnen vele scholen in de regio, variërend van initiatieven van secties binnen scholen tot schoolbrede innovatie zoals onder andere bij Amadeus Lyceum, UniC en Vathorst College. Een inventarisatie van de regionale ontwikkelingen willen we in 2012-2013 uitvoeren binnen een leerwerkgroep e-learning en social media, op basis van de in 4
Een uitgebreide toelichting is te vinden in het Projectplan IIO E-klas en PAL student, zoals dat ons door OCW beschikbaar is gesteld.
12
Utrechtse Kansen 2 ontwikkelde werkwijze van een leerwerkgroep (‘opbrengstgericht professionaliseren’). Hierin participeren docenten die binnen hun sectie / binnen hun school actief zijn op dit gebied met als doel kennisdeling en kennisontwikkeling, ondersteund door een expert op dit gebied. Onderwerpen die hier aan de orde kunnen komen zijn de consequenties voor de gehanteerde didactiek en benodigde professionalisering, ontwerpcriteria voor e-learning. Ook bij een aantal concepten van de InnovatieImpuls Onderwijs (IIO) is e-learning een centraal onderdeel. Eén van die IIO-concepten is E-Klas en PAL-student (‘E-PAL’, zie de vorige paragraaf). Elearning wordt in het concept E-PAL op dit moment toegepast bij bètavakken in de bovenbouw. Het lijkt aantrekkelijk om voort te bouwen op E-PAL. In de regio wordt op dit moment met E-PAL gewerkt bij GSG Guido de Bres, het Goois Lyceum, RSG Broklede en het Vechtstede College. We willen deze regionale expertise verbreden, het plan is om een werkwijze vergelijkbaar met E-PAL toe te passen binnen de onderbouw van havo/vwo, te beginnen bij een tweetal vakken (er liggen opties binnen de vijf gebieden: exact, MVT, zaakvakken, Nederlands, rekenen met een focus op tekortvakken - mogelijk NaSk en Duits). Momenteel wordt met scholen de mogelijkheid verkend om dit in het voorjaar van 2013 als pilot kleinschalig te testen waarbij we zoeken hoe de docent als professional, op basis van bestaande content, onderwijs kan vorm geven toegesneden op de concrete situatie in en binnen een klas (‘leerarrangeur’) en school. Voor de content kan VO-content en WikiWijs een bron zijn, maar ook materiaal van b.v. het Goethe Instituut en internationale voorbeelden als Sudbury Valley en de Khan Academie. Op basis van de opbrengsten van de leerwerkgroep en de pilots E-PAL worden in het Plan van Aanpak 2013-2015 (deelproject 2) nadere keuzes gemaakt. Ook voor dit deelproject is het essentieel dat er praktijkgericht onderzoek plaatsvindt, zodat direct geconstateerd kan worden wat werkt en waarom. 2.4. Het tijdpad We onderscheiden de volgende stappen om E-learning vorm te geven. a. Tot 1-8-2012 Dit projectplan bespreken met alle leden van het regionaal platform en het bijbehorende netwerk van hoofden P&O, zodat het ook binnen de scholen aan de orde kan komen. Vaststellen welke scholen gaan participeren. b. Van 1-8-2012 tot 1-4-2013 De regionale verkenning starten (leerwerkgroep, ondersteund door een onderzoeker/deskundige) en aanbevelingen opstellen. Zij worden daarbij ondersteund door een expert, die zowel bestaande expertise en onderzoek inbrengt als de leerwerkgroep helpt om een gerichte focus te kiezen, planmatig te werken en resultaten te boeken. Parallel hieraan een verkenning van de mogelijkheden van twee pilots E-PAL in het voorjaar van 2013 en de start van het praktijkgericht onderzoek. c. Van 1-4-2013 tot 1-8-2013 Voor 1-4-2013 wordt het Plan van Aanpak (deelproject 2) 2013-2015 aan het netwerk gepresenteerd en binnen de besturen uitgerold, zodat er vanaf september 2013 formatie kan worden ingezet voor de uitvoering in schooljaar 2013-14. Het volledige Plan van Aanpak 2013-2015 wordt op 1-4-2013 voorgelegd aan OCW. d. Vanaf 1-8-2013 Uitvoering van het Plan van Aanpak (deelproject 2) 2013-2015. 2.5. Kosten deelproject E-learning Voor een deel kunnen de kosten hiervan worden opgevangen door de professionaliseringsgelden van de scholen. Daarnaast zijn projectmiddelen noodzakelijk om deze aanpak te ontwikkelen en te verankeren binnen de scholen. Er zullen kosten gemaakt worden voor: - Leerwerkgroep van docenten die actief zijn met e-learning in hun onderwijs - Begeleidend praktijkgericht onderzoek - Ondersteuning door vakexperts en ICT-deskundigen - Afspraken over en scholing van PAL studenten
13
Dit vereist dat in 2012-2013 een pilot wordt voorbereid en in een leerwerkgroep de huidige praktijk en ervaringen in kaart worden gebracht. Vanaf 2013-2014 worden één of meer pilots uitgevoerd en de leerwerkgroep gecontinueerd voor verdere verspreiding van methoden van leren met behulp van ICT.
14
Deelproject 3: Opleidingstrajecten schoolnabij De sinds 2000 in de regio Utrecht lopende activiteiten om via opleidingstrajecten docenten aan scholen te binden kan worden versterkt. Dit betreft het opleiden in de school, zoals vormgegeven in en door de academische dieptepilot Het Utrechts Model, maar daarnaast zijn ook vele andere scholen zeer actief met opleiden in de school (in de regio hebben tientallen scholen het keurmerk opleidingsschool). In alle gevallen geldt hierbij dat de opleiding “schoolnabij” wordt georganiseerd en dat de initiatieven binnen de Utrechtse regio worden verbreed: zowel t.a.v. de diversiteit aan opleidingstrajecten (zie hieronder) als t.a.v. het aantal scholen en het aantal studenten per school. Een andere vorm van schoolnabij opleiden betreft het interesseren van de eigen leerlingen voor een lerarenopleiding. Onderdelen a, c, d en e worden vooralsnog binnen de lopende regionale samenwerking voortgezet; hiervoor zijn in het kader van dit project geen additionele middelen voorzien. Voor onderdeel b sluiten we, op uitnodiging van OCW, graag aan bij het initiatief van De Rode Loper (VO Den Haag). Voor deelproject 3 begroten we daarom in het kader van dit project vooralsnog alleen stelposten. Ook bij dit deelproject (evenals bij deelproject 2) zullen we in het bijzonder aandacht geven aan mogelijke tekortvakken. Hierbij kunnen we gebruikmaken van een “update” van de te verwachten tekortvakken die in het najaar van 2012 wordt opgeleverd. a. Alle scholen opleidingsschool volgens het Utrechts Model Hiermee wordt bereikt dat de begeleiding van studenten op een goed niveau plaatsvindt en dat de opleiding voor een bepaald deel expliciet binnen de school plaatsvindt. Dit betreft tot nu toe met name de initiële opleidingen: bachelor studenten van Archimedes (tweedegraad), bachelor studenten van COLUU (educatieve minor met beperkte tweedegraads bevoegdheid) en master studenten van COLUU (eerstegraad). b. Masteropleidingen (eerstegraad) voor tweedegraads docenten Voor een goede schoolontwikkeling zijn docenten noodzakelijk die verbetertrajecten kunnen opzetten, trekken en kritisch op de resultaten kunnen beoordelen. Dit kan goed gekoppeld worden aan master trajecten (gericht op een eerstegraad bevoegdheid) voor tweedegraads docenten, zeker als deze zo ingericht worden, dat de eigen schoolpraktijk daarin een belangrijke rol speelt. Op uitnodiging van OCW participeert VO Utrecht in het initiatief “Tweedegraads PLUS” van De Rode Loper (het Regionale Platform Onderwijsarbeidsmarkt VO Den Haag) in samenwerking met Hogeschool Utrecht. Basis daarvoor is de notitie “Tweedegraads PLUS, doorscholing van tweedegraads bevoegde docenten” van juni 2012 waarover op 20 juni overleg is gevoerd tussen De Rode Loper, VO Utrecht, OCW, Onderwijsinspectie en Hogeschool Utrecht. Afgesproken is om toe te werken naar een scholingsaanbod voor tweedegraads docenten in het voorjaar van 2013, waarbij de aldaar opgedane kennis en expertise kan worden benut binnen een eventueel daarna te volgen professionele master gericht op een eerstegraads bevoegdheid. VO Utrecht wil daarbij verkennen hoe deze scholing verbonden kan worden aan deelprojecten 1 (Inductie) en 2 (E-learning) en ingebed kan worden binnen de academische opleidingsschool. Ook willen we nagaan in hoeverre betrokkenheid van eigen eerstegraads docenten in de opleiding van collega’s mogelijk is. Omdat dit project nog nader uitgewerkt moet worden, zijn hiervoor in de begroting vooralsnog stelposten opgenomen. Overgenomen uit de notitie van De Rode Loper (pagina 2): De kwaliteit van het onderwijs staat of valt immers met de kwaliteit van de leraar. Verdere professionalisering door nascholing en doorscholing is voor de kwaliteit van het onderwijs van eminent belang. Bij veel tweedegraads bevoegde leraren bestaat de wens om zich verder te scholen. Die wens wordt ondersteund door schoolleiders. Zij hebben behoefte aan meer docenten die verder geschoold zijn dan tweedegraads. In de praktijk blijkt dat de doorlopende leerlijn naar de bovenbouw onvoldoende gewaarborgd wordt. Het gevolg is dat leer-
15
lingen onvoldoende basis hebben om de bovenbouw havo/vwo met goed resultaat af te sluiten. Mede op grond van dit soort overwegingen heeft de minister van Onderwijs besloten dat op termijn alle leraren een master opleiding moeten hebben afgerond. Echter, de weg van een tweede- naar de eerstegraads bevoegdheid is inspannend, lang en kostbaar. De combinatie van werk, privé en studie is zeer zwaar, een leraar studeert voor zijn of haar vakmaster geheel of grotendeels in vrije tijd. De master opleiding in deeltijd (studielast 20 uur per week) vergt van de docent / student een grote inspanning over een periode van 3 tot 4 jaar. Veel docenten schrikken er voor terug aan deze lange en inspannende weg te beginnen. Overheidsmaatregelen hebben hier de laatste jaren zowel ondersteuning in geboden als belemmeringen opgeworpen. Enerzijds biedt de lerarenbeurs, via het bijbehorende studieverlof, gelegenheid om het evenwicht werk, privé en studie beter in balans te brengen. Anderzijds betekent de langstudeerders maatregel dat hogescholen de vakmaster in een curriculum van maximaal twee jaar moeten aanbieden en zijn student en hogeschool na het derde jaar ieder jaar circa € 3.000 kwijt aan de langstudeerders boete, terwijl tot voor kort de vakmaster aangeboden kon worden in een driejarig programma dat vaak in vier of vijf jaar werd afgerond. De regiegroep van De Rode Loper stelde zich de vraag: Hoe komen we voor een groeiend aantal tweedegraads bevoegde leraren tot een deeltijdopleiding tot eerstegraads bevoegd docent, die voldoet aan de volgende eisen: een modulair opgebouwde opleiding die te combineren is met een (bijna) fulltime aanstelling een opleiding op academisch niveau een opleiding waarbinnen de leraar zelf bepaalt welke en hoeveel modules hij/zij wil volgen een opleiding die per module tot een certificaat leidt een opleiding die, wanneer alle modules worden gevolgd, tot een master leidt een opleiding die, voor zover als mogelijk, gegeven wordt in Den Haag.
Overgenomen uit de notitie van De Rode Loper (pagina 3): Het voornemen is om samen te komen tot een pilot die in de komende drie jaren in Den Haag wordt uitgevoerd. De ervaringen zullen, al tijdens de uitvoeringsperiode, gebruikt worden in andere regio’s en door andere hogescholen. In overleg met Utrechtse schoolbesturen wordt bezien of we aansluiting van Utrechtse scholen bij de pilot in een vroeg stadium kunnen realiseren. De HU/FE zal een voorstel doen voor een evaluatief onderzoek. De pilot kenmerkt zich door een laagdrempelige instap en een ambitieuze vervolgstap voor die deelnemende leraren die zich hiertoe uitgedaagd voelen: a. Tweedegraads leraren wordt aangeboden om, in het kader van hun professionele ontwikkeling, een module van 5 ec (140 uur studiebelasting) te volgen. De module is op master niveau en speelt in op ontwikkeling binnen de school / de sectie, met name de aansluiting onderbouw – bovenbouw in havo/vwo. Leraren komen hiermee weer in een studieritme, verkennen wat een opleiding op master niveau inhoudt en zetten een eerste stap naar academisch denken en onderzoeksmatig werken. b. Deze leraren kunnen op basis van hun ervaringen er voor kiezen om een volledige vakmaster te gaan volgen. Deze is modulair opgebouwd. Ieder moduul kan ingebracht worden in het lerarenregister. Voor deze vakmaster kan de lerarenbeurs worden ingezet.
c. Bevorderen zijinstroom De zijinstroom-regeling is opnieuw van kracht. Het is de kunst om in een goed samenspel tussen de scholen en de lerarenopleidingen enerzijds de juiste kandidaten te werven en anderzijds een opleiding op maat aan te bieden. d. Instroom vanuit primair onderwijs naar voortgezet onderwijs en omgekeerd Op dit moment zijn de overstapmogelijkheden tussen basisonderwijs en voortgezet onderwijs bescheiden. De behoefte is er wel, en zal –naar het zich laat aanzien- in de toekomst groter worden. Zo is er nu al in het vmbo en het praktijkonderwijs belangstelling voor docenten die naast een tweedegraads opleiding ook ervaring hebben in het basisonderwijs: deze leerkrachten kunnen hun expertise vanuit het basisonderwijs aanwenden voor een soepeler overgang naar het voortgezet onderwijs en vaak ook meerdere vakken doceren. Omgekeerd stijgt in het basisonderwijs de behoefte aan vakleerkrachten, zoals voor bijvoorbeeld Engels. In samenwerking met scholen en schoolbesturen in het basisonderwijs willen we nagaan of er mogelijkheden geschapen kunnen worden voor docenten uit het PO om (ook) in het VO te gaan werken en
16
omgekeerd. Bij- en nascholing zal hierbij uiteraard noodzakelijk zijn. Hier werken we samen met het door het Arbeidsmarktplatform po en VOiON gezamenlijk beoogde project op dit terrein. e. Eigen leerlingen interesseren voor de lerarenopleiding Onder onze leerlingen bevinden zich potentiële toekomstige docenten. Hoe krijgen we deze toekomstige collega’s in beeld en hoe kunnen we verbinding met hen leggen zodat ze tijdens en na het afronden van hun opleiding op onze scholen (willen) gaan werken? Leerlingen weten als geen ander wat iemand tot een goed docent maakt. Inspirerende leraren kunnen leerlingen duidelijk maken wat het beroep van docent aantrekkelijk maakt, wat de voordelen zijn en natuurlijk ook de mindere kanten van het vak. Zij kunnen duidelijk maken dat een goede stageplaats hen helpt bij het leren van de juiste competenties als docent. Een goede stageplaats helpt ook te onderzoeken of het onderwijs echt iets voor hen is, nu of in de toekomst. Het is veilig om in een vertrouwde omgeving te starten, maar het is ook goed om op meerdere scholen ervaring op te doen. Het is prettig als de ervaringen op de ene school input leveren op de volgende en dat de begeleiding van stagiaires kwalitatief vergelijkbaar is ingericht. Voor een aantal leerlingen zal de eigen school wellicht te ‘dichtbij’ zijn en kan daar stage lopen juist afschrikken. Regionale samenwerking maakt het mogelijk voor hen een geschikte plaats op een andere school te vinden. Onder andere het samenwerkingsverband Perspectief heeft hier goede ervaringen mee.
17
Deelproject 4: Ontfuiken We willen in Utrecht de mogelijkheden voor een “Teach First” en/of “Teach Second” programma koppelen aan de inzet om een zodanige samenwerking met het bedrijfsleven en andere organisaties buiten het onderwijs tot stand te brengen, dat het onderwijs geen “fuik” is. Kortom: een open onderwijsarbeidsmarkt combineren met verbindingen tussen andere organisaties en onderwijs die uiteindelijk ook op leerling-niveau effect heeft. Als eerste stap daartoe willen we de bereidheid van het Utrechtse bedrijfsleven en andere instanties binnen de regio Utrecht peilen om na te gaan of er voor het bereiken van een open onderwijsarbeidsmarkt benadering partners te vinden zijn. Daarbij bouwen we voort op de contacten die vele scholen in de regio al met het regionale bedrijfsleven hebben. We betrekken hierin zowel nieuwe als huidige docenten, zowel tweedegraads als eerstegraads docenten, zowel vmbo als havo/vwo. We stemmen met de VO-raad af over het betrekken van Eerst de Klas. VOiON heeft aangegeven mogelijk te kunnen participeren, zowel in de denktank als in de vorm van een financiële bijdrage. Dat betekent dat er nu eerst een verkenning moet plaatsvinden, daartoe is een denktank geformeerd met leden van het regionale platform (Nico de Jong en Els Laroes) en VOiON (Henriette Kassies). Deze komt in het vroege najaar met een Plan van Aanpak voor de oriëntatiefase. Kosten Ontfuiken Voor de gevraagde verkenning zouden vermoedelijk (afhankelijk van het Plan van Aanpak) één of twee kwartiermakers, met affiniteit met zowel onderwijs als bedrijfsleven, gedurende het cursusjaar 2012-2013 moeten worden vrijgesteld. Vervolgstappen vanaf september 2013 worden, op basis van hun bevindingen, opgenomen in het Plan van Aanpak 2013-2016. Vooralsnog wordt hiervoor geraamd dat de kosten tenminste die van verdere coördinatie voor de uitvoering van de plannen zullen bedragen. VOiON heeft aangegeven mogelijk (het eerste jaar) de kosten voor één kwartiermaker te kunnen dragen; in de begroting is dit voorlopig opgenomen. Daarnaast is een stelpost in de begroting opgenomen van € 19.000.
18
D.
Specificering van de fasering: onderzoek en resultaten
In deze paragraaf specificeren we de fasering van de deelprojecten en het overkoepelend onderzoek nader en geven we ook aan wanneer welke concrete resultaten moeten zijn bereikt. Daartoe behandelen we eerst de overkoepelende vraagstelling met het daarmee samenhangende onderzoek en vervolgens de vier deelprojecten. We sluiten af met een overzicht van de meest relevante data, met inbegrip van de GO – NO GO -momenten. 1. Overkoepelende vraagstelling De deelprojecten beogen gezamenlijk de scholen aantrekkelijker te maken voor potentiële en zittende docenten. We kunnen dit als volgt concretiseren. Na afloop van de projectperiode en bij continuering van de activiteiten zouden de volgende vragen positief beantwoord moeten worden: a. Verloopt de invulling van vacatures gemakkelijker? Melden zich voor vacatures meer kandidaten en zijn deze kandidaten kwalitatief beter? b. Zijn de zittende docenten meer geneigd om binnen het onderwijs werkzaam te blijven? Om te bezien of dit daadwerkelijk het geval is, zal in het najaar van 2012 een nul-meting worden uitgevoerd onder zoveel mogelijk scholen voor voortgezet onderwijs uit het Platform Onderwijsarbeidsmarkt van de regio Utrecht. Vervolgens zal deze meting worden herhaald in 2014 (tussenmeting) en in 2015 (eindmeting met betrekking tot de projectperiode). Voor die scholen die participeren in de deelprojecten zouden er verschillen merkbaar moeten zijn ten opzichte van de scholen die niet deelnemen. (Helemaal betrouwbaar is deze vergelijking niet, omdat de niet-deelnemende scholen alternatieve wijzen ontwikkeld kunnen hebben om aantrekkelijk te worden; dit zou in het onderzoek meegenomen kunnen worden.) Er kan worden gedacht aan (een mix van) de volgende vormen voor de nul-, tussen- en eindmeting: een enquête onder schoolleiders, een enquête onder docenten en een onderzoek naar de stand van zaken rond de invulling van vacatures (kwantitatief en kwalitatief) bij de P&O-diensten van de scholen. In het najaar van 2012 zal met OCW worden afgestemd hoe dit onderzoek vorm krijgt en zal de rol van onderzoekers die door OCW hierbij worden betrokken worden geëxpliciteerd. De momenten voor de metingen zijn vooralsnog gesteld op: - Nul-meting: oktober/november2012 - Tussenmeting: oktober/november 2014 - Eindmeting: oktober/november 2015 Deze lopen zoveel mogelijk parallel aan (en kunnen ook gecombineerd worden met) de metingen ten behoefte van deelproject 1: verbetering inductiefase. 2. Deelproject 1: verbetering inductiefase Meting doelstellingen Op dit moment is de uitval uit het onderwijs in de eerste vijf jaar van de beroepsuitoefening 20%. We willen dit reduceren naar 15% in 2014 en 10% in 2015. Voor de scholen die aan dit deelproject deelnemen, zal daartoe een meting worden uitgevoerd in oktober 2014 naar de uitval van docenten met een aanstelling die kleiner is of gelijk aan vijf jaar en die het onderwijs hebben verlaten in de periode 1 augustus 2013- 1 augustus 2014. Deze meting zal herhaald worden in oktober 2015 voor de uitval in de periode 1 augustus 2014 – 1 augustus 2015. Resultaten 2012-2013 a. Nulmeting onder betrokken scholen over de huidige uitval en reeds genomen maatregelen (1-12-2013 gereed)
19
b. Onderzoeksrapport naar de oorzaken van uitval en de methoden om dit terug te dringen (13-2013) c. Eindopbrengsten leerwerkgroep coaches: “welke begeleidingsmogelijkheden zijn aan te raden voor de begeleiding van beginnende docenten?” (1-3-2013) d. Plan van Aanpak voor de periode 2013-2015 (1-4-2013) e. Inzet binnen de scholen vastgesteld voor deelname aan project (1-4-2013) Dit alles leidt tot een GO-NO GO beslissing voor het vervolg van het project (vanaf 1 augustus 2013) per 1-5-2013. Resultaten 2013-2014 (bij een GO-beslissing) a. Uitvoering begeleidingsactiviteiten of andere interventies voor de beginnende docenten (tentatief, maar afhankelijk van onderzoek: coaching, professionalisering coaches, intervisie, specifieke scholing) b. Vervolgmetingen rond uitval c. Uitbreiding deelnemende scholen voor komend jaar (1-4-2014) d. Rapport met conclusies eerste ronde en aanpassingen komend jaar (1-6-2014) e. Tussentijdse meting rond uitval (1e keer: 15% te halen) (1-12-2014 gereed) Resultaten 2014-2015 a. Uitvoering begeleidingsactiviteiten of andere interventies voor de beginnende docenten (tentatief, maar afhankelijk van onderzoek: coaching, professionalisering coaches, intervisie, specifieke scholing) b. Vervolgmetingen rond uitval c. Afspraken voor vervolg in regionaal verband (1-6-2015) d. Meting rond uitval (2e keer: 10% te halen) (15-11-2015) e. Slotrapport met conclusies: wat is er bereikt en waarom ?(voor 31-12-2015) f. Handboek voor alle scholen in Nederland (voor 31-12-2015) 3. Deelproject 2: Anders leren -> anders doceren Meting doelstellingen De hoofddoelstelling van dit deelproject is gelijk aan de overkoepelende doelstelling, zoals geformuleerd in paragraaf 1: worden de scholen die hieraan deelnemen aantrekkelijker ? Een nevendoelstelling is de beoordeling van de efficiency die bereikt wordt door middel van het werken met ICT: leren de leerlingen meer in minder tijd ? Heeft de docent minder begeleide tijd nodig ? Deze vragen worden beantwoord in de tussen- en eindrapporten, zoals die hieronder zijn aangegeven. Resultaten 2012-2013 a. 12 scholen worden voorbereid op het invoeren van een E-klas met PAL-studenten met ingang van het jaar 2013-2014 in 2 vakken (dus 6 scholen per vak). b. Resultaten leerwerkgroep “E-learning en social Media” in eerste rapport (1-3-2013) c. Plan van Aanpak ICT-gebruik in de klas door middel van pilots (1-4-2013) d. Inzet binnen de scholen vastgesteld voor het komende jaar (1-4-2013) Dit alles leidt tot een GO – NO GO besluit per 1 mei 2013. Resultaten 2013-2014 (bij een GO-beslissing) a. Uitvoering E-klas met PAL-studenten bij 12 scholen voor 2 vakken b. Uitvoering pilots zoals gedefinieerd in Plan van Aanpak c. Voorbereiding 2e groep E-klas met PAL studenten d. Inzet binnen de scholen vastgesteld voor het komende jaar (1-4-2014) e. Tussenrapport resultaten E-klas met PAL-studenten (1-6-2014) f. Tussenrapport pilots ICT-gebruik in de klas (1-6-2014)
20
Resultaten 2014-2015 a. Uitvoering 2e ronde E-klas met PAL studenten b. Voortzetting pilots ICT in de klas volgens Plan van Aanpak c. Eindrapport gebruik E-klas en PAL studenten in Utrecht (1-10-2015) d. Eindrapport ICT in de klas in Utrecht (1-10-2015) e. Afspraken over continuering gebruik ICT in de regio Utrecht (1-11-2015)
4. Deelproject 3: opleidingstrajecten schoolnabij Dit deelproject heeft twee doelstellingen: - Scholen aantrekkelijker maken door opleidingen schoolnabij te organiseren; hierdoor wordt de school als werkomgeving verrijkt. Deze doelstelling valt samen met de hoofddoelstelling uit paragraaf 1. - Het potentieel aan aspirant-leraren uitbreiden door de opleidingen te diversifiëren. Aan deze doelstelling wordt beantwoord, als scholen er gemakkelijker in slagen om vacatures te vervullen. Of dit het geval is, wordt onderzocht in het overkoepelende onderzoek, genoemd in paragraaf 1. De ambities die we gerealiseerd willen zien in 2015: - Alle scholen van het Regionaal Platform opleidingsschool - Tweedegraads docenten participeren in het modulaire aanbod van eerstegraads opleidingen van de HU - Via zij-instroom worden docenten gerecruteerd - Docenten uit PO gaan werken in VO en docenten uit VO gaan werken in PO - Eigen leerlingen kiezen voor de lerarenopleiding In hoeverre deze ambities waar te maken zijn, welke acties daarbij horen en welke aantallen (aspirant)docenten we hierin kunnen betrekken, gaan we onderzoeken in het schooljaar 2013-2014. Dan zal ook het overleg met de schoolbesturen PO plaatsvinden om te bezien in hoeverre uitwisseling van docenten wenselijk en mogelijk is. Op grond hiervan volgt een plan van aanpak in juni 2013 met daarbij gepreciseerde ambities voor 2015. 5. Deelproject 4: ontfuiken In het najaar van 2012 wordt in overleg met VOiON bepaald hoe we de verkenning op een betere uitwisseling met andere non-profit en met profit-organisaties vorm kunnen geven. Dit levert een voorstel op per uiterlijk 1-10-2012. Dit plan van aanpak voor de oriëntatiefase zal vervolgens met OCW worden besproken.
21
6. Kalender Overkoepelend
Inductiefase
Anders leren
2012-2013 Vanaf 1-9-2012
Schoolnabij opleiden Oriëntatie op mogelijkheden
1-10-2012
Start leerwerkgroep
a. Start voorbereiding Eklas b. Start leerwerkgroep
Plan van Aanpak oriëntatiefase
1-11-2012 1-12-2012 1-2-2013 1-3-2013
1-4-2013
1-5-2013 1-6-2013
Ontfuiken
GO – NO GO oriëntatiefase Nulmeting aantrekkelijkheid gereed Rapportage nulmeting
Nulmeting uitval gereed Rapportage nulmeting a. Onderzoeksrapport b. Eindrapport leerwerkgroep a. Plan van Aanpak 2013-2015 b. Inzet scholen bekend GO – NO GO vervolg
Resultaten leerwerkgroep
a. Plan van Aanpak 20132015 b. Inzet scholen bekend GO – NO GO vervolg Plan van Aanpak met bijgestelde ambities
22
Eindrapport oriëntatie
Overkoepelend 2013-2014 1-8-2013
Tot 1-6-2014 1-6-2014
2014-2015 1-8-2014
1-2-2015 1-6-2015
Anders leren
Start 2e ronde interventies Tussenmeting aantrekkelijkheid gereed Rapportage eindmeting
a. Start 2e ronde E-klas b. Start voortzetting pilots
Effectmeting uitval (1e keer) gereed Rapportage effectmeting Afspraken vervolg in regionaal verband
1-10-2015 Herfst 2015 15-11-2015 Voor 31-12-2015
Schoolnabij opleiden Later in te vullen
Ontfuiken
Later in te vullen
Later in te vullen
Later in te vullen
Start uitvoering interven- a. Start uitvoering E-klas ties b. Start uitvoering pilots c. Voorbereiding 2e ronde Uitbreiding inzet scholen Uitbreiding inzet scholen bekend bekend Vervolgonderzoek uitval Rapport conclusies 1e a. Tussenrapport E-klas ronde + aanpassingsb. Tussenrapport ICTvoorstellen pilots
1-4-2014
1-12-2014
Inductiefase
a. Eindrapport E-klas b. Eindrapport ICT-pilots Eindmeting aantrekkelijkheid gereed a. Rapportage eindmeting b. Slotconferentie
Effectmeting uitval (2e keer) gereed a. Rapportage effectmeting b. Eindrapport c. Handboek P&O
23
Afspraken vervolg ICT in regionaal verband
E.
Borging: binnen scholen, regionale inbedding en verdere disseminatie
Na de projectperiode dienen de succesvol gebleken elementen uit de hiervoor beschreven deelprojecten gecontinueerd te worden. Hoe gaan we hiervoor zorgen ? In de eerste plaats zorgen we ervoor dat er per deelproject en ook voor het overkoepelende geheel rapporten worden opgeleverd die de tussenresultaten en de eindresultaten beschrijven. Deze worden zo opgezet, bijvoorbeeld in de vorm van een handboek, dat zij ook direct voor andere scholen bruikbaar zijn. Verder streven we bij de inrichting van de projecten naar een zo direct mogelijke impact op de betrokken vakgroepen en scholen. Door bijvoorbeeld de vorming van leerwerkgroepen kan de expertise binnen de scholen verrijkt worden met input vanuit andere scholen op docentniveau. Deze docenten kunnen binnen hun scholen functioneren als trekker voor verdere vernieuwingen. Disseminatie zal verder plaatsvinden via Nieuwsbrieven van o.a. VOiON en het beoogde landelijke netwerk van P&O’ers en bestuurders uit actieve regionale platforms. Verder zullen de onderzoeken in het kader van de deelprojecten leiden tot publicaties in relevante vakbladen. Tenslotte is er een slotconferentie gepland waarin de resultaten worden samengevat en doorgegeven. Bij het bespreken en verspreiden van de succesvolle elementen uit de projecten kunnen we profiteren van de wijze waarop het regionaal platform onderwijsarbeidsmarkt Utrecht VO/MBO thans werkt. Het regionaal platform onderwijsarbeidsmarkt Utrecht VO/MBO vertegenwoordigt een groot deel van de scholen VO en MBO in de provincie Utrecht met enige uitbreiding richting Noord Holland (’t Gooi), Gelderland en Zuid-Holland. De 23 besturen hebben het afgelopen jaar intensief onderzoek verricht en laten verrichten naar de kwalitatieve en kwantitatieve tekorten die in deze regio te verwachten zijn. Mede dankzij het project “Utrechtse Kansen” voor de stad Utrecht konden ook al enige activiteiten worden beproefd om te komen tot aantrekkelijker scholen en professioneler docenten. In het platform participeren ook de belangrijkste instituten voor lerarenopleidingen in Utrecht: Hogeschool Utrecht en Universiteit Utrecht. Tot medio 2011 participeerde het SBO; vanaf juni 2012 participeert VOiON. Inmiddels heeft een flink aantal P&O medewerkers zich verenigd in het regionaal netwerk P&O waarvan een vertegenwoordiging ook deelneemt aan het regionaal platform overleg. Hiermee kunnen de initiatieven vanuit het regionaal platform snel concreet vertaald worden. Via het platform kunnen ook snel verbindingen tussen scholen worden gelegd, zodat waardevolle initiatieven gemakkelijk kunnen worden overgenomen. Daarnaast zet het platform zich in om de behaalde resultaten ook voor andere platforms in Nederland beschikbaar te stellen. Dit geldt thans voor de kwantitatieve en kwalitatieve berekeningen voor het te verwachten lerarentekort in de komende jaren en ‘opbrengstgericht professionaliseren’ vanuit Utrechtse Kansen 2.
24
Eenzelfde aanpak is ook goed mogelijk bij de hiervoor beschreven deelprojecten. Ook daar zullen de resultaten in eerste instantie gedeeld worden met de scholen binnen het platform; vervolgens zullen ze ook beschikbaar gesteld worden aan andere belangstellenden. Daartoe wordt de website www.utrechtsekansen.nl gecontinueerd en waar nodig uitgebreid.
25
26