2. Position paper praktijkgericht onderzoek
Het belang van praktijkgericht onderzoek voor de professioneel gerichte bacheloropleidingen van de Vlaamse hogescholen Sinds het decreet op de hogescholen van 1994 heeft het projectmatig wetenschappelijk onderzoek een structurele en onmiskenbare positie verworven in de hogescholen. Lang niet alleen in de academiserende opleidingen, maar ook in het professioneel gericht onderwijs is het toegepast onderzoek niet meer weg te denken. Hierdoor bevestigt het hoger professioneel onderwijs in Vlaanderen zijn positie en belang in de innovatie- en valorisatieketen. Dat professioneel gericht onderwijs niet zonder praktijkgericht onderzoek kan, wordt inmiddels in tal van fora erkend maar jammer genoeg ook nog hier en daar miskend, vooral als het op 1 financiering aankomt. Nochtans werd tijdens de Europese ministerconferentie van april 2009 te Leuven de ondubbelzinnige oproep gedaan tot verdere versterking van de kennis- en onderzoeksfunctie van het Europese hoger onderwijs op alle niveaus: ‘In order to bring about sustainable economic recovery and development, a dynamic and flexible European higher education will strive for innovation on the basis of the integration between education and research at all levels.’ Dit betekent dat onze hogescholen met hun bacheloropleidingen met professionele gerichtheid in internationale context alleen maar een degelijke positie zullen kunnen verwerven wanneer ze in voldoende mate aan praktijkgericht onderzoek kunnen doen. Bovendien zal het noodzakelijk zijn om in het nieuwe accreditatiestelsel in ontwikkeling, de verwevenheid tussen praktijkgericht onderzoek en onderwijs in de professioneel gerichte bacheloropleidingen aan te tonen.
Definitie van praktijkgericht onderzoek 2
We kunnen ons hiervoor baseren op de definitie van de HBO-raad in Nederland. Het praktijkgericht onderzoek aan hogescholen sluit aan bij het werkveld. De vraagstellingen van het praktijkgericht onderzoek dat door hogescholen wordt verricht, worden ingegeven door de professionele praktijk (‘real life’-situaties), in zowel profit- als non-profitsectoren, kunsten en cultuur. Het praktijkgericht onderzoek genereert kennis, inzichten en producten die bijdragen tot het oplossen van de problemen in de beroepspraktijk en/of aan de ontwikkeling en innovatie van deze beroepspraktijk. Het onderzoek aan hogescholen wordt door de praktijk gestuurd, en richt zich daarbij ook op strategische vragen en de langere termijn. Het onderzoeksobject of de onderzoeksvraag staat centraal. De aanpak is vaak multi- en/of transdisciplinair. Het praktijkgericht onderzoek aan de hogescholen is onderzoeksmethodologisch verantwoord en sterk gebonden aan de toepassings- of omgevingscontext. Dit betekent dat bij beoordeling van het onderzoek zowel wetenschappelijke criteria als ook criteria uit de context (beroepspraktijk) een rol spelen. De hogescholen ontwikkelen speerpunten inzake praktijkgericht onderzoek en werken samen met universitaire onderzoekscentra en andere kenniscentra. Het praktijkgericht onderzoek aan de hogescholen kent een sterke verbinding met vele activiteiten van het professioneel hoger onderwijs, niet in het minst met het onderwijs. Docenten maken deel uit van de onderzoeksteams. Via stages, bachelorproeven, interne of externe projectactiviteiten en dienstverlening worden studenten actief betrokken bij het praktijkgericht onderzoek. Het praktijkgericht onderzoek heeft een vernieuwende werking op het curriculum en draagt bij tot verdere professionalisering van de medewerkers en het werkveld.
1 2
Communiqué of the Conference of European Ministers Responsible for Higher Education, Leuven and Louvain-la-Neuve, 28-29 April 2009 HBO-raad (2010), Naar een duurzaam onderzoeksklimaat, Ambities en succesfactoren voor het onderzoek aan de hogescholen.: 27
VLHORANET - netwerkevent: Innovatie in het kwadraat - De innovatiekracht van hogescholen en hun afgestudeerden. Commissie Economie - donderdag 3 maart 2011 - Vlaams Parlement, Brussel
5
Het praktijkgericht onderzoek aan hogescholen, de kenniscreatie en de kenniscirculatie vinden plaats binnen (duurzame) netwerken met externe partijen. Kennis en inzichten worden via uiteenlopende kanalen van publicatie en wetenschapscommunicatie aan de diverse doelgroepen overgebracht: via wetenschappelijke publicaties, via bijdragen aan professionele tijdschriften, via studiedagen, workshops, voordrachten en presentaties en via uiteenlopende media zoals internet, kranten, radio en tv.
Het belang van praktijkgericht onderzoek voor de hogescholen Het belang van praktijkgericht onderzoek voor de hogescholen situeert zich op drie niveau’s: - Praktijkgericht onderzoek in de hogescholen leidt tot kwaliteitsvolle onderwijs- en curriculumvernieuwing. - Praktijkgericht onderzoek leidt tot expertiseopbouw en professionalisering van de medewerkers - Praktijkgericht onderzoek leidt tot innovatie en kennisvalorisatie in het werkveld. Praktijkgericht onderzoek en onderwijs Een bevraging van Universities of Applied Sciences naar de relevantie van onderzoek voor de toekomstige beroepspraktijk van studenten toonde aan dat “competenties vereist door de werkgevers” en “onderzoeks3 vaardigheden voor de beroepspraktijk” respectievelijk als eerste en tweede antwoord werden aangestipt. Door het verbinden van onderwijs en praktijkgericht onderzoek wordt een brug geslagen tussen de onderwijsopdracht van de hogeschool en de beroepspraktijk. Het gaat om: - zowel de vertaling van de urgenties van de concrete praktijk naar het onderwijs en onderzoek (kenniscirculatie: kennis die elders is ontwikkeld en door de hogescholen toegankelijk wordt gemaakt,) - als de innovatie van die praktijk door het onderwijs en praktijkgericht onderzoek (kenniscreatie via onderzoek: nieuwe kennis die wordt ontwikkeld door de hogescholen) Het beeld van een hoger opgeleide professional met een standaardrepertoire aan kennis en vaardigheden is immers achterhaald. Tegenover het beeld van de routinematig werkende professional (R-professional) staat de professional die op basis van creativiteit en innovatietalent voortdurend nieuwe kennis produceert (I4 professional) . Omwille van de meerwaarde voor de samenleving is er duidelijk nood aan bachelorstudenten uit hogescholen die hun beroep met voldoende kritisch en reflectief vermogen uitoefenen. Studenten moeten voldoende kunnen analyseren, reflecteren en conceptualiseren. De maatschappij verlangt dat er belang wordt gehecht aan de meer reflectieve, analytische en conceptuele doelen die in de Dublindescriptoren of de 5 European Quality Format genoemd worden . Het onderzoeksrapport van de Internationale Commissie 6 Abrahamsen aan de Nederlandse overheid (2005) stelt het duidelijk : ‘However, the abilities to analyse problems, to synthesize, to propose solutions and to communicate about various challenges in the company or the establishment also in a multidisciplinary environment, are becoming more and more important. These abilities are not only important in research environments but also in industry and in the society at large. This, in combination with the knowledge and understanding of real life processes in industry, will give industry additional innovative power. Practical and professional experience of students, by preference from the start of their study and in combination with applied research, will allow these competences to develop.’ Internationale onderzoekers waarschuwen voor een te overmatige en eenzijdige nadruk op professionele en operationele competenties. Dit patroon is té kort termijndenken en té beperkt voor de toekomstige 7 middenklasse die de samenleving moet dragen . Goed onderwijs is altijd een combinatie van beide 8 competenties . Bachelorstudenten met professionele gerichtheid moeten opgeleid worden tot kritische 3 4 5 6 7 8
De Weerdt E. (2009), Het onderzoeksprofiel van Universities of Applied Sciences in Europa. Tijdschrift voor Hoger Onderwijs jg 27 (4): 254 J van der Vos, H. Borgdorff, A. van Staa, Kennis in Context, onderzoek aan hogescholen, gepubliceerd op www.scienceguide.nl. P. Breebaart (2010), Research in a teaching university. Thema 2: 56-59 Onderzoeksrapport Internationale Commissie: bridging the gap between theory and practice (2005): 48 D. Bok (2006), Our Underachieving Colleges, Princeton University Press, Princeton. R. Barnett (1994), The Limits of Competence, Knowledge, Higher Education and Society, Open University Press, Buckingham.
VLHORANET - netwerkevent: Innovatie in het kwadraat - De innovatiekracht van hogescholen en hun afgestudeerden. Commissie Economie - donderdag 3 maart 2011 - Vlaams Parlement, Brussel
6
gebruikers van wetenschappelijke kennis zodat ze kunnen bijdragen tot innovatie van het werkveld door het vertalen van wetenschappelijke kennis. Hogescholen moeten studenten ook opleiden voor een toekomst die onbekend is. Een excellente hogeschool zal moeten bedenken wat voor het komende decennium van belang is voor die beroepen of beroepsdomeinen waartoe ze opleidt. Men mag immers niet vergeten dat men vandaag jonge professionals opleidt voor beroepen die op heden nog niet bestaan. Ze zullen dus over een groot adaptief vermogen moeten beschikken en het levenslang leren als belangrijke attitude verwerven. Het curriculum van de bacheloropleidingen met professionele gerichtheid kent een belangrijke stagecomponent. Deze periodes van drie tot zes maanden zijn dikwijls gelinkt aan een bachelorproef waarin een student of een team van studenten een casus/ontwerp/probleem uit het werkveld op een kritische, reflectieve en onderzoeksgerichte wijze exploreert, analyseert en er een oplossing voor bedenkt. De studenten krijgen via de stage ook een goed inzicht in de werking en mogelijkheden in het werkveld. Bovendien zijn ze bij het einde van hun opleiding praktisch onmiddellijk inzetbaar. Praktijkgericht onderzoek en de expertise en professionalisering van de medewerkers van de hogescholen De loopbaan van de medewerkers van de professionele bacheloropleidingen aan de hogescholen kent een relatief vlak verloop en dit in tegenstelling tot hun collega’s van de academische opleidingen. Gedifferentieerde taakinvulling o.a. via het participeren aan praktijkgericht onderzoek leidt tot nieuwe impulsen in de loopbaan en het uitdiepen van de expertise. Door het intense contact met het werkveld wordt de kennis van docenten voortdurend verbreed en verrijkt en blijven ze in contact met de nieuwste ontwikkelingen. Tezelfdertijd houden docenten intensief contact met het academisch onderzoek aan de universiteiten om zo de transfer van deze kennis naar het werkveld te realiseren. Net omwille van de achterhaalde visie van de R-professional dienen de hogescholen te beschikken over een docentenkorps dat zelf ook op basis van creativiteit en innovatietalent voortdurend nieuwe evidence based kennis produceert en kan bijdragen aan de gewenste ontwikkeling van beroepen. Een standaardrepertoire aan kennis en vaardigheden is ook bij het onderwijzend personeel al lang geen optie meer. De houding bij docenten om innovatie- en valorisatiekansen op te sporen en door te geven aan studenten moet standaard aanwezig zijn. Dit vindt zijn oorsprong in het praktijkgericht onderzoek dat deel uit maakt van de professioneel gerichte bacheloropleidingen aan de hogescholen. Via het praktijkgericht onderzoek bouwen de medewerkers nieuwe expertise op of diepen ze bestaande expertise verder uit. Praktijkgericht onderzoek en het werkveld Hogescholen hebben een eigen en specifieke plaats in de valorisatie- en innovatieketen. Ze zijn enerzijds “vertalers” van kennis uit het fundamenteel onderzoek naar de implementatie in het werkveld en anderzijds kunnen onderzoeksresultaten uit het praktijkgericht onderzoek zorgen voor nieuwe impulsen in het fundamenteel onderzoek. Bovendien is de toegang tot de hogescholen en het praktijkgericht onderzoek laagdrempelig. De professioneel gerichte Bacheloropleidingen zijn bij uitstek goed geplaatst om de gewenste verbindingen tot stand te brengen met het werkveld door hun wijdvertakt netwerk in de professionele praktijk en hun regionale inbedding. Vragen uit het werkveld zijn de basis voor collaboratief en praktijkgericht onderzoek en leiden tot ontwikkeling en innovatie. Zowel de kleine als middelgrote KMO, de zelfstandige, sectororganisaties en de notfor- profitsector hebben belang bij de expertise-inzet van de medewerkers uit de hogescholen. Hun vragen naar praktijkgericht onderzoek zijn veelvuldig maar worden zelden opgelost wegens het ontbreken van de broodnodige financiële middelen. Resultaten van praktijkgericht onderzoek dragen bij tot innovatie en ontwikkelwerk voor het werkveld. De organisatie van een brede waaier aan bijscholingen, navormingen en postgraduaten, kortom permanente vorming, dragen bij tot het levenslang leren en het professionaliseren van de sector.
VLHORANET - netwerkevent: Innovatie in het kwadraat - De innovatiekracht van hogescholen en hun afgestudeerden. Commissie Economie - donderdag 3 maart 2011 - Vlaams Parlement, Brussel
7
Financiering van het praktijkgericht onderzoek aan de hogescholen De financiering van het praktijkgericht onderzoek aan de hogescholen gebeurt via twee kanalen. De overheid(Ministerie van Onderwijs en het Ministerie van Wetenschapsbeleid)zorgen voor beperkte PWO(projectmatig wetenschappelijk onderzoek)-gelden. Een tweede geldstroom wordt gegenereerd via de wetenschappelijke dienstverlening of contractonderzoek voor derden. Door de geringe financiële middelen voor praktijkgericht onderzoek zijn de hogescholen geen gegeerde onderzoekspartner voor ander onderzoekscentra en kunnen ze hun speerpunten onvoldoende of te beperkt uitbouwen. Ondanks deze beperking kunnen ze toch op alle kennisdomeinen innovatieve resultaten voorleggen die de beroepspraktijk en het werkveld dagelijks vooruit helpen. Indien men de hogescholen en de professioneel gerichte bacheloropleidingen ernstig wil nemen, hen de mogelijkheid wil geven om kwaliteitsvol te zijn en internationaal sterk, dan zullen de financiële middelen voor praktijkgericht onderzoek drastisch moeten verhogen.
Besluit Zonder twijfel is een duurzaam klimaat voor praktijkgericht onderzoek aan hogescholen een noodzakelijke voorwaarde voor het handhaven en steeds verbeteren van de gehele kwaliteit van onderwijs en de innovatie van het werkveld. In dit perspectief zijn praktijkgericht onderzoek en het onderwijs onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dit alles vereist echter een betekenisvolle bijkomende financiële impuls voor het praktijkgericht onderzoek van het professioneel gericht onderwijs.
VLHORANET - netwerkevent: Innovatie in het kwadraat - De innovatiekracht van hogescholen en hun afgestudeerden. Commissie Economie - donderdag 3 maart 2011 - Vlaams Parlement, Brussel
8
3. Uit de praktijk: onderzoeksprojecten binnen het praktijkgericht onderzoek Hieronder wordt een beperkte greep uit het aanbod van praktijkgerichte onderzoeksprojecten binnen de professioneel gerichte bacheloropleidingen aan de hogescholen opgelijst ter illustratie van de brede scope en het maatschappelijk, economisch, sociaal en cultureel belang van deze projecten. Het Vlaamse hogescholenlandschap omvat instellingen met diverse en specifieke kwaliteiten en contacten in de regio. Het onderzoek aan de hogescholen is dan ook aangepast aan deze gediversifieerde realiteit. Naargelang de focus en het intern beleid van de instelling kunnen verschillenden benaderingen op het praktijkgericht onderzoek onderscheiden worden. Deze algemene bedenking dient meegenomen te worden doorheen onderstaand aanbod. Onderzoek naar en implementatie van een traceability systeem in een logistieke keten van een verhuurbedrijf Met dit project willen we een logistiek probleem bij Logistra, een logistiek behandelaar van feestmateriaal uit Hasselt, oplossen door een ICT-systeem te onderzoeken en te implementeren. Logistra werkt als logistieke dienstverlener voor een aantal partnerbedrijven, zoals Festarent en Profiwash. Afhankelijk van de activiteit kan dus een andere bedrijfsnaam vernoemd worden in dit document. Uiteindelijk draait dit project volledig rond Logistra. Een van de grootste logistieke problemen is de interne opvolgbaarheid (binnen het eigen bedrijf en de diverse vestigingen) en de externe opvolgbaarheid (bij de klanten) van de diverse producten. Het beoogde ICT-systeem is een tracking en tracing systeem. De grote diversiteit van de verhuurde producten (van tafels en stoelen tot wijnglazen; van koelkasten tot ijsemmers; van tafellinnen tot tenten) vereist diverse oplossingen, die uiteindelijk in één globaal systeem moeten samenwerken. Het project loopt van een definitiestudie over een pilootfase tot het gebruik en beheer van een volledig traceability systeem dat een financieel, logistiek en administratief voordeel zal opleveren voor een groeiend Limburgs bedrijf met internationale allures. De vermoede combinatie van (nieuwe) technieken (vb. RFID, video segmentation, lasermarkering, …) maakt dat deze uitdaging en de vereiste kennis de mogelijkheden van dit individuele bedrijf overstijgen. De resultaten van dit onderzoek kunnen echter toegepast worden in heel wat bedrijven die met dit soort vragen kampen. Een correcte invoering kan een enorm competitief voordeel bieden. Gezonde voeding bij kleuters: “Beestig gezond op school” Ervaringen en een uitgebreid behoeftenonderzoek toonden aan dat er een leemte was in het aanbod van didactisch materiaal om te werken met kleuters rond de actieve voedingsdriehoek. Daarom werd de interventie “Beestig gezond op school” ontwikkeld op basis van het Intervention Mapping Protocol. Deze werd uitgetest en geëvalueerd in kleuterscholen. Het belangrijkste effect speelt zich af op het niveau van het proces dat de scholen meemaken in hun beleid rond gezondheidsbevordering. Niet alleen in de klassen werd er na de interventie veel gewerkt rond evenwichtige voeding en beweging, ook op het niveau van school en omgeving werd één en ander grondig herbekeken. Uit de globale analyses van het effect op de kleuters werd een toename van de fruitconsumptie vastgesteld. Daarnaast zijn in alle scholen positieve veranderingen vastgesteld zijn, met een toename van de consumptie van gezonden dranken en fruit als gevolg. Een actief gezondheidsbeleid als troef voor de school is een gevolg.
VLHORANET - netwerkevent: Innovatie in het kwadraat - De innovatiekracht van hogescholen en hun afgestudeerden. Commissie Economie - donderdag 3 maart 2011 - Vlaams Parlement, Brussel
9
Een toekomst voor de haven van Brussel in een breder logistiek perspectief In een eerste fase van het onderzoek worden goederenstroombewegingen op het water en de afhandeling van havenactiviteiten in het algemeen bestudeerd. Er wordt gekeken welke vervoersconcepten wereldwijd voorkomen en welke mogelijkheden deze voor de haven van Brussel kunnen bieden. Ook de relatie tot het hinterland en andere economische gevolgen komen daarbij aan bod. Deze literatuurstudie vertrekt van sterkte zwaktebedreigingen en kansenanalyses die in recente studies voor de haven van Brussel zijn aangegeven. Op basis van de analyse van de eerste fase wordt er nagegaan met welke haven(s) de haven van Brussel het beste voor een operationele benchmark kan worden vergeleken. In deze vergelijking worden (best) practices, methoden, procedures en prestaties van deze havens op systematische wijze naast deze van Brussel geplaatst. Daaruit wordt ook afgeleid welke functionele probleemstellingen en kansen dieper onderzocht kunnen worden en welke stakeholders daarbij moeten worden aangesproken. De gebieden voor verder onderzoek omvatten zoneoverstijgende katalysatoren voor verdere ontwikkeling van de haven, zoals de ontwikkeling van (inland) terminals, multi- en intermodaal vervoer, Supply Chain Management, samenwerking met andere havens, rederijen en andere actoren., de ontwikkeling van commerciële initiatieven. Met de resultaten van de benchmark en de adviezen van geselecteerde experten en belangengroepen, wordt, in een derde fase van het onderzoek, een lijst van strategische aandachtspunten en mogelijke voorstellen van oplossing of ontwikkeling voorgesteld. Deze voorstellen kunnen aanzien worden als een vorm van produktontwikkeling van diensten, of als initiatieven van kwaliteitszorg, change management en duurzaam ondernemen. Het kan ook gaan over projecten van continue verbetering van havenactiviteiten. In functie van de weerhouden prioriteiten worden in deze fase voorstellen van re-engineering, kosten-baten ontledingen, strategieën of business planningsoefeningen uitgewerkt. Optimalisering van stralingsdosis en beeldkwaliteit bij projectieradiologie met digitale beelddragers In het verleden werden röntgentoestellen zo ingesteld dat het beeld op een röntgenfilm de juiste zwarting en contrast had. Een te hoge dosis gaf een overbelichting, een te lage dosis een onderbelicht beeld. Deze intrinsieke kwaliteitscontrole is weggevallen bij de invoering van digitale beelddragers (de zgn. DR en CR technieken). Een te hoge dosis leidt niet meer tot een te donker beeld, wel tot een betere beeldkwaliteit door een groter dynamisch bereik. De literatuur leert dat men hierdoor de kans loopt dat deze nieuwe technieken, die in theorie tot een lagere stralingsdosis voor de patiënt kunnen zorgen, tot een hogere stralingsdosis leiden omdat de natuurlijke rem van te donkere beelden is weggevallen. Dit project heeft tot doel een methode te ontwikkelen waarmee radiologische diensten op een eenvoudige manier voor hun routine onderzoeken de instellingen kunnen bepalen die zorgen voor optimale beelden bij een minimale stralingsdosis. Het project valt daarvoor uiteen in drie delen: 1. Men verzamelt klinische beelden van drie typen onderzoeken van tenminste 25 radiologische diensten. Deze beelden worden beoordeeld door radiologen op klinische kwaliteit. Tezelfdertijd worden de technische parameters waarmee de beelden werden gemaakt, verzameld. 2. De resultaten van deel 1 worden geanalyseerd. De parameters die een invloed hebben op de beeldkwaliteit worden in kaart gebracht, daaruit worden regels opgesteld voor optimale parameterinstellingen voor een optimaal beeld en minimale stralingsdosis. 3. De regels die werden opgesteld in deel 2 zullen worden verspreid naar de radiologische diensten via workshops en bijscholingsactiviteiten. De regels zullen ook worden geïncorporeerd in de cursuspakketten voor de studenten medische beeldvorming. De afstemming van de hulpmiddelen en de woonomgeving op de specifieke hulpvraag van de persoon met beperking Een steeds groter wordende groep mensen (ouderen, personen met een fysieke/meervoudige beperking) ervaart problemen bij het uitvoeren van dagelijkse activiteiten in de eigen woonomgeving. De fysische en VLHORANET - netwerkevent: Innovatie in het kwadraat - De innovatiekracht van hogescholen en hun afgestudeerden. Commissie Economie - donderdag 3 maart 2011 - Vlaams Parlement, Brussel
10
sociale omgeving van een persoon heeft een grote invloed op het wonen, ze kan enerzijds het handelen stimuleren en anderzijds ook drempels opwerpen. In de ergotherapie krijgt het gebruik van de omgeving, als aangrijpingspunt voor het oplossen van handelingsproblemen, toenemende aandacht. Men stelt zich de vraag of er een hulpmiddel of een aangepaste woonomgeving bestaat die het ervaren handelingsprobleem kan reduceren of opheffen? Vanuit de praktijk dringt de vraag naar een wetenschappelijk onderbouwde, objectieve adviesverlening voor het selecteren van het meest effectieve hulpmiddel en het uitbouwen van de meest efficiënte leefomgeving, zich op. De hoofddoelstelling van het project is het ontwikkelen van een betrouwbaar testprotocol inclusief testlab voor het bepalen van de eisen waaraan de fysische omgeving moet voldoen opdat de oudere of persoon met fysieke/meervoudige beperkingen de door hem gewenste activiteiten in de woning zou kunnen uitvoeren. Dit moet leiden tot een geïndividualiseerd en betrouwbaar advies op vlak van hulpmiddelen en woningaanpassing De opleiding ergotherapie ervaart het als een prioritaire uitdaging om een dergelijk testprotocol, gekoppeld aan een testlab, te ontwikkelen. Zij wordt daarin gesteund door de concrete vraag die vanuit In-HAM vzw aan de hogeschool gesteld is in het kader van een ruimere structurele samenwerking tussen de KHBO en het Dienstencentrum Gid(t)s. Page Technologische en economische valorisatie van kunststofscrap in eigen bedrijf Bij stijgende grondstofprijzen voor kunststofverwerking wordt het gebruik van kunststofscrap meer en meer interessant. Vroeger werd reeds kunststofscrap ingezet bij sommige productieprocessen op basis van een trial en error methode. In dit project wordt in eerste instantie onderzocht welke soorten en hoeveelheden scrap er zijn voor de thermoplastische kunststoffen. Hierbij wordt enkel rekening gehouden met materiaal waarvan de verwerkingsgeschiedenis gekend is (post production waste). Opkopers van scrapmateriaal zijn hier ideale partners voor. Voor de verschillende soorten thermoplasten wordt onderzocht wat de invloed is van de noodzakelijke stappen binnen de omvorming van scrap naar bruikbaar recyclaat (Shredderen, wassen, vermalen, granuleren,...). Daarnaast wordt ook bepaald hoe de mechanische en de verwerkingseigenschappen van de kunststof beïnvloed worden door meerdere malen hergebruik van grondstof. Hiervoor wordt hetzelfde materaal verschillende keren verwerkt en worden trekproeven, impacttesten en viscositeitsmetingen uitgevoerd. Deze metingen moeten toelaten om de eventuele veranderingen van de verschillende eigenschappen te registreren. Al deze informatie zal in een software tool geïmplementeerd worden dat door de kunststofverwerkers kan gebruikt worden. Op die manier kan voor eender welk productieproces bepaald worden hoe de verschillende eigenschappen door het verwerkingsproces beïnvloed worden voor een welbepaalde thermoplast. DEVOOT Het meest verstrekte hulpmiddel in de technische orthopedie is de Enkel Voet Orthese (EVO). Dit hulpmiddel zorgt er voor dat de beweging in het enkel-voet complex ondersteund en gestuurd wordt, afhankelijk van de te behandelen aandoening. Vroeger werden deze EVO‟s opgebouwd uit aangeplooide stangen en scharnieren. De huidige comfort- en esthetieknormen vereisen dat het te leveren apparaat nauw aansluit met de anatomische vormen, zonder een significante toename in gewicht. De gebruikte materialen variëren van composietmaterialen tot de moderne thermoplastische materialen, telkens op maat gemaakt naar de individuele anatomische vorm van de cliënt. Bij gebrek aan een werkbaar model wordt hoofdzakelijk gewerkt bij “trial and error” door het empirisch aanbrengen van verzwakkingen of verstevigingen in het gebruikte materiaal op intuïtief gekozen locaties van de orthese. De doelstelling van het project is om de wijzigingen in vorm en materiaalkarakteristieken te objectiveren met behulp van een mathematisch model dat in de mate van het mogelijke rekening houdt met de variaties in het handmatig vervaardigen van deze orthesen.
VLHORANET - netwerkevent: Innovatie in het kwadraat - De innovatiekracht van hogescholen en hun afgestudeerden. Commissie Economie - donderdag 3 maart 2011 - Vlaams Parlement, Brussel
11
In een eerste fase van het onderzoek zullen de empirisch verkregen modellen onderzocht worden op hun weerstand aan repetitieve belasting. Om dit op een gestandaardiseerde wijze te realiseren zal een proefstand gebouwd worden. In een tweede fase zal de optimale modelvorming bepaald worden via FEM (Finite Element Method). Een derde fase van dit onderzoek gaat na of de modelvorming voldoet aan de vereisten van het dagelijkse leven: dit omvat een validatie van de ontworpen teststand. In een vierde fase van het onderzoek zal via ganganalyse onderzocht worden aan welke krachten en momenten de orthesen tijdens een gestandaardiseerde gangtest op vlak terrein onderhevig zijn. De departementen betrokken in dit onderzoek zijn: G&C, IIBT, en TW Een pijnvrij zorgtraject voor kinderen doorheen het ziekenhuis Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat pijn bij kinderen sinds meer dan 30 jaar onderschat en daardoor inadequaat behandeld wordt. Pijn bij kinderen is in wezen anders dan pijn bij volwassenen en vraagt een multidisciplinaire aanpak. Tot voor kort was iedere hulpverlener vanuit eigen expertise bezig met pijnassessment en management. Echter van een integraal, multidisciplinair en wetenschappelijk gedragen pijnbeleid was geen sprake. Ketenzorg kan hierin verandering brengen. In dit PWO project wordt het concept van een coördinator kinderpijn opgevat als handvat om een ziekenhuisbreed zo pijnvrij mogelijk zorgtraject voor het kind te realiseren. De verpleegkundige staat daarbij garant voor organisatie van de multidisciplinaire aanpak die een adequaat pijn management vereist. Het project krijgt vorm via een grensoverschrijdende samenwerking tussen het Maxima Medisch Centrum en 3 Vlaamse regionale ziekenhuizen. De doelstellingen van dit onderzoeksproject bestaan er in om: Op zoek te gaan naar de mogelijkheden die er zijn om ketenzorg te organiseren op vlak van het beheersen en minimaliseren van pijn bij kinderen in de participerende ziekenhuizen. Adequate implementatiestrategieën te ontwikkelen conform het ketenzorgmodel op maat van de participerende ziekenhuizen. In deze strategie zal de rol van coördinator kinderpijn voor het pijnprotocol duidelijk naar voren komen. Geautomatiseerde pijnregistratietoepassingen en eventuele verankering van het zorgtraject in elektronische verpleegdossiers te ontwikkelen. Het project anticipeert op de toekomstige wetgeving omtrent kwaliteitszorg in de Vlaamse ziekenhuizen en zal de verpleegkundigen in het werkveld ondersteunen in het hanteren van pijnmeetinstrumenten, het optimaliseren van de pijnregistratie en het adequaat interveniëren met gepaste middelen. Wat hebben we nodig om rond te komen? Minimumbudgetten en financiële dienstverlening In de Leefloonwet worden de prestaties die het OCMW moet leveren vastgesteld door de federale wetgever. Als dusdanig voert het OCMW een overheidstaak uit, met name het garanderen van de minimumbescherming van de sociale zekerheid. Ten aanzien van de maatschappelijke dienstverlening heeft het OCMW een veel ruimere en meer discretionaire opdracht. Welke steun verleend wordt, welke criteria en welke bedragen daarbij gehanteerd worden, beslist het lokale OCMW autonoom. Het gevolg van deze grote autonomie is de enorme verscheidenheid in normen en criteria die OCMW’s hanteren. Uit sociologisch onderzoek blijkt dat 50% van de lokale besturen in de praktijk zelf barema’s, richtlijnen en steunnormen uitvaardigen om een zekere gelijkberechtiging van hun cliënten te bekomen. In dit project willen we zoeken naar de hoeveelheid financiële middelen die iemand nodig heeft om op een minimaal aanvaardbare manier te kunnen participeren in onze samenleving. Hierbij willen we uitdrukkelijk het multi-aspectuele karakter van de armoede meenemen. We denken dit te kunnen realiseren door het uitwerken van minimumbudgetten die (1) vertrekken vanuit de leefpatronen van lage inkomensgezinnen, (2) voldoende ruimte laten voor de eigen levenswijze en (3) keuzevrijheid geven.
VLHORANET - netwerkevent: Innovatie in het kwadraat - De innovatiekracht van hogescholen en hun afgestudeerden. Commissie Economie - donderdag 3 maart 2011 - Vlaams Parlement, Brussel
12
De centrale onderzoeksvraag is deels normatief (hoeveel kost het om op een minimaal aanvaardbare manier te kunnen participeren aan de samenleving, d.i. de vraag naar de leefkosten), deels illustratief (hoe groot zijn de gemiddelde variabele uitgaven van lage inkomensgezinnen, d.i. de vraag naar de variabele kosten). Ontwikkeling van een on-site saneringstechniek van grondwater, vervuild met minerale olie In dit project willen we een methode ontwikkelen voor de sanering van grondwater bij een vervuiling van de bodem (en het aanwezige grondwater) door minerale olie. Minerale olie is een frequent voorkomende verontreiniging. Van overheidswege zijn OVAM en BOFAS verantwoordelijk voor de saneringen. Het onttrekken en daarna behandelen van het verontreinigde grondwater (pump and treat) is een veel gebruikte techniek voor de sanering. Het voordeel van deze techniek is dat ze in-situ gebeurt, zonder ontgraven van bodem; een nadeel is dat ze soms jarenlang duurt omdat de olie niet goed oplosbaar is in het water, niet beschikbaar is. Dit probleem willen we verhelpen door stoffen toe te voegen die de oplosbaarheid van minerale olie kunnen verhogen en zo de extractie kunnen versnellen. De stoffen die we testen zijn cyclodextrines. Dat ze in staat zijn om de bodemsanering van minerale olie te versnellen, is aangetoond in een eerste onderzoek. In dit onderzoek testen we deze cyclodextrines op hun vermogen om minerale olie beter extraheerbaar te maken en zo de pump and treat techniek sneller te laten verlopen. Om toevoeging van cyclodextrines economisch rendabel te maken, wordt een methode gezocht om ze te scheiden van de minerale olie, ze daarna te herconcentreren en zo opnieuw te kunnen gebruiken. Indien de methodiek daarvoor op punt staat, wordt ze toegepast op een vervuild terrein om ze te testen om haar werking. Page Overheidscommunicatie met kwetsbare en kansarme doelgroepen Sinds eind jaren negentig ontwikkelde zich bij overheid en non-profit sector een sterke gevoeligheid voor communicatie naar burgers in het algemeen en voor communicatie naar kwetsbare en kansarme doelgroepen in het bijzonder. Tot nu toe valt men voor de thematiek van doelgroepencommunicatie nog vaak terug op het onderzoek van Goubin & Mestiaen (2000-2002) voor de Vlaamse overheid. Ten aanzien van het onderzoek van Goubin & Mestiaen (2000-2002) stellen zich vandaag twee belangrijke problemen: Het onderzoek blijkt voor een deel verouderd : een sterk geëvolueerde mediagebruik in de sector en nieuwe praktijkervaringen rond gerichte doelgroepencommunicatie. Het onderzoek focuste vrij algemeen op "kansarme doelgroepen". Het ging onvoldoende in op de eigenhei van de specifieke deeldoelgroepen (jongeren, senioren, personen met een handicap, etnisch-culturele minderheden,...) Het vervolgonderzoek beoogt het actualiseren, verbreden en uitdiepen van de bestaande kennis rond overheidscommunicatie naar kansarme groepen. Deze kennis zal onder meer via een online kenniscentrum, een handleiding, artikels en seminaries verspreid worden bij overheden en non-profitorganisaties. Uniek aan dit project is het tegelijk diversifiëren en integreren van praktijkgebaseerde kennis en expertise m.b.t. verschillende kansarme en kwetsbare doelgroepen. Op zoek naar de opbrengst van pure plantenolie (PPO) uit verscheidene gewassen en hun kwaliteiten als biobrandstof bij dieselmotor De Europese biobrandstoffenrichtlijn (2003/30/EG) stelt dat dieselbrandstof tegen 2006 voor minimum 2% van biologische oorsprong moet zijn. Dit percentage stijgt tegen 2010 tot 5,75%. Afwijkingen van individuele lidstaten zijn mogelijk indien wordt aangetoond dat in andere domeinen voldoende duurzame energie wordt opgewekt. Voor België is het gebruik van dieselbrandstof van biologische oorsprong één van de meest haalbare alternatieven. Een mogelijke brandstof van biologische oorsprong die op een zeer eenvoudige wijze lokaal kan geproduceerd worden is zogenaamde PPO, koud geperste Pure Planten Olie. Gewassen telen, louter en alleen als
VLHORANET - netwerkevent: Innovatie in het kwadraat - De innovatiekracht van hogescholen en hun afgestudeerden. Commissie Economie - donderdag 3 maart 2011 - Vlaams Parlement, Brussel
13
brandstofleverancier blijkt niet rendabel. Vandaar dat binnen dit project verscheidene restproducten van gewassen zullen onderzocht worden op hun bruikbaarheid bij motoren en hun opbrengst bij het koud persen. De op deze wijze verkregen olie kan worden bijgemengd in klassieke dieselmotoren van voertuigen. Mits een kleine ombouw van de motor met commercieel beschikbare ombouwkits, kunnen de meeste motoren op zuivere PPO rijden. De leveranciers van dergelijke ombouwkits pretenderen minder vervuilende uitlaatgassen dan bij conventioneel gestookte dieselwagens. Aangezien over bijhorende prestaties, zoals koppel, vermogen, verbruik, uitstoot en rendementen van de motoren geen neutrale cijfergegevens gekend zijn, is dit het tweede onderzoeksdomein van dit project.e Hergebruik van industriële restmaterialen: toepassingen binnen de interieur en meubelsector Als er gekeken wordt naar de afkomst van de groeiende afvalberg, dan komt 90% in gewicht daarvan van bedrijfsafval. Dit pre-consumer afval - zoals restmaterialen en uitval uit productie- kan echter ook gezien worden als een industrieel bijproduct, waarbij het voor nieuwe toepassingen kan dienen in dezelfde of andere sectoren. Het aanbod is groot, maar er wordt tot op heden slechts beperkt gebruik van gemaakt. Enkele mooie voorbeelden van het hergebruiken van pre-consumer afval in de designwereld zijn: de heuptassen van Freitag; het project [Re]design, en de workshops Looplab. Dit PWO-project ligt in het verlengde van deze good practices rond het hergebruik van industriële restmaterialen. Het beoogt enerzijds het toegankelijk maken van industrieel restmateriaal, zijn eigenschappen en beschikbaarheid, en anderzijds het zoeken en uitvoeren van nieuwe ontwerptoepassingen van enkele geselecteerde reststoffen in de interieur- en meubelsector. Hiermee wordt het aanbod van dit soort reststoffen doorzichtiger voor ontwerpers en bedrijven door middel van een structurele documentatiebron: een digitale materialendatabase en bijhorend communicatiesysteem. Tegelijk worden ontwerpers gestimuleerd om meer over de mogelijkheden van materiaalhergebruik -en dus over ecodesign- te ontdekken en deze kennis toe te passen binnen de interieur- en meubelsector. P
Samenwerking en regie in de lokale integrale veiligheidszorg Dit project streeft de realisatie van drie samenhangende doelstellingen na. Een eerste doelstelling vertrekt vanuit het actuele debat over de regierol in het lokale, integrale veiligheidsbeleid en de observatie dat hierover nog vele vragen onbeantwoord blijven. Met name gaan we op zoek naar een antwoord op de vragen op welke manier de regierol vorm kan worden gegeven, wat de criteria zijn waaraan een goede regisseur dient te beantwoorden, en wie of welke –bestaande of te creëren- functie hiervoor op het lokale niveau in aanmerking komt. Een tweede probleemstelling vloeit voort uit wat als de kerntaak van de regisseur in de lokale, integrale veiligheidszorg kan worden beschouwd; een integraal veiligheidsbeleid brengt diverse partners met soms zeer uiteenlopende achtergronden, rond de tafel, vanuit de verwachting een geïntegreerd veiligheidsproject vorm te geven. We gaan hierbij op zoek naar zowel ‘goede praktijken’ als knelpunten, maar hebben ook aandacht voor het noodzakelijk ondersteunend beleidskader en de implicaties hiervan op het slagen of mislukken van die samenwerkingsverbanden in de lokale, integrale veiligheidszorg. Bij dit alles, en dit is een derde en onderliggende doelstelling, blijven we steeds een basisfilosofie indachtig: onvoorwaardelijk streven naar veiligheid is niet alleen naïef, want volstrekt onbereikbaar, het maakt ook blind voor de kostprijs die ermee verbonden is. En die kostprijs wordt door de samenleving cash betaald in vrijheid en gelijkheid. Ontwikkeling en normering van een diagnostisch instrumentarium voor dyslexie bij jonvolwassenen Onderzoek en praktijkervaringen in binnen- en buitenland wijzen uit dat steeds meer jongeren met dyslexie de stap naar het hoger onderwijs zetten. Bij een aanzienlijk aantal studenten is de diagnose van dyslexie nooit
VLHORANET - netwerkevent: Innovatie in het kwadraat - De innovatiekracht van hogescholen en hun afgestudeerden. Commissie Economie - donderdag 3 maart 2011 - Vlaams Parlement, Brussel
14
gesteld of blijft de diagnostiek onvoldoende gemotiveerd. Ondanks recente aandacht voor deze problematiek bij jongvolwassenen blijft er nog steeds een lacune op gebied van aangepast testmateriaal. Dit stelt, zowel voor het onderwijs alsook het werkveld, een probleem voor een gefundeerde diagnose. Om hieraan tegemoet te komen heeft het Multidisciplinair Diagnostisch Centrum voor Leerstoornissen (MDCL) een onderzoeksproject opgestart over diagnostiek van dyslexie bij volwassenen. In een eerste fase werden knelpunten in het beschikbare instrumentarium gedetecteerd in functie van de doelgroep jongvolwassenen. Een samenwerking met de Universiteit van Amsterdam en Muiswerk Educatief kadert eveneens in dit initiatief. Doelstelling is de ontwikkeling en normering van een computergestuurd instrument voor de diagnose van dyslexie bij jongeren van 16 jaar en ouder 'de Interactieve Dyslexie Test Amsterdam-Antwerpen' (IDAA). De IDAA is een computergestuurd instrument bestaande uit verschillende subtests die zich richten op het basisfenomeen van dyslexie, ernstige lees- en/of spellingsproblemen op woordniveau t.o.v. een relatieve normgroep die niet toe te schrijven zijn aan andere problemen. De kerncompetenties lezen en spellen worden gemeten aan de hand van flitstaken waarin woorden en pseudowoorden (zowel Nederlands als Engels) voor korte tijd worden aangeboden. Doel hierbij is in te gaan op een lacune in het huidige testmateriaal en onbewuste, geautomatiseerde processen aan te spreken. In de IDAA staat niet alleen het geautomatiseerd herkennen van de juiste schrijfwijze (orthografie) centraal, maar ook het door middel van natypen kunnen spellen van bestaande woorden en pseudowoorden. De orthografische competentie wordt gemeten in het Nederlands en het Engels. Om het cognitief profiel te kunnen verruimen zijn een visuele aandachtstaak en een woordomkeringstest toegevoegd. Deze laatste test sluit aan bij de beschreven "phonological deficit" theorie en meet het fonologisch bewustzijn. Op dit moment wordt gewerkt aan de normering en validering van deze nieuw ontwikkelde testbatterij ten einde een genormeerde dyslexiebatterij voor Nederland en Vlaanderen te kunnen voorleggen. Inclusieve zorg voor ouder wordende personen met een verstandelijke beperking Door een verbeterde levensverwachting neemt het aantal ouder wordende mensen met een verstandelijke beperking gestaag toe. Hierdoor rijst de vraag naar passende begeleiding en zorg. In het huidige, eerder aanbodsgestuurde zorgaanbod, zijn de nodige individuele ondersteuningstrajecten niet altijd mogelijk. Bovendien is er mede door de toegenomen aandacht voor individueel aangepaste ondersteuning voor cliënten, vanuit het werkveld een sterke behoefte aan richtpunten voor een aangepaste begeleidingsvisie. I.v.m. de plaats waar ouder wordende mensen kunnen ondersteund worden omschreven Kraus en Seltzer (1987) drie 'macro' opties: 1) Gespecialiseerde zorg: het ontwikkelen en uitbouwen van specifieke, aangepaste zorg voor ouder wordende mensen met een verstandelijke beperking; 2) Leeftijdsinclusie: het opnemen van ouder wordenden in de ondersteuningsmodaliteiten voor jongere mensen met een handicap; 3) Generische inclusie: het opnemen van ouder wordenden in de ondersteuningsmodaliteiten voor oudere mensen zonder handicap. In het eigen onderzoek voegen we daar de optie 4) ‘ageing in place’ aan toe: zelf kunnen kiezen waar men ouder wenst te worden (Bigby, 2004). Op vraag van het Regionale Welzijnsoverleg Waasland, zijn we in het voorliggende onderzoeksproject op zoek gegaan naar aanknopingspunten voor een betere, inclusieve ondersteuning voor ouder wordende mensen met een verstandelijke beperking. We formuleerden voor onszelf zowel beleidsgerichte als praktijktheoretische doelstellingen: 1.
a) het in kaart brengen en optimaliseren van de ondersteuningsmogelijkheden voor ouder wordende mensen met verstandelijke beperking in de regio Waasland. b) Met het oog op een betere zorgafstemming onderzoeken waar en hoe reguliere diensten en gespecialiseerde voorzieningen kunnen samenwerken. c) De samenleving en het beleid sensibiliseren omtrent mogelijkheden en knelpunten.
VLHORANET - netwerkevent: Innovatie in het kwadraat - De innovatiekracht van hogescholen en hun afgestudeerden. Commissie Economie - donderdag 3 maart 2011 - Vlaams Parlement, Brussel
15
2.
d) een beter inzicht verkrijgen in de bestaande professionele begeleidingsattitudes en -visies t.a.v. ouder wordende mensen met een verstandelijke beperking. e) Een nieuwe versie van een bestaande vragenlijst rond begeleidingsvisies ontwikkelen en toetsen in zowel reguliere als gespecialiseerde zorg in Vlaanderen.
Voedselveiligheid: Community Acquired MRSA in de voedselketen, meer specifiek de Belgische veehouderij Voedselveiligheid is een belangrijk gegeven bij alle voedingsbedrijven en sluit aan bij de kennis en opleidingen aanwezig op ons departement: landbouw, agro-industrie, voedingstechnologie, biotechnologie en dierenzorg. Op Vlaamse varkensbedrijven wordt het voorkomen van MRSA, infectiecyclus, stamtypering, infectiedruk in kaart gebracht. Daaropvolgend wordt bekeken welke reinigings- en desinfectiestrategieën noodzakelijk en efficiënt zijn. Op basis van een literatuurstudie worden bestaande en beschreven methoden aan de hand van praktische proeven, in vitro en indien toegelaten in vivo (varkensbedrijf), gescreend op hun efficiëntie. Daarnaast wordt ook de economische en praktische haalbaarheid van de methodieken bekeken. Naast de klassieke detergenten/desinfectantia komen ook alternatieve bestrijdingsmiddelen aan bod: het gebruik van antagonistische micro-organismen- overkoloniseren met goedaardige micro-organismen (met eventuele bacteriocin productie), fagen, auto-vaccinatie, self-curing. Deze vormen enerzijds een duurzaam alternatief voor de klassieke detergenten/desinfectantia en kunnen anderzijds ingezet worden op plaatsen waar de bestaande technieken niet bruikbaar zijn. De output van het project beoogt vooral de basis te leggen van een protocol met richtlijnen ter preventie en controle van MRSA op het landbouwbedrijf. Op deze manier kan verspreiding van deze kiem, rechtstreeks naar de landbouwer en zijn gezin, en onrechtstreeks via het vlees naar de consument vermeden worden. Opleiding en verspreiding van de resultaten spelen hier een belangrijke rol. Niettegenstaande het onderzoek vooral gevoerd wordt in de varkenshouderij, zijn de resultaten ook overdraagbaar naar andere takken binnen de veehouderij, en naar andere (pathogene) micro-organismen. Het kansarmoedeproject De Katrol De Katrol wil studie - en opvoedingsondersteuning geven aan zeer kwetsbare jonge kinderen en hun gezinnen, die vaak in andere tutoring projecten niet terecht komen. Na de opstart werd gekozen om via onderzoek (1) de effectiviteit van het project in kaart te brengen en (2) inzicht te verwerven in werkzame factoren (gezinsprocessen, relatie tussen student en gezin ) die leiden tot meer ouderbetrokkenheid en een beter functioneren van het kind op school. Een derde luik betreft onderzoek naar de impact op de attitudes en competenties van de student - ondersteuner. Deze intensieve samenwerking heeft geleid tot nieuwe inzichten in het omgaan met deze kwetsbare doelgroep voor zowel onderzoekers als praktijkmensen en toont ook de meerwaarde aan van een dergelijke ervaring voor studenten. Kids on track Binnen het reguliere basisonderwijs in Vlaanderen worden leerkrachten regelmatig geconfronteerd met leerlingen met gedragsproblemen en socio-emotionele moeilijkheden. In wetenschappelijk onderzoek wordt er gesproken van een prevalentie tussen de 5 en 15 % bij kinderen van 5 tot 12 jaar. (Crijnen & Verhulst, 2001; Denic, 2008a; Denic, 2008b; Grietens et al., 2006; Vlaams Ministerie van Onderwijs, 2008). Leerkrachten hebben hier vaak geen gepast antwoord op en in het basisonderwijs is er - in tegenstelling tot in het middelbaar onderwijs waar time out projecten worden voorzien - geen gestructureerd aanbod vanuit het Ministerie van Onderwijs hiervoor. Binnen het project werd, binnen de structuur van het buitengewoon basisonderwijs type 3 (voor leerlingen met socio-emotionele problemen en gedragsmoeilijkheden), een programma op punt gesteld om deze problematiek aan te pakken. Het gaat over een preventief, begeleidings-, therapeutisch & time out programma, waarvan de onderzoeksresultaten de effectiviteit van het programma bewijzen, evenals beïnvloedende factoren in kaart brengen.
VLHORANET - netwerkevent: Innovatie in het kwadraat - De innovatiekracht van hogescholen en hun afgestudeerden. Commissie Economie - donderdag 3 maart 2011 - Vlaams Parlement, Brussel
16
Het project ‘Kids on track’ stelt zich tot doel dit programma aan te passen aan de context van het reguliere basisonderwijs. Het gaat immers om dezelfde doelgroep - leerlingen met gedragsproblemen - maar over een compleet verschillende omkadering. Als probleemstelling kan dan ook gesteld worden: hoe het bestaande therapeutisch programma zodanig vertalen dat het bruikbaar wordt binnen het reguliere basisonderwijs? Welke aanpassingen dienen te gebeuren om tot voldoende therapeutische resultaten te komen binnen deze nieuwe context? In het basisonderwijs kan niet vertrokken worden van een algemene screening van de leerlingen op socioemotioneel vlak. Die gebeurt daar namelijk niet. Dit in tegenstelling tot het buitengewoon onderwijs, waar het CLB een onderzoek en een attest dient af te leveren. Vandaar de eerste vraag: het opzetten van een intakeprocedure. Om hiertoe te komen wordt een literatuurstudie gevoerd rond mogelijkheden tot aanmelding en screening van gedragsproblemen & socio-emotionele moeilijkheden binnen een basisschoolcontext, van waaruit een aanmeldingsprotocol, een intakeprocedure & -formulier wordt ontwikkeld dat op zijn bruikbaarheid zal worden geëvalueerd. Tweede vraag die er wordt gesteld is er één naar hulpmiddelen om de leerkrachten & de school met het begeleidingsprogramma kennis te laten maken en er mee aan de slag te gaan. Hiervoor wordt een vertaalslag gemaakt van het therapeutisch programma voor de leerkrachten (een brochure, een projectvoorstelling), wordt een werkboek ontwikkeld voor de leerlingen, de leerkrachten & andere begeleiders en de ouders. Deze items zullen eveneens op hun bruikbaarheid geëvalueerd worden om tot bijsturing te komen. Digitale confectietechnologieën voor rapid prototyping en confectie van hightech textielmaterialen De begunstigden van dit project zijn alle actoren die betrokken zijn binnen de confectieketting bij het ontwikkelen, produceren, commercialiseren en gebruiken van geconfectioneerde artikels. Probleemstelling: De noden van de doelgroep situeren zich vooral in het kader van concrete uitdagingen aangaande flexibiliteit, resultaatgerichtheid, kostenbeheersing, procesbeheersing, toegevoegde waarde voor klanten en snelheid in verandering en innovatie. Deze noden vinden hun oorsprong in een aantal technische en socio-economische trends: Globalisering: niettegenstaande de Vlaamse confectieproducten in het buitenland sterk gewaardeerd en verkocht worden heeft de globalisering ertoe geleid dat deze bedrijven toch gebukt gaan onder een toenemende prijsdruk en een afbouw van de winstmarge. Drang naar individualisering: consumenten scherpen hun wensen aan en ontwikkelen nieuwe behoeften, voornamelijk gepersonifieerde producten. Nieuwe materialen: dankzij de vooruitgang in disciplines zoals (bio)chemie, fysica, en polymeer- en materiaalwetenschappen kunnen er voortdurend nieuwe, geavanceerde textielmaterialen worden ontwikkeld. Deze materialen vergen specifieke assemblagetechnieken om tot hun recht te komen. Digitalisering van het ontwikkelings- het productieproces en de informatiestroom De zwaartepunten van het onderzoek situeren zich enerzijds rond het realiseren van een doorbraak in de ontwikkeling van een alternatieve, digitale confectietechniek met commercieel verkrijgbare apparatuur. We zullen hiervoor gebruik maken van de nieuwe Cutting Edge DCS-1500 Cutter met CAD-CAM randapparatuur en voorzien van een print/spuitkop voor het digitaal aanbrengen van het kleefmiddel en een drooginstallatie. Anderzijds willen we de huidige situatie op gebied van productontwikkeling, klantenbeheer, planning, logistiek, productie, productieopvolging en distributie optimaliseren door het creëren van integratiemogelijkheden voor CAD-CAM, PDM, 3D-bodyscan binnen de Enterprise Resource Planning. Verwachte resultaten: De confectie-industrie evolueert meer en meer naar een kennisgedreven industrie waarbij de waardeketen cruciaal is. Kleding en andere geconfectioneerde materialen worden “engineered & personalised solutions”.
VLHORANET - netwerkevent: Innovatie in het kwadraat - De innovatiekracht van hogescholen en hun afgestudeerden. Commissie Economie - donderdag 3 maart 2011 - Vlaams Parlement, Brussel
17
De projectresultaten zullen enerzijds de confectiebedrijven ondersteunen om binnen de komende jaren te gaan excelleren in: een verhoogde flexibiliteit en kostenbeheersing, kortere leveringstermijnen, het sneller inspelen op opportuniteiten om te innoveren zowel wat betreft producten, processen als concepten, het creëren van meer toegevoegde waarde. Daarnaast moet dit project een aanzet vormen om de onderzoekscultuur zowel binnen de opleiding modetechnologie als binnen de confectiesector tot gemeen goed te maken waarbij de afdeling modetechnologie zich als waardevolle wetenschappelijke partner van de industrie kan positioneren. Bovendien moet het een voedingsbodem zijn voor up-to-date onderwijs zodat onze afgestudeerden over bijzondere kwalificaties van groot belang voor de industrie van de toekomst beschikken. Een onderzoek naar gefailleerde herstarters in Vlaanderen Dit onderzoeksproject heeft als doel de beeldvorming in Vlaanderen rond gefailleerden weer te geven en de thematiek van herstarters in kaart te brengen. Er verstrijkt geen week zonder dat we geconfronteerd worden met faillissementen en de negatieve gevolgen ervan, onder andere voor de werkgelegenheid. Maar ook voor de ondernemers zelf heeft een faillissement heel wat implicaties op persoonlijk en materieel vlak. Aan de andere kant tracht de overheid ondernemen zo veel mogelijk te stimuleren via allerhande manieren. Want zonder ondernemers zou het waarschijnlijk al helemaal slecht gesteld zijn met onze economie. Maar als een ondernemer faalt, dan is er weinig of geen ondersteuning. Vindt de publieke opinie in België dat falen een persoonlijke mislukking betekent? Wordt de gefailleerde ondernemer aanzien als een sjoemelaar? Verdient de gefailleerde een tweede kans? Het antwoord op deze laatste vraag varieert aanzienlijk van land tot land. In de Verenigde Staten bijvoorbeeld wordt falen aanzien als een mogelijkheid om een meer succesvolle ondernemer te worden. In veel Europese landen bestaat er echter een stigma op falen. Dit stigma kan een belangrijke factor zijn om niet te starten als ondernemer. De Europese Commissie is zich ook reeds langer bewust van dit heersende stigma op falen en de mogelijke gevolgen ervan en vraagt de EU-lidstaten om aandacht te hebben voor een beleid van tweede kans. Want uit onderzoek blijkt dat een gefailleerde ondernemer meestal zijn ondernemingsgeest niet kwijt is. Integendeel, onderzoek geeft weer dat de mogelijkheid bestaat dat uit dit falen een ondernemer unieke kennis kan verwerven om een meer succesvolle onderneming op te richten. De Europese Commissie heeft zelfs een website ontwikkeld rond de thematiek van gefailleerde herstarters. Maar hoe zit het eigenlijk juist met gefailleerde herstarters in Vlaanderen? Voelen zij zich gestigmatiseerd door het eerdere faillissement? Hebben zij geleerd uit hun “falen”? Met welke problemen werden zij geconfronteerd bij een herstart? Dit project heeft de bedoeling om de beeldvorming in Vlaanderen rond gefailleerden en gefailleerde ondernemers weer te geven en de thematiek van herstarten in Vlaanderen te onderzoeken. Er zal in kaart gebracht worden hoeveel herstarters Vlaanderen telt en binnen welke sectoren deze actief waren en zijn. Tevens worden vijftig herstarters (tien per Vlaamse provincie) grondig bestudeerd. De resultaten van dit project zullen voorgesteld worden op een afsluitend symposium. In de stuurgroep werden diverse beleidsmakers opgenomen waardoor de mogelijkheid bestaat tot beleidsaanbevelingen en wijde verspreiding van de resultaten. De resultaten zullen geïntegreerd worden in diverse opleidingsonderdelen. Tevens zal de nodige aandacht besteed worden aan de aanbevelingen van de Europese Commissie rond het beleid voor een tweede kans. Kindvriendelijk ziekenhuis: het belang van interieurvormgeving en kunst op de ziekenhuisbeleving van kinderen Het AZ Jan Palfijn streeft ernaar een kindvriendelijk leefklimaat te creëren om zo bij te dragen aan een gezonde ontwikkeling van kinderen, waarin ze kunnen ervaren dat ziekte en het ziekenhuisgebeuren inherent aan het VLHORANET - netwerkevent: Innovatie in het kwadraat - De innovatiekracht van hogescholen en hun afgestudeerden. Commissie Economie - donderdag 3 maart 2011 - Vlaams Parlement, Brussel
18
leven verbonden zijn. Vanuit deze visie ontwikkelde zich de vraag hoe de huidige ziekenhuisomgeving -en infrastructuur kan worden aangepast, zodat het kind, als patiënt of als bezoeker, zich meer welkom en behaaglijk voelt. Om dergelijke vraagstelling op creatieve en artistieke wijze in te vullen, stapte het AZ Jan Palfijn naar de kunstacademie van de hogeschool. De voorgestelde medewerkers van deze afdeling zullen samen met een aantal studenten een concept ontwerpen dat tegemoetkomt aan de gewenste, in dit geval meer kindvriendelijke ziekenhuisomgeving die het subjectief gevoel van welbevinden bij kinderen in een ziekenhuis bevordert. De realisatie van dergelijk project vereist echter enige voorkennis omtrent reeds bestaande studies die de invloed van vormgeving, interieur en kunst op de beleving van kinderen binnen een ziekenhuisomgeving hebben onderzocht, alsook de wijze waarop deze beleving positief kan worden bijgestuurd. Het is op basis van deze evidence-based informatie dat er een verantwoord sjabloon kan worden uitgewerkt dat aangeeft aan welke criteria een kindvriendelijk ziekenhuis moet voldoen. Om deze voorkennis en evidentie op wetenschappelijke wijze te verzamelen zal er in een eerste fase een onderzoek worden georganiseerd in samenwerking met de Faculteit Psychologie & Pedagogische Wetenschappen van de universiteit. Dit onderzoek zal zowel een literatuurstudie als een empirisch onderzoek omvatten. Op basis van de resultaten van beide onderzoekslijnen zullen er een aantal richtlijnen worden geformuleerd die als concrete handvaten dienen voor de inrichting van een kindvriendelijke ziekenhuisomgeving. Met deze handvaten als leidraad willen we als hogeschool, optie Interieurvormgeving, concrete interieuraanpassingen voorstellen, implementeren en begeleiden waarbij we de ziekenhuisomgeving positief trachten bij te sturen en langs die weg het welbehagen van kinderen vergroten. Hierbij kunnen andere opties, zowel binnen het departement (grafische- en reclamevormgeving, textielontwerp, mode, film, animatiefilm, beeldende kunst,...) als over het departement heen (conservatorium drama,...) ter ondersteuning worden aangesproken en zo bijdragen tot een beter totaalconcept. Na afloop van de realisatie van het project zal in samenwerking met de Faculteit Psychologie & Pedagogische Wetenschappen een evaluatie-module worden samengesteld, waarbij zal worden nagegaan in welke mate de vooropgestelde doelstelling is verwezenlijkt. De meerwaarde van dit project voor de hogeschool kan worden gesitueerd in een overkoepelende samenwerking met het AZ Jan Palfijn en de universiteit, waarbij de creativiteit van het Departement Interieurvormgeving vanuit gefundeerde wetenschappelijke bevindingen kan groeien en langs die weg kan resulteren in een verantwoord concept met positieve implicaties voor het welbevinden van kinderen in een ziekenhuis.
VLHORANET - netwerkevent: Innovatie in het kwadraat - De innovatiekracht van hogescholen en hun afgestudeerden. Commissie Economie - donderdag 3 maart 2011 - Vlaams Parlement, Brussel
19
3-3-2011
Innovatie in het kwadraat De innovatiekracht van hogescholen en hun afgestudeerden. Commissie Economie, Vlaams Parlement 3 maart 2011
verwelkoming
Bert Hoogewijs voorzitter VLHORA
VLHORANET - netwerkevent: Innovatie in het kwadraat Commissie Economie - donderdag 3 maart 2011 - Vlaams Parlement, Brussel
VLHORA De Vlaamse hogescholenraad adviseert de Vlaamse overheid over alle beleidsaspecten inzake het hogeschoolonderwijs, het projectmatig wetenschappelijk onderzoek, de maatschappelijke dienstverlening en de beoefening van de kunsten. Bovendien organiseert en stimuleert VLHORA ook het overleg tussen de instellingen aangaande alle materies die de hogescholen aanbelangen.
VLHORANET - netwerkevent: Innovatie in het kwadraat Commissie Economie - donderdag 3 maart 2011 - Vlaams Parlement, Brussel
1
3-3-2011
VLHORANET netwerkevents
• stimuleren van contact met stakeholders • communicatie over adviezen, standpunten en beleidsvisies • informeel netwerkmoment voor de genodigden met de bestuurders en medewerkers van de VLHORA
VLHORANET - netwerkevent: Innovatie in het kwadraat Commissie Economie - donderdag 3 maart 2011 - Vlaams Parlement, Brussel
sector professionele bachelors voorstelling
(informatie hieruit kan verkregen worden bij het VLHORA-secretariaat)
VLHORANET - netwerkevent: Innovatie in het kwadraat Commissie Economie - donderdag 3 maart 2011 - Vlaams Parlement, Brussel
VLHORA-visie
Johan Veeckman voorzitter werkgroep wetenschappelijk onderzoek lid Raad van Bestuur VLHORA
VLHORANET - netwerkevent: Innovatie in het kwadraat Commissie Economie - donderdag 3 maart 2011 - Vlaams Parlement, Brussel
2
3-3-2011
Inhoud OVERVIEW • Vlaanderen KMO-regio • ViA & Pact 2010 • focus innovatie • drempels samenwerking HOGESCHOOL ALS PARTNER • innovatiekracht hogescholen • profiel afgestudeerden • win-win RANDVOORWAARDEN • netwerking/matching • personeel • financiering VLHORANET - netwerkevent: Innovatie in het kwadraat Commissie Economie - donderdag 3 maart 2011 - Vlaams Parlement, Brussel
Inhoud OVERVIEW • Vlaanderen KMO-regio • ViA & Pact 2010 • focus innovatie • drempels samenwerking HOGESCHOOL ALS PARTNER • innovatiekracht hogescholen • profiel afgestudeerden • win-win RANDVOORWAARDEN • netwerking/matching • personeel • financiering VLHORANET - netwerkevent: Innovatie in het kwadraat Commissie Economie - donderdag 3 maart 2011 - Vlaams Parlement, Brussel
Vlaanderen KMO-regio aantal KMO’s
aantal ondernemingen
bron: Graydon - UNIZO
aantal KMO’s (< 50 werknemers)
VLHORANET - netwerkevent: Innovatie in het kwadraat Commissie Economie - donderdag 3 maart 2011 - Vlaams Parlement, Brussel
3
3-3-2011
Vlaanderen KMO-regio tewerkstelling binnen KMO’s 600.000
500.000
400.000
300.000
200.000
100.000
0 2006 bron: FOD Economie
2007 geen
1-4
2008 5 - 20
2009
20 - 50
VLHORANET - netwerkevent: Innovatie in het kwadraat Commissie Economie - donderdag 3 maart 2011 - Vlaams Parlement, Brussel
Vlaanderen KMO-regio overview • overwegend KMO’s • overwegend KMO’s met lage tewerkstelling of éénmanszaken • innovatiecentra met diverse focus en opdracht (versnippering?)
nood aan laagdrempelige innovatieve ondersteuning: • valorisatie aanwezig innovatiepotentieel in de hogescholen • advies vanuit de specifieke expertise aanwezig in de hogescholen VLHORANET - netwerkevent: Innovatie in het kwadraat Commissie Economie - donderdag 3 maart 2011 - Vlaams Parlement, Brussel
Pact 2020 onderzoek & innovatie • Vlaanderen scoort goed in onderzoek • Vlaanderen presteert middelmatig in het omzetten van onderzoek naar innovatieve capaciteit = omzetting van onderzoek naar producten en processen die maatschappelijke en economische meerwaarde betekenen = valorisatie “Onderzoek, innovatie en welvaart zijn sleutelbegrippen geworden in het beleid van elk land of elke regio” ViA-atelier Innovatie
VLHORANET - netwerkevent: Innovatie in het kwadraat Commissie Economie - donderdag 3 maart 2011 - Vlaams Parlement, Brussel
4
3-3-2011
Pact 2020 doorbraken ‘Open Ondernemer’ • Meer en sterker ondernemerschap • Meer groeiende ondernemingen • Een meer innovatieve en kennisintensieve economie
DOELSTELLINGEN NAAR 2020 TOE VLHORANET - netwerkevent: Innovatie in het kwadraat Commissie Economie - donderdag 3 maart 2011 - Vlaams Parlement, Brussel
Drempels bedrijven in samenwerking met kenniscentra (1) • cultuur-/organisatieverschil tussen bedrijven en kenniscentra - management - taalgebruik - tijdsvenster • financiële en juridische drempels - Mattheüs-effect: bedrijven met eigen O&O doen beroep op subsidies - voorbeeldcontracten, confidentialiteit, … bron: onderzoek Stichting Innovatie en Arbeid (SERV) – netwerking met kenniscentra (nog te publiceren)
VLHORANET - netwerkevent: Innovatie in het kwadraat Commissie Economie - donderdag 3 maart 2011 - Vlaams Parlement, Brussel
Drempels bedrijven in samenwerking met kenniscentra (2) • bedrijven vaak niet in periferie van kenniscentra • bedrijfsgrootte • verschillen in innovatieniveau: - grote diversiteit: veel - weinig aandacht voor innovatie - verkeerde perceptie innovatie (is niet per se grootschalig en duur) bron: onderzoek Stichting Innovatie en Arbeid (SERV) – netwerking met kenniscentra (nog te publiceren)
belangrijke opdracht voor de hogescholen omwille van hun specifiek profiel VLHORANET - netwerkevent: Innovatie in het kwadraat Commissie Economie - donderdag 3 maart 2011 - Vlaams Parlement, Brussel
5
3-3-2011
Focus innovatie naar een brede definitie • innovatie > succesvolle transformatie van creativiteit en kennis in economische waarde • valorisatie > publicaties, octrooien en spin-offs • brede definitie innovatie = de creatie van economische, maatschappelijke, culturele en democratische waarde
brede focus hogescholen: not-for-profitorganisaties, culturele organisaties, bedrijven en KMO’s, NGO’s, ... VLHORANET - netwerkevent: Innovatie in het kwadraat Commissie Economie - donderdag 3 maart 2011 - Vlaams Parlement, Brussel
Inhoud OVERVIEW • Vlaanderen KMO-regio • ViA & Pact 2010 • focus innovatie • drempels samenwerking HOGESCHOOL ALS PARTNER • innovatiekracht hogescholen • profiel afgestudeerden • win-win RANDVOORWAARDEN • netwerking/matching • personeel • financiering VLHORANET - netwerkevent: Innovatie in het kwadraat Commissie Economie - donderdag 3 maart 2011 - Vlaams Parlement, Brussel
hogeschool als partner voor het socio-cultureel en economisch weefsel breed en divers gamma: • onderzoeksprojecten: praktijkvoorbeelden • dienstverlening • participatie in bestaande projecten vanuit de overheid (o.a. KMO-portefeuille) • LED-project (provincieoverschrijdend?) • wetenschapscommunicatie • ondernemerschapsbevordering VLHORANET - netwerkevent: Innovatie in het kwadraat Commissie Economie - donderdag 3 maart 2011 - Vlaams Parlement, Brussel
6
3-3-2011
hogeschool als partner innovatiekracht hogescholen specifiek profiel: • •
•
regionale nabijheid sterke verwevenheid met het werkveld: medewerkers staan in nauw contact met het werkveld onderzoek en dienstverlening is laagdrempelig en relevant, met een directe vertaalslag naar de praktijk VLHORANET - netwerkevent: Innovatie in het kwadraat Commissie Economie - donderdag 3 maart 2011 - Vlaams Parlement, Brussel
hogeschool als partner profiel afgestudeerden • professionals opleiden voor de TOEKOMST die bovendien bijna onmiddellijk inzetbaar zijn • onderzoek en dienstverlening leidt tot continue inhoudelijke curricula- en onderwijsvernieuwing en opbouw van expertise • belang van stages, innovatietrajecten, bachelorproef • ondernemerschap en creativiteit wordt aangemoedigd “Business students have higher scores on every parameter of the entrepreneurial cascade than non-business students. The same goes for college students compared to university students.” GUESSS-studie, Vlerick Management School (2009) VLHORANET - netwerkevent: Innovatie in het kwadraat Commissie Economie - donderdag 3 maart 2011 - Vlaams Parlement, Brussel
hogeschool als partner win-win
werkveld
financiering betrokkenheid personeel kennisvernieuwing
alternatieve werkvormen stage innovatietraject praktijkervaring personeel kennisvernieuwing
valorisatie onderzoeksresultaten dienstverlening / adviesverstrekking
innovatieve, creatieve, kritische en ondernemende afgestudeerden participatie onderzoeksprojecten bachelorproef
onderzoek & dienstverlening
onderwijsvernieuwing curriculavernieuwing
onderwijs
VLHORANET - netwerkevent: Innovatie in het kwadraat Commissie Economie - donderdag 3 maart 2011 - Vlaams Parlement, Brussel
7
3-3-2011
Inhoud OVERVIEW • Vlaanderen KMO-regio • ViA & Pact 2010 • focus innovatie • drempels samenwerking HOGESCHOOL ALS PARTNER • innovatiekracht hogescholen • profiel afgestudeerden • win-win RANDVOORWAARDEN • netwerking/matching • personeel • financiering VLHORANET - netwerkevent: Innovatie in het kwadraat Commissie Economie - donderdag 3 maart 2011 - Vlaams Parlement, Brussel
Randvoorwaarden netwerking / matching • affiniteit tussen hogescholen en KMO’s uitbouwen & ondersteunen. - ontmoetingsmogelijkheden/netwerking - wederzijdse vertegenwoordiging - mis-percepties aanpakken
• transparantie over de mogelijke samenwerking: diensten, procedures, producten, … • laagdrempelige initiatieven/maatregelen om de ontwikkeling van nieuwe kenniscentra en de verspreiding van kennis te stimuleren (LED’s)
VLHORANET - netwerkevent: Innovatie in het kwadraat Commissie Economie - donderdag 3 maart 2011 - Vlaams Parlement, Brussel
Randvoorwaarden personeel (1) • een gediversifieerde loopbaan en het aanbieden van uitdagingen doorheen de carrière door praktijkgericht onderzoek en dienstverlening in te bedden in de opdracht • ruimte en tijd creëren om in contact te blijven met het werkveld en blijvende vorming • probleem: studenten/personeel-ratio stijgt waardoor opdrachten in onderzoek en dienstverlening snel in de verdrukking komen
VLHORANET - netwerkevent: Innovatie in het kwadraat Commissie Economie - donderdag 3 maart 2011 - Vlaams Parlement, Brussel
8
3-3-2011
Randvoorwaarden personeel (2): ratio studenten/personeel 17,70
18,00 16,78
17,00 16,00
15,59
15,85
16,11 15,68
15,82
2001
2002
16,32
16,23
16,10
16,23
2004
2005
2006
2007
+ 1262 VTE
15,19 15,00 14,25 14,00 13,00 12,00 11,00 10,00 1997
1998
1999
2000
2003
2008
2009
ratio (student/pers)
bron: departement Onderwijs
VLHORANET - netwerkevent: Innovatie in het kwadraat Commissie Economie - donderdag 3 maart 2011 - Vlaams Parlement, Brussel
Randvoorwaarden financiering (1): huidige bronnen • PWO-middelen (EWI) exclusief voor PBA’s • nationale projecten / federale middelen (o.a. TETRA-fonds, KMO-programma’s, Landbouwonderzoek) • internationale projecten (o.a. ESF, Europese Kaderprogramma’s, EFRO, INTERREG) • defiscaliseringsmiddelen • dienstverlening (o.a. contractonderzoek voor derden)
VLHORANET - netwerkevent: Innovatie in het kwadraat Commissie Economie - donderdag 3 maart 2011 - Vlaams Parlement, Brussel
Randvoorwaarden financiering (2): groeipad 2025 (Integratienota) • • • •
opstap 5 miljoen euro < uitbouw onderzoekskader middelen komen te laat (inhaalbeweging 8,79% besparing) erosie door onderindexering bijkomende onderzoeksmiddelen hoofdzakelijk naar universiteiten • integratie academische opleidingen verkleint: - ondersteunend onderzoekskader - verkleint toegang professionele bachelors tot middelen toegevoegd aan de associatie (o.a. IOF, …) VLHORANET - netwerkevent: Innovatie in het kwadraat Commissie Economie - donderdag 3 maart 2011 - Vlaams Parlement, Brussel
9
3-3-2011
Randvoorwaarden financiering (3): uitholling werkingsmiddelen 130
125
120 werkelijke indexering
injectie
115 indexering enveloppe
110
105
100 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 bron: Planbureau - departement Onderwijs
VLHORANET - netwerkevent: Innovatie in het kwadraat Commissie Economie - donderdag 3 maart 2011 - Vlaams Parlement, Brussel
Randvoorwaarden financiering (4): principes VLHORA-visie • verdere opbouw basisomkadering (geeft kansen aan competitiemodel) • vrij snel financiële ademruimte: ZUURSTOF • recuperatie bedrijfsvoorheffing (aangepast aan hogescholen) • ruimte in basisfinanciering voor ‘indirecte’, maar maatschappelijk verantwoorde opdrachten • welvaartsvastheid financiële middelen
VLHORANET - netwerkevent: Innovatie in het kwadraat Commissie Economie - donderdag 3 maart 2011 - Vlaams Parlement, Brussel
Randvoorwaarden financiering (5): financieringsmodel VLHORA-visie • neutralisatie besparingen 2010 – 2011 = optrekken PWO-middelen tot niveau 2009 = 8,665 miljoen euro 9,5 miljoen euro bij de start • jaarlijkse aangroei van de middelen met 1 miljoen euro extra bovenop de bijkomende financiering uit de Integratienota (tot 2025) • bijkomende middelen bovenop de injectie uit de Integratienota worden toegewezen op basis van degelijke en internationaal gepositioneerde indicatoren (overleg VLHORA-EWI)
VLHORANET - netwerkevent: Innovatie in het kwadraat Commissie Economie - donderdag 3 maart 2011 - Vlaams Parlement, Brussel
10
3-3-2011
Innovatie in het kwadraat De innovatiekracht van hogescholen en hun afgestudeerden. Commissie Economie, Vlaams Parlement 3 maart 2011
11