Tweede Kamer der Staten-Generaal
2
Zitting 1975-1976
13 461
Nota Ontwapening en Veiligheid
Nr.5
AANVULLEND VERSLAG Nota over het vraagstuk van ontwapening en veiligheid Aanvullend verslag over de periode juni 1975 tot juli 1976 Inhoud Voorwoord 1. 2. 3. 4. 5 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13.
Onderzoek inzake het «militair-industrieel complex» Sociale verdediging Beperking der strategische kernwapens Wederzijdse en evenwichtige vermindering van strijdkrachten Conferentie over veiligheid en samenwerking in Europa Kernwapenvrije zones Stopzetting kernproeven Niet verspreiding van kernwapens Beperking van het gebruik van bepaalde conventionele wapens Geofysische oorlogvoering Beperking militaire budgetten Wereldontwapeningsconferentie Verbod van nieuwe wapens voor massale vernietiging
Tweede Kamer, zitting 1975-1976,13 461, nrs. 4-5
5 5 5 6 7 8 9 11 12 12 13 13 14
3
Voorwoord Op 19 juni 1975 hebben ondergetekenden, ingevolge de toezegging gedaan aan de beide Kamers der Staten-Generaal, een nota uitgebracht over het vraagstuk van ontwapening en veiligheid. Met het oog op de komende gedachtenwisseling met de Tweede Kamer over het ontwapeningsvraagstuk is een aanvullend verslag opgesteld waarin de voornaamste ontwikkelingen op het gebied van ontwapening en wapenbeheersing in de periode juni 1975 tot juli 1976 zijn beschreven. In het overzicht wordt aangegeven wat de Regering inmiddels heeft gedaan ter uitvoering van de in de Nota gedane toezeggingen. Voorts worden de ontwikkelingen kort weergegeven die zich in deze periode hebben voorgedaan met betrekking tot de lopende onderhandelingen en wordt melding gemaakt van een recent Sowjetrussisch initiatief voor een mogelijk verbod van de ontwikkeling van nieuwe wapens voor massale vernietiging. juli 1976 De Minister van Buitenlandse Zaken, M. van der Stoel De Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, Dr. P. H. Kooijmans
Tweede Kamer, zitting 1975-1976,13 461, nrs. 4-5
4
1. Onderzoek inzake het «militair-industrieel complex» Op blz. 17 werd in de nota aangekondigd, dat de Regering een onderzoek zou doen instellen naar wat wel wordt aangeduid als het «militair-industrieel complex» en dat zij zich zou beraden over de vraag op welke wijze een dergelijk onderzoek het beste zou kunnen worden geïnitieerd. Zoals op 16 maart 1976 schriftelijk aan de Tweede Kamer is meegedeeld (Tweede Kamer, zitting 1975-1976,13461, nr. 3), is dit onderzoek in eerste instantie aangevangen met een feitelijke analyse van de situatie in Nederland door een interdepartementale ambtelijke werkgroep, bestaande uit vertegenwoordigers van de Ministeries van Defensie, Economische Zaken en Buitenlandse Zaken, onder algemene leiding van de tweede ondergetekende. Deze analyse is gericht op de volgende vraagpunten: 1. Inventariseren van de in Nederland werkende industrieën op het gebied van de militaire produktie. 2. Inventariseren welke defensie-aanschaffingen over een periode van voldoende lengte in Nederland zijn verricht, waarbij gedacht wordt aan omstreeks 15 jaar. 3. Vaststellen welke factoren de besluitvorming inzake aanschaf van specifiek militair materieel bepalen. Dit kunnen bijvoorbeeld zijn de geldende opvattingen op het gebied van de strategie en de daarop gebaseerde militaire behoefte, kosten, keuzemogelijkheden, dat wil zeggen het marktaanbod, werkgelegenheid en compensatiemogelijkheden, bondgenootschappelijk overleg over gemeenschappelijke aanschaf. Op grond van de bevindingen aangaande deze punten moet worden bezien, welke aspecten nader dienen te worden onderzocht. De Kamer zal tussentijds worden ingelicht over de voortgang van de studie. 2. Sociale verdediging De Regering heeft op blz. 32 in de nota haar actieve steun uitgesproken voor wetenschappelijk onderzoek naar de mogelijkheden van geweldloze conflictoplossing, als onderdeel van haar pogingen om de voorwaarden te helpen creëren waaronder geschillen op andere dan gewelddadige wijze kunnen worden beslecht. In dit verband heeft de Regering aangekondigd dat een werkgroep haar ter zake nader zal rapporteren. De Minister voor Wetenschapsbeleid, die de verdere werkzaamheden zal coördineren, heeft in overleg met de tweede ondergetekende het lnterdepartementaal Overleg voor het Wetenschapsbeleid (IOW) uitgenodigd om als de in de nota bedoelde werkgroep op te treden. Tevens heeft de Minister voor Wetenschapsbeleid zich voor advies gewend tot enkele op dit gebied werkende wetenschappelijke instellingen. Het IOW, waarin alle departementen zijn vertegenwoordigd, heeft de uitnodiging aanvaard en uit zijn midden een kleine kerngroep samengesteld die een eerste voorstel zal opstellen ten aanzien van inhoud en uitvoering van de uiteindelijke studie. Naast een vertegenwoordiger van de Minister voor Wetenschapsbeleid hebben in deze kerngroep vertegenwoordigers zitting van de Ministeries van Buitenlandse Zaken, Defensie, Justitie en Onderwijs en Wetenschappen. Prof. dr. J Niezing, hoogleraar in de sociologie aan de Vrije Universiteit te Brussel, is bereid gevonden het voorzitterschap van de kerngroep op zich te nemen. De kerngroep is met haar werkzaamheden begonnen. 3. Beperking van strategische kernwapens De onderhandelingen in de tweede ronde van het Amerikaans-Sowjetrussische overleg in het kader van de Strategie Arms Limitation Talks (vgl. blz. 33-36 van de nota) hebben helaas nog niet tot resultaten geleid.
Tweede Kamer, zitting 1975-1976,13 461, nrs. 4-5
5
Het uitblijven tot nu toe van een SALT ll-akkoord kan onder meer worden toegeschreven aan de aan beide zijden voortschrijdende technologie en de daarmee samenhangende voortzetting van de kwalitatieve bewapeningswedloop. Als gevolg hiervan vormde een aantal technische kwesties knelpunten in het overleg, zoals het verificatieprobleem om vast te stellen of raketten al dan niet uitgerust zijn met MIRVs en het probleem van de definitie van zware ICBMs. Een ander knelpunt wordt gevormd door de ontwikkeling van de Amerikaanse cruise missile en van de nieuwe Sowjetrussische bommenwerper, die in het Westen «Backfire» genoemd wordt. Met betrekking tot deze twee wapencategorieën stelt elk der partijen zich op het standpunt dat het wapen van de andere partij wel en het eigen wapen niet als strategisch moet worden aangemerkt, zodat geen overeenstemming bestaat of deze wapens al dan niet deel uitmaken van de maximum aantallen strategische overbrengingsmiddelen, zoals in november 1974 te Wladiwostok overeengekomen. De cruise missile, zoals thans in de VS in ontwikkeling, is een door een kleine straalmotor aangedreven projectiel, dat zowel een kernwapen tot 200 kiloton als een conventionele lading over afstanden tot 2500 km kan meevoeren. Hoewel het om twee geheel verschillende wapentypes gaat, worden de cruise missiles en de Backfire steeds in één adem genoemd bij het zoeken van mogelijkheden om uit deze impasse te komen. Al bemoeilijken bovenstaande factoren de besprekingen, vastgesteld kan worden dat beide partijen bereid lijken naar wederzijds aanvaardbare oplossingen te blijven streven. 4. Wederzijdse en evenwichtige vermindering van strijdkrachten De onderhandelingen over wederzijdse en evenwichtige vermindering van strijdkrachten (MBFR) te Wenen (vgl. blz. 36 e.v. van de nota) hebben in het afgelopen jaar helaas niet tot concrete resultaten geleid. De belangrijkste oorzaak voor het trage verloop is waarschijnlijk gelegen in het verschillende doel dat beide partijen bij deze onderhandelingen voor ogen staat. Het Westen wil dat de grote dispariteit op het gebied van de grondstrijdkrachten in het voordeel van het WP verdwijnt en heeft daarom van meet af aan een «common ceiling» als eis gesteld, teneinde te bereiken dat de sterkte van de grondstrijdkrachten aan beide zijden na de reducties nagenoeg gelijk zal zijn. Het WP heeft hiertegen aangevoerd dat de huidige situatie er een is van stabiliteit en dat derhalve de huidige krachtsverhoudingen niet dienen te worden verstoord. Het WP stelde als consequentie van die zienswijze voor dat de directe deelnemers aan een toekomstig akkoord 1 hun grond- en luchtstrijdkrachten met gelijke percentages zouden reduceren.
1 De directe deelnemers aan de onderhandelingen zijn enerzijds de Benetux-landen, de Bondsrepubliek Duitsland, Canada, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten en anderzijds de Duitse Democratische Republiek, Polen, de Sowjet-Unie en Tjechoslowakije.
De betrokken NAVO-landen hebben op 16 december 1975 aangeboden dat een bepaalde hoeveelheid Amerikaanse nucleaire wapens (kernladingen, Phantom F4 jager-bommenwerpers en Pershing-raketten) in de eerste fase uit het reductiegebied zou worden teruggetrokken. Dit aanbod was evenwel uitdrukkelijk verbonden aan de voorwaarde dat het WP akkoord zou gaan met de essentie van de oorspronkelijke Westelijke voorstellen. Het nieuwe Westelijke aanbod hield een belangrijke tegemoetkoming in aan het WP, omdat nu ook Westelijke reducties in materieel, en wel nucleaire wapens, in het vooruitzicht werden gesteld. Met de inbreng van dit nucleaire aanbod is een belangrijke wens van Nederland in vervulling gegaan. Reeds verscheidene malen gedurende de voorafgaande periode had Nederland namelijk binnen het bondgenootschap aangedrongen op het betrekken van nucleaire wapens in de besprekingen. Het WP heeft het nieuwe Westelijke voorstel niet aanvaard, maar ook niet uitdrukkelijk verworpen. Wel werd een groot aantal bezwaren naar voren gebracht. Het WP beweerde dat ook wanneer de nieuw voorgestelde reducties in beschouwing genomen werden, het Westen bij deze onderhandelingen
Tweede Kamer, zitting 1975-1976,13 461, nrs. 4-5
6
streefde naar eenzijdig voordeel. Aan het Westen werd verweten dat het nieuwe voorstel alleen sprak over Amerikaanse nucleaire wapens, en dat geen reducties van Europese nucleaire wapens werden aangeboden. Het WP maakte verder ernstig bezwaar tegen de uitdrukkelijke koppeling aan de oorspronkelijke Westelijke voorstellen. De bezwaren die daartegen eerder waren ingebracht bleven vanzelfsprekend gehandhaafd. Op 19 februari jl. heeft het Warschau Pact een tegenvoorstel gedaan. Dit behelsde dat in een eerste van twee fasen alleen de Verenigde Staten en de Sowjet-Unie zouden reduceren. De omvang van deze reducties zou gelijk moeten zijn aan 2 a 3% van de grond- en luchtstrijdkrachten die de NAVO resp. het WP in het reductiegebied hebben. Voorts werd voorgesteld dat in deze eerste fase de beide bovengenoemde landen bepaalde hoeveelheden van bepaalde soorten wapens zouden reduceren. Ten aanzien van de overige deelnemers zou in deze eerste fase de troepensterkte moeten worden bevroren; zij zouden in een tweede fase moeten reduceren. In het akkoord over de eerste fase diende evenwel bepaald te worden, dat uiteindelijk, na uitvoering van de tweede fase, alle deelnemende landen met een gelijk percentage gereduceerd moeten hebben. Het WP heeft in een verdere toelichting op dit voorstel duidelijk gemaakt, dat van alle deelnmers omvang en tijdstip van de uiteindelijke reducties reeds in deovereenkomst betreffende de eerste fase moeten worden vastgelegd. Dit betekent dat het WP alleen voor wat betreft het moment van uitvoering van die reducties enige souplesse wilde tonen en dat verder het voorstel weinig verschilde met de oorspronkelijke WP-voorstellen van november 1973. Dit voorstel kwam dan ook op geen enkele manier tegemoet aan de verlangens van het Westen. Het hield strikt vast aan het beginsel van symmetrische reducties. Impliciet werd de gedachte aan een gemeenschappelijk plafond afgewezen. Enige ontwikkeling is te zien geweest op het terrein van de definiëring van de troepen die onder een akkoord zouden moeten vallen. De belangstelling voor dit definitiegesprek, alsmede het feit dat het WP zich recentelijk, bereid heeft getoond om te gaan praten over de wederzijdse sterktecijfers wijzen er op dat ook aan die zijde nog steeds de wil bestaat om de onderhandelingen voort te zetten en te zoeken naar een voor beide zijden aanvaardbare formule die uiteindelijk een overeenkomst mogelijk moet maken. 5. Conferentie over veiligheid en samenwerking in Europa Met het ondertekenen van de Slotakte te Helsinki op 1 augustus 1975 werd de derde fase van de Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa afgesloten (vgl. blz. 40-41 van de nota). Bijzijn brief van 29 september 1975 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken de Nederlandse vertaling van de tekst van de slotakte aan de Tweede Kamer aangeboden (Tweede Kamer, zitting 1975-1976,13 600 hoofdstuk V, nr. 6). De vraag is thans in hoeverre woorden en gedachten, uitgewerkt gedurende twee jaar intensief onderhandelen tussen de Europese Staten (minus AIbanië) en de Verenigde Staten en Canada, in praktijk worden gebracht. Het is met grote belangstelling dat de Nederlandse Regering de ontwikkelingen op dit gebied volgt. In algemene zin kan worden gesteld dat de landen van het Warschau-Pact op een beperkt aantal terreinen blijk hebben gegeven van enige bereidheid ernst te maken met datgene waartoe de slotakte oproept. Evenwel, op het gebied van de menselijke contacten en infotmatie, waaraan de Westerse landen bijzonder veel waarde hechten, is aan Oostelijke zijde minder gedaan dan werd gehoopt. Ten aanzien van de z.g. vertrouwenwekkende (militaire) maatregelen heeft de SU blijk gegeven van bereidheid tot uitvoering. Zo werd een Sowjetrussische oefening in de Kaukasus aangekondigd waarbij 25 000 man waren betrokken en stuurde de Sowjet-Unie uitnodigingen voor waarnemers
Tweede Kamer, zitting 1975-1976,13 461, nrs. 4-5
7
aan Bulgarije, Griekenland, Joegoslavië, Roemenië en Turkije om deze oefening bij te wonen. Voorts werd een grote militaire oefening aangekondigd, die in juni 1976 gehouden is in het Militaire District Leningrad, waarvoor eveneens waarnemers zijn uitgenodigd. Van de andere WP-landen heeft gedurende de verslagperiode Hongarije een militaire oefening aangekondigd, waarbij ongeveer 10 000 man waren betrokken. Van de neutrale landen is door Joegoslavië en Zwitserland een militaire oefening aangemeld. Van Westerse zijde zijn gedurende de verslagperiode zeven militaire oefeningen in de BRD aangekondigd. Alle CVSE-landen die in Bonn een diplomatieke vertegenwoordiging hebben, zijn uitgenodigd om waarnemers te sturen. Bij vier van de zeven oefeningen waren minder dan 25 000 man betrokken. Op het gebied van de economische samenwerking (Mand II) is vermeldenswaard dat Secretaris-Generaal Brezjnew heeft voorgesteld drie «paneuropese» conferenties inzake resp. energie, transport en milieu te houden. Van Westerse zijde heeft men voorshands gereageerd met het uitspreken van voorkeur voor overleg over deze onderwerpen in het kader van de Economische Commissie voor Europa, die op de genoemde gebieden reeds werkzaam is, zodat weinig aanleiding bestaat voor extra conferenties. Voor het overige heeft de CVSE nauwelijks geleid tot enige ontwikkeling van belang op economisch gebied. Wel kan het feit worden genoemd dat de voorzitter van het uitvoerend committee van de Comecon aan de voorzitter van de EG-Raad een ontwerp-overeenkomst heeft overhandigd waarin een voorstel wordt gedaan voor een regeling van de betrekkingen tussen de beide organisaties en hun lidstaten. Deze stap behoeft, alhoewel door de Comecon wel als zodanig voorgesteld, echter niet als een consequentie van de CVSE te worden beschouwd. Op het gebied van menselijke contacten en informatie hebben de ontwikkelingen in Oost-Europa niet aan de Westerse verwachtingen beantwoord. Terwijl de meeste bepalingen en doelstellingen, opgenomen in de «derde mand», in het Westen als vanzelfsprekend worden ervaren, is zulks binnen het Oostblok, op grond van de daar heersende maatschappijvisie, geenszins het geval. Mede als gevolg daarvan is men aldaar bijzonder gevoelig voor Westerse kritiek op de wijze waarop bedoelde bepalingen worden uitgevoerd. Voorts gaat het Oostblok ervan uit dat vele bepalingen van de derde mand, die naar Westelijk inzicht direkt en unilateraal moeten worden uitgevoerd, in bilateraal kader moeten worden uitgewerkt. Maatregelen ten aanzien waarvan enige vooruitgang kon worden geboekt betroffen voornamelijk meervoudige visa voor journalisten en de invoer van buitenlandse kranten, taalonderricht en vrije circulatie van buitenlandse boeken en tijdschriften. Te Belgrado zullen in de zomer van 1977 alle 35 ondertekenaars van deslotakte voor het eerst de gelegenheid hebben gezamenlijk de uitvoering van de resultaten van de CVSE te bespreken. Een voorbereidende bespreking daartoe zal, zoals in de slotakte voorzien, eveneens te Belgrado op 15 juni 1977 aanvangen. 6. Kernwapenvrije zones Ingevolge de op blz. 48 in de nota vermelde resolutie van de Algemene Vergadering der Verenigde Naties heeft in de loop van 1975 een ad hoc groep van regeringsdeskundigen onder auspiciën van de CCS een studie uitgevoerd over alle aspecten van het vraagstuk van kernwapenvrije zones. De ad hoc groep stond onder leiding van de Finse prof. Korhonen. De studie is vervolgens onderwerp van bespreking geweest in de zomerzitting van de Ontwapeningscommissie te Genève en daarna aangeboden aan de Algemene Vergadering der VN. Na een bespreking van bestaande verdragen (zoals het Antarctica Verdrag en het Verdrag van Tlatelolco) en van in het verleden gelanceerde initiatieven om bepaalde gebieden te denucleariseren, geeft de studie een goed overzicht van de problemen verbonden aan de vorming van kernwapenvrije zones. Doeleinden en principes bij het instellen van zulke zones worden uit-
Tweede Kamer, zitting 1975-1976,13 461, nrs. 4-5
8
voerig aangegeven alsmede de verantwoordelijkheden van staten gelegen in een gedenucleariseerd gebied en van staten die daarbuiten liggen. Dit laatste betreft vooral de kernwapenstaten die zich zouden moeten verplichten af te zien van het gebruik van kernwapens of het dreigen daarmee tegenover staten die deel uitmaken van een kernwapenvrije zone. Verder gaat de studie in op de verificatieproblematiek, de relaties tussen kernwapenvrije zones en het internationale recht en het vreedzaam gebruik van kernenergie. De studie is hoofdzakelijk een compilatie van de verschillende regeringsopvattingen ten aanzien van de diverse aan de orde komende onderwerpen. Slechts een klein gedeelte van de inhoud kon door alle experts onderschreven worden. De in de ad hoc groep vertegenwoordigde kernwapenstaten (de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en de Sowjet-Unie) bleken niet bereid zich op voorhand tot bovengenoemde verplichtingen jegens kernwapenvrije zones te verbinden. In de Algemene Vergadering van 1975 spraken veel landen, waaronder Nederland, zich positief over de studie uit. Mexico was van mening dat nu reeds vergaande conclusies aan de studie verbonden konden worden. Een Mexicaanse ontwerpresolutie voorzag dan ook in een declaratie met een definitie van kernwapenvrije zones en een definitie van de belangrijkste verplichtingen van kernwapenstaten ten aanzien van zulke zones. Het wetgevende karakter van de ontwerp-resolutie stuitte op veel verzet. Met name de kernwapenstaten stelden zich uiterst kritisch op met uitzondering van China datte kennen gaf dat de verplichtingen nog niet ver genoeg gingen. De resolutie werd weliswaar door de Algemene Vergadering aangenomen doch met een relatief groot aantal tegenstemmen en onthoudingen. Nederland, eveneens van mening dat de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties geen juridisch bindende verplichtingen kan opleggen, bracht tezamen met de andere EG-partners en de Verenigde Staten een tegenstem uit. Een andere, meer gematigde, resolutie van de Algemene Vergadering verzocht alle staten om commentaar op de studie. De Nederlandse Regering heeft inmiddels laten weten de studie vooral te beschouwen als een nuttige bron van informatie voor landen die stappen willen ondernemen om de regio waarin zij gelegen zijn, te denucleariseren. Voorts heeft zij haar opvatting herhaald dat het van belang is dat de bestaande kernwapenstaten de verplichtingen op zich nemen om de kernwapenvrije status van gedenucleariseerde zones te respecteren en zich bereid verklaren geen kernwapens te zullen gebruiken of daarmee te zullen dreigen tegen landen gelegen in zulke zones. Ten aanzien van de instelling van kernwapenvrije zones werd in het afgelopen jaar geen vooruitgang geboekt. Een nieuw element vormde de lancering in de Algemene Vergadering door Nieuw Zeeland van de gedachte om het gebied van de Zuid-Pacific te denucleariseren. Een resolutie die deze gedachte onderschreef, werd door de Algemene Vergadering met Nederlandse voorstem aangenomen. Overigens bleken veel landen aarzelingen te hebben onder meer omdat niet zou vaststaan dat de vrijheid van de volle zee in het betreffende gebied onaangetast zou blijven. 7. Stopzetting kernproeven Toen de Verenigde Staten en de Sowjet-Unie in 1974 het Verdrag inzake Beperking van Ondergrondse kernwapenproeven (het z.g. Drempelverdrag) sloten, erkenden zij daarin de noodzaak om op korte termijn een afzonderlijk verdrag te sluiten met betrekking tot het vraagstuk van kernexplosies voor vreedzame doeleinden, aangezien er geen wezenlijk verschil bestaat tussen de technologie van nucleaire explosiemiddelen die als wapens kunnen worden aangewend en die van nucleaire explosiemiddelen die worden gebruikt voor vreedzame doeleinden (vgl. blz. 50-51 van de nota). De onderhandelingen over deze zeer ingewikkelde technische materie namen 18 maanden in beslag en werden in april 1976 afgerond. Op 28 mei van dit jaar werd gelijktijdig te Moskou en te Washington het resultaat ervan, neergelegd in een verdrag en een bijbehorend protocol, ondertekend.
Tweede Kamer, zitting 1975-1976,13 461, nrs.4-5
9
Het kernprobleem tijdens deze onderhandelingen was de vraag hoe een systeem kon worden ontworpen, waardoor voorkomen wordt dat vreedzame kernexplosies voordelen voor de wapenontwikkeling opleveren die het eigenlijke Drempelverdrag beoogt uit te sluiten. Voorts zou het systeem moeten voorzien in adequate verificatieprocedures. Het Verdrag inzake vreedzame kernexplosies met bijbehorend protocol lijkt erin geslaagd te zijn in belangrijke mate voor deze problemen een oplossing te vinden. Naar analogie van het Drempelverdrag verbiedt het Verdrag inzake vreedzame kernexplosies het uitvoeren van individuele kernexplosies met een kracht boven 150 kiloton. Daarnaast voorziet laatstgenoemd verdrag in een verbod van meervoudige kernexplosies waarvan de som van de sterktes van de in zo'n explosiereeks tot ontploffing gebrachte individuele kernexplosies meer dan 1500 kiloton bedraagt. Meervoudige kernexplosies boven 150 kiloton dienen bovendien zo uitgevoerd te worden dat iedere individuele kernexplosie in de reeks geïdentificeerd kan worden en dat de kracht van iedere individuele kernexplosie vastgesteld kan worden. De partijen behouden zich het recht voor om desverzocht vreedzame kernexplosies uit te voeren op het grondgebied van derde staten maar alleen in overeenstemming met de voorwaarden van het verdrag. Deze bepaling is opgenomen in verband met artikel V van he Non-proliferatieverdrag. De verificatiebepalingen, die er op gericht zijn te verzekeren dat er geen individuele kernexplosies boven de 150 kiloton plaatsvinden, houden in dat, naast het gebruik van nationale technische middelen, uitwisseling van informaties zal plaatsvinden en onder bepaalde omstandigheden toegang tot de explosieterreinen zal worden verschaft. Dit laatste - inspectie ter plaatse door waarnemers - beschouwt de VS als een doorbraak in het Amerikaans-Russisch overleg inzake kernwapenbeheersing. Ten slotte wordt een Joint Consultative Commission ingesteld naar analogie van de «Salt Standing Consultative Commission». Het protocol behandelt tot in detail de specifieke operationele regelingen die de nakoming van de verdragsverplichtingen moeten veiligstellen. Krachtens de bepalingen van dit protocol zullen voor alle vreedzame kernexplosies, ongeacht de kracht, zekere informaties verschaft worden. Waarnemers zullen op basis van consultatie worden toegelaten bij explosies tussen 100 en 150 kiloton en zonder consultatie bij explosies meteen totale kracht boven de 150 kiloton. Ofschoon de beide akkoorden tussen de VS en de SU - Drempelverdrag en Verdrag inzake vreedzame kernexplosies - niet in alle opzichten beantwoorden aan wat de Nederlandse Regering graag zou hebben gezien, waardeert de Regering de totstandkoming ervan toch bepaald positief. De akkoorden tonen aan dat de beide belangrijkste nucleaire mogendheden wel degelijk in staat zijn tot verdergaande samenwerking in hun streven de kernbewapening aan regelingen te onderwerpen. Voor de eerste keer zullen partijen elkaar gegevens verschaffen omtrent hun kernwapentestprogramma. Verder lijkt het Drempelverdrag bij te dragen tot beteugeling van het explosieve vermogen van kernwapens die anders tot ontwikkeling zouden kunnen worden gebracht. Anderzijds is de drempel van 150 kiloton nog altijd veel te hoog en laat het Verdrag uitdrukkelijk de mogelijkheid open dat partijen op een later tijdstip gaan praten over het uitvoeren van individuele kernexplosies met een sterkte boven 150 kiloton. Ondergetekenden hopen dat de bekrachtiging van de beide verdragen, die thans aan de Amerikaanse Senaat zijn voorgelegd, geen problemen zal opleveren zodat zij binnen afzienbare tijd in werking zullen kunnen treden. Naast de gebruikelijke resolutie inzake stopzetting van kernwapenproeven, kan in dit hoofdstuk nog melding worden gemaakt van een op 11 september 1975 door de Sowjet-Unie ondereen speciaal agendapunt aan de AIgemene Vergadering van de Verenigde Naties voorgelegd ontwerp-verdrag ter stopzetting van alle kernwapenproeven. Onder dit ontwerp-verdrag zouden kernexplosies voor vreedzame doeleinden zijn toegestaan, terwijl verifi-
Tweede Kamer, zitting 1975-1976,13 461, nrs. 4-5
10
catiezou dienen te geschieden met «nationale» verificatiemiddelen, dat wil zeggen zonder de mogelijkheid van plaatselijke inspecties. Het verdrag zou eerst in werking treden wanneer alle kernwapenstaten er partij bij geworden zouden zijn, dus met inbegrip van China en Frankrijk. In een door de SowjetUnie ingediende ontwerp-resolutie terzake werd op alle kernwapenstaten een beroep gedaan om niet later dan 31 maart 1976 hierover onderhandelingen te beginnen. Tijdens het ontwapeningsdebat werd van verschillende zijden kritiek geuit op het Sowjetvoorstel, waarna de Sowjet-Unie een enigszins gewijzigde versie van de ontwerp-resolutie indiende, die erop neerkwam dat aan de onderhandelingen te voeren door de vijf kernwapenstaten ook 25 tot 30 door de President van de Algemene Vergadering aan te wijzen niet-kernwapenstaten zouden deelnemen. De resolutie waaraan het verdrag was gehecht werd door de Algemene Vergadering aangenomen met 34 onthoudingen waaronder de Negen. Van onderhandelingen als bedoeld in deze resolutie is het niet gekomen, onder meer omdat China het voorstel uiteraard scherp veroordeelde en ook omdat veel landen, met name de westelijke, de afwezigheid in het voorstel van enigerlei rol voor de CCD onaanvaardbaar achtten. 8. Niet-verspreiding van kernwapens Ofschoon de Regering het Non-proliferatieverdrag (vgl. blz. 53 e.v. van de nota) blijft beschouwen als een der hoekstenen van het mondiale wapenbeheersingsbeleid, moet toch geconstateerd worden dat als gevolg van een aantal factoren en ontwikkelingen het beleid gericht tegen de verspreiding van kernwapens steeds meer onder druk is komen te staan. Tot deze factoren behoort in de eerste plaats de in de ogen van veel landen onbevredigende gang van zaken met betrekking tot het wapenbeheersingsoverleg, waarbij men in het bijzonder het oog heeft op de twee grootste kernmogendheden. Voorts speelt het probleem van de kernenergievoorziening en het streven naar autarkie op dit gebied een rol van toenemende betekenis. Daarnaast hebben de veiligheidsproblemen van sommige landen en prestigeoverwegingen van weer andere landen hun effect op het non-proliferatiebeleid. Tegen deze achtergrond is in het afgelopen jaar te Londen geheim beraad op gang gekomen tussen een aantal exporteurlanden van nucleaire uitrusting en materialen met het oog op de formulering van een gemeenschappelijke gedragscode ten aanzien van de uitvoer van zulke materialen en uitrusting naar niet-kernwapenstaten. Aan dit overleg lag de gedachte ten grondslag, dat de belangrijkste uitvoerlanden van nucleaire materialen en uitrusting een primaire verantwoordelijkheid dragen inzake het beleid gericht op voorkoming van verspreiding van kernwapens. Het overleg is in het begin van dit jaar afgerond. De deelnemers hebben elkaar daarna op de hoogte gesteld van de beginselen waardoor zifzich, rekening houdende met dit overleg, bij hun nucleaire exporten laten leiden. De hier bedoelde landen hebben tevens enige andere landen met geavanceerde nucleaire industrieen, waaronder Nederland, uitgenodigd een overeenkomstig beleid te voeren en in het toekomstige beraad tussen de betrokken regeringen te participeren. De Regering heeft besloten aan deze uitnodiging gevolg te geven. Rekening houdende met de Londense consultaties, zal het Nederlandse beleid met betrekking tot nucleaire export naar niet-kernwapenstaten zijn gebaseerd op een aantal minimum beginselen die een verscherping inhouden van van het tot nu toe gevoerde non-proliferatiebeleid. De belangrijkste verscherping is gelegen in het feit, dat bijzondere eisen zullen worden gesteld voor direkte of indirekte overdracht van technologie met betrekking tot verrijkingsinstallaties, opwerkingsinstallaties en installaties voor de produktie van zwaar water. Vooreen nadere uiteenzetting omtrent deze minimum-beginselen moge verwezen worden naar de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 30 maart 1976 (Tweede kamer, zitting 1975-1976,13 865, nr. 1).
Tweede Kamer, zitting 1975-1976,13 461, nrs. 4-5
11
Niet onvermeld mag blijven een Brits initiatief van begin dit jaar in het kader van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie (IAEA) dat eveneens gericht was op versterking van het non-proliferatiebeleid. Het betrof hier een resolutie die beoogde een extra optie te creëren voor landen die geen partij bij het Non-proliferatieverdrag zijn, om al hun nucleaire installaties vrijwillig onder volledige controle van de IAEA te plaatsen. De resolutie nodigde het Secretariaat van de IAEA uit een studie te verrichten over de mogelijkheid om hiertoe een derde safeguards systeem te ontwerpen naast de twee bestaande systemen. De resolutie, die mede door Nederland werd ingediend, ontmoette nogal wat kritiek met name van landen als India, Joegoslavië en Argentinië maar is ten slotte, na amendering op ondergeschikte punten, toch bij consensus aanvaard. 9. Beperking van het gebruik van bepaalde conventionele wapens Na de eerste conferentie van regeringsdeskundigen die in het najaar van 1974 te Luzern werd gehouden (vgl. blz. 65 van de nota), heeft het lnternationale Comité van het Rode Kruis in januari-februari 1976 te Luganoeen tweede conferentie van regeringsexperts belegd waarop juridische, militaire en medische deskundigen de mogelijkheid onderzochten om regels vastte stellen tot verbod of beperking van het gebruik van bepaalde conventionele wapens. Diverse ontwerpteksten voor mogelijke verdragsbepalingen werden ingediend, doch hoewel op sommige punten de inzichten dicht bij elkaar leken te liggen, kon ten aanzien van geen enkel voorstel overeenstemming bereikt worden. Nederland heeft aan dit overleg aktief deelgenomen zoals onder meer blijkt uit de Nederlandse voorstellen tot beperking van het gebruik van brandwapens en uit het Brits-Nederlandse voorstel ter reglementering van het gebruik van mijnen en booby-traps. Ook tijdens de derde zitting van de Diplomatieke Conferentie inzake het humanitaire oorlogsrecht, die van april tot juni 1976 te Genève is gehouden en waar deze kwestie in de daarvoor ingestelde ad hoc commissie werd besproken, kon geen verdere voortgang worden geboekt. Ondanks deze nogal teleurstellende gang van zaken houdt de Regering vast aan haar standpunt dat de totstandkoming van beperkingen op het gebruik van bepaalde conventionele wapens dringend gewenst is en blijft zij de hoop koesteren dat het internationale overleg hierover binnen afzienbare tijd tot resultaten zal leiden. 10. Geofysische oorlogvoering Nadat de 29e zitting van de Algemene Vergadering der VN naar aanleiding van een Sowjet-ontwerp-resolutie de voorbereiding van een ontwerp-conventie inzake een verbod van geofysische oorlogvoering had doorverwezen naar de Geneefse Ontwapeningscommissie (CCD) (vgl. blz. 67 van de nota), werd in de daaropvolgende maanden bilateraal overleg gevoerd tussen de VS en de USSR. Dit overleg resulteerde op 21 augustus 1975 in de gelijktijdige indiening in de CCD van identieke Amerikaanse en Russische ontwerpconventies. Deze ontwerp-conventie inzake verbod van «militair of elkander vijandig gebruik van milieuveranderingstechnieken» was het resultaat van concessies over en weer. Tegenover een door de VS gewenste beperking van de werkingssfeer van het verdrag stond een overeenkomstig de wensen van de Sowjet-Unie beperkte klachtenprocedure. De ontwerp-conventie verbiedt milieu-ingrepen via opzettelijke manipulatie van natuurlijke processen met het oogmerk een andere verdragspartij schade te berokkenen. Daarbij gaan de gedachten van de indieners, zoals blijkt uit artikel II, uit naar onder meer het opwekken van aardbevingen en vloedgolven, verstoring van het ecologische evenwicht van een gebied en weers- en klimaatveranderingen. Het voorgestelde verbod omvat niet alleen militair gebruik, maar ook «elk ander vijandig gebruik». Een beperkend crite-
Tweede Kamer, zitting 1975-1976,13 461, nrs. 4-5
12
rium is neergelegd in de bepaling dat alleen die milieu-ingrepen onder het verbod vallen waarvan het effect «widespread long-lasting or severe» is. De ontwerp-conventie heeft in de afgelopen voorjaarszitting van de CCD als discussiebasis gediend. Nederland heeft in een rede voor de CCD op 9 maart jl. uitvoerig commentaar daarop geleverd. Daarin is allereerst het standpunt ingenomen dat de onderhavige ontwerp-conventie van relatief gering belang is in vergelijking met andere, meer urgente ontwapeningsproblemen. De Nederlandse kritiek concentreert zich verder op twee hoofdpunten: 1. het ontbreken van een verbod van voorbereidingen tot het voeren van geofysische oorlogvoering; zo'n verbod zou tevens onderzoek en ontwikkeling gericht op het vijandige gebruik van milieuveranderingstechnieken moeten omvatten; 2. de onbevredigende klachtenprocedure, waarin zowel het onderzoek naar de feiten als de politieke oordeelsvorming daarover in handen worden gelegd van de Veiligheidsraad. De vijf permanente leden van de Veiligheidsraad, waaronder de VS en de USSR kunnen dan reeds het feitenonderzoek tegenhouden door hun vetorecht. Nederland heeft voorkeur uitgesproken voor het opdragen van het feitenonderzoek aan de Secretaris-Generaal der VN, bijgestaan door een klachtencommissie, bestaande uit verdragspartijen. Gezien ook de ongewenste precedentwerking, die van de voorgestelde procedure zou kunnen uitgaan naar toekomstige ontwapeningsverdragen, dient naar het oordeel van de Regering met kracht gestreefd te worden naar aanvaarding van het principe van scheiding van feitenonderzoek en politieke oordeelsvorming. Ook andere landen hebben ernstige bedenkingen tegen de voorgestelde klachtenprocedure. Tijdens de zomerzitting 1976 van de CCD zullen naar wordt verwacht de onderhandelingen zich hierop concentreren, waarbij het niet uitgesloten moet worden geacht dat de meningsverschillen met betrekking tot de klachtenprocedure de totstandkoming van een verdrag ernstig zullen bemoeilijken. 11. Beperking militaire budgetten De algemene Vergadering besloot in 1974 de in dat jaar uitgevoerde expertsstudie inzake beperking van militaire budgetten voor commentaar aan de regeringen van de lidstaten voor te leggen (vgl. blz. 68-69 van de nota). Naar aanleiding van deze studie en de commentaren hierop werden door verschillende landen suggesties gedaan voor een nadere bestudering van deze problematiek. Een daartoe strekkende Mexicaans-Zweedse resolutie werd op de 30e Algemene Vergadering van de VN aangenomen. Daarin werd de Secretaris-Generaal verzocht om met de hulp van een groep deskundigen in het bijzonder aandacht te besteden aan een viertal deelonderwerpen teneinde de militaire budgetten van de verschillende staten beter met elkaar te kunnen vergelijken. Het rapport zal aan de 31 e Algemene Vergadering van de VN worden voorgelegd. Op de laatste zitting van de Algemene Vergadering werd op Roemeens initiatief tevens een resolutie aangenomen waarinde Secretaris-Generaal werd verzocht om het uit 1971 daterende VN-rapport inzake «Economische en Sociale Gevolgen van de Bewapeningswedloop» aan de inmiddels gewijzigde omstandigheden aan te passen. De Secretaris-Generaal heeft hiertoe een groep van 14 adviserende deskundigen samengesteld, waaronder onze landgenoot prof. dr. H. de Haan, hoogleraar in de internationale economische betrekkingen aan de Rijksuniversiteit te Groningen. 12. Wereldontwapeningsconferentie De besprekingen van de ad hoe-commissie die door de Algemene Vergadering van de VN is ingesteld om de kwestie van bijeenroeping van een wereldontwapeningsconferentie te bestuderen (vgl. blz. 70 van de nota), heb-
Tweede Kamer, zitting 1975-1976, 13 461,nrs. 4-5
13
ben in het afgelopen jaar niet geleid tot een toenadering van de verschillende standpunten terzake. De feitelijke impasse waarin deze besprekingen verkeren, heeft in de Algemene Vergadering van 1975 veel stemmen - van vooral Derde-Wereldlanden - doen opgaan om in plaats van een wereldontwapeningsconferentie te streven naar een Speciale Zitting van de Algemene Vergadering die uitsluitend gewijd zou moeten zijn aan ontwapening en wapenbeheersing. Deze suggestie is vermoedelijk ingegeven door de gedachte dat een Speciale Zitting van de Algemene Vergadering wellicht eerder voor China aanvaardbaar zal zijn dan de voornamelijk door de Sowjet-Unie gepousseerde wereldontwapeningsconferentie. China heeft zich over deze gedachte overigens niet uitgelaten. De kwestie van een mondiale conferentie over ontwapening en wapenbeheersing kwam ook aan de orde in de besprekingen van een door de 30e AIgemene Vergadering ingestelde ad hoe-commissie die de rol van de Verenigde Naties inzake ontwapeningsaangelegenheden aan een onderzoek onderwerpt. Deze ad hoe-commissie, die wordt voorgezeten door de Zweedse onderminister van buitenlandse zaken mevrouw Thorsson, zal aan de komende Algemene Vergadering aanbevelingen doen ter verbetering van de manier waarop ontwapeningszaken door de Verenigde Naties behandeld en eventueel begeleid kunnen worden. De Nederlandse Regering heeft zich in beginsel positief uitgelaten over de taak van deze ad hoe-commissie. Zij heeft er echter wel op gewezen dat de geringe produktiviteit van het huidige ontwapenings- en wapenbeheersingsoverleg niet zozeer geweten moet worden aan de structurering ervan doch veeleer aan de vaak ver uiteenlopende standpunten van de daarbij betrokken staten, met name de belangrijkste militaire machten. Voorts heeft de Nederlandse Regering enkele concrete aanbevelingen gedaan. Zo is met name het Nederlandse initiatief in herinnering geroepen om te komen tot een internationale ontwapeningsorganisatie die het praktische functioneren van verdragen op het gebied van ontwapening en wapenbeheersing zou kunnen bevorderen (zie blz. 26 van de nota). 13. Verbod van nieuwe wapens voor massale vernietiging Tijdens de Algemene Vergadering der VN van 1975 stelde de Sowjet-Unie een nieuw agendapunt voor, waaronder zij wilde spreken over het sluiten van een verdrag tot verbod van de ontwikkeling en vervaardiging van nieuwe wapens voor massale vernietiging en nieuwe systemen van zulke wapens. Een aan een Sowjetrussische ontwerp-resolutie gehecht ontwerp-verdrag voorzag in een dergelijk verbod, doch gaf niet aan welke specifieke wapenontwikkelingen hier bedoeld werden. Wel noemde de Sowjetvertegenwoordiger in het debat in de Eerste Commissie enige voorbeelden van mogelijke toekomstige ontwikkelingen waaraan een halt moest worden toegeroepen, zoals de vervaardiging van kernwapens die gebruik zouden maken van elementen die zwaarder zijn dan uranium en de ontwikkeling van wapens die gebruik maken van elementaire deeltjes als protonen, neutronen en quarks. Als mogelijke nieuwe systemen van bestaande wapens voor massaIe vernietiging noemde hij onder meer binaire chemische wapens, genetische manipulaties en zeer nauwkeurige bommen («smart bombs»). Ofschoon Nederland er in beginsel het belang van erkent dat de mogelijkheid om nieuwe massavernietigingswapens tot ontwikkeling te brengen op voorhand wordt afgesneden, was het Sowjetvoorstel toch dermate vaag dat het in verschillende Westerse landen, waaronder Nederland, met een zeker voorbehoud is ontvangen. In het ontwerp-verdrag was geen nadere definitie gegeven van de wapens en systemen die de SU op het oog had. Bovendien voorzag het ontwerp-verdrag niet in adequate verificatieprocedures. Verschillende landen waren daarenboven bang dat het voorstel de aandacht zou afleiden van belangrijke en urgente ontwapeningszaken, zoals de stopzetting van kernproeven, en beperking van de nucleaire wapenwedloop.
Tweede Kamer, zitting 1975-1976,13 461, nrs. 4-5
14
De desbetreffende ontwerp-resolutie met aangehecht ontwerp-verdrag werd door de Algemene Vergadering aangenomen, waarbij o.a. de negen EG-partners en de VS zich van stemming onthielden. In de resolutie werd de CCD verzocht een overeenkomst uit te werken met behulp van gekwalificeerde regeringsexperts. Tijdens de afgelopen lentezitting heeft de CCD een eerste serie informele besprekingen aan dit onderwerp gewijd. Van Westelijke zijde waren hierbij geen experts aanwezig. De door de Sowjetrussische deskundigen afgelegde verklaringen hebben de bedoelingen van de SU nog niet kunnen verduidelijken. Een tweede serie besprekingen is nu voorzien voor de zomerzitting van de CCD, waaraan verscheidene Westelijke deskundigen zullen deelnemen. Ook Nederland zal een expert naar deze besprekingen afvaardigen.
Tweede Kamer, zitting 1975-1976,13 461, nrs. 4-5
15