OFFICIEUZE COÖRDINATIE VAN DE BOSREGLEMENTERING 01.06.2005 Inhoudstafel 13 juni 1990 Bosdecreet 19 december 1854 Wet van 19 december 1854 houdende het Boswetboek, gewijzigd bij de wetten van 30 januari 1924, 10 oktober 1967, 8 april 1969 en 14 juli 1976 29 mei 1991 Besluit van de Vlaamse regering houdende regeling van de instelling en de werking van de Vlaamse Hoge Bosraad. 31 juli 1991 Besluit van de Vlaamse regering betreffende de uitoefening van de door het boswetboek van 19 december 1854 en door het bosdecreet van 13 juni 1990 aan het bosbeheer opgedragen bevoegdheden 20 januari 1993 Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van regelen betreffende de aanwijzing of erkenning en het beheer van de bosreservaten. 22 juli 1993 Besluit van de Vlaamse regering betreffende de toegankelijkheid en het occasionele gebruik van bossen. 14 juli 1994 Ministerieel besluit houdende goedkeuring van het huishoudelijk reglement van het comité van beroep met betrekking tot de beheersplannen van privé-bossen. 16 februari 2001 Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van nadere regels inzake compensatie van ontbossing en ontheffing van het verbod op ontbossing 7 juni 2002 Besluit van de Vlaamse regering houdende de werkwijze en de voorwaarden inzake de openbare verkopingen van hout en andere bosproducten afkomstig uit openbare bossen 7 juni 2002 Besluit van de Vlaamse regering betreffende de vorm van de kapvergunning voor houtkavels in openbare bossen en de wijze waarop die wordt afgeleverd 7 juni 2002 Besluit van de Vlaamse regering betreffende de verkoop uit de hand van hout en andere bosproducten afkomstig uit openbare bossen 8 november 2002 Besluit van de Vlaamse regering houdende de erkenning van kopers en exploitanten van hout overeenkomstig artikel 79 van het Bosdecreet van 13 juni 1990 28 maart 2003 Besluit van de Vlaamse regering van 28 maart 2003 betreffende de subsidiëring van de bebossing van landbouwgronden ter uitvoering van de Verordening (EG) Nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatieen Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot wijziging en instelling van een aantal verordeningen 27 juni 2003 Besluit van de Vlaamse regering betreffende de subsidiëring van beheerders van openbare en privé-bossen 27 juni 2003 Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van de criteria voor duurzaam bosbeheer voor bossen gelegen in het Vlaamse Gewest 27 juni 2003 Besluit van de Vlaamse regering betreffende de erkenning en de subsidiëring van bosgroepen en de wijze waarop leden van het Bosbeheer kunnen meewerken in erkende bosgroepen 27 juni 2003 Besluit van de Vlaamse regering betreffende de beheerplannen van bossen 3 oktober 2003 Besluit van de Vlaamse regering betreffende de procedure tot erkenning van bosbouwkundig uitgangsmateriaal en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal
1
2 juni 2004 Ministerieel besluit tot vaststelling van een technisch controlereglement betreffende het bosbouwkundig teeltmateriaal
Noot: Ingevolge artikel 2 van de wet van 26 juni 2000 betreffende de invoering van de euro in de wetgeving die betrekking heeft op de aangelegenheden zoals bepaald in artikel 78 van de grondwet, worden de strafrechtelijke geldboeten vanaf 1 januari 2002 in euro uitgedrukt; een boete van 100 Belgische frank wordt automatisch een boete van 100 euro. De factor waarmee de boeten worden vermenigvuldigd wordt teruggebracht van 200 naar 5, waardoor de financiële impact voor de veroordeelde nagenoeg ongewijzigd blijft.
2
13 juni 1990 - BOSDECREET (B.S., 28 september 1990) HOOFDSTUK I - Algemene bepalingen Art. 1. Dit decreet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 107quater van de Grondwet. (Lees: artikel 39 van de gecoördineerde Grondwet) Art. 2. Dit decreet heeft tot doel het behoud, de bescherming, [het beheer, het herstel van de bossen en van hun natuurlijk milieu en (ing. decr. 18 mei 1999, art. 2, I: 2 augustus 1999)] de aanleg [... (geschr. decr. 18 mei 1999, art. 2, I: 2 augustus 1999)] van de bossen te regelen. Het is van toepassing zowel op de openbare bossen als op de privé-bossen. Art. 3. § 1. Onder de voorschriften van dit decreet vallen: de bossen, zijnde grondoppervlakten waarvan de bomen en de houtachtige struikvegetaties het belangrijkste bestanddeel uitmaken, waartoe een eigen fauna en flora behoren en die één of meer functies vervullen. § 2. Onder de voorschriften van dit decreet vallen eveneens: 1. 2. 3. 4. 5.
de kaalvlakten, voorheen met bos bezet, die tot het bos blijven behoren; niet-beboste oppervlakten die nodig zijn voor het behoud van het bos, zoals de boswegen, de brandwegen, de aanpalende of binnen het bos gelegen stapelplaatsen, dienstterreinen en ambtswoningen; bestendig bosvrije oppervlakten of stroken en recreatieve uitrustingen binnen het bos; de aanplantingen die hoofdzakelijk bestemd zijn voor de houtvoortbrengst, onder meer die van populier en wilg; de grienden.
§ 3. Onder de voorschriften van dit decreet vallen niet: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
de fruitboomgaarden en fruitaanplantingen; de tuinen, plantsoenen en parken; de lijnbeplantingen en houtkanten, onder meer langs wegen, rivieren en kanalen; de boom- en sierstruikkwekerijen en arboreta die buiten het bos zijn gelegen; de sierbeplantingen; de aanplantingen met kerstbomen; alle tijdelijke aanplantingen met houtachtige gewassen in uitvoering van de verordeningen van de Europese Gemeenschap voor wat betreft het uit productie nemen van bouwland.
Art. 4. In de zin van dit decreet wordt verstaan onder: 1.
2.
aangestelde: elk personeelslid aangesteld in het Bosbeheer met een technische, administratieve en/of bewakingsopdracht, [... (geschr. decr. 18 mei 1999, art. 3, I: 2 augustus 1999)] Heeft dit personeelslid als ambtsgebied een boswachterij dan wordt hij boswachter genoemd; [1bis. administratieve overheden: het Vlaamse Gewest, de openbare instellingen die ervan afhangen, de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke instellingen die belast zijn met taken van openbaar nut en de andere besturen die onderworpen zijn aan het administratief toezicht van het Vlaamse Gewest; (ing. decr. 18 mei 1999, art. 3, I: 2 augustus 1999)] [ambtenaar: elk personeelslid van het Bosbeheer behorende tot het niveau A. Heeft de ambtenaar als ambtsgebied een houtvesterij en heeft hij overwegend terreinbeherende opdrachten, dan wordt hij houtvester genoemd. Wordt de ambtenaar binnen een ambtsgebied belast met de algemene coördinatie over het naleven van de richtlijnen, omzendbrieven en andere dienstinstructies en/of de strafvordering, teneinde de doelstellingen van dit decreet en het bosbeleid in het algemeen te realiseren, dan wordt hij woudmeester genoemd. Om te kunnen aangesteld worden als houtvester of woudmeester is een diploma van landbouwkundig ingenieur, Waters en Bossen of van bio-ingenieur in het Land- en Bosbeheer vereist; (verv. decr. 18 mei 1999, art. 3, I: 2 augustus 1999)] [2bis. autochtone boom- of struiksoort: boom- of struiksoort die, sinds zijn spontane vestiging na de laatste ijstijd, zich ter plaatse altijd slechts natuurlijk heeft verjongd of kunstmatig verjongd is met strikt lokaal uitgangsmateriaal; (ing. decr. 18 mei 1999, art. 3, I: 2 augustus 1999)]
3
3.
bebossing: bezetting met bos, door menselijke ingreep of spontaan, van een oppervlakte, sinds vijftig jaar niet meer met bos bezet; 4. beheersplan: document met het geheel van maatregelen om de functievervulling van een bos te verwezenlijken, uitgaande van de bestaande toestand, de vooruitzichten en de nagestreefde doelstellingen; 5. bestand: het kleinste onderdeel van het bos waarop een afzonderlijk [aangepast beheer (verv. decr. 18 mei 1999, art. 3, I: 2 augustus 1999)] wordt toegepast; [5bis. bijzondere wachter: wachter aangesteld door bijzondere personen en gelijkgesteld met de veldwachters zoals bedoeld in artikel 61 van het Veldwetboek; (ing. decr. 18 mei 1999, art. 3, I: 2 augustus 1999)] 6. Bosbeheer: de functionele dienst die door de Vlaamse regering wordt belast met het beheer van de bossen; (zie: B.V.R. 31 juli 1991) [6bis. bosbeheerders: de boseigenaar of mede-eigenaar, de houder van andere zakelijk rechten of de houder van een persoonlijk recht aan wie het beheer van het bos toekomt; (ing. decr. 18 mei 1999, art. 3, I: 2 augustus 1999)] 7. [... (opgeh. decr. 18 mei 1999, art. 3, I: 2 augustus 1999)] 8. [bosgroep: een duurzaam samenwerkingsverband tussen bosbeheerders binnen een bepaald gebied, teneinde de realisatie van de door dit decreet opgelegde doelstellingen door een rationeler beheer mogelijk te maken; 9. bosweg: alle wegen of gedeelten van wegen gelegen in het bos, met uitzondering van de openbare wegen die ingericht zijn voor het gewone, gemotoriseerde verkeer en die in hoofdzaak bestemd zijn als doorgangsweg. Paden waarop slechts één voetganger tegelijkertijd kan passeren worden niet als boswegen beschouwd, tenzij ze deel uitmaken van het toegankelijke wegennet opgenomen in het beheersplan of in het toegankelijkheidsreglement zoals bepaald in artikel 12 van dit decreet; (verv. decr. 18 mei 1999, art. 3, I: 2 augustus 1999)] [9bis. Het Decreet Natuurbehoud : het decreet van 21 oktober 1997 inzake het natuurbehoud en het natuurlijk milieu; (ing. decr. 19 juli 2002, art. 45, I:10 september 2002)] 10. domeinbos: openbaar bos waarvan het volledige beheer werd toevertrouwd aan het Bosbeheer; 11. herbebossing: herbezetting, door menselijke ingreep of spontaan met een bosvegetatie van een stuk grond dat de jongste vijftig jaar reeds met bos was bezet; [11bis. inheemse boom- of struiksoort: boom- of struiksoort, die van nature voorkomt in een bepaalde streek of regio; (ing. decr. 18 mei 1999, art. 3, I: 2 augustus 1999)] 12. [kaalslag: het kappen van het bosbestand zonder aan de grond een ander gebruik te geven; (verv. decr. 18 mei 1999, art. 3, I: 2 augustus 1999)] 13. [... (opgeh. decr. 18 mei 1999, art. 3, I: 2 augustus 1999)] 14. [... (opgeh. decr. 18 mei 1999, art. 3, I: 2 augustus 1999)] [14bis. kavel: een bestand, deel van een bestand of een groep bestanden waarin de bomen al dan niet geveld en/of andere bosproducten dan hout te koop worden aangeboden; 14ter. lot: vastgelegde en gemerkte hoeveelheid te vellen of gevelde bomen in één of meerdere kavels, of opgestapeld in het bos, die gezamenlijk te koop worden aangeboden; 14quater. natuurvereniging: erkende terreinbeherende vereniging, zoals bedoeld in artikel 2, 16° van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu; (ing. decr. 18 mei 1999, art. 3, I: 2 augustus 1999)] 15. [ontbossen: iedere handeling waardoor een bos geheel of gedeeltelijk verdwijnt en aan de grond een andere bestemming of gebruik wordt gegeven; (verv. decr. 18 mei 1999, art. 3, I: 2 augustus 1999)] 16. openbaar bos: elk bos waarvan een publiekrechtelijk rechtspersoon eigenaar of mede-eigenaar is; 17. privé-bos: elk bos waarvan [uitsluitend (verv. decr. 18 mei 1999, art. 3, I: 2 augustus 1999)] natuurlijke personen of privaatrechtelijke rechtspersonen eigenaar zijn; 18. [... (opgeh. decr. 18 mei 1999, art. 3, I: 2 augustus 1999)] 19. Raad: de Vlaamse Hoge Bosraad; 20. rooiing: het verwijderen van bomen en houtachtige gewassen, met inbegrip van hun wortelstelsel. [21. vertegenwoordiger van de bosgroep: afgevaardigde aangewezen door de Raad van Bestuur van de bosgroep; 22. voetganger: met de gewone voetganger wordt gelijkgesteld, de rolstoelgebruikers en de fietsers jonger dan 9 jaar. (ing. decr. 18 mei 1999, art. 3, I: 2 augustus 1999)] [Art. 4bis. § 1. De Vlaamse regering kan, in afwijking van de bepalingen van artikel 3, § 3, 2., parken aanwijzen of erkennen, waardoor die onder de voorwaarden van dit decreet vallen. Parken in eigendom van of gehuurd door de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest kunnen aangewezen worden. Zij worden aangewezen parken genoemd en beheerd door het Groenbeheer. Parken in eigendom van privé-eigenaars of openbare eigenaars andere dan de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest kunnen, op voordracht van de eigenaars, erkend worden. Zij worden erkende parken genoemd. De Vlaamse regering bepaalt de criteria voor de erkenning en aanwijzing van parken.
4
§ 2. In dit artikel wordt verstaan onder: 1.
2.
park: een groene ruimte waar bij de aanleg, de inrichting en het beheer sociaalrecreatieve en/of esthetische overwegingen overheersen en waar gelijktijdig verschillende andere functies kunnen worden vervuld, zoals recreatieve, educatieve, economische, cultuurhistorische, landschappelijke, wetenschappelijke, ecologische, organismebeschermende, en milieubeschermende functies. Zij bestaan naast uit open gedeelten waaronder waterpartijen, grasvelden, bloemperken, wandelwegen en andere infrastructuren, uit een afwisseling van bosgedeelten en/of gedeelten begroeid met bomen, heesters en kruidachtige gewassen; groenbeheer: functionele dienst die door de Vlaamse regering wordt belast met de beleidsvoorbereiding en de beleidsuitvoering inzake de parken in het algemeen en het beheer van de aangewezen parken in het bijzonder.
§ 3. In afwijking van § 1 kan de Vlaamse regering voor aangewezen en erkende parken bij algemeen besluit afwijkingen toestaan op de bepalingen van dit decreet. § 4. Individuele afwijkingen, andere dan die vermeld in § 3, zijn slechts toegestaan mits zij uitdrukkelijk zijn opgenomen in een goedgekeurd beheersplan. § 5. De Vlaamse regering kan, onder de voorwaarden door haar te bepalen: 1. 2.
3.
subsidies verlenen aan provincies, gemeenten, andere openbare besturen en aan privé-eigenaars met het oog op de erkenning van de parken in eigendom; subsidies verlenen aan provincies, gemeenten en andere openbare besturen voor het verwerven van parken en gronden bestemd voor de inrichting van parken met het oog op erkenning. De subsidiëring met betrekking tot het verwerven van gronden bestemd voor de inrichting van nieuwe parken met het oog op erkenning kan enkel wanneer die gronden gelegen zijn in zones met bestemming groengebied, parkgebied, buffergebied, bosgebied en volrood gekleurd woongebied volgens de geldende plannen van aanleg; subsidies verlenen aan provincies, gemeenten en andere openbare besturen voor de inrichting van parken met het oog op erkenning of voor de herinrichting van erkende parken. (ing. decr. 18 mei 1999, art. 4, I: 2 augustus 1999)]
HOOFDSTUK II - De bosfuncties Art. 5. Het bos kan gelijktijdig verschillende functies vervullen, onder meer economische, sociale, educatieve, wetenschappelijke, ecologische [organismebeschermende (verv. decr. 18 mei 1999, art. 5, I: 2 augustus 1999)] evenals [milieubeschermende functies (verv. decr. 18 mei 1999, art. 5, I: 2 augustus 1999)] Art. 6. [De Vlaamse regering stelt na advies van de Raad, de Vlaamse Hoge Raad voor Natuurbehoud, de Vlaamse Hoge Jachtraad en de Minaraad langetermijnplannen op. Binnen het raam van deze langetermijnplannen stelt het Bosbeheer, rekening houdend met de ruimtelijke planning, het ruimtelijk beleid en het algemeen milieu- en natuurbeleid, uitvoeringsplannen op. Deze plannen worden na advies van de Raad, de Vlaamse Hoge Raad voor Natuurbehoud, de Vlaamse Hoge Jachtraad en de Minaraad, goedgekeurd door de Vlaamse regering. De langetermijnplannen en de uitvoeringsplannen worden voor zij worden goedgekeurd door de Vlaamse regering, meegedeeld aan het Vlaams Parlement. (verv. decr. 18 mei 1999, art. 6, I: 2 augustus 1999)] [Art. 6bis. In uitvoering van de in artikel 6 voorziene uitvoeringsplannen, kan de Vlaamse regering ondersteunende maatregelen nemen ter bevordering van de gebiedsgerichte uitbreiding van het bosareaal die gericht is op duurzaam bosbeheer. Daartoe kan het Vlaamse Gewest, op voorstel van het Bosbeheer, onder meer overeenkomsten afsluiten met gemeenten, provincies en andere openbare besturen om bebossingprojecten voor te bereiden en uit te voeren. De Vlaamse regering neemt de nodige maatregelen om zoveel mogelijk doelgroepen te betrekken bij de voorbereiding en bij de uitvoering van deze bebossingprojecten, om het draagvlak van die projecten te vergroten. (ing. decr. 18 mei 1999, art. 7, I: 2 augustus 1999)] Art. 7. [Om beter te voldoen aan de aan het bos toebedeelde functies kan de Vlaamse regering, na advies van de Raad en de Vlaamse Hoge Raad voor het Natuurbehoud, volgens de voorwaarden en de normen die ze zelf bepaalt, de uitvoeringsmaatregelen die overeenkomstig dit decreet worden genomen, afstemmen op de door het natuurbeleid en/of ruimtelijk beleid vooropgestelde gebiedscategorieën evenals op de gebiedsgerichte werking van andere
5
beleidssectoren zoals, onder meer, het algemene milieubeleid en de werkgelegenheid. (verv. decr. 18 mei 1999, art. 8, I: 2 augustus 1999)] Afdeling 1 - De economische functie Art. 8. De economische functie van het bos bestaat in de voortbrenging van hout en van bosproducten andere dan hout, waarvan de winning het voortbestaan van het bos niet bedreigt. De maatregelen tot verhoging van de materiële opbrengst mogen de andere functies die het bos dient te vervullen, niet verhinderen. Het bos dient te worden beschouwd en behandeld als een hernieuwbare natuurlijke hulpbron, die belangrijke grondstoffen levert. Art. 9. § 1. Het Bosbeheer is belast met het vastleggen van het na te streven voorraadpeil en van het jaarlijks gemiddeld kapquantum in alle openbare bossen en dit in overeenstemming met de langetermijnplanning bepaald in artikel 6. § 2. Elke overschrijding van het in het beheersplan vastgelegd kapquantum, ongeacht deze overschrijding het gevolg is van een vergissing, verleende machtiging, inbreuk, ongeoorloofde toe-eigening of een geval van overmacht, dient te worden gecompenseerd door het uitvoeren van kappingen beneden het peil dat werd bepaald, om de voorraad opnieuw op een behoorlijk peil te brengen. Met dit doel zal een aanvulling van het beheersplan worden opgesteld en dit binnen het jaar na de overschrijding op straffe van geldboete van zesentwintig tot duizend euro1. De aanvullingen van het beheersplan zijn aan dezelfde bepalingen inzake uitwerking, goedkeuring en uitvoering onderworpen als die welke voor het beheersplan zelf gelden. Afdeling 2 - De sociale en educatieve functie Art. 10. § 1. De sociale en educatieve functie van het bos bestaat onder meer in de toegankelijkheid van het bos voor het publiek met het oog op de recreatie of vorming. § 2. [Behoudens in de gevallen vermeld in het volgende lid, zijn alle bossen voor het publiek, aangeduid in § 3 van dit artikel, steeds toegankelijk. Zij zijn evenwel enkel toegankelijk op de boswegen. De Vlaamse regering kan echter, voor zover dit het voortbestaan van het bos niet bedreigt en de vervulling van de andere bosfuncties niet verhindert, bij besluit toestaan dat voor bepaalde activiteiten de boswegen worden verlaten. De Vlaamse regering kan de uitoefening van deze activiteiten afhankelijk stellen van het verkrijgen van een machtiging van het Bosbeheer. Bossen kunnen voor bepaalde of onbepaalde duur, geheel of gedeeltelijk ontoegankelijk worden. Het ontoegankelijk stellen van openbare bossen is slechts toegestaan na een machtiging van het Bosbeheer. De eventuele ontoegankelijkheid van een bos of een gedeelte van een bos dient langs de boswegen te worden aangeduid op een duidelijk zichtbare wijze. De Vlaamse regering legt de vorm en de wijze vast waarop die aanduiding moet gebeuren. De eventuele ontoegankelijkheid van een bos of een gedeelte van een bos kan niet wettig in een andere vorm of op een andere wijze worden aangeduid. § 3. De voetgangers hebben steeds toegang tot alle bossen die voor het publiek toegankelijk zijn overeenkomstig § 2 van dit artikel. De Vlaamse regering kan bij besluit, zonder afbreuk te doen aan de bepaling van artikel 14, op de boswegen andere categorieën van weggebruikers toelaten voor zover die het voortbestaan van het bos niet bedreigen en de vervulling van de andere bosfuncties niet verhinderen. De Vlaamse regering regelt bij besluit de toegang tot de boswegen van alle in beide voorgaande leden bedoelde categorieën van weggebruikers. De toegang tot de boswegen kan slechts wettig worden aangeduid in de vorm en op de wijze zoals bepaald door de Vlaamse regering. (verv. decr. 18 mei 1999, art. 9, I: 2 augustus 1999)] Art. 11. Het openstellen van het bos mag niet leiden tot enige vermindering van de oppervlakte die effectief met bosbegroeiing bezet is, tenzij de grond wordt gebruikt voor de infrastructuren, andere dan gebouwen, die absoluut vereist zijn om de bezoekers op te vangen. 1
Voor strafmaat zie artikel 112bis
6
Art. 12. § 1. [... (opgeh. decr. 18 mei 1999, art. 10, I: 2 augustus 1999)] § 2. [... (opgeh. decr. 18 mei 1999, art. 10, I: 2 augustus 1999)] § 3. [... (opgeh. decr. 18 mei 1999, art. 10, I: 2 augustus 1999)] § 4. [De toegankelijkheid van een bos wordt geregeld door een reglement dat niet strijdig is met de inhoud van het beheersplan of met de bepalingen van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten. De Vlaamse regering bepaalt de inhoud en de procedure voor de goedkeuring van dit reglement. (verv. decr. 18 mei 1999, art. 10, I: 2 augustus 1999)] Art. 13. [Om de bescherming, de ontwikkeling, het herstel en het behoud van het bosareaal te garanderen, de openstelling van de bossen en de educatie van het publiek te bevorderen en de bosrecreatie te verbeteren, kan de Vlaamse regering onder de voorwaarden die ze zelf bepaalt, subsidies verlenen aan bosbeheerders. Voor openbare besturen en openbare instellingen kunnen deze subsidies betrekking hebben op de aankoop en de huur van bossen of gronden voor bosaanleg, op bosaanleg door aanplanting, door bezaaiing of op spontane wijze, op het onderhoud van bossen en op de aanleg en het onderhoud van de bosinfrastructuur. Voor natuurlijke personen of privaatrechtelijke rechtspersonen kunnen de subsidies betrekking hebben op het onderhoud en de aanleg van de infrastructuur van bossen die voor het publiek toegankelijk zijn. (verv. decr. 18 mei 1999, art. 11, I: 2 augustus 1999)] Indien de aan de subsidie verbonden voorwaarden niet worden nageleefd, wordt de subsidie teruggevorderd onder de voorwaarden bepaald door de Vlaamse regering. Het teruggevorderde bedrag wordt toegewezen aan het [Fonds voor preventie en Sanering inzake Leefmilieu en Natuur dat is ingeschreven in de begroting van het Vlaamse Gewest. (verv. decr. 23 januari 1991, art.6, I: 1 januari 1991)] (Zie: B.V.R. 29 april 1991) [Art. 13bis. Het recht van successie of van overgang bij overlijden dat verschuldigd zou zijn geweest over het bij toepassing van artikel 55quater van het Wetboek der successierechten vrijgesteld bedrag, wordt geacht als subsidie te zijn verleend. De subsidie wordt geacht te zijn verleend gedurende 30 jaar à rato van 1/30 per jaar, te rekenen van het openvallen van de nalatenschap waarvoor de vrijstelling werd bekomen. Deze subsidie wordt geacht te zijn toegekend onder de volgende voorwaarden die moeten vervuld worden gedurende de in het eerste lid vermelde termijn van 30 jaar : 1) de goederen moeten hun aard van bos, zoals bedoeld in artikel 3 van dit decreet, blijven behouden; 2) de goederen moeten blijven voldoen aan de voorwaarden gesteld onder 1) van § 2 van artikel 55quater van het Wetboek der successierechten; 3) het effectief gevoerde beheer moet overeenstemmen met het goedgekeurde beheersplan. Bij niet-naleving van deze voorwaarden is de eigenaar of vruchtgebruiker van het bos gehouden tot terugbetaling van de subsidie voor de resterende duur van de periode waarvoor ze geacht wordt te zijn toegekend. De rechtsvoorganger van de eigenaar of vruchtgebruiker is gehouden de eigenaar of vruchtgebruiker schadeloos te stellen voor de terugbetaling van de subsidie, indien hij nagelaten heeft zijn rechtsopvolger op de in het vierde lid bepaalde wijze kennis te geven van het bestaan van de subsidie. Een tot schadeloosstelling gehouden persoon heeft op zijn beurt verhaal op zijn rechtsvoorganger, indien laatstbedoelde nagelaten heeft eerstbedoelde op de in het vierde lid bepaalde wijze kennis te geven van het bestaan van de subsidie. Het tweede en derde lid van artikel 13 zijn op deze subsidie van toepassing. De genieter van het voordeel van de vrijstelling is gehouden in de akte van overdracht van de eigendom of het vruchtgebruik van het bos de verkrijger in te lichten over het bestaan van deze subsidie, met verwijzing naar onderhavig artikel. Iedere verkrijger is op zijn beurt gehouden een verdere verkrijger op dezelfde wijze in te lichten. (ingevoegd decr. 9 mei 2003 tot invoering van een vrijstelling van successierechten voor bossen en van een vrijstelling van successierechten en onroerende voorheffing voor gronden gelegen in het VEN, art. 4)] Art. 14. [In de bossen en op de boswegen is (verv. decr. 18 mei 1999, art. 12, I: 2 augustus 1999)] geen enkele vorm van gemotoriseerd verkeer toegelaten, behalve om technische redenen zoals onderhoud en exploitatie, of wanneer dit verkeer noodzakelijk is voor het beheer en de bewaking, voor de veiligheid van de bezoekers en in door
7
de [bosbeheerder (verv. decr. 18 mei 1999, art. 12, I: 2 augustus 1999)] vast te stellen bijzondere omstandigheden, op straffe van geldboete van zesentwintig tot driehonderd euro1.
Art. 15. [... (opgeh. decr. 18 mei 1999, art. 13, I: 2 augustus 1999)] Afdeling 3 - De [milieubeschermende functie (verv. decr. 18 mei 1999, art. 14)] Art. 16. Bossen die omwille van hun ligging of in samenstelling een uitgesproken rol vervullen onder meer voor de bescherming van waterwinningsgebieden, de erosiebestrijding, de regulering van het debiet der waterlopen, de klimaatregeling, de waterzuivering, of die zones afschermen die het leefmilieu belasten, kunnen als [milieubeschermende bossen (verv. decr. 18 mei 1999, art. 14, I: 2 augustus 1999)] worden erkend. De Vlaamse regering, de Raad gehoord, wijst de bestaande of aan te leggen bossen aan die een [milieubeschermende functie (verv. decr. 18 mei 1999, art. 14, I: 2 augustus 1999)] dienen te vervullen. Zij bepaalt, de Raad en de Vlaamse Hoge Raad voor Natuurbehoud gehoord, de criteria voor de aanduiding en de regelen van beheer en toegankelijkheid van deze bossen rekening gehouden met de noodzaak van het behoud van deze bossen. Art. 17. De Vlaamse regering, de Raad gehoord, bepaalt de vergoeding, alsmede de wijze van toekenning, aan de [bosbeheerder (verv. decr. 18 mei 1999, art. 15, I: 2 augustus 1999)] wanneer zijn bos of een deel van zijn bos als [milieubeschermend bos (verv. decr. 18 mei 1999, art. 15, I: 2 augustus 1999)] wordt aangewezen. Afdeling 4 - De ecologische functie Art. 18. [De zorg voor het behoud, de ontwikkeling of het herstel van de ecologische functie van de bossen bestaat onder meer uit: 1. het bevorderen van de autochtone boom- of struik-soorten; 2. het stimuleren van uit zichzelf functionerende pro-cessen; 3. het bevorderen van een gevarieerde bosstructuur door onder meer ongelijkjarigheid en ongelijkvormig-heid na te streven en te streven naar een voldoende aanwezigheid van oude bomen en dood hout; 4. een gepast beheer van alle natuurelementen en van alle landschapsecologisch en cultuurhistorisch waar-de-volle elementen; 5. het beheer ten behoeve van het behoud, de ontwik-keling of herstel van de biologische diversiteit, van populaties van zeldzame soorten of ondersoorten en ten behoeve van de instandhouding, de ontwikkeling of het herstel van [habitats of deels natuurlijke ecosystemen; (verv. decr. 19 Juli 2002, art. 46, I:10 september 2002) ]; 6. het behoud of herstel van de natuurlijke waterhuishouding; 7. het beheer gericht op het tegengaan van alle nadelige externe beïnvloeding. (verv. decr. 18 mei 1999, art. 16, I: 2 augustus 1999)] [Art. 19. [Bij het beheer van openbare bossen moet altijd rekening worden gehouden met de ecologi-sche functie, zoals die in artikel 18 werd vastgelegd. (ing. decr. 18 mei 1999, art. 17, I: 2 augustus 1999)] In het beheersplan [van alle bossen (ing. decr. 18 mei 1999, art. 17, I: 2 augustus 1999)], zoals be-doeld in de artikelen 25 en 43, wordt steeds aan-ge-ge-ven hoe en in welke mate de ecologische func-tie aan bod komt, onvermin-derd de bepalingen van artikel 20. Voor elk openbaar bos en bosreservaat dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen een speciale beschermingszone moeten in het beheersplan tevens de nodige maatregelen zoals bedoeld in artikel 36ter, §§ 1 & 2 van het Decreet Natuurbehoud opgenomen worden. (verv. decr.19 juli 2002, art. 47, I: 10 september 2002)] [Art. 19bis. De Vlaamse regering kan, na advies van de Vlaamse Hoge Bosraad en van de Vlaamse Hoge Raad voor het Natuurbe-houd, volgens de voorwaar-den en de nor-men door haar te bepalen, afhankelijk van de 1
Voor strafmaat zie artikel 112bis
8
begrotingskredieten, toelagen verle-nen voor het nemen van maatregelen die de ontwikkeling van natuur in het bos, met inbegrip van de realisatie van de maatregelen bedoeld in artikel 36ter, §§ 1 en 2 van het Decreet Natuurbehoud tot doel hebben, desgeval-lend afgestemd op de door het natuurbeleid of het ruimtelijk beleid voor-opgestelde gebiedscategorieën en zo nodig afgestemd op de gebieden afgebakend in uitvoering van internationale overeenkomsten of verdragen betreffende het natuurbehoud of van akten betreffende het natuurbehoud, met inbegrip van Europese richtlijnen, vastgesteld op grond van internationale verdragen. (ing. decr. 21 oktober 1997, art. 70, I: 20 januari 1998; verv. decr. 19 juli 2002, art. 48, I: 10 september 2002)] Art. 20. Onverminderd [de verbodsbepalingen opgenomen in wetten, decreten, reglementen en de ontheffingen opgenomen in het beheersplan (verv. decr. 18 mei 1999, art. 18, I: 2 augustus 1999)] is het zonder machtiging van het bosbeheer, in de openbare bossen verboden: 1. 2. 3.
4. 5. 6. 7. [8. 9.
planten of onderdelen van planten te verwijderen; opgravingen of extracties van materiaal uit de bodem of uit de ondergrond te verrichten; werkzaamheden uit te voeren die niet in het beheersplan zijn opgenomen en die van aard zijn wijzigingen aan te brengen in de mineralogische en paleontologische sites, de archeologische grondvesten, het landschap, het reliëf, de natuurlijke [waterhuishouding (verv. decr. 18 mei 1999, art. 18, I: 2 augustus 1999)], de bodemvruchtbaarheid, de zuiverheid en het regime van de waterlopen, de vegetatie en de inheemse [organismen; (verv. decr. 18 mei 1999, art. 18, I: 2 augustus 1999)] dieren en planten te introduceren; vuur te maken behalve wanneer zulks nodig is als beheersmaatregel, als fytosanitaire maatregel bij wet verplicht of als onderdeel van een wetenschappelijk experiment; bronnen, veen- of turflagen te wijzigen; dieren en planten te verdelgen, dieren te verplaatsen of te vangen, hun jongen, eieren, nesten of schuilplaatsen te storen. bestrijdingsmiddelen te gebruiken; meststoffen te gebruiken, behalve het opbrengen van stalmest in het kader van de bemesting van de plantput bij bosaanplanting. (ing. decr. 18 mei 1999, art. 18, I: 2 augustus 1999)] Overtreding van deze bepaling wordt gestraft met een geldboete van vijftig tot tweehonderd euro1.
Art. 21. De Vlaamse regering kan in alle bossen het gebruik van [bestrijdingsmiddelen (verv. decr. 18 mei 1999, art. 19, I: 2 augustus 1999)] regelen. Overtreding van de in uitvoering van dit artikel door de Vlaamse regering genomen besluiten, wordt gestraft met een geldboete van vijftig tot tweehonderd euro. Afdeling 5 - [De bosreservaten (verv. decr. 18 mei 1999, art. 20)] Art. 22. In de bosreservaten wordt de groei en de ontwikkeling vrijgelaten of wordt gestreefd naar het behoud of het tot stand brengen van [natuurlijke bosgemeenschappen en bijzondere bostypes (verv. decr. 18 mei 1999, art. 21, I: 2 augustus 1999)] [... (geschr. decr. 18 mei 1999, art. 21, I: 2 augustus 1999)] De Vlaamse regering stelt vast, de Raad, de Vlaamse Hoge Jachtraad en de Vlaamse Hoge Raad voor Natuurbehoud gehoord en mits toestemming van de eigenaar, voor welke bossen of gedeelten van bossen bijzondere beschermings- en beheersmaatregelen genomen worden omdat zij [een ecologische en wetenschappelijke functie vervullen. (verv. decr. 18 mei 1999, art. 21, I: 2 augustus 1999)] Deze bossen worden vanaf de aanwijzing of de erkenning bosreservaten genoemd; zij kunnen zones met een verschillende bescherming omvatten. De Vlaamse regering stelt de voorwaarden tot erkenning [en aanwijzing (verv. decr. 18 mei 1999, art. 21, I: 2 augustus 1999)] vast. Art. 23. De [aangewezen bosreservaten (verv. decr. 18 mei 1999, art. 22, I: 2 augustus 1999)], eigendom van het Vlaamse Gewest, behouden hun statuut van bosreservaat voor een onbepaalde tijdsduur. Voor de bosreservaten, in huur genomen door het Vlaamse Gewest, moet de huurperiode ten minste vierenvijftig jaar bedragen. De andere bosreservaten worden erkend voor een periode van ten minste zevenentwintig jaar: verlenging met ten minste zevenentwintig jaar aan het einde van elke erkenningsperiode is mogelijk.
1
Voor strafmaat zie artikel 112bis
9
De Vlaamse regering kan steeds de erkenning van een bosreservaat intrekken vanaf het ogenblik dat niet meer aan de voorwaarden van erkenning wordt voldaan. Art. 24. De Vlaamse regering, de Raad en de Vlaamse Hoge Raad voor Natuurbehoud gehoord, stelt de vergoeding vast die wordt toegekend aan de [bosbeheerder (verv. decr. 18 mei 1999, art. 23, I: 2 augustus 1999)] wanneer zijn bos of een deel van zijn bos tot bosreservaat wordt aangewezen of erkend overeenkomstig artikel 22. De wijze van toekenning wordt eveneens door de Vlaamse regering Raad bepaald. Art. 25. Voor elk bosreservaat dient een beheersplan of een nieuw beheersplan te worden opgesteld binnen een periode van drie jaar, die aanvangt op de datum van het besluit tot erkenning [of aanwijzing. (verv. decr. 18 mei 1999, art. 24, I: 2 augustus 1999)] Het beheersplan dient rekening te houden met het doel dat met de oprichting van het bosreservaat wordt nagestreefd [conform de bepalingen van artikel 22. (verv. decr. 18 mei 1999, art. 24, I: 2 augustus 1999)] [... (opgeh. decr. 18 mei 1999, art. 24, I: 2 augustus 1999)] Art. 26. [De bosbeheerder van een bos dat erkend wordt als bosreservaat, kan het beheer van dat bosreservaat overdragen aan het Bosbeheer. (ing. decr. 18 mei 1999, art. 25, I: 2 augustus 1999)] Voor elk [aangewezen (ing. decr. 18 mei 1999, art. 25, I: 2 augustus 1999)] bosreservaat wordt een ambtenaar van het Bosbeheer aangeduid die met het beheer ervan is belast. Art. 27. [De Vlaamse regering stelt één of meer adviescommissies in voor de begeleiding van het beheer van de bosreservaten. (verv. decr. 18 mei 1999, art. 26, I: 2 augustus 1999)] De Vlaamse regering bepaalt de opdracht, de samenstelling en de werkingsregelen van de adviescommissies. [... (opgeh. decr. 18 mei 1999, art. 26, I: 2 augustus 1999)]
Art. 28. [... (opgeh. decr. 18 mei 1999, art. 27, I: 2 augustus 1999)] Art. 29. De Vlaamse regering bepaalt welke maatregelen dienen getroffen te worden in de onmiddellijke omgeving van het bosreservaat, teneinde alle nadelige externe beïnvloeding tegen te gaan. Deze maatregelen kunnen betrekking hebben op het gebruik van [bestrijdingsmiddelen (verv. decr. 18 mei 1999, art. 28, I: 2 augustus 1999)], het regelen van waterstanden of het bodemgebruik, waartoe met de eigenaars, vruchtgebruikers of gebruikers beheersovereenkomsten moeten worden afgesloten waarin de vergoedingen worden bepaald. Art. 30. Onverminderd [de verbodsbepalingen opgenomen in wetten, decreten, reglementen en de ontheffingen opgenomen in het beheersplan, (verv. decr. 18 mei 1999, art. 29, I: 2 augustus 1999)] is het in de bosreservaten verboden: 1. 2. 3.
planten of onderdelen van planten te verwijderen, [... (geschr. decr. 18 mei 1999, art. 29, I: 2 augustus 1999)] opgravingen of extracties van materiaal uit de bodem of uit de ondergrond te verrichten; werkzaamheden uit te voeren die niet in het beheersplan zijn opgenomen en die van aard zijn wijzigingen aan te brengen in de mineralogische en paleontologische sites, de archeologische grondvesten, het landschap, het reliëf, de natuurlijke [waterhuishouding (verv. decr. 18 mei 1999, art. 29, I: 2 augustus 1999)] de bodemvruchtbaarheid, de zuiverheid en het regime van de waterlopen, de vegetatie en de inheemse flora en fauna; 4. dieren en planten te introduceren, [... (geschr. decr. 18 mei 1999, art. 29, I: 2 augustus 1999)] 5. vuur te maken behalve wanneer zulks nodig is als beheersmaatregel, als fytosanitaire maatregel bij wet verplicht of als onderdeel van een wetenschappelijk experiment; 6. bronnen, veen- of turflagen te wijzigen; 7. dieren te verdelgen, te verplaatsen of te vangen, hun jongen, eieren, nesten of schuilplaatsen te storen, tenzij een machtiging door het Bosbeheer werd uitgereikt, de commissie gehoord; 8. sport te beoefenen. [9. te jagen, tenzij daarvoor machtiging werd verleend door het Bosbeheer, na de adviescommissie gehoord te hebben; 10. bestrijdingsmiddelen te gebruiken; 11. meststoffen te gebruiken; 12. keten, loodsen, tenten of andere constructies te plaatsen, zelfs als die slechts tijdelijk zijn. (ing. decr. 18 mei 1999, art. 29, I: 2 augustus 1999)]
10
Overtreding van deze bepaling wordt gestraft met een geldboete van vijftig tot tweehonderd euro1.
HOOFDSTUK III - Het bosbeheer Art. 31. [§ 1. (ing. decr. 18 mei 1999, art. 30)] De toepassing van [dit decreet (verv. decr. 18 mei 1999, art. 30, I: 2 augustus 1999)] op alle bossen en het toezicht op het beheer behoren tot de opdrachten van het Bosbeheer, behoudens andersluidende beslissing van de Vlaamse regering. [§ 2. Volgens de voorwaarden door de Vlaamse regering vast te leggen, kunnen personeelsleden van de administratieve overheden specifieke taken met betrekking tot het beheer en/of toezicht op bossen in uitvoering van dit decreet uitoefenen. Zij volgen, wat de in het eerste lid vermelde opdrachten betreft, de algemene richtlijnen van het Bosbeheer. In die hoedanigheid worden zij buitengewone leden van het Bosbeheer genoemd. § 3. Voor privé-bossen en openbare bossen andere dan domeinbossen, waarvan de aaneengesloten oppervlakte kleiner is dan een halve hectare en die gelegen zijn in zones met de bestemming woongebied, industriegebied, dienstverleningsgebied, gebied voor verblijfsrecreatie, ontginningsgebied of een met voormelde gebieden gelijk te stellen bestemming, volgens de geldende plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen die overeenkomstig de wetgeving op de ruimtelijke ordening werden opgemaakt en in goedgekeurde en niet vervallen verkavelingen, kan de Vlaamse regering, de Raad gehoord, volgens de nadere regels die ze zelf bepaalt, op verzoek van de gemeente de bevoegdheid van het Bosbeheer met betrekking tot artikelen 43, 44, 81, 83, 90, 91, 94 tot en met 97, 99, 104 tot en met 106 van dit decreet toewijzen aan de gemeente, op wiens grondgebied voormelde bossen gelegen zijn. (ing. decr. 18 mei 1999, art. 30, I: 2 augustus 1999)] Art. 32. De Vlaamse regering regelt, binnen de grenzen van de hiernavolgende bepalingen, de organisatie van het Bosbeheer. Art. 33. [De Vlaamse regering legt de normen vast voor de aanwijzing van het aantal personen dat voor het beheer en de bewaking van de bossen vereist is. (verv. decr. 18 mei 1999, art. 31, I: 2 augustus 1999)] Art. 34. De Vlaamse regering wijst de [personen (verv. decr. 18 mei 1999, art. 32, I: 2 augustus 1999)] aan die bevoegd zijn om de aan het Bosbeheer toegekende bevoegdheden uit te oefenen, zij stelt de vergoedingen vast die aan de [gewone leden van het Bosbeheer en aan de buitengewone leden zoals bedoeld in artikel 31, § 2; (verv. decr. 18 mei 1999, art. 32, I: 2 augustus 1999)] worden toegekend uit hoofde van hun politiefunctie. [Aan de aangestelden, de ambtenaren en aan de in artikel 31, § 2, bedoelde buitengewone leden van het Bosbeheer kan op voordracht van het hoofd van het Bosbeheer een politionele bevoegdheid worden gegeven, mits zij de eed hebben afgelegd, voorgeschreven in artikel 11 van de wet van 19 december 1854 houdende het Boswetboek. Het hoofd van het Bosbeheer kan met een met redenen omklede nota de intrekking van de politionele bevoegdheid aanbevelen bij de procureur des Konings. (ing. decr. 18 mei 1999, art. 32, I: 2 augustus 1999)]
Art. 35. [... (opgeh. decr. 18 mei 1999, art. 33, I: 2 augustus 1999)] Art. 36. De personeelsleden van het Bosbeheer kunnen enkel met toelating van de Vlaamse regering als gerechtelijke deskundigen optreden. Art. 37. De personeelsleden van het Bosbeheer mogen geen handel drijven, noch rechtstreeks noch onrechtstreeks, in hout- en [andere bosproducten (verv. decr. 18 mei 1999, art. 34, I: 2 augustus 1999)] en boomkwekerijproducten. Het is de personeelsleden van het Bosbeheer ook verboden privé-bossen te beheren of erin beheersdaden te stellen. [Het is hen ook verboden beheersplannen van privé-bossen op te maken, tenzij ambtshalve voor bossen waarvan de bosbeheerder in gebreke werd gesteld of op verzoek van de bosbeheerder van een erkend bosreservaat. (ing. decr. 18 mei 1999, art. 34, I: 2 augustus 1999)]
1
Voor strafmaat zie artikel 112bis
11
HOOFDSTUK IV - De Vlaamse Hoge Bosraad Art. 38. De Vlaamse regering stelt een Vlaamse Hoge Bosraad in. De Vlaamse regering bepaalt de samenstelling en de werkingsregelen van de Raad en benoemt de voorzitter en de leden. Minstens de helft van het aantal leden wordt aangewezen onder de eigenaars of [vertegenwoordigers van bosgroepen (verv. decr. 18 mei 1999, art. 35, I: 2 augustus 1999)] Art. 39. De Raad heeft tot taak advies te verlenen over alle aangelegenheden in verband met de bossen die hem door de Vlaamse regering worden voorgelegd. De Raad kan ook op eigen initiatief voorstellen formuleren inzake bosaangelegenheden. Art. 40. De Vlaamse regering is verplicht het advies van de Raad in te winnen betreffende de maatregelen bepaald in de artikelen 6, 16, 17, 22, 24, 43 en 54.
HOOFDSTUK V - Het beheer van de bossen Afdeling 1 - Het beheer van de bossen in het algemeen Art. 41. Het beheer van de bossen heeft tot doel het bosareaal te bewaren en [het (verv. decr. 18 mei 1999, art. 36, I: 2 augustus 1999)] te brengen of te behouden in een bestendige staat van veelzijdige functie zoals bepaald in artikel 5. [De Vlaamse regering stelt, na advies van de Raad, van de Vlaamse Hoge Raad voor het Natuurbehoud en van de Minaraad, criteria voor duurzaam bosbeheer vast. De Vlaamse regering bepaalt, overeenkomstig de bepalingen van artikel 7, voor welke bossen die criteria gelden. (ing. decr. 18 mei 1999, art. 36, I: 2 augustus 1999)] [Art. 41bis. § 1. De Vlaamse regering legt, de Raad en de Vlaamse Hoge Raad voor het Natuurbehoud gehoord, de nadere regels vast voor de erkenning van de bosgroep. De doelstellingen van de bosgroep dienen het volgende te omvatten: 1. 2.
het stimuleren van een duurzaam bosbeheer; het op elkaar afstemmen en coördineren van de beheersdoelstellingen en -maatregelen voor de bossen van de verschillende bosbeheerders; 3. de samenwerking inzake bosbeheerwerken verbeteren en het op elkaar afstemmen van deze werken; 4. de organisatie van de houtwinning, de verkoop van hout en het verkrijgen van alternatieve inkomsten verbeteren; 5. het recreatieve medegebruik verbeteren door de openstelling van de bossen op elkaar af te stemmen; 6. de organisatie van de bosarbeid verbeteren, met inbegrip van het welzijn op het werk en van werkgelegenheidsinitiatieven; 7. het op elkaar afstemmen, wat de bossen betreft, van de gebiedsgerichte terreinvisies uit andere beleidsdomeinen, zoals onder meer de jacht, het visbeheer, het natuurbehoud, de landschapszorg, de waterbeheersing en de waterwinning; 8. het stimuleren van de responsabilisering van de bosbeheerders; 9. het invullen en het verbeteren van de ecologische functie op het niveau van de bosgroep; 10. bij de functie-invulling van de betrokken bossen, rekening houden met de behoeften van de lokale gemeenschap en de bosgebruikers; 11. het nemen van bijzondere initiatieven die de toetreding van de bosbeheerders van kleine boseigendommen bevorderen; 12. in voorkomend geval, zich actief richten op de realisatie van de doelstellingen en maatregelen van het natuurrichtplan, conform de artikelen 48 en 50 van het decreet van 21 oktober 1997 inzake het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. Het beheer is daarvoor verantwoordelijk. § 2. De Vlaamse regering kan, na, advies van de Raad, volgens de voorwaarden en de normen die ze zelf bepaalt, binnen de beperkingen van de begrotingskredieten, aan de erkende bosgroep subsidies verlenen voor de ondersteuning van de algemene werking van de erkende bosgroep, zoals onder meer het stimuleren van een gemeenschappelijk beheer, de coördinatie van de beheerswerken, van de houtverkoop en van de bosarbeid, het op
12
elkaar afstemmen van de beheersplannen en van de toegankelijkheid van de bossen, alsook het bevorderen van de toetreding van de bosbeheerders tot de bosgroep, mits instemming van de eigenaar is verleend. § 3. De Vlaamse regering bepaalt tevens op welke wijze de evaluatie van de werking van elke erkende bosgroep zal gebeuren. Zo dient elke erkende bosgroep op de vastgelegde tijdstippen aan het Bosbeheer te rapporteren over de realisatie van de in § 1 vastgelegde doelstellingen. Het Bosbeheer evalueert de voorgelegde rapporten en voert de controle uit. Het Bosbeheer maakt hierover een evaluatieverslag op, waarin wordt aangegeven op welke wijze de erkende bosgroep haar functie vervult en beantwoordt aan de erkenningscriteria, die door de Vlaamse regering worden vastgelegd. Dit evaluatieverslag wordt samen met het werkverslag van de erkende bosgroep voor advies voorgelegd aan de Vlaamse Hoge Raad voor het Natuurbehoud en aan de Raad en na het bekomen van deze adviezen doorgezonden aan de Vlaamse regering. Op grond van dit evaluatieverslag en de adviezen van beide Hoge Raden, kan de Vlaamse regering overgaan tot het geven van aanbevelingen of in voorkomend geval het intrekken of opschorten van de erkenning. In het geval beheerders van natuurreservaten, die overeenkomstig het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijke milieu, werden aangewezen of erkend, deelnemen aan de werking van een erkende bosgroep, kunnen de percelen van de betrokken natuurreservaten, niet in rekening gebracht worden bij de evaluatie van de realisatie van de in § 1 opgelegde doelstelling 1. en 9. (ing. decr. 18 mei 1999, art. 37, I: 2 augustus 1999)] [Art. 41ter. § 1. Het Vlaamse Gewest wordt gemachtigd om bosgroepen mee op te richten die voldoen aan de in artikel 41bis vermelde doelstellingen en om toe te treden tot de erkende bosgroepen. § 2. De statuten van de bosgroepen waartoe het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, wil toetreden, worden vooraf goedgekeurd door de Vlaamse regering. Deze bosgroepen delen hun statuten mee aan het Vlaams Parlement. § 3. Alle [bosbeheerders] van een openbaar bos, andere dan de domeinbossen, worden gemachtigd om toe te treden tot een bosgroep om de doelstellingen van het bosbeleid zoals bepaald in dit decreet te verwezenlijken. (verv. decr. 22 april 2005, art. 10; I: 1 januari 2005) § 4. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels voor de wijze waarop de leden van het Bosbeheer, in afwijking van artikel 37, kunnen meewerken in erkende bosgroepen. (ing. decr. 18 mei 1999, art. 38, I: 2 augustus 1999)] [Art. 41quater. § 1. Het Bosbeheer houdt een inventaris bij van alle bossen gelegen in het Vlaamse Gewest. De inventaris heeft tot doel het bosbeleid te ondersteunen op het vlak van de bosbescherming, de bosuitbreiding en het bosbeheer. De bosinventaris bestaat uit statistische gegevens over de verspreiding en de aard van de bossen en heeft onder meer betrekking op de kwantitatieve en kwalitatieve aspecten van het natuurlijk milieu in de bossen. § 2. Voor alle bossen, openbare bossen en privé-bossen, wordt met een tussenperiode van ten minste vijf jaar en maximaal om de tien jaar, door het Bosbeheer een inventarisatie uitgevoerd op basis van steekproeftechnieken. Die wordt de gewestelijke bosinventaris genoemd. In afwijking van artikel 10, § 2, hebben alle personen die door het Bosbeheer worden aangesteld voor het uitvoeren van de gewestelijke bosinventaris, toegang tot alle bossen voor het uitvoeren van die opdracht. § 3. Elke bosbeheerder kan worden verplicht om met een tussenperiode van minimum vijf jaar een inventaris van zijn bossen op te maken. Het Bosbeheer kan toezicht uitoefenen op de inventaris, en desgevallend zijn medewerking verlenen of de inventaris ambtshalve uitvoeren. Bij ambtshalve uitvoering van de inventaris, kunnen de kosten volgens de voorwaarden door de Vlaamse regering vastgelegd, de Raad gehoord, van de bosbeheerder gevorderd worden. § 4. De Vlaamse regering bepaalt, de Raad gehoord, de nadere regels voor het opmaken, het bijhouden, het uitvoeren van de inventarissen overeenkomstig §§ 2 en 3 en voor het bekendmaken van de bij deze inventarissen verzamelde gegevens. Ze kan daarbij eveneens de wijze waarop andere administratieve overheden hun medewerking dienen te verlenen voor het verzamelen van de gegevens van de bosinventaris bepalen. (ing. decr. 18 mei 1999, art. 39, I: 2 augustus 1999)]
13
Art. 42. De Vlaamse regering bepaalt de procedure tot erkenning van uitgangsmateriaal voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal.
Afdeling 2 - Het beheersplan Art. 43. [§ 1. Voor alle domeinbossen wordt door het Bosbeheer een beheersplan opgesteld. [...] (geschr. decreet 22 april 2005, art. 11; I: 1 januari 2005) § 2. Voor alle andere openbare bossen wordt door de eigenaar een beheersplan opgesteld. Het Bosbeheer kan in de plaats treden van de eigenaars van een openbaar bos, indien zij geen beheersplan voorleggen binnen een termijn van zes maanden na de ingebrekestelling door het Bosbeheer. Het Bosbeheer kan daarvoor een beroep doen op derden. De kosten voor het opmaken van het beheersplan worden verhaald op de eigenaars van het openbare bos. § 3. Voor elk privé-bos van ten minste vijf hectare wordt door de bosbeheerder een beheersplan opgesteld. Voor bossen kleiner dan vijf hectare kan eveneens een beheersplan worden opgesteld. Het Bosbeheer kan in de plaats treden van de bosbeheerders, indien zij geen beheersplan indienen binnen een termijn van zes maanden na de ingebrekestelling door het Bosbeheer. Het Bosbeheer kan hiervoor beroep doen op derden. De kosten voor het opmaken van het beheersplan worden verhaald op de bosbeheerders. § 4. De Vlaamse regering, de Raad en de Vlaamse Hoge Raad voor Natuurbehoud gehoord, bepaalt de vorm, de inhoud, de termijn, het inzagerecht en de procedure voor de consultatie en voor de indiening en goedkeuring van een beheersplan en de beroepsprocedure. Ten behoeve van de beroepsprocedure wordt een comité van beroep ingesteld, dat is samengesteld uit een [voorzitter], twee ambtenaren en twee vertegenwoordigers van boseigenaars en hun vervangers. De leden worden benoemd door de Vlaamse regering. (verv. decreet 22 april 2005, art. 12; I: 1 januari 2005) De vertegenwoordigers van de boseigenaars worden, voor beroepen met betrekking tot privé-bossen, vertegenwoordigd door privé-boseigenaars, en voor beroepen met betrekking tot openbare bossen, vertegenwoordigd door openbare boseigenaars, voorgedragen door de Raad. Indien het voorgelegde beheersplan niet voldoet, geeft het Bosbeheer of, bij toepassing van de beroepsprocedure, het comité van beroep aan, welke onderdelen ervan moeten worden gewijzigd. Wanneer het gewijzigde beheersplan niet binnen een termijn van zes maanden na de afkeuring van het beheersplan door het Bosbeheer of bij toepassing van de beroepsprocedure door het comité van beroep aan het Bosbeheer wordt voorgelegd, kan het Bosbeheer in de plaats treden van de openbare eigenaar of van de bosbeheerder van een privé-bos om een beheersplan op te maken. Het Bosbeheer kan daarvoor een beroep doen op derden. De kosten voor het opmaken van het beheersplan worden verhaald op de openbare eigenaar of de bosbeheerder van het privé-bos. De Vlaamse regering bepaalt voor welke aanplantingen geen beheersplan moet worden opgesteld en/of welke kappingen niet aan een machtiging zijn onderworpen. § 5. Het beheersplan bindt de opeenvolgende bosbeheerders zolang geen gewijzigd beheersplan werd ingediend en goedgekeurd. Het wordt opgenomen in een register dat berust bij het Bosbeheer. Het beheersplan van een openbaar bos is een openbaar document en kan op verzoek kosteloos worden ingezien. § 6. Als een openbaar bos in het Vlaams Ecologisch Netwerk ligt, zoals bedoeld in het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, wordt het beheersplan voor advies voorgelegd aan de administratie bevoegd voor het natuurbehoud. Wanneer het advies niet binnen dertig dagen wordt uitgebracht, kan het beheersplan goedgekeurd worden. Na goedkeuring van het beheersplan wordt de administratie bevoegd voor het natuurbehoud periodiek ingelicht over de voorgenomen uitvoeringsmaatregelen van het plan. Het beheersplan dient de concrete beheersmaatregelen te bevatten, die nodig zijn om de doelstellingen in het kader van de ecologische functie van de bossen, zoals vastgelegd in artikel 18 van dit decreet, te verwezenlijken. (verv. decr. 18 mei 1999, art. 40, I: 2 augustus 1999)] Art. 44. § 1. Het Bosbeheer houdt toezicht op de correcte uitvoering van de voorschriften van het beheersplan.
14
§ 2. Behoudens dringende noodzakelijkheid kan enkel van het goedgekeurde beheersplan worden afgeweken mits de voorafgaandelijke machtiging van het Bosbeheer, op straffe van geldboete van zesentwintig tot honderd euro1. De dringende noodzakelijkheid en de motivering ervan, dienen onverwijld aan het Bosbeheer te worden medegedeeld op straffe van geldboete van zesentwintig tot honderd euro. Het Bosbeheer stelt binnen de dertig dagen na de mededeling een onderzoek op tegenspraak in en beslist binnen een termijn van zestig dagen. Bij overschrijding van de termijn van zestig dagen wordt het verzoek tot afwijking van het goedgekeurde beheersplan geacht te zijn ingewilligd. Art. 45. [§ 1. Onverminderd artikel 34, § 2, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, worden alle openbare bossen beheerd door het Bosbeheer. In de openbare bossen, andere dan de domeinbossen, omvat dat beheer enkel de technische aspecten van het bosbeheer, die de praktische uitvoering van het beheersplan betreffen. De Vlaamse regering bepaalt wat onder die technische aspecten moet worden verstaan. De eigenaar van een openbaar bos kan het volledige of gedeeltelijke beheer door een overeenkomst aan het Bosbeheer overdragen. § 2. Onverminderd de bepalingen van § 1, kan de eigenaar van een openbaar bos het uitvoeren van beheersmaatregelen, in uitvoering van een goedgekeurd beheersplan of wanneer ze gemachtigd zijn door het Bosbeheer, toevertrouwen aan een natuurvereniging. In afwijking van de bepalingen in § 1, kan de eigenaar van een openbaar bos het beheer aan een natuurvereniging overdragen ten behoeve van het beheer van het bos als bosreservaat of als natuurreservaat. De eigenaar zendt onverwijld een afschrift van de overeenkomst aan het Bosbeheer. De bedoelde bossen behouden het statuut van openbaar bos en het beheer wordt gevoerd overeenkomstig de bepalingen van dit decreet, tot op het ogenblik dat het bos wordt erkend als natuurreservaat overeenkomstig de procedure van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu en het beheersplan, dat overeenkomstig artikel 47 van dit decreet werd opgemaakt, wordt goedgekeurd. Vanaf dat ogenblik wordt het bos beheerd overeenkomstig de bepalingen in het beheersplan dat overeenkomstig artikel 47 van dit decreet werd opgemaakt en zijn voor de erin voorziene werken en beheersmaatregelen geen machtigingen van het Bosbeheer vereist. Wanneer binnen een periode van drie jaar na het afsluiten van de overeenkomst het bos niet als bosreservaat of als natuurreservaat wordt erkend, vervalt de overeenkomst tussen de openbare eigenaar en de natuurvereniging en wordt het beheer van de betrokken bossen opnieuw gevoerd overeenkomstig § 1 van dit artikel. § 3. Onroerende goederen die onder de toepassing van dit decreet vallen en die in uitvoering van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van wet, aangevuld door de wet van 11 augustus 1978 houdende bijzondere bepalingen eigen aan het Vlaamse Gewest, verworven werden, kunnen aan een ander openbaar bestuur overgedragen worden of het zakelijk recht op deze goederen kan hun toegekend worden, zonder machtiging in afwijking van artikel 90, eerste lid. § 4. De bossen die, overeenkomstig het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, door de Vlaamse regering werden aangewezen als Vlaams natuurreservaat, worden in overeenstemming met de bepalingen van artikel 34, § 2, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu beheerd. (verv. decr. 18 mei 1999, art. 41, I: 2 augustus 1999)] Art. 46. Binnen de perken van dit decreet voert elke [bosbeheerder (verv. decr. 18 mei 1999, art. 42, I: 2 augustus 1999)] het beheer van zijn bos overeenkomstig het beheersplan. [Voor de bossen gelegen in het Vlaams Ecologisch Netwerk, zoals bedoeld in het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, worden in de beheersplannen die goedgekeurd worden na de inwerkingtreding van voormeld decreet uitdrukkelijk de maatregelen vermeld die moeten worden genomen om de in artikel 18 van het bosdecreet van 13 juni 1990 bepaalde doelstellingen te realiseren en dient in overeenstemming te zijn met het natuurrichtplan conform de artikelen 48 en 50 van het decreet van 21 oktober 1997 inzake het natuurbehoud en natuurlijk milieu. De administratie bevoegd voor het natuurbehoud kan toezicht uitoefenen op het gevoerde beheer. (ing. decr. 21 oktober 1997, art. 67, I: 20 januari 1998)]
1
Voor strafmaat zie artikel 112bis
15
Dit beheer omvat onder meer de technische en administratieve aspecten van het beheer, de inventarisatie, de kapregeling, de uitvoering van onderhouds- en verbeteringswerken, de verkoop van de bosproducten, de bebossing, de herbebossing en de bewaking. Art. 47. [In afwijking van de artikelen 43 tot en met 46 wordt voor de bossen gelegen in natuurreservaten bedoeld in het decreet van 21 oktober 1997 betreffen-de het natuur-behoud en het natuurlijk milieu, één enkel beheersplan per natuurreservaat opgemaakt, het Bos-beheer gehoord, overeenkomstig dat decreet van 21 oktober 1997. De ambtenaar van de administratie be-voegd voor het na-tuurbehoud vraagt het advies van het Bos-beheer dat binnen de [zestig (verv. decr. 19 juli 2002, art. 49, I: 10 september 2002)] dagen wordt ver-strekt. Wanneer deze termijn is over-schreden hoeft geen rekening gehouden te worden met dit advies. (verv. decr. 21 oktober 1997, art. 68, I: 20 januari 1998)] [Een afschrift van het goedgekeurd beheersplan wordt aan het Bosbeheer overgezonden. (ing. decr. 18 mei 1999, art. 43, I: 2 augustus 1999)] In afwijking van artikel 42 van het decreet betreffen-de de ruimtelijke ordening, geco-rdineerd op 22 oktober 1996, is in natuur-reservaten, conform dit decreet, voor ont-bossing voorzien in het beheersplan, goed-gekeurd krachtens de wetgeving op het natuur-behoud, enkel een voorafgaande een-voudigde mel-ding aan de ambtenaar vereist. Van deze melding stelt de ambtenaar onver-wijld het college van bur-gemeester en sche-penen en de administratie Ruimte-lijke Or-den-ing in kennis. (verv. decr. 21 oktober 1997, art. 68, I: 20 januari 1998)]
HOOFDSTUK VI - Bijzondere bepalingen betreffende de openbare bossen AFDELING 1 - Algemeen
Art. 48. [... (opgeh. decr. 18 mei 1999, art. 44, I: 2 augustus 1999)] Art. 49. De Vlaamse regering bepaalt het aandeel van de eigenaars van openbaar bos in de beheers- en bewakingskosten. Art. 50. Met uitzondering van de kappingen bedoeld in artikel 55, § 2, punt 3 mag een kapping in andere dan domeinbossen die niet is opgenomen in het beheersplan slechts worden uitgevoerd en mag de verkoop of de exploitatie van het hout boven de door het beheersplan bepaalde gewone of bijkomende kappingen alleen plaatshebben met de machtiging van het Bosbeheer. Beroep tegen [de weigering van deze machtiging (verv. decr. 18 mei 1999, art. 45, I: 2 augustus 1999)] kan worden ingesteld bij de Vlaamse regering. Bij overtreding van het bepaalde in het eerste lid, is de verkoop nietig. De kopers hebben een recht van verhaal tegen diegenen die zonder toestemming van [het bosbeheer (verv. decr. 18 mei 1999, art. 45, I: 2 augustus 1999)], de kappingen bevolen of toegelaten hebben. Art. 51. In de openbare bossen mogen geen gebruiksrechten, van welke aard ook worden verleend, behoudens machtiging van de Vlaamse regering. Rechtshandelingen waarbij dergelijke rechten verleend worden zonder machtiging van de Vlaamse regering, zijn nietig. Art. 52. Het merk van de hamers waarvan de boswachters en de houtvesters gebruik maken voor het merken van delicthout en windworp enerzijds, en voor het hameren of merken van te sparen of te kappen hout anderzijds, wordt neergelegd bij de rechtbanken van het ambtsgebied. Het merk van de hamers, waarvan de boswachters voorzien zijn, wordt neergelegd op de griffies van de rechtbanken van eerste aanleg in het rechtsgebied waarin zij hun bediening uitoefenen. Het merk van de bijzondere hamer, waarvan de houtvester houder is, wordt neergelegd op de griffies van de rechtbanken van eerste aanleg en van de Hoven van Beroep van het ambtsgebied. Art. 53. De eigenaar beslist of het hout bestemd is voor eigen gebruik, dan wel of het openbaar verkocht wordt volgens de bepalingen vervat in artikel 55.
16
Afdeling 2 - Verkopingen Art. 54. De Vlaamse regering, de Raad gehoord, bepaalt de werkwijze en de voorwaarden die moeten gevolgd worden bij de openbare verkopingen van hout en van andere bosproducten [... (geschr. decr. 18 mei 1999, art. 46, I: 2 augustus 1999)] waarbij eigenaars van openbaar bos betrokken zijn. Art. 55. § 1. Het hout bestemd voor de verkoop wordt openbaar verkocht. Dag, uur en plaats worden tenminste veertien dagen tevoren aangekondigd [...(geschr. decr. 18 mei 1999, art. 47, I: 2 augustus 1999)] via publicatie in vakbladen en door andere gebruikelijke vormen van bekendmaking. Elke verkoop die niet aan de gestelde voorwaarden voldoet is nietig. § 2. De Vlaamse regering bepaalt bij besluit de voorwaarden waarin, in de hierna opgesomde gevallen, uitzonderlijk een verkoop uit de hand toegelaten is: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
voor de [loten (verv. decr. 18 mei 1999, art. 47, I: 2 augustus 1999)] waarvoor geen voldoende aanbod werd verkregen bij twee openbare verkopingen, die georganiseerd werden volgens de in § 1 hiervoor voorgeschreven procedure; voor de windworp in de reeds toegewezen kappen; deze windworp wordt in de eerste plaats aangeboden aan de kopers van de [loten; (verv. Decr. 18 mei 1999, art. 47, I: 2 augustus 1999) ] voor de bomen die dringend geëxploiteerd moeten worden om sanitaire of veiligheidsredenen; voor het delicthout; voor de bosproducten andere dan het hout; voor de [loten (verv. decr. 18 mei 1999, art. 47, I: 2 augustus 1999)] van gering belang.
De prijzen van de verkoop uit de hand in de [domeinbossen (verv. decr. 18 mei 1999, art. 47, I: 2 augustus 1999)] worden vastgesteld door de Vlaamse regering of haar afgevaardigde. [Voor de andere openbare bossen worden deze prijzen vastgesteld door de eigenaar, op voorstel van het Bosbeheer. (ing. decr. 18 mei 1999, art. 47, I: 2 augustus 1999)] [Zij (verv. decr. 18 mei 1999, art. 47, I: 2 augustus 1999)] die deze bepalingen overtreden worden veroordeeld tot een geldboete van driehonderd tot drieduizend euro1. [... (opgeh. decr. 18 mei 1999, art. 47, I: 2 augustus 1999)] Art. 56. [De openbare verkoping van hout en andere bosproducten uit de domeinbossen wordt georganiseerd en voorgezeten door het Bosbeheer. Op vraag van het openbaar bestuur of van een erkende bosgroep, overeenkomstig artikel 41ter, kan een afgevaardigde van het Bosbeheer als voorzitter optreden van de openbare verkoping van hout en andere bosproducten uit bossen van deze openbare boseigenaars of van bosbeheerders die lid zijn van deze erkende bosgroep. Op vraag van het Bosbeheer of van andere openbare boseigenaars, kan de medewerking van de erkende bosgroep ingeroepen worden voor de organisatie van de houtverkoping, wat het hout uit deze openbare bossen betreft. (ing. decr. 18 mei 1999, art. 48, I: 2 augustus 1999)] Alle in de loop van de openbare verkoping gerezen geschillen over de geldigheid van een op- of afbod of van de inschrijvingen, alsmede over de solvabiliteit van de kandidaat-koper en borgen worden onmiddellijk beslecht door de voorzitter van de openbare verkoping. Art. 57. Iedere koper moet, op het ogenblik van de koop, de in de verkoopsvoorwaarden voorgeschreven borgen en betalingsvoorwaarden stellen en woonplaats kiezen in een gemeente van het Vlaamse Gewest. [Met uitzondering van kopen van gering belang, waarvan het maximumbedrag door de Vlaamse regering wordt vastgesteld, stelt de koper vóór de sluiting van de zitting een betalingswaarborg die de gehele aankoopsom dekt, wat ook de betalingswijze is, om aan de financiële en contractuele verplichtingen te voldoen. (ing. decr. 18 mei 1999, art. 49, I: 2 augustus 1999)] De koper die aan de verplichting van borg, betalingswaarborg en woonplaats niet voldoet, verliest zijn recht op het gekochte; er wordt onmiddellijk tot een nieuwe verkoop overgegaan. De koper die aldus zijn recht heeft verloren, is verplicht het verschil te betalen tussen zijn prijs en de eventuele lagere prijs van het nieuwe bod; als de nieuwe prijs hoger is dan zijn prijs; kan hij het verschil niet opeisen. Bij gebreke aan gekozen woonplaats, worden alle akten op geldige wijze betekend aan de secretaris van de gemeente waar de verkoop plaats heeft.
1
Voor strafmaat zie artikel 112bis
17
Art. 58. Een eventuele commandsverklaring moet onmiddellijk na de toewijzing bekend worden gemaakt. Art. 59. In de bossen waarin onverdeelde rechten bestaan ontvangt iedere mede-eigenaar, na aftrek van de opmetings- en exploitatiekosten, zijn deel van de opbrengst van de verkopen. In dit geval komen de beheers- en bewakingskosten ten laste van alle mede-eigenaars in verhouding tot hun rechten. Art. 60. In geval van onverdeeldheid tussen de Staat, de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest en andere eigenaars van openbaar bos en indien er geen bijzondere overeenkomst bestaat, waarin bepaald wordt dat een afhouding op de opbrengst van de verkopen bestemd moet worden voor het Fonds voor Preventie en Sanering inzake milieu en natuur en aangewend voor beheer en onderhoud van de bossen, dient voor elke verdeling een afhouding te geschieden voor het beheer en het onderhoud van de bossen onder voorwaarden bepaald door de Vlaamse regering. Art. 61. [De verkopen in de openbare bossen, andere dan de domeinbossen, geschieden door de zorg van de eigenaar, in aanwezigheid van het Bosbeheer en met inachtneming van artikel 54. (verv. decr. 18 mei 1999, art. 50, I: 2 augustus 1999)] Afdeling 3 - Exploitatie Art. 62. De koper mag het kappen niet beginnen zonder een voorafgaandelijke schriftelijke kapvergunning van de houtvester op straffe van geldboete van honderd tot driehonderd euro. De Vlaamse regering bepaalt de vorm van de kapvergunning en de wijze waarop ze wordt afgeleverd. Art. 63. De koper moet alle te sparen bomen kunnen aanwijzen en is verplicht alle voorbehouden bomen, op welke manier ook aangewezen, onaangeroerd te laten op straffe van geldboete van honderd tot vijfhonderd euro1. Onverminderd de bepalingen van artikel 184 van het Strafwetboek mogen de kopers geen merken aanbrengen op voorbehouden bomen. Wederrechtelijk gekapte bomen kunnen door de koper niet gecompenseerd worden door voor kapping gemerkte bomen te laten staan. De waarde van de wederrechtelijke gekapte bomen dient vergoed te worden, alsmede de eventuele schade die hierdoor is ontstaan. Wanneer te sparen bomen gebroken of omgeworpen zijn, moet de koper ze ter plaatse laten liggen en onmiddellijk de boswachter waarschuwen op straffe van geldboete van honderd tot vijfhonderd euro. Het merkteken van de hamer op de stam of op de stronk aangebracht is het enige middel waarmee de koper de exploitatie van de bomen kan rechtvaardigen. Art. 64. De koper dient de nodige voorzorgen te nemen om de te sparen bomen en het bosbestand niet te beschadigen. Wanneer een gevelde boom is blijven hangen op een voorbehouden of te sparen boom, mag de koper de voorbehouden of te sparen boom alleen kappen mits machtiging van de houtvester en na vaststelling op tegenspraak van de schade die voortspruit uit de noodzakelijkheid om de voorbehouden of te sparen boom te vellen. Indien de schadeloosstelling in natura mogelijk is, kan men ter vervanging van de beschadigde bomen, gemerkte bomen van minstens gelijke waarde aanduiden, rekening houdend met de toekomstwaarde, of bomen van mindere waarde mits betaling van het verschil. Indien de koper niet akkoord gaat met deze vervanging schat men de waarde van de beschadigde bomen; daaraan wordt de schade aan het bestand toegevoegd. Indien de koper niet bewijst dat hij alle voorzorgen heeft genomen om beschadiging van de te sparen bomen te voorkomen, worden deze als delicthout beschouwd en overeenkomstig artikel 55 verkocht onverminderd de door de koper te betalen schadeloosstelling en in voorkomend geval, de krachtens de verkoopsvoorwaarden verschuldigde boeten.
1
Voor strafmaat zie artikel 112bis
18
Art. 65. De koper mag geen hout hakken of weghalen op zon- en feestdagen, noch voor de officiële zonsopgang of na de officiële zonsondergang op straffe van geldboete van vijftig euro. Alleen in bijzondere gevallen kan hem door de houtvester machtiging gegeven worden om hiervan af te wijken. Art. 66. Het is de koper op straffe van geldboete van zesentwintig tot driehonderd euro, verboden hout van zijn koop op stam te schillen of te ontschorsen, tenzij de verkoopsvoorwaarden dit uitdrukkelijk toestaan. Art. 67. Elke overtreding van de verkoopsvoorwaarden wordt gestraft met een geldboete van zesentwintig tot driehonderd euro. Art. 68. Ten behoeve van de exploitatie mag geen put of oven voor houtschool worden gemaakt; geen werkplaats of keet, woonwagen, caravan of tent worden geplaatst, behalve op de plaatsen aangewezen door de houtvester of zijn afgevaardigde, op straffe van geldboete van vijftig euro. Art. 69. Het is de koper en zijn arbeiders verboden elders vuur te maken dan op de in verkoopsvoorwaarden of door de boswachter toegelaten plaatsen, op straffe van geldboete van vijftig tot honderd euro. Art. 70. Het hout wordt vervoerd langs de wegen, die daarvoor gewoonlijk gebruikt worden of op de wijze, die door de houtvester of zijn gemachtigde wordt aangewezen. Overtreding van deze bepaling wordt gestraft met een geldboete van zesentwintig tot driehonderd euro. In geen geval mag de koper nieuwe doorgangen of wegen aanleggen. Art. 71. Alle voor kapping gemerkte bomen dienen gekapt en opgeruimd te worden binnen de door de verkoopsvoorwaarden gestelde termijn, op straffe van geldboete van zesentwintig tot driehonderd euro. Voor zover in de verkoopsvoorwaarden een afwijkingsmogelijkheid wordt voorzien, kan alleen om gemotiveerde redenen aan de kopers een verlenging van deze termijn worden toegestaan. Indien de kopers de door de verkoopsvoorwaarden opgelegde werkzaamheden niet verrichten binnen de gestelde termijn, komen de niet-gekapte en de nietopgeruimde bomen, onverminderd de schadevergoeding opnieuw toe aan de eigenaar. Art. 72. De kopers mogen in hun kavels alleen hout leggen dat daarvan afkomstig is, op straffe van geldboete van zesentwintig tot driehonderd euro1. Art. 73. De kopers en hun borgen zijn vanaf de uitreiking van de kapvergunning tot de schouwing aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door elk bosmisdrijf dat in hun kavels gepleegd wordt, tenzij zij binnen acht dagen na kennisname van het misdrijf hiervan aangifte doen aan de houtvester of de plaatselijke boswachter. Deze mededeling ontslaat de koper geenszins van zijn aansprakelijkheid, tenzij hij de schuldige kan aanwijzen of bij ontstentenis daarvan kan bewijzen dat hij voldoende pogingen heeft gedaan om de schuldige te ontdekken. Art. 74. De kopers en hun borgen zijn burgerlijk aansprakelijk voor de schadevergoedingen en teruggaven voor bosmisdrijven die in de kavel gepleegd zijn door de houthakkers, vervoerders en alle personen die voor rekening van de kopers werken. Art. 75. De kopers en hun borgen zijn vanaf de uitreiking van de kapvergunning tot de schouwing aansprakelijk voor de bomen die gekapt of beschadigd worden op minder dan honderd meter van de grenzen van de [kavel. (verv. decr. 18 mei 1999, art. 51, I: 2 augustus 1999)] Zij betalen als teruggave een som die gelijk is aan tweemaal de waarde van die bomen en van de aangerichte schade. Wanneer een koper geen mededeling doet aan de houtvester of de boswachter binnen acht dagen na de datum van kennisneming van het misdrijf, wordt dat als bedrog beschouwd. De houtvester of de boswachter die voor deze feiten machtiging heeft verleend of ze heeft geduld, wordt gestraft met een geldboete van zesentwintig tot driehonderd euro, ongeacht de strengere straffen die in het Strafwetboek bepaald zijn. 1
Voor strafmaat zie artikel 112bis
19
Afdeling 4 - Schouwing en controle Art. 76. Na de volledige kapping van de gemerkte bomen in een [kavel (verv. decr. 18 mei 1999, art. 52, I: 2 augustus 1999)] en voor het begin van de ruiming van het hout, kan het Bosbeheer schouwing doen ter controle. Elke kap wordt door het Bosbeheer geschouwd binnen twee maanden te rekenen van de dag waarop de termijn voor de opruiming verstreken is. [... (opgeh. decr. 18 mei 1999, art. 52, I: 2 augustus 1999)] Indien het Bosbeheer geen schouwing gedaan heeft binnen [deze twee maanden (verv. decr. 18 mei 1999, art. 52, I: 2 augustus 1999)] na de betekening van de ingebrekestelling, is de koper bevrijd. Art. 77. Van de dag en het uur van de schouwing wordt aan de koper kennis gegeven bij een akte, die ten minste tien dagen tevoren aan de gekozen woonplaats betekend wordt. Indien hij niet verschijnt en de houtvester misdrijven vaststelt, wordt een tweede schouwing gehouden, waartoe hij wordt opgeroepen bij een akte, die hem tien dagen tevoren op zijn kosten betekend wordt aan de gekozen woonplaats en die dag en uur van de nieuwe schouwing vermeldt. Indien hij niet verschijnt wordt het proces-verbaal van de tweede schouwing geacht op tegenspraak te zijn opgemaakt. Indien er geen wetsovertreding vastgesteld wordt, ontslaat het Bosbeheer de koper ten aanzien van de exploitatie. Wordt dit ontslag niet verleend binnen een maand na het proces-verbaal, dan is de koper van rechtswege bevrijd. Art. 78. De aannemers van de exploitatie dienen zich ten aanzien van de exploitatie, het werk en het opruimen van de kapping te gedragen naar hetgeen voor de kopers is voorgeschreven in de artikel 62 tot en met 77. In geval van misdrijven zijn zij met de koper hoofdelijk aansprakelijk. Art. 79. [Niemand kan zonder voorafgaande, schriftelijke erkenning beroepsmatig als koper of exploitant optreden in de openbare bossen. De Vlaamse regering stelt de voorwaarden en de procedure van de erkenning, na de Raad gehoord te hebben, vast. De bepalingen van dit artikel zijn ook van toepassing op natuurlijke personen of rechtspersonen van wie de zetel of de domicilie in het buitenland is gevestigd, ongeacht de nationaliteit en de verblijfplaats van het tewerkgestelde personeel. (verv. decr. 18 mei 1999, art. 53, I: 2 augustus 1999)]
HOOFDSTUK VII - Bijzondere bepalingen betreffende de privé-bossen
Art. 80. [... (opgeh. decr. 18 mei 1999, art. 54, I: 2 augustus 1999)] Art. 81. Kappingen voorzien in een goedgekeurd beheersplan mogen onmiddellijk worden uitgevoerd en zijn niet meldingsplichtig. [Indien onverwijld moet worden overgegaan tot kapping om veiligheidsredenen moet de kapping en de motivering ervan ten laatste 24 uur na het aanvangen van de kapping schriftelijk worden medegedeeld aan het Bosbeheer, op straffe van geldboete van zesentwintig tot honderd euro1. Indien dringend moet worden overgegaan tot kapping om sanitaire redenen, moet de kapping en de motivering ervan minstens veertien dagen voor het aanvangen van de kapping aan het Bosbeheer schriftelijk worden meegedeeld. (verv. decr. 18 mei 1999, art. 55, I: 2 augustus 1999)] [Binnen een termijn van zes maanden na het uitvoeren van de voormelde kappingen dient de bosbeheerder een voorstel van herstelmaatregelen, gaande van de herbebossing van de gekapte of beschadigde percelen tot een gelijkwaardige oppervlakte, met inbegrip van spontane herbebossing, ter goedkeuring aan het Bosbeheer voor te leggen. Wanneer de bosbeheerder geen herstelmaatregelen voorlegt binnen die termijn of wanneer hij in gebreke blijft om de goedgekeurde herstelmaatregelen uit te voeren binnen een termijn van één jaar na de goedkeuring van het al dan niet gewijzigde voorstel of wanneer binnen deze termijn de spontane herbebossing geen of onvoldoende resultaten opgeleverd heeft, kan het Bosbeheer de werken op kosten van de bosbeheerders laten uitvoeren. De kos1
Voor strafmaat zie artikel 112bis
20
ten worden verhaald door toezending via een aangetekende zending van de kostenstaat aan de bosbeheerder. (ing. decr. 18 mei 1999, art. 55, I: 2 augustus 1999)] Op straffe van geldboete van zesentwintig tot honderd euro moet voor alle andere kappingen een machtiging worden gevraagd aan het Bosbeheer. Het Bosbeheer beslist binnen de zestig dagen na de datum van indiening van het verzoek of de kapping kan worden uitgevoerd, waarvan onverwijld mededeling wordt gegeven aan de betrokken gemeentebesturen. Na verloop van deze termijn wordt het verzoek geacht te zijn ingewilligd. Art. 82. De voorschriften van dit decreet heffen de ermede strijdige bepalingen van de gemeentelijk en provinciale verordeningen van rechtswege op. De besluiten van de gemeenteraad en de provincieraad tot aanneming of wijziging van de gemeentelijke en provinciale verordeningen, voor zover zij betrekking hebben op aangelegenheden die in dit decreet of haar uitvoeringsbesluiten worden geregeld, worden aan het advies van het Bosbeheer en aan de goedkeuring van de Vlaamse regering onderworpen. Art. 83. Het Bosbeheer kan toezicht uitoefenen op het merken, het kappen en de aflevering van de gevelde bomen, de werkzaamheden tot verjonging, de herbebossing en bebossing. Art. 84. [De bosbeheerder van privé-bossen kan een beroep doen op het Bosbeheer om hem advies te verlenen. Onder de voorwaarden die door de Vlaamse regering worden bepaald, kan desgevallend een kostendekkende vergoeding worden gevraagd. (verv. decr. 18 mei 1999, art. 56, I: 2 augustus 1999)] Art. 85. In geval van vrijwillige samenvoeging van het beheer van twee of meer boseigendommen met een totale inbreng van meer dan vijf hectare, [... (geschr. decr. 18 mei 1999, art. 57, I: 2 augustus 1999)], kunnen voor dit gegroepeerd beheer regelingen inzake bewaking en subsidiëring met uitzondering van aankoopsubsidies door de Vlaamse regering worden toegestaan. Voor dergelijke groepering van beheer kan een toelage bekomen worden op voorwaarde dat een enkel beheersplan wordt opgemaakt en goedgekeurd overeenkomstig artikel 43. De Vlaamse regering bepaalt ook de voorwaarden en de normen van deze tegemoetkomingen binnen de perken van de begrotingskredieten.
Art. 86. [... (opgeh. decr. 18 mei 1999, art. 58, I: 2 augustus 1999)] Art. 87. Voor elke beplanting met houtachtige gewassen van minstens een halve hectare volgens een plan, goedgekeurd door het Bosbeheer, kunnen door de Vlaamse regering subsidies verleend worden. De Vlaamse regering bepaalt de nadere voorwaarden en de wijze van toekenning voor genoemde subsidies, binnen de perken van de begrotingskredieten. Indien de voorwaarden, die aan de subsidies verbonden werden, niet werden nageleefd, kan de subsidie teruggevorderd worden en toegewezen aan het [Fonds voor Preventie en Sanering inzake Leefmilieu en Natuur dat is ingeschreven in de begroting van het Vlaamse Gewest (verv. decr. 23 januari 1991, art.6, I:1 januari 1991)] overeenkomstig de bepalingen van artikel 13. Voor de beplanting met houtachtige gewassen van gronden gelegen in agrarisch gebied is, behalve de in artikel 35bis, § 5 van het Veldwetboek vereiste vergunning van het College van Burgemeester en Schepenen, ook het eensluidend advies van de landbouwkundige ingenieur van de Dienst Landbouw en de ambtenaar vereist, op straffe van geldboete van zesentwintig tot honderd euro1; onverminderd de toepassing van de bepalingen van artikel 36bis van het Veldwetboek. Voor de rooiing binnen een termijn van 12 jaar na de aanplanting of de laatste exploitatie van de in het vorig lid bedoelde houtachtige gewassen of spontane bebossing, is in afwijking van [artikel 42 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, (verv. B.V.R. 22 oktober 1996, art. 7, I: 25 maart 1997)] enkel een voorafgaande eenvoudige melding van de rooiing aan de landbouwkundig ingenieur van de Dienst Landbouw en de ambtenaar vereist. Van deze melding stelt de ambtenaar onverwijld het College van Burgemeester en Schepenen en het Bestuur van Ruimtelijke Ordening in kennis. De hiervoor bedoelde termijn kan door de Vlaamse regering worden aangepast. 1
Voor strafmaat zie artikel 112bis
21
(De termijn binnen dewelke tot rooiing mag overgegaan worden na voorafgaande eenvoudige melding, wordt verlengd tot 22 jaar. De termijn na de laatste exploitatie binnen dewelke tot rooiing mag overgegaan worden na voorafgaande eenvoudige melding, wordt ingekort tot 3 jaar. Zie: B.V.R. 26 juni 1996, B.S., 27 september 1996) [Voor de bebossing van gronden gelegen in de natuurgebieden, de natuurgebieden met wetenschappelijke waarde, de valleigebieden, de brongebieden, de agrarische gebieden met ecologisch belang en de agrarische gebieden met bijzondere waarde, de natuurontwikkelingsgebieden, het Vlaams Ecologisch Netwerk, de gebieden aangewezen ter uitvoering van de richtlijn 79/409/EEG inzake het behoud van de vogelstand, de gebieden aangewezen in uitvoering van de richtlijn 92/43/EEG inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna en de gebieden aangewezen krachtens de Overeenkomst inzake watergebieden die van internationale betekenis zijn, opgemaakt te Ramsar op 2 februari 1971, dient het voorafgaand advies van de Administratie bevoegd voor het Natuurbehoud te worden ingewonnen. De afstandsregel bepaald in artikel 35bis, § 5 van het Veldwetboek is onverminderd van toepassing. De Vlaamse regering bepaalt criteria voor ecologisch verantwoorde bebossing en bosuitbreiding. (verv. decr. 21 oktober 1997, art. 71, I: 20 januari 1998)] Art. 88. Op basis van de goedgekeurde langetermijnplanning zoals bepaald in artikel 6 kan de Vlaamse regering subsidiëringstelsels instellen volgens de voorwaarden en de normen door haar te bepalen, binnen de perken van de begrotingskredieten. Art. 89. [...] (opgeh. decr. 18 mei 1999, art. 58, I: 2 augustus 1999)
HOOFDSTUK VIII - De bosbescherming Art. 90. [... ]( opgeh. decr. 24 december 2004, art. 12, I: 1 januari 2005) [...]. (opgeh. decr. 24 december 2004, art. 12, I: 1 januari 2005) Openbare onroerende goederen, die onder de toepassing van het decreet vallen, kunnen niet vervreemd worden zonder machtiging van de Vlaamse regering. [De Vlaamse Regering kan in een algemeen besluit de samenstelling van het aanvraagdossier, de behandelingstermijn, de procedure en de mogelijk op te leggen voorwaarden regelen.] (ing. Decreet 22 april 2005, art. 13; I: 1 januari 2005) In alle bossen kunnen werkzaamheden, die wijzigingen van de fysische toestand voor gevolg hebben, slechts worden uitgevoerd na machtiging van het Bosbeheer. De Vlaamse regering kan in een algemeen besluit de uitvoering van deze werkzaamheden, handelingen of wijzigingen van de fysische toestand regelen alsook de wijzigingen van de fysische toestand bepalen die door hun geringe omvang vrijgesteld worden van een machtiging. Beroep tegen de beslissingen van het Bosbeheer kan worden ingesteld overeenkomstig artikel 43. [... ](opgeh. decr. 18 mei 1999, art. 59, I: 2 augustus 1999)
[Art. 90bis. (ing. decr. 21 oktober 1997)] [§1. Een stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing kan niet worden verleend tenzij in de hierna vermeld gevallen: 1° 2° 3° 4°
ontbossing met het oog op werken van algemeen belang bedoeld in artikel 103 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening; ontbossing in zones met de bestemmingen woongebied of industriegebied in de ruime zin; ontbossing in zones die volgens de geldende plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen gelijk te stellen zijn met de bestemmingen woongebied of industriegebied in de ruime zin; ontbossing van de uitvoerbare delen in een niet-vervallen vergunde verkaveling.
De stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing wordt verleend na voorafgaand advies van het Bosbeheer. Het advies wordt verleend op verzoek van de vergunningverlenende overheid. Als het advies niet wordt verleend binnen dertig dagen, wordt het geacht gunstig te zijn.
22
Voor andere ontbossingen dan deze genoemd in het eerste lid, kan de Vlaamse regering, op individueel en op gemotiveerd verzoek van diegene die in aanmerking wenst te komen voor een vergunning tot ontbossen, de ontheffing toestaan van het verbod tot het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning tot ontbossen, met inachtneming van de wetgeving op de ruimtelijke ordening en na advies van het Bosbeheer. De Vlaamse regering bepaalt nadere regelen inzake de ontheffing van dit verbod. §2. Met het oog op het behoud van een gelijkwaardig bosareaal, 1° 2°
wordt door de houder van de stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing compensatie gegeven voor de in §1 bedoelde ontbossing; wordt door de houder van de verkavelingsvergunning compensatie gegeven voor de beboste delen van de verkaveling waarvoor de verkavelingsvergunning wordt aangevraagd na de inwerkingtreding van dit decreet.
§3. Voor de in §2,2°, bedoelde verkaveling wordt compensatie gegeven voor de gezamenlijke oppervlakte, voor zover die bebost is, van de kavels en van de in de aanvraag vermelde of als last aan de verkavelaar opgelegde werken, met uitzondering van de oppervlakte van de in de aanvraag vermelde of als last aan de verkavelaar opgelegde groene ruimten. De aanvrager van de verkavelingsvergunning kan zowel openbare als niet-openbare beboste groene ruimten aanduiden. De verkaveling wordt vergund na voorafgaand advies van het Bosbeheer, dat wordt verleend volgens de bepalingen van §1, tweede lid. De stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing van een grond in een in §2,2°, bedoelde verkaveling is slechts onderworpen aan het in §1, tweede lid, bedoelde advies en aan de compensatie voor zover deze stedenbouwkundige vergunning de ontbossing betreft van de in het eerste lid bedoelde groene ruimten. §4. De compensatie wordt gegeven op één van de volgende wijzen: 1° in natura; [2° door storting van een bosbehoudsbijdrage]; ( Decreet van 21 december 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2002, art. 16) 3° door een combinatie van 1° en 2°. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels inzake de wijze en de omvang van de compensatie, waarbij differentiatie mogelijk is. De integrale compensatie in natura betreft ten minste een gelijke oppervlakte. De Vlaamse regering bepaalt de gebieden die in aanmerking komen voor compensatie in natura. §5. De aanvrager van de stedenbouwkundige vergunning tot ontbossen of van de in §2,2°, bedoelde verkavelingsvergunning stelt de compensatie voor overeenkomstig de eisen van het §4, tweede lid, bedoelde besluit en dient het voorstel in bij de vergunningverlenende overheid, die het ter goedkeuring voorlegt aan het Bosbeheer. Indien het voorstel niet voldoet aan de eisen van het in §4, tweede lid, bedoelde besluit of wanneer het voorstel om bosbouwkundige redenen niet aanvaardbaar is, past het Bosbeheer het voorstel aan de eisen van dat besluit of, wanneer het een compensatie in natura betreft aan de eisen van wat bosbouwkundig aanvaardbaar is. Het goedgekeurde of aangepaste voorstel geldt als voorwaarde bij de in §2,1° of 2°, bedoelde vergunning. De in §2,2°, bedoelde verkavelingsvergunning laat slechts vervreemding van een kavel toe nadat volledige compensatie werd gegeven. §6. De vergunningverlenende overheid bezorgt een afschrift van haar beslissing inzake de aanvraag tot de in §2,1° en 2°, bedoelde vergunning aan het Bosbeheer. §7. De in §2 bedoelde compensatieplicht geldt niet voor gronden die spontaan bebost zijn na het in werking treden van dit decreet, voor zover deze spontane bebossing de leeftijd van tweeëntwintig jaar niet heeft bereikt. Om sociale redenen worden uitzonderingen op de in §2 bedoelde compensatieplicht toegestaan in functie van de woningbouw in zones met de bestemming woongebied in de ruime in of zones die volgens de geldende plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen gelijk te stellen zijn met de bestemming woongebied. De Vlaamse regering bepaalt de voorwaarden waaronder deze uitzonderingen wordt verleend. Werken van algemeen belang worden, ongeacht de bestemming, altijd gecompenseerd. (verv. decr.17 juli 2000, art. 2, I:23 maart 2001)] Art. 91. [Voor onroerende goederen waarop dit decreet van toepassing is, neemt de instrumenterende ambtenaar, op straffe van nietigheid, in de akten betreffende de overdracht van elk zakelijk recht of bij de verdeling van het onroerend goed, een verklaring op erewoord op van de overdrager dat de verwerver vóór het sluiten van de
23
overeenkomst op de hoogte werd gebracht van alle verplichtingen op grond van artikelen 13, 16, 22 tot en met 25, 43, 81, 85, 87, 88, 90bis., 105 en 107 van dit decreet en zijn respectievelijke uitvoeringsbesluiten. De instrumenterende ambtenaar neemt, naast die verklaring, ook de inhoud van deze verplichtingen in de akte op. De verwerver van de zakelijke rechten kan over die verplichtingen informatie inwinnen bij de provinciale dienst van het Bosbeheer van de provincie waarin het onroerend goed gelegen is. Uiterlijk 60 dagen na de datum van de ondertekening van de in het eerste lid bedoelde akte, zendt de instrumenterende ambtenaar, op straffe van nietigheid, een kopie over aan het Bosbeheer. De verwerver van de zakelijke rechten en het Bosbeheer kunnen de nietigheid van de overdracht of de verdeling van het onroerend goed, die plaatsvond in strijd met de bepalingen van dit artikel, vorderen. (verv. decr. 18 mei 1999, art. 60, I: 2 augustus 1999)] Art. 92. Voor de toepassing van dit decreet kan de Vlaamse regering onroerende goederen onteigenen voor het verwerven van enclaves, voor het realiseren van aaneengesloten boscomplexen en voor het verwerven van bossen die in hun voortbestaan worden bedreigd, voor bosreservaten of voor bossen met een [milieubeschermende functie (verv. decr. 18 mei 1999, art. 61, I: 2 augustus 1999)], zoals bepaald in artikel 16. Art. 93. De uitvoering van de kaalslag is alleen toegelaten wanneer deze werd opgenomen in het goedgekeurd beheersplan of werd toegestaan met toepassing van artikel 50 wat het openbaar bos betreft en van de artikelen 44, § 2 en 81 wat het privé-bos betreft, op straffe van geldboete van vijftig tot tweehonderd euro1. Art. 94. Als kaalslag wordt niet beschouwd elke noodgedwongen kapping tot opruiming voortvloeiend uit gehele of gedeeltelijke bestandsvernietiging ingevolge bosbrand, ziekte, storm of andere externe factoren die door het Bosbeheer worden vastgesteld. Art. 95. Onrechtmatige toe-eigening van openbare bossen of gedeelten ervan is verboden op straffe van gevangenisstraf van acht dagen tot vijftien dagen en met een geldboete van zesentwintig tot duizend euro2 of met een van deze straffen alleen, onverminderd teruggave, schadevergoeding of herstel indien daartoe aanleiding bestaat. [Diegene die onrechtmatige kappingen uitvoert of daartoe opdracht heeft gegeven (verv. decr. 18 mei 1999, art. 62, I: 2 augustus 1999)] wordt gestraft met een geldboete van zesentwintig tot duizend euro, onverminderd teruggave, schadevergoeding of herstel indien daartoe aanleiding bestaat. [Bij elke onrechtmatig uitgevoerde kapping, hetzij een ontbossing, hetzij een afwijking van het goedgekeurde beheersplan, hetzij een kaalslag, hetzij andere onrechtmatige handelingen die schade veroorzaken aan de bossen, beveelt de rechtbank, op vordering van de Vlaamse regering of van de bevoegde ambtenaar of aangestelde, maatregelen tot herstel gaande tot herbebossing van de ontboste, kaalgekapte of beschadigde percelen of van een soortgelijke oppervlakte inhouden volgens een door het Bosbeheer goedgekeurd ontwerp. (verv. decr. 18 mei 1999, art. 62, I: 2 augustus 1999)] Blijven de overtreders in gebreke de maatregelen tot herstel uit te voeren binnen de termijn van een jaar te rekenen van de aanmaning die het Bosbeheer krachtens het vonnis heeft gedaan, dan voorziet het Bosbeheer daarin op hun kosten. Deze kosten worden verhaald door eenvoudige toezending van de kostenstaat aan de overtreders. Art. 96. [Behoudens machtiging van het Bosbeheer of in de gevallen en onder de voorwaarden voorzien in een goedgekeurd beheersplan, zijn ingrijpende wijzigingen en beschadigingen van de bodem, de strooisel-, kruid-, of boomlaag verboden, op straffe van geldboete van tweehonderd tot duizend euro, onverminderd schadevergoeding of herstel volgens de procedure bepaald in artikel 95, indien daartoe aanleiding bestaat. (verv. decr. 18 mei 1999, art. 63, I: 2 augustus 1999)]
1 2
Voor strafmaat zie artikel 112bis Voor strafmaat zie artikel 112bis
24
Art. 97. § 1. Onverminderd [de verbodsbepalingen in wetten, decreten en reglementen (verv. decr. 18 mei 1999, art. 64, I: 2 augustus 1999)] is het, zonder toestemming van de eigenaar en machtiging van het Bosbeheer, in alle openbare bossen en voor wat de bosreservaten betreft, de commissie gehoord, verboden: 1. 2.
het strooisel te verwijderen; het dode hout, op de grond liggend of nog aan de stam bevestigd, te verwijderen tenzij het behoort tot een partij verkochte bomen; 3. knoppen, scheuten, twijgen, bloeiwijzen, kegels, vruchten, zaden te verzamelen en te verwijderen; 4. bomen op te snoeien, behoudens wanneer deze maatregel werd opgenomen in het goedgekeurd beheersplan; 5. keten, loodsen en alle andere constructies en verblijfsgelegenheden op te richten, en tenten en woonwagens, al dan niet op wielen, te plaatsen, met uitzondering van die welke vereist zijn voor het beheer en de bewaking van de bossen en voor de veiligheid en het welzijn van de personen die op rechtmatige wijze in het bos aanwezig zijn; 6. reclame aan de bomen te bevestigen, reclameborden te plaatsen en onverschillig welk ander middel van commerciële reclame te gebruiken; 7. de rust in het bos en van de bezoekers op welke wijze ook te verstoren; 8. resten, vuilnis en afval, van welke aard ook, achter te laten buiten de daartoe ter beschikking gestelde verzamelplaatsen, met uitzondering van houtafval en boomschors die achterblijven na een toegestane exploitatie; 9. [dieren te houden binnen omheiningen; (verv. decr. 18 mei 1999, art. 64, I: 2 augustus 1999)] 10. bomen te beschadigen, planten weg te nemen, uit te rukken of af te snijden; 11. onverschillig welk voorwerp dat tot de uitrusting van het bos behoort te vernielen, te beschadigen, te verplaatsen en te misbruiken; 12. prikkeldraad aan te brengen en/of in stand te houden in en om de bossen, tenzij anders voorzien in het beheersplan. § 2. Onverminderd [de verbodsbepalingen opgenomen in wetten, decreten en reglementen (verv. decr. 18 mei 1999, art. 64, I: 2 augustus 1999)] is het, zonder toestemming van de [bosbeheerder (verv. decr. 18 mei 1999, art. 64, I: 2 augustus 1999)] en machtiging van het Bosbeheer, in alle privé-bossen verboden: 1.
2. 3. 4. 5. 6. 7. [8. 9.
keten, loodsen en alle andere constructies en verblijfsgelegenheden op te richten, en tenten en woonwagens, al dan niet op wielen, te plaatsen, met uitzondering van die welke vereist zijn voor het beheer en de bewaking van de bossen en voor de veiligheid en het welzijn van de personen die op rechtmatige wijze in het bos aanwezig zijn; reclame aan de bomen te bevestigen, reclameborden te plaatsen en onverschillig welk ander middel van commerciële reclame te gebruiken; de rust in het bos en van de bezoekers op welke wijze ook te verstoren; resten, vuilnis en afval, van welke aard ook, achter te laten buiten de daartoe ter beschikking gestelde verzamelplaatsen, met uitzondering van houtafval en boomschors die achterblijven na een toegestane exploitatie; bomen te beschadigen, planten weg te nemen, uit te rukken of af te snijden, tenzij als beheersmaatregel; onverschillig welk voorwerp dat tot de uitrusting van het bos behoort te vernielen, te beschadigen, te verplaatsen en te misbruiken; prikkeldraad aan te brengen en/of in stand te houden in en om de bossen, tenzij anders voorzien in het beheersplan. het strooisel te verwijderen; dieren te houden binnen omheiningen, met uitzondering van vee in bestaande graasweiden met aanplantingen van bomen op grote plantafstand. Omvorming van bestaande bossen tot graasweide, wordt gelijkgesteld met ontbossing. (ing. decr. 18 mei 1999, art. 64, I: 2 augustus 1999)]
§ 3. [... (opgeh. decr. 18 mei 1999, art. 64, I: 2 augustus 1999)] § 4. [... (opgeh. decr. 18 mei 1999, art. 64, I: 2 augustus 1999)] § 5. Overtredingen van dit artikel worden gestraft met een geldboete van zesentwintig tot driehonderd euro1.
Art. 98. [... (opgeh. decr. 18 mei 1999, art. 65, I: 2 augustus 1999)] Art. 99. Op straffe van geldboete van vijftig tot driehonderd euro is het in alle bossen en binnen een afstand van honderd meter tot de bossen verboden [vuur te maken in de open lucht (verv. decr. 18 mei 1999, art. 66, I: 2 1
Voor strafmaat zie artikel 112bis
25
augustus 1999)] om welk motief dan ook, behoudens [in uitvoering van een goedgekeurd beheersplan of behoudens een (ing. decr. 18 mei 1999, art. 66, I: 2 augustus 1999)] machtiging door het Bosbeheer [en (verv. decr. 18 mei 1999, art. 66, I: 2 augustus 1999)] met uitzondering van wettelijk verplichte verbrandingen. Art. 100. Elke [bosbeheerder (verv. decr. 18 mei 1999, art. 67, I: 2 augustus 1999)] dient maatregelen te treffen om bosbranden te voorkomen en om uitbreiding ervan te beperken. Deze maatregelen moeten in het beheersplan vermeld worden. Art. 101. Alle bosgebruikers en bosbezoekers dienen hulp te verlenen in geval van bosbrand. Art. 102. Bij bosbrand of bij acute dreiging van bosbrand in het privé-bos mag de [bosbeheerder (verv. decr. 18 mei 1999, art. 67, I: 2 augustus 1999)], op eigen verantwoordelijkheid, een tegenvuur aanleggen maar uitsluitend op zijn eigendom. Bij bosbrand of bij acute dreiging van bosbrand in het openbaar bos mag een tegenvuur alleen aangelegd worden mits machtiging van de houtvester of zijn afgevaardigde en dit uitsluitend op het terrein van het openbaar bos, waarvoor de machtiging wordt gevraagd. Aanleg van tegenvuur onder de wettelijke voorwaarden en de opruiming die er naderhand op kan volgen, worden niet beschouwd als kaalslag en evenmin als een onrechtmatige afwijking van de bepalingen van het goedgekeurd beheersplan. Art. 103. Elke kapping die moet uitgevoerd worden om te voldoen aan de bescherming van de bossen tegen brand wordt beschouwd als een noodgedwongen kapping tot opruiming en kan in geen geval aangezien worden als een ongeoorloofde kaalslag, een afwijking van het goedgekeurd beheersplan of een afwijking van het vastgestelde kapquantum. Art. 104. Alle brandwegen dienen regelmatig en tenminste om de twee jaar te worden vrijgemaakt van bedekking met afgestorven vegetatie en dode plantenresten, op straffe van een geldboete van vijftig tot tweehonderd euro1. Wanneer zulks niet is gebeurd kan het Bosbeheer de [bosbeheerder (verv. decr. 18 mei 1999, art. 67, I: 2 augustus 1999)] aanmanen om binnen een periode van een maand, te rekenen vanaf de datum van de waarschuwing, tot de zuiveringswerkzaamheden over te gaan, zonder dat de voorgeschreven termijn aanleiding kan geven tot ontslag van aansprakelijkheid in het geval van brand. Wanneer na verloop van deze periode van een maand de [bosbeheerder (verv. decr. 18 mei 1999, art. 67, I: 2 augustus 1999)] nog steeds in gebreke is gebleven, kunnen de nodige werkzaamheden te zijnen laste uitgevoerd worden door tussenkomst van het Bosbeheer. [Het niet laten uitvoeren van deze werken door tussenkomst van het Bosbeheer ontslaat de bosbeheerder niet van aansprakelijkheid in geval van brand. (ing. decr. 18 mei 1999, art. 68, I: 2 augustus 1999)] Deze kosten worden verhaald door eenvoudige toezending van de kostenstaat. Art. 105. Het Bosbeheer kan de gebieden aanwijzen die bijzonder door brand worden bedreigd, alsmede de periode gedurende welke in deze gebieden met direct brandgevaar rekening gehouden moet worden. De Vlaamse regering kan tevens bepalen welke maatregelen moeten worden getroffen om de bewaking en de bescherming van de bedreigde bossen te waarborgen en op welke manier de uitgaven, hiertoe vereist, tussen de betrokken [bosbeheerder (verv. decr. 18 mei 1999, art. 67, I: 2 augustus 1999)] zullen worden verdeeld. Het Bosbeheer kan de [bosbeheerder (verv. decr. 18 mei 1999, art. 67, I: 2 augustus 1999)] de verplichting opleggen het publiek in kennis te stellen van het brandgevaar en de wijze waarop deze voorlichting dient te geschieden. Art. 106. Alle bossen, gelegen in een gebied dat als bedreigd wordt beschouwd, overeenkomstig de bepalingen van artikel 105, kunnen voor de duur van de gevaarperiode, onmiddellijk ontoegankelijk worden verklaard door de [bosbeheerder (verv. decr. 18 mei 1999, art. 67, I: 2 augustus 1999)] of het Bosbeheer, zelfs wanneer hierdoor de 1
Voor strafmaat zie artikel 112bis
26
rechten van gebruikers, exploitanten, bezoekers en huurders tijdelijk worden opgeschort en zonder dat zulks mag worden beschouwd als een eenzijdige verbreking van een overeenkomst, waarvoor schadevergoeding kan worden geëist. Art. 107. De Vlaamse regering kan, indien zij het, in uitzonderlijke omstandigheden en voor een bepaalde periode, noodzakelijk acht, alle maatregelen uitvaardigen, die de bescherming van het bos, van de bomen, van de [organismen van het natuurlijk milieu (verv. decr. 18 mei 1999, art. 69, I: 2 augustus 1999)], tegen biotische en abiotische bedreiging tot doel hebben.
HOOFDSTUK IX - [Het opsporen en vaststellen van bosmisdrijven en de strafbepalingen (verv. decr. 18 mei 1999, art. 70)] Art. 108. Onverminderd de ambtsbevoegdheid van de officieren van gerechtelijke politie worden de overtredingen van de bepalingen van dit decreet en van de besluiten genomen tot uitvoering ervan, opgespoord en bij procesverbaal vastgelegd door [de bevoegde ambtenaren, aangestelden en door de ambtenaren en natuurwachters van de administratie bevoegd voor het natuurbehoud, door de bijzondere wachters en door (ing. decr. 18 mei 1999, art. 71, I: 2 augustus 1999)] de leden van de Rijkswacht, de leden van de Gemeentepolitie en de Veldwachters. De [bevoegde (ing. decr. 18 mei 1999, art. 71, I: 2 augustus 1999)] ambtenaren en [aangestelden (verv. decr. 18 mei 1999, art. 71, I: 2 augustus 1999)] van het Bosbeheer stellen eveneens de overtredingen van de [jachtwetgeving (verv. decr. 18 mei 1999, art. 71, I: 2 augustus 1999)] en van de besluiten genomen ter uitvoering van de [jachtwetgeving (verv. decr. 18 mei 1999, art. 71, I: 2 augustus 1999)] , vast. Art. 109. De [bevoegde (ing. decr. 18 mei 1999, art. 71, I: 2 augustus 1999)] ambtenaren en [aangestelden (verv. decr. 18 mei 1999, art. 71, I: 2 augustus 1999)] van het Bosbeheer sturen een afschrift van het proces-verbaal aan de ambtenaar die door de Vlaamse regering met toepassing van het Boswetboek van 19 december 1854 met de vervolging is belast. [Deze ambtenaar zendt binnen een termijn van dertig dagen na de vaststelling aan de overtreders een afschrift van het proces-verbaal. (verv. decr. 18 mei 1999, art. 72, I: 2 augustus 1999)] [De in artikel 108 vermelde overheidspersonen (verv. decr. 18 mei 1999, art. 72, I: 2 augustus 1999)] kunnen inzage nemen van alle documenten en bescheiden, zich alle door of krachtens dit decreet voorgeschreven documenten en bescheiden doen voorleggen en alle monsters nemen, in de mate dat zulks voor het vervullen van hun taak nodig is. [Bij de uitoefening van hun opdracht mogen de in artikel 108 vermelde overheidspersonen fabrieken, magazijnen, bergplaatsen, kantoren, boten, bedrijfsgebouwen, stallen, stapelhuizen, stations, wagons, voertuigen en de in open lucht gelegen bedrijven alsook alle gronden en wateren betreden en mogen zij daartoe boten, wagons en voertuigen tegenhouden. (ing. decr. 18 mei 1999, art. 72, I: 2 augustus 1999)] Art. 110. De bevoegdheid van de privé-boswachters is beperkt tot de bossen die eigendom zijn van hun opdrachtgevers of waarin deze laatsten enige zakelijke rechten hebben. Binnen een termijn van veertien dagen na de vaststelling van het misdrijf, wordt een afschrift van het proces-verbaal aan de overtreders gezonden en stuurt de verbalisant een afschrift aan de in artikel 109, eerste lid aangewezen ambtenaar. Art. 111. [De in artikel 108 vermelde overheidspersonen zijn, met betrekking tot de toepassing van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten, bevoegd om: 1. 2. 3. 4.
bij de uitoefening van hun opdracht de bijstand van de openbare macht te vorderen; inzage en afschrift te nemen van de bescheiden, documenten en andere informatiedragers waarvan inzage voor de vervulling van hun opdracht nodig is, een kopie ervan te maken en ze tegen ontvangstbewijs in beslag te nemen voor de tijd die vereist is voor hun onderzoek; elk onderzoek, elke controle of enquête te doen, alsook alle inlichtingen in te winnen die zij nodig achten voor de uitoefening van hun opdracht; zonder kosten, voorwerpen en stoffen voor onderzoek mee te nemen of ter plekke monsters te nemen.
27
Eenieder is verplicht de in artikel 108 aangewezen personen bij de uitoefening van hun opdracht desgevraagd medewerking te verlenen en hen alle inlichtingen te verstrekken. (verv. decr. 18 mei 1999, art. 73, I: 2 augustus 1999)] [Art. 111bis. Bij elke kapping of andere werkzaamheden en handelingen die niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van dit decreet of van zijn uitvoeringsbesluiten, kunnen de in artikel 108 van dit decreet bedoelde overheidspersonen ter plaatse mondeling of schriftelijk gelasten het kappen of de andere handelingen of werkzaamheden te stoppen. De woudmeester moet het bevel, op straffe van verval, binnen vijf dagen bekrachtigen. Deze ambtenaar stelt de uitvoerder van het werk en de opdrachtgever daarvan in kennis bij aangetekende brief met bericht van ontvangst. De bovenbedoelde overheidspersonen mogen alle maatregelen treffen om het bevel tot staking of de bekrachtigingsbeslissing onmiddellijk te doen toepassen. De betrokkene kan in kort geding voor de bevoegde rechtbank de opheffing van de maatregel vorderen. (ing. decr. 18 mei 1999, art. 74, I: 2 augustus 1999)] Art. 112. Alle bedragen voor teruggaven, schadevergoedingen en kosten waarvan de rechter de betaling of terugbetaling ten bate van het Vlaamse Gewest heeft bevolen, worden gestort in het [Fonds voor Preventie en Sanering inzake Leefmilieu en Natuur dat is ingeschreven in de begroting van het Vlaamse Gewest. (verv. decr. 23 januari 1991, art.6, I:1 januari 1991)] [Art. 112bis. Alle geldboetes en/of straffen, opgenomen in artikelen 9, 14, 20, 21, 30, 44, 55, 62, 63, 65 tot en met 72, 75, 81, 87, 93, 95, 96, 97, 99, 104 worden opgeheven en vervangen door de volgende strafbepalingen: "Wie maatregelen of voorschriften, vastgesteld in of ter uitvoering van artikelen 10, §§ 2 en 3, 12, 42bis en 65 overtreedt en het toezicht op deze maatregelen of voorschriften verhindert en bemoeilijkt, wordt gestraft met een geldboete van tien tot vijfentwintig euro. De organisatoren van activiteiten die overtredingen van maatregelen of voorschriften vastgesteld in of ter uitvoering van artikel 10 inhouden, kunnen daarenboven worden gestraft met een geldboete van zesentwintig tot duizend euro. Wie maatregelen of voorschriften, vastgesteld in of ter uitvoering van artikelen 9, § 2, 14, 20, 21, 30, 43, 44, 46, 50, 57, 58, 62, 64, 66 tot en met 72, 81, 93, 97, 99, 100, 101 en 104 overtreedt en het toezicht op deze maatregelen of voorschriften verhindert en bemoeilijkt, wordt gestraft met een geldboete van vijftig tot driehonderd euro. Dezelfde straffen gelden voor de overtreding van de voorschriften vastgesteld in artikel 87, tweede lid, onverminderd de toepassing van artikel 36bis van het Veldwetboek en voor de overtreding van artikel 63 onverminderd de bepalingen van artikel 184 van het Strafwetboek. Wie maatregelen of voorschriften, vastgesteld in of ter uitvoering van artikelen 51, 61 en 91 overtreedt of het toezicht op deze maatregelen of voorschriften verhindert en bemoeilijkt, wordt gestraft met een geldboete van driehonderd tot duizend euro. Dezelfde straffen gelden voor de overtreding van de voorschriften vastgesteld in artikel 75, onverminderd de strengere straffen die in het strafwetboek zijn bepaald en voor de overtreding van de voorschriften vastgesteld in artikel 95, onverminderd teruggave, schadevergoeding of herstel indien daartoe aanleiding bestaat. Indien het een onrechtmatige toe-eigening van openbare bossen of gedeelten ervan betreft, kan onverminderd voorgaande bepalingen, ook een gevangenisstraf van acht dagen tot vijftien dagen worden opgelegd. Blijven de overtreders in gebreke de maatregelen tot herstel uit te voeren binnen een termijn van een jaar te rekenen van de aanmaning die het Bosbeheer krachtens het vonnis heeft gedaan, dan voorziet het Bosbeheer daarin op hun kosten. Deze kosten worden verhaald door eenvoudige toezending van de kostenstaat aan de overtreders. Wie maatregelen of voorschriften, vastgesteld in of ter uitvoering van artikel 96 overtreedt en het toezicht op deze maatregelen of voorschriften verhindert en bemoeilijkt, wordt eveneens gestraft met een geldboete van driehonderd tot duizend euro, onverminderd schadevergoeding of herstel volgens de procedure geldend bij overtreding van artikel 95 indien daartoe aanleiding bestaat. Wie maatregelen of voorschriften, vastgesteld in of ter uitvoering van artikelen 37 en 55, § 2 overtreedt en het toezicht op deze maatregelen of voorschriften verhindert en bemoeilijkt, wordt gestraft met een geldboete van duizend tot drieduizend euro.
28
Wie maatregelen of voorschriften, vastgesteld in of ter uitvoering van artikelen 90, 90bis en 111bis overtreedt en het toezicht op deze maatregelen of voorschriften verhindert en bemoeilijkt, wordt gestraft met een geldboete van duizend tot tienduizend euro. Het niet-naleven van het bevel tot staking of van de bekrachtigingsbeslissing in uitvoering van artikel 111bis wordt tevens gestraft met een verbeurdverklaring van de gebruikte voorwerpen". (ing. decr. 18 mei 1999, art. 75, I: 2 augustus 1999)] [Art. 112ter. Wie maatregelen of voorschriften, vastgesteld in of ter uitvoering van andere artikels dan deze vermeld in artikel 112bis overtreedt en het toezicht op deze maatregelen voorschriften verhindert of bemoeilijkt, wordt gestraft met een geldboete van tien tot vijfentwintig euro. (ing. decr. 18 mei 1999, art. 76, I: 2 augustus 1999)]
HOOFDSTUK X - Opheffingsbepalingen
Art. 113. (niet opgenomen) (Worden opgeheven, wat het Vlaamse Gewest betreft: 1. titel I, de artikelen 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23 van Titel II, Titel III, Titel IV, Titel V, Titel VI, Titel VII, Titel VIII, Titel IX, Titel X, de artikelen 154, 155, 156, 157, 158, 159, 160, 161, 162, 163, 164, 165, 166, 167, 168, 173, 174, 175, 176 van Titel XII, de artikelen 177 tweede en derde lid, 178, 179 van Titel XIII van de wet van 19 december 1854 houdende het Boswetboek, gewijzigd bij de wetten van 30 januari 1924, 10 oktober 1967, 8 april 1969 en 14 juli 1976; 2. de wet van 4 mei 1900 op de handel in scheuten van harsbomen; 3. de wet van 28 december 1931 op de bescherming van aan particulieren toebehorende bossen en wouden; 4. de wet van 8 april 1969 houdende aanpassing van de Franse tekst en vaststelling van de Nederlandse tekst van het Boswetboek, gewijzigd bij de wet van 10 november 1972, wat betreft de artikelen in 1° genoemd; 5. hoofdstuk III, afdeling 2 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud)
[Art. 114. (ing. decr. 18 mei 1999, art. 78, I: 2 augustus 1999)] van de wet van 19 december 1854 houdende het boswetboek op)
(niet opgenomen) (Heft artikel 145 van titel XI
[Art. 115. De reglementaire bepalingen genomen ter uitvoering van de bij decreet van 18 mei 1999 opgeheven bepalingen van dit decreet blijven van kracht voorzover zij niet door de Vlaamse regering worden opgeheven, gewijzigd of aangevuld. (ing. decr. 18 mei 1999, art. 79, I: 2 augustus 1999)] [Art. 116. Onverminderd de bepalingen van het tweede lid van artikel 46 van dit decreet, blijven de reglementair goedgekeurde beheersplannen, goedgekeurd voor de inwerkingtreding van dit decreet, onverminderd rechtsgeldig voor de volle duur van de periode waarvoor zij zijn goedgekeurd. (ing. decr. 18 mei 1999, art. 80, I: 2 augustus 1999)] [Art. 117. De reglementaire bepalingen getroffen ter uitvoering van dit decreet blijven geldig zolang zij niet door de Vlaamse regering worden opgeheven, gewijzigd of aangevuld. (ing. decr. 18 mei 1999, art. 80, I: 2 augustus 1999)]
29
Wet van 19 december 1854 houdende het Boswetboek, gewijzigd bij de wetten van 30 januari 1924, 10 oktober 1967, 8 april 1969 en 14 juli 1976 (B.S. 22.12.1854) De hiernavolgende bepalingen van het Boswetboek blijven van toepassing in het Vlaamse Gewest.
Titel II - Bosbeheer Art. 11. Vooraleer hun bediening te aanvaarden, leggen de ambtenaren en aangestelden van het bosbeheer voor de rechtbank van eerste aanleg van hun verblijfplaats de volgende eed af : " Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk. " Zij laten de akte van hun aanstelling en van hun beëdiging registreren ter griffie van de rechtbanken in welker rechtsgebied zij hun bediening moeten uitoefenen. Wanneer zij slechts van verblijfplaats veranderen, hoeven zij de eed niet opnieuw af te leggen; worden zij echter in dezelfde hoedanigheid naar een ander gebied overgeplaatst, dan worden de akten van aanstelling en van beëdiging zonder kosten geregistreerd ter griffie van de rechtbanken van het nieuwe gebied.
Titel XI - Rechtspleging inzake misdrijven gepleegd in bossen onder bosregeling Afdeling I - Vervolging van misdrijven Art. 120. Het bosbeheer is belast met de vervolging tot herstel van alle wanbedrijven en overtredingen gepleegd in de bossen die onder de bosregeling vallen, zowel wat de toepassing van de straffen als wat de daaruit volgende teruggave en de schadevergoeding betreft. De vervolging wordt in naam van het bosbeheer uitgeoefend door de ambtenaren van het bosbeheer, onverminderd de desbetreffende bevoegdheid van het openbaar ministerie. Indien, inzake overtredingen van het Boswetboek, de vervolgingen ingespannen worden namens het Bosbeheer door de ambtenaren, en indien deze het recht hebben de zaak voor de rechtbank uiteen te zetten, gehoord worden tot staving van hun besluiten en hen een bijzondere plaats wordt aangewezen op de zitting, komen zij echter niet in de plaats van het openbaar ministerie op de zittingen van de strafrechter. (Cass. 16 november 1976, Pas., 1977, I, 298) Het openbaar ministerie is niet bevoegd om afzonderlijk 't is te zeggen buiten elke strafvordering, de burgerlijke rechtsvordering in te stellen tot vergoeding van een schade veroorzaakt door een feit als misdrijf omschreven door het Boswetboek en gepleegd in een aan het Bosbeheer onderworpen bos. Daarentegen mag het openbaar ministerie, tegelijk met de strafvordering, de burgerlijke vordering instellen, die aan het Bestuur van waters en bossen inzake inbreuken op het Boswetboek toebehoort. (Cass. 4 oktober 1948, Pas., I, 524) Art. 121. De ambtenaren van het bosbeheer en de boswachters sporen de wanbedrijven en overtredingen in bosen jachtzaken op en stellen ze dag voor dag vast door processen-verbaal, te weten: de ambtenaren in het gehele gebied waarvoor zij aangesteld zijn, de boswachters in het arrondissement van de rechtbank waarbij zij beëdigd zijn.
KB 20 december 1854, art. 90. De boswachters mogen de in een gemeentebos gepleegde wanbedrijven en overtredingen in boszaken opsporen en vaststellen, zonder dat de gemeenteoverheden hun daartoe onderrichtingen moeten geven. (Cass., 4 september 1972, Pas., 1973, I,5)
30
Art. 122. De ambtenaren van het bosbeheer en de boswachters zijn gemachtigd om het in overtreding aangetroffen vee, alsook de werktuigen, voertuigen en gespannen van de schuldige in beslag te nemen en in bewaring te stellen. Zij volgen de door de schuldige weggenomen voorwerpen tot in de plaatsen waar deze heengebracht zijn en stellen ze eveneens in bewaring. Zij kunnen echter de huizen, gebouwen, binnenplaatsen en omheinde erven die eraan palen, niet betreden dan in aanwezigheid van de (rechter in de politierechtbank), van de burgemeester of van de politiecommissaris. Aldus gewijzigd bij Gerechtelijk wetboek, art. 2, art. 91, §14.
KB 20 december 1854, art. 90. Art. 123. De in het vorige artikel genoemde ambtenaren mogen desgevorderd niet weigeren de ambtenaren van het bosbeheer en de boswachters op staande voet te vergezellen. Zij zijn bovendien gehouden het proces-verbaal van de inbewaringstelling of van de in hun aanwezigheid verrichte opsporing te tekenen; indien zij weigeren, maakt het personeelslid van het bosbeheer daarvan melding in zijn proces-verbaal. Art. 124. De ambtenaren van het bosbeheer en de boswachters vatten iedere onbekende die op heterdaad betrapt wordt en geleiden hem voor de (rechter in de politierechtbank), de burgemeester of de politiecommissaris. Aldus gewijzigd bij Gerechtelijk wetboek, art. 2, art. 91, §14. Art. 125. Elke vreemdeling die op heterdaad betrapt wordt bij het plegen van een bosmisdrijf, kan aangehouden, ter beschikking van de procureur des Konings gesteld en op een door de onderzoeksrechter verleend bevel tot bewaring vastgehouden worden, totdat hij keuze van woonplaats in het Rijk gedaan heeft, de opgelegde geldboete in handen van de ontvanger der domeinen gestort is of de betaling ervan op (een) andere wijze verzekerd is. Indien de zaak niet binnen vijftien dagen aanhangig is gemaakt bij de rechtbank, wordt de verdachte in vrijheid gesteld. Wanneer op het misdrijf gevangenisstraf is gesteld, blijft de verdachte onderworpen aan de algemene regels van de strafvordering. Aldus verbeterd bij W. van 10 november 1972, art. 2, 14°. V.W. 17 april 1878 en M.O. 8 januari 1878. Art. 126. De ambtenaren van het bosbeheer en de boswachters hebben het recht het optreden van de openbare macht rechtstreeks te vorderen tot beteugeling van wanbedrijven en overtredingen in boszaken, alsook tot opsporing en inbeslagneming van het hout dat wederrechtelijk gekapt dan wel bedrieglijk verkocht of gekocht is. Art. 127. De wachters dagtekenen en ondertekenen hun processen-verbaal, op straffe van nietigheid. Wet van 30 januari 1924, art. 5. Art. 128. (Opgeheven) <W 30-01-1924, art. 5> Art. 129. Wanneer het proces-verbaal een inbeslagneming inhoudt, wordt binnen vierentwintig uren een uitgifte ervan neergelegd ter griffie (van de politierechtbank) om meegedeeld te kunnen worden aan hen die de in beslag genomen voorwerpen terugvorderen. Aldus gewijzigd bij Gerechtelijk wetboek, art. 2, art. 91, §15.
31
Art. 130. (Op aanvraag van iedere belanghebbende kan de politierechtbank) voorlopige opheffing van het beslag verlenen, onder verplichting om de kosten van de inbewaringstelling te betalen en borg te stellen. Indien de gegoedheid van de borg betwist wordt, beslist de (politierechtbank). Aldus gewijzigd bij Gerechtelijk wetboek, art. 2, art. 91, §16. Art. 131. Indien het in beslag genomen vee binnen vijf dagen na de inbewaringstelling niet wordt teruggevorderd of indien er geen borg gesteld wordt, beveelt (de politierechtbank) de veiling op de naast bijgelegen markt. Die veiling geschiedt door de zorg van de ontvanger der domeinen, die ze vierentwintig uren tevoren bekendmaakt. De kosten van de inbewaringstelling en van de veiling worden begroot door (de politierechtbank) en afgehouden van de opbrengst; het overschot blijft in handen van de ontvanger der domeinen. Indien de terugvordering van het in beslag genomen vee verworpen wordt bij gebreke van borgstelling of indien het vee eerst na de veiling teruggevorderd wordt, heeft de eigenaar recht op teruggave van de netto-opbrengst van de verkoop, na aftrek van alle kosten, ingeval het vonnis die teruggave beveelt. Van die prijs houdt de ontvanger het bedrag af van de veroordelingen, uitgesproken wegens het misdrijf dat tot het beslag aanleiding heeft gegeven. Aldus gewijzigd bij W. 8 april 1969, art. 2, art. 91, § 17. Art. 132. (Opgeheven) <W 08-04-1969, art. 1, 28°> Art. 133. De dagvaarding moet, op straffe van nietigheid, afschrift van het proces-verbaal (...) inhouden. Aldus gewijzigd bij W. 8 april 1969, art. 2. Indien krachtens het artikel 133 van het Boswetboek de dagvaarding voor de politierechtbank afschrift moet inhouden van het proces-verbaal waarop de vervolging berust, en indien dit afschrift derhalve vermelding moet bevatten van het ondertekenen van het origineel door de opstellers van het proces-verbaal, schrijft deze wetsbepaling niet voor dat de dagvaarding bovendien de bevestiging inhoude dat het afschrift met het origineel van het proces-verbaal overeenstemt. (Cass., 5 januari 1953, Pas., I, 301) Art. 134. Bij vervolging namens het bosbeheer kunnen de boswachters dagvaarden en exploten betekenen. Zij zijn niet bevoegd om beslag tot tenuitvoerlegging te doen. De vergoeding wordt begroot zoals voor de akten van de (gerechtsdeurwaarders). Aldus gewijzigd bij W. 8 april 1969, art. 2. Z. kon. Besl. 20 december 1854, art. 93. Art. 135. De ambtenaren van het bosbeheer hebben het recht de zaak voor de rechtbank uiteen te zetten en worden gehoord tot staving van hun conclusie. Z. kon. Besl. 20 december 1854, art. 92. Art. 136. Wanbedrijven of overtreding in boszaken worden bewezen, hetzij door regelmatige en genoegzame processen-verbaal, hetzij door getuigen. Z. Verbr. 26 februari 1900 (Pas., 1900, I, 162)
32
Art. 137. Een proces-verbaal, opgemaakt en getekend door twee ambtenaren van het bosbeheer of boswachters, geldt, indien het regelmatig is, als bewijs van de materiële feiten betreffende de daarin vastgestelde wanbedrijven en overtredingen, zolang het niet van valsheid beticht is. Gevangenisstraf kan evenwel niet als hoofdstraf worden uitgesproken dan voor zover de beklaagde tot het leveren van het tegenbewijs is toegelaten. Art. 138. Een regelmatig proces-verbaal, opgemaakt door één ambtenaar of één wachter, geldt eveneens als bewijs zolang het niet van valsheid beticht is, indien het wanbedrijf of de overtreding geen veroordeling tot meer dan honderd euro geldboete of schadevergoeding kan meebrengen. Wanneer het misdrijf een zwaardere geldelijke veroordeling of een gevangenisstraf kan meebrengen, geldt het proces-verbaal zolang het tegendeel niet bewezen is. De regelmatig opgemaakte processen-verbaal van een ambtenaar of een wachter gelden als bewijs zolang het niet van valsheid beticht is, wanneer het misdrijf geen veroordeling van meer dan honderd euro kan meebrengen, zowel wat de geldboete als wat de schadevergoeding betreft. Het behoort derhalve aan de rechter te bepalen, door de schatting van het bedrag van de schade welken graad van bewijskracht het proces-verbaal heeft. Het bestuur van de wateren en bossen en het openbaar ministerie kunnen, bij het doen horen van personen wier getuigenis door beklaagde werd ingeroepen, zich het recht voorbehouden te doen gelden dat het proces-verbaal bewijskracht heeft tot het van valsheid beticht is. (Cass., 28 november 1938, Pas., I, 368) Art. 139. Een proces-verbaal dat niet geldt als bewijs zolang het niet van valsheid beticht is kan door alle wettelijke bewijzen gestaafd en bestreden worden. Art. 140. De beklaagde die het proces-verbaal van valsheid wil betichten, moet zulks op de griffie van de rechtbank verklaren vóór de in de dagvaarding bepaalde terechtzitting. Die verklaring wordt gedaan en getekend door de beklaagde of door zijn gemachtigde, voorzien van een bijzondere en authentieke volmacht, en ontvangen door de griffier van de rechtbank; ingeval de persoon die verschijnt niet kan tekenen, wordt daarvan uitdrukkelijk melding gemaakt. Op de voor de terechtzitting bepaalde dag verleent de rechtbank akte van de verklaring en stelt een termijn vast van ten minste drie dagen en ten hoogste acht dagen waarbinnen de beklaagde ter griffie opgave moet doen van zijn middelen tot bewijs van de valsheid, alsook van de naam, de hoedanigheid en de verblijfplaats van de getuigen die hij wil doen horen. Na verloop van die termijn neemt de rechtbank, zonder dat een nieuwe dagvaarding nodig is, de middelen tot bewijs van de valsheid aan, indien zij de gevolgen van het proces-verbaal teniet kunnen doen en de valsheidprocedure wordt voortgezet overeenkomstig de wet. In het tegenovergestelde geval, of indien de beklaagde de hierboven voorgeschreven vormen niet in acht heeft genomen, verklaart de rechtbank dat er geen grond is om de middelen tot bewijs van de valsheid aan te nemen en beveelt dat tot berechting van de zaak zal worden overgegaan. Art. 141. De beklaagde tegen wie een verstekvonnis is gewezen waartegen verzet aangetekend is, kan zijn verklaring tot betichting van valsheid nog doen gedurende de termijn die de wet hem verleent om ter terechtzitting te verschijnen. Art. 142. Het proces-verbaal dat tegen verscheidene beklaagden opgemaakt en slechts door een van hen van valsheid beticht is, behoudt zijn bewijskracht ten opzichte van de anderen, tenzij het feit waarop de betichting van valsheid slaat, onsplitsbaar en aan de andere beklaagden gemeen is. Art. 143. Indien de beklaagde zich beroept op een recht van eigendom of op een ander zakelijk recht, beslist de rechter bij wie de klacht aanhangig is, over het tussengeschil met inachtneming van de volgende regels: de prejudiciële exceptie wordt slechts aangenomen voor zover zij gegrond is op een deugdelijk schijnende titel of
33
op welbepaalde feiten van bezit die de beklaagde eigen zijn. De overgelegde titels of de gestelde feiten moeten elk karakter van wanbedrijf of van overtreding ontnemen aan het feit waarop de vervolging berust. Wanneer de zaak naar de burgerlijke rechter wordt verwezen, bepaalt het vonnis een termijn van ten hoogste twee maanden, waarbinnen de partij die het prejudicieel geschil heeft opgeworpen, de zaak bij de bevoegde rechter aanhangig moet maken en moet bewijzen dat zij het nodige heeft gedaan; anders wordt tot de berechting overgegaan. In geval van veroordeling tot gevangenisstraf wordt de tenuitvoerlegging van die straf echter geschorst gedurende een nieuwe termijn van twee maanden. Indien de beklaagde binnen die termijn beweert dat hij het nodige heeft gedaan, blijft de schorsing duren tot na de beslissing over de zaak zelf. De geldboeten, teruggaven, schadevergoedingen en kosten zijn opeisbaar na de veroordeling. Indien het prejudicieel geschil later ten voordele van de beklaagde wordt beslist, wordt het door hem betaalde teruggegeven. Z. Wetboek Strafvordering art. 202 en 413. Art. 144. De ambtenaren kunnen namens het bosbeheer hoger beroep of cassatieberoep instellen; zonder bijzondere machtiging kunnen zij er geen afstand van doen. Het Openbaar Ministerie kan van het recht van hoger beroep en van cassatieberoep gebruikmaken, zelfs wanneer het beheer of zijn ambtenaren in de vonnissen en arresten hebben berust. Z. kon. besl. 20 december 1854, art. 94. -
-
Buiten het geval waarin een beslissing, gewezen over een burgerlijke vordering, die werd ingesteld onafhankelijk van iedere strafvordering, wegens een door het Boswetboek als misdrijf omschreven feit, de openbare orde zou in gevaar brengen, is het openbaar ministerie niet bevoegd om zich tegen dergelijke beslissing te voorzien. (Cass., 4 oktober 1948, Pas., I, 524) Wanneer door het openbaar ministerie wegens overtreding van het Boswetboek vervolgingen worden ingesteld, het bestuur van waters en bossen de beklaagde niet heeft doen dagvaarden, in de zaak niet is tussengekomen en voor de feitenrechter niet heeft geconcludeerd en ten laste van de Belgische Staat (Ministerie van landbouw) geen enkele straf werd uitgesproken, is de voorziening door deze laatste ingesteld tegen het vonnis dat de beklaagde vrijspreekt niet ontvankelijk, wegen het ontbreken van hoedanigheid van eiser. (Cass., 23 september 1968, Pas., 1969, I, 90)
[Art. 145. ...] ( opgeheven door art. 114 bosdecreet, ingevoegd bij decr. 18 mei 1999, art. 78) Art. 146. De bepalingen van het vorige artikel zijn niet van toepassing op overtredingen, wanbedrijven en daden van ontrouw, door ambtenaren of aangestelden van het bosbeheer of boswachters begaan in de uitoefening van hun bediening. Te hunnen opzichte gelden de verjaringstermijnen van de gewone wetten van strafvordering. De rechtsvordering tot schadevergoeding die krachtens de artikelen 17 en 18 voor de correctionele rechtbanken wordt ingesteld tegen ambtenaren of aangestelden, is echter niet meer ontvankelijk een jaar nadat de strafvordering tegen de schuldige zelf door verjaring vervallen is. Art. 147. De gewone regels van de strafvordering zijn van toepassing op de vervolging van de in deze wet omschreven wanbedrijven en overtredingen, behoudens de afwijkingen die uit deze titel volgen.
Afdeling 2. - Tenuitvoerlegging van vonnissen.
34
Art. 148. De vonnissen, bij verstek gewezen op verzoek van het bosbeheer of op vervolging van het Openbaar Ministerie, worden betekend bij een eenvoudig uittreksel, dat de naam van de partijen en het beschikkende gedeelte van het vonnis inhoudt. Die betekening doet de termijnen van verzet en van hoger beroep ingaan. Art. 149. De invordering van de geldboeten wegens bosmisdrijven wordt opgedragen aan de ontvangers der registratie en der domeinen. Die ontvangers zijn eveneens belast met de invordering van de teruggaven, kosten en schadevergoedingen die voortvloeien uit de vonnissen gewezen wegens wanbedrijven en overtredingen in boszaken. Art. 150. Vonnissen houdende veroordeling tot geldboete, teruggave, schadevergoeding en kosten worden ten uitvoer gelegd zoals in correctionele zaken. Art. 151. [Wanneer de hoven en rechtbanken een geldboete opleggen kunnen zij bevelen dat deze, bij gebreke van betaling, zal worden vervangen door een gevangenisstraf, [die drie maanden niet zal te boven gaan voor (hen) die wegens wanbedrijf, en drie dagen voor (hen) die wegens overtreding zijn veroordeeld.]] Aldus vervangen bij W. 8 april 1969, art. 2 en verbeterd bij W. 10 november 1972, art. 2, 15°. Art. 152. (Opgeheven)<W 08-04-1969, art. 1, 32°> Art. 153. (Opgeheven)<W 08-04-1969, art. 1, 32°>
Titel XII - Straffen en veroordelingen met betrekking tot alle bossen Art. 169. De straffen wegens wanbedrijven en overtredingen in boszaken worden verdubbeld: 1° 2° 3° 4°
Indien er herhaling is binnen een jaar, te rekenen van het eerste vonnis tegen de schuldige gewezen; Indien de overtredingen of wanbedrijven bij nacht zijn gepleegd; Indien de schuldigen gebruik hebben gemaakt van een zaag of van vuur om bomen te vellen; Indien de misdrijven in bende of in vereniging zijn begaan.
Art. 170. De zagen, bijlen, hakmessen, aksen en andere soortgelijke gereedschappen waarvan de schuldigen voorzien zijn, worden in beslag genomen en verbeurd verklaard. Art. 171. (Opgeheven) <W 08-04-1969, art. 1, 34°> Z.W. 10 november 1972, art. 1, 6°. Art. 172. In alle gevallen, in deze titel omschreven, mag de schadevergoeding, met inbegrip van de waarde van de in natura teruggegeven voorwerpen, niet minder bedragen dan de enkele geldboete bij het vonnis opgelegd. Titel XIII - Bossen van bijzondere personen. Art. 177. Wachters van bossen van bijzondere personen kunnen hun ambt niet aanvaarden dan nadat zij, op advies van de ambtenaar van het bosbeheer in het betrokken gebied, door de provinciegouverneur erkend zijn en voor de rechtbank van eerste aanleg de eed hebben afgelegd.
35
Art. 180. Processen-verbaal opgemaakt door wachters van bossen van bijzondere personen leveren bewijs op zolang het tegendeel niet bewezen is. Art. 181. De bepalingen van de artikelen 122, 123, 124, 125, 126, 127, 129, 130, 131, 133, 136, 143, 145 en 147, zijn mede van toepassing op de vervolgingen die in naam en in het belang van bijzondere personen ingesteld worden wegens wanbedrijven en overtredingen in hun bossen gepleegd. Wanneer echter, in het geval van artikel 131, het in beslag genomen vee moet worden verkocht, wordt de nettoopbrengst van de verkoop in de Deposito- en Consignatiekas gestort. Art. 182. Processen-verbaal, opgemaakt door wachters van bossen van bijzondere personen, worden binnen een maand (...) overhandigd aan de procureur des Konings of aan de politiecommissaris [van de gemeente waar de politierechtbank zitting houdt], of aan de burgemeester wanneer in die gemeente geen politiecommissaris is, naar gelang van hun onderscheiden bevoegdheid. Aldus gewijzigd bij Gerechtelijk Wetboek, art. 2, art. 91, §18. Aldus gewijzigd bij W. 8 april 1969, art. 2. Art. 183. Voor wanbedrijven en overtredingen gepleegd in bossen van bijzondere personen zijn de straffen, de schadevergoeding en de teruggave dezelfde als voor wanbedrijven en overtredingen gepleegd in bossen onder bosregeling.
36
37
29 mei 1991 - Besluit van de Vlaamse regering houdende regeling van de instelling en de werking van de Vlaamse Hoge Bosraad. (B.S., 9 augustus 1991)
Art. 1. Er wordt een Vlaamse Hoge Bosraad opgericht verder "de raad" genoemd, die de Vlaamse regering of de Vlaamse minister bevoegd voor de bossen, op verzoek of op eigen initiatief, advies verstrekt over de aangelegenheden inzake de bossen in het Vlaamse Gewest. Art. 2. De opdracht van de raad bestaat erin, vanuit het standpunt van de bosbouw, adviezen of beleidsvoorstellen te formuleren inzake de aangelegenheden die hem door de Vlaamse minister bevoegd voor de bossen worden voorgelegd, inzonderheid betreffende de maatregelen in uitvoering van de artikelen 6, 16, 17, 22, 24, 43 en 54 van het bosdecreet van 13 juni 1990. De raad beraadslaagt bij voorrang over deze voorstellen. De raad kan ook beraadslagen, advies uitbrengen of wensen formuleren aangaande problemen in verband met de bosbouw die hem door zijn voorzitter of door minstens vijf van zijn leden worden voorgelegd. Art. 3. De raad is samengesteld uit ten hoogste negenentwintig leden, waaronder één voorzitter en drie ondervoorzitters, allen benoemd door de Vlaamse regering. De raad is minstens voor de helft samengesteld uit vertegenwoordigers van boseigenaars of groeperingen van eigenaars en voor de rest uit vertegenwoordigers van het bosbouwkundig onderzoek en van de belangrijkste belangengroepen betrokken bij de bossen in het Vlaamse Gewest. Art. 4. Alle leden van de raad zijn effectieve werkende leden, die in hoedanigheid van deskundige op basis van hun persoonlijke ervaring en kennis optreden. De mandaten zijn persoonlijk. De leden zijn niet gemachtigd zich op de vergaderingen te laten vertegenwoordigen. Art. 5. De duur van het mandaat van de leden van de raad bedraagt zes jaar. De mandaten zijn hernieuwbaar. De raad om de drie jaar voor de helft vernieuwd. De eerste helft van de uittredende leden zal na afloop van de eerste drie jaar van hun mandaat door het lot worden aangeduid. Wanneer een mandaat vacant wordt ingevolge overlijden, ontslag of om enigerlei andere redenen, voleindigt het lid dat in zijn plaats door de Vlaamse regering wordt benoemd, het mandaat van zijn voorganger. Een lid dat de werkzaamheden van de raad tijdens vier opeenvolgende vergaderingen niet heeft bijgewoond, zonder geldige reden, is ambtshalve ontslagen. De voorzitter stelt de regering hiervan in kennis. Art. 6. De benoeming van de voorzitter en van de drie ondervoorzitters van de raad geldt voor de duur van hun mandaat als lid van de raad. Zij is hernieuwbaar. Bij afwezigheid van de voorzitter wordt het voorzitterschap waargenomen door de oudste ondervoorzitter of, zo deze laatste afwezig is, door de oudste van de andere ondervoorzitters. De Vlaamse minister, bevoegd voor de bossen in het Vlaamse Gewest, zit echter de raad voor wanneer hij dit nodig acht. Art. 7. Het secretariaat van de raad wordt waargenomen door de Dienst Waters en Bossen. De secretaris van de raad wordt door de Vlaamse regering benoemd onder de ambtenaren van deze Dienst, op voordracht van de Vlaamse minister bevoegd voor de bossen. De secretaris heeft geen stemrecht.
38
Art. 8. De raad heeft een bureau dat wordt samengesteld uit de voorzitter, de drie ondervoorzitters en de secretaris. Het bureau leidt de werkzaamheden van de raad, stelt de agenda vast en vormt het dagelijks bestuur van de raad. Het bureau komt samen op eenvoudige schriftelijke of mondelinge uitnodiging van de voorzitter. Art. 9. Het lidmaatschap van de raad wordt niet bezoldigd. De leden van de raad en die in het laatste lid van artikel 10 bedoelde personen hebben echter recht op de vergoeding voor reis- en verblijfskosten voorgeschreven door de algemene reglementering terzake. Deze personen worden gelijkgesteld met de ambtenaren bekleed met een graad van de rangen 10 tot 14. Art. 10. De raad vergadert te Brussel op eenvoudige bijeenroeping door de voorzitter zo dikwijls de vervulling van zijn opdracht dit vereist. Zo de noodzaak daarvan uitzonderlijk door de voorzitter wordt vastgesteld, heeft de vergadering plaats in een gemeente van het Vlaamse Gewest. De Vlaamse minister bevoegd voor de bossen in het Vlaamse Gewest, kan de raad bijeenroepen wanneer hij dit nodig oordeelt. De Raad vergadert minstens eenmaal per jaar. Alleen de punten die op de agenda voorkomen worden besproken, tenzij ten minste tweederde van de aanwezige leden akkoord gaat met de behandeling van een niet op de agenda geplaatst punt. De stemming is persoonlijk. De raad beslist bij gewone meerderheid van stemmen. Bij staking der stemmen is de stem van de voorzitter beslissend. Hij stelt zijn huishoudelijk reglement vast en legt het ter goedkeuring voor aan de Vlaamse minister bevoegd voor de bossen in het Vlaamse Gewest. De leidend ambtenaar van de Administratie, Milieu, Natuurbehoud en Landinrichting en de door hem aangeduide ambtenaren wonen de vergadering van de raad bij. Zij zijn echter niet stemgerechtigd. De raad heeft het recht op zijn vergadering de personen uit te nodigen die hij verlangt te horen over de te bespreken onderwerpen. Art. 11. De raad vergadert geldig als de helft van de leden aanwezig is. De agenda van elke vergadering wordt ten minste acht kalenderdagen voor de dag van de vergadering aan de leden gezonden. Art. 12. In uitzonderlijke en spoedeisende gevallen kan het bureau advies geven in plaats van de raad. In dit geval brengt het bureau verslag uit aan de raad tijdens de eerstvolgende vergadering. Voor de studie van een bijzonder probleem in verband met de bossen kan de raad een tijdelijke commissie samenstellen bestaande uit het bureau en andere leden van de raad. Deze commissie brengt verslag uit aan de raad. Voor de vergadering van het bureau of van een tijdelijke commissie gelden de bepalingen van artikel 10, eerste, tweede, zesde en zevende lid.
Art. 13. (niet opgenomen) (Het koninklijk besluit van 16 mei 1980 houdende oprichting van een Vlaamse Hoge Bosraad wordt opgeheven)
39
Art. 14. De Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuurbehoud en Landinrichting is belast met de uitvoering van dit besluit.
40
31 juli 1991 - Besluit van de Vlaamse regering betreffende de uitoefening van de door het boswetboek van 19 december 1854 en door het bosdecreet van 13 juni 1990 aan het bosbeheer opgedragen bevoegdheden. (B.S., 24 oktober 1991)
Art. 1. De dienst Waters en Bossen van het Bestuur Natuurbehoud en Ontwikkeling van het Departement Leefmilieu en Infrastructuur wordt belast met het Bosbeheer, bedoeld in artikel 4, 6°, van het Bosdecreet van 13 juni 1990. Art. 2. De woudmeester is, binnen de grenzen van zijn ambtsgebied, belast met de vervolging van bosmisdrijven overeenkomstig de bepalingen van titel XI van het Boswetboek van 19 december 1854. Art. 3. De woudmeesters worden gemachtigd om voor de rechtbank de maatregelen tot herstel, bedoeld in artikel 95, derde lid, van het Bosdecreet, te vorderen wegens de in hun ambtsgebied verrichte onrechtmatige kappingen. Art. 4. De opdrachten die aan het Bosbeheer zijn opgedragen door de artikelen 15, 20, 30, 44, 50, 71, 81, 86, 87, 89, 90, 91, 94, 96, 97, 98, 99, 105 en 106 van het Bosdecreet worden vervuld door de woudmeesters, ieder binnen de grenzen van zijn ambtsgebied. Art. 5. De Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuurbehoud en Landinrichting is belast met de uitvoering van dit besluit.
41
42
20 januari 1993. - Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van regelen betreffende de aanwijzing of erkenning en het beheer van de bosreservaten. (B.S., 27 mei 1993)
HOOFDSTUK I - De aanwijzing of erkenning van bosreservaten Art. 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: 1° 2° 3° 4° 5°
Bosdecreet: het Bosdecreet van 13 juni 1990. Minister: de Vlaamse minister bevoegd voor bossen. Adviescommissie: de adviescommissie waarvan sprake in artikel 27 van het Bosdecreet. Integraal bosreservaat: bossen of bosgedeelten waar de groei en ontwikkeling van de natuur ongemoeid worden gelaten; Gericht bosreservaat: bossen of bosgedeelten waar men door aangepast beheer de doelstellingen van artikel 25 van het Bosdecreet wil realiseren.
Art. 2. Domeinbossen en bossen die door het Vlaams Gewest worden gehuurd kunnen geheel of gedeeltelijk als bosreservaat worden aangewezen. De andere bossen kunnen geheel of gedeeltelijk als bosreservaat worden erkend. Art. 3. Bosreservaten worden aangewezen of erkend door de minister. Art. 4. Als bosreservaat kunnen worden aangewezen of erkend: 1° 2°
bossen of bosgedeelten, die hoofdzakelijk zijn samengesteld uit streekeigen soorten, spontaan gegroeid of aangeplant, die een grote natuurwaarde bezitten of die door omvorming een grote natuurwaarde kunnen bereiken of waar men door spontane evolutie een grote natuurwaarde kan verkrijgen. bossen of bosgedeelten met typische bosplantengemeenschappen, bosbestandstypes of groeivormen.
Art. 5. Om een bos of een bosgedeelte te laten erkennen als bosreservaat, dient de eigenaar bij de woudmeester een aanvraag in, samen met: 1° 2° 3° 4°
de kadastrale plans waarop het voorgestelde bosreservaat begrensd wordt, met aanduiding van de gedeelten die als integraal of gericht bosreservaat worden voorgesteld; een beschrijvende staat van de percelen; een motivatie van de aanvraag tot erkenning als bosreservaat, ingevolge artikel 6 van dit besluit; de toestemming van de eventuele mede-eigenaars of houders van zakelijke rechten op het genoemde bos of bosgedeelte.
Art. 6. Elk voorstel tot erkenning of aanwijzing als bosreservaat wordt met een gemotiveerd verslag van het Bosbeheer voorgelegd aan de adviescommissie van de betrokken houtvesterij, voor de adviesprocedure zoals bepaald in artikel 22 van het Bosdecreet wordt toegepast.
HOOFDSTUK II - Het beheer en de bewaking Art. 7. Het beheer van integrale bosreservaten bestaat erin alle nodige maatregelen te nemen, om schadelijke invloeden mogelijk tegen te houden, onder meer door het beperken van de toegang, het verbieden van de jacht en het regelen van het wetenschappelijk onderzoek. Art. 8. Ingevolge artikel 25 van het Bosdecreet bevat het beheer van gerichte bosreservaten onder meer: het toepassen van de bosbouwkundige behandeling;
43
-
het nemen van de nodige maatregelen voor de flora, fauna, bodem en het landschap; het regelen van de toegang, de jacht en het wetenschappelijk onderzoek.
Hiertoe horen ook alle maatregelen die nodig zijn om interne en externe schadelijke invloeden zoveel mogelijk te beperken. Art. 9. De houtvester wordt belast met het beheer van de bosreservaten die in zijn ambtsgebied liggen. In de erkende bosreservaten beperkt dit beheer zich tot de technische aspecten van het beheersplan en de controle op de naleving ervan. Art. 10. Behoudens andere bepalingen uit het besluit tot erkenning van een bosreservaat, wordt de bewaking van erkende bosreservaten toevertrouwd aan het Bosbeheer. Art. 11. De houtvester stelt voor elk bosreservaat een ontwerp van beheersplan of een ontwerp van een nieuw beheersplan op en legt dat voor aan de adviescommissie. De houtvester stelt ook een ontwerp van beheersovereenkomst op gesloten ingevolge het artikel 29 van het Bosdecreet, en legt dat voor aan de adviescommissie. Art. 12. Het beheersplan van een bosreservaat moet minstens alle gegevens uit de bijlage van dit besluit bevatten. Alleen als de adviescommissie een gunstig advies geeft, kan het Bosbeheer van het beheersplan afwijken. Art. 13. Het beheersplan, de wijzigingen aan het beheersplan en de beheersovereenkomsten, die worden gesloten krachtens artikel 29 van het Bosdecreet moeten aan de minister ter goedkeuring voorgelegd worden. De vergoeding in het raam van deze beheersovereenkomst wordt jaarlijks bepaald. Art. 14. Het gebruik van biociden bij het beheer van de bosreservaten is verboden.
HOOFDSTUK III - De adviescommissies Art. 15. De adviescommissie staat de houtvester bij in het beheer van de bosreservaten. Zij heeft tot opdracht adviezen te verlenen in de door de artikelen 6, 11 en 12 genoemde gevallen. Art. 16. Als lid van de adviescommissie worden aangewezen: 1° 2° 3° 4°
de woudmeester van het ambtsgebied de houtvester, verantwoordelijk voor het beheer een vertegenwoordiger van het Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer; een vertegenwoordiger van het Instituut voor Natuurbehoud.
Bovendien wijst de minister voor elke adviescommissie nog 3 à 5 leden aan uit wetenschappelijke kringen of uit plaatselijke verenigingen die actief zijn op het vlak van natuurbehoud en bosbouw. Het mandaat loopt zes jaar en kan hernieuwd worden. Art. 17. De voorzitter van de adviescommissie nodigt de leden minstens acht kalenderdagen voor de vergadering uit met kennisgeving van de agenda. Elk lid kan een punt op de agenda plaatsen op voorwaarde dat hij dat ten minste tien dagen voor de vergadering aan de voorzitter meldt.
44
Op verzoek van een lid van de adviescommissie kunnen besluiten van de adviescommissie aan een stemming onderworpen worden. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend. Op voorstel van de adviescommissie kan de voorzitter een expert uitnodigen voor de bespreking van bepaalde problemen. De expert is echter niet stemgerechtigd. Art. 18. De leden van de adviescommissie worden niet bezoldigd. De leden en de externe experten zoals vermeld in artikel 17 hebben recht op een reis- en verblijfskostenvergoeding conform de algemene reglementering ter zake. Bij de berekening van die vergoeding worden de externe leden gelijkgesteld met ambtenaren van rang 10 tot 14.
HOOFDSTUK IV - Vergoeding Art. 19. Het bedrag van de vergoeding bedoeld in artikel 24 van het bosdecreet wordt berekend op basis van: -
de oppervlakte van de boseigendom, die werd erkend als bosreservaat; de waarde van de opstand; de te verwachten inkomsten door houtexploitatie.
De basisvergoeding bedraagt minimum 99,16 € en maximum 247,89 € per hectare. Als het jachtrecht echter wordt uitgeoefend, wordt de basisvergoeding per hectare met 49,58 € verminderd. De eigenaar moet jaarlijks een aanvraag indienen om de vergoeding te ontvangen; het bedrag van de vergoeding wordt berekend op basis van de gegevens uit het verslag van het Bosbeheer. Om de negen jaar kan de basisvergoeding worden aangepast op basis van de gewijzigde opstandwaarde van het bos. Als de eigenaar de erkenningsvoorwaarden niet naleeft, moet hij als hij in gebreke is gesteld bij aangetekende brief door de houtvester, de vergoeding terugstorten in het Fonds voor Preventie en Sanering inzake leefmilieu en natuur.
HOOFDSTUK V - Slotbepalingen Art. 20. De Vlaamse minister bevoegd voor de Landinrichting en het Natuurbehoud is belast met de uitvoering van dit besluit.
45
BIJLAGE
BEHEERSPLAN BOSRESERVAAT 1. Statuut 1.1. Datum van erkenning of aanwijzing (+ afschrift van het besluit van de Vlaamse regering) 2. Identificatie van het bos 2.1. Eigendom en identiteit van het bos 2.2. Kadastraal overzicht 2.3. Administratieve en geografische situering 2.4. Bestemming volgens gewestplan 2.5. Ligging in of nabij speciale beschermingszones 2.5.1. Geklasseerd landschap 2.5.2. Vogelrichtlijngebied 2.5.3. Niet-erkend natuurreservaat 2.5.4. Andere 2.6. Erfdienstbaarheden 2.7. Situatieplan op schaal 1/10.000 tot 1/25.000 met afbakening van de zones met integraal en gericht beheer 2.8. Geschiedenis 2.9. Kenmerken van het vroegere beheer 3. Algemene beschrijving 3.1. Beschrijving van de standplaats 3.1.1. Reliëf en hydrografie 3.1.2. Bodem, geologie 3.2. Beschrijving van het biologisch milieu 3.2.1. Flora 3.2.2. Fauna 3.2.3. Bestandsbeschrijving 3.2.4. Boomsoortensamenstelling en leeftijdsverdeling 3.2.5. Bestandskaart (schaal 1/5 000 of 1/10 000) 3.3. Statistische gegevens 3.3.1. Bosinventarisatie 3.3.2. Fytosociologische inventaris 3.3.3. Faunistische inventaris 3.3.4. Opbrengsten en diensten 4. Beheersdoelstellingen 4.1. Bosfuncties 4.1.1. De ecologische functie 4.1.2. De wetenschappelijke functie 4.1.3. De schermfunctie 4.2. Beheersdoelstellingen 4.2.1. Voor de zones met integraal beheer 4.2.2. Voor de zones met gericht beheer 5. Beheersrichtlijnen (alleen geldig voor zones met gericht beheer) 5.1. Maatregelen om de natuurlijke flora en fauna te herstellen of te behouden 5.2. Maatregelen om de inheemse boomsoorten te bevorderen 5.3. Maatregelen om de natuurlijke verjonging te stimuleren 5.4. Maatregelen om de ongelijkjarigheid en de ongelijkvormigheid te bevorderen 5.5. Maatregelen om het ecologisch evenwicht te bevorderen 5.6. Bosbouwtechnische aspecten van het beheersplan: bedrijfsvorm, kapbaarheid, verjongingswijze, omlooptijd, beheersindeling 5.7. Kapregeling 6. Bijzondere beheersrichtlijnen (alleen geldig voor zones met gericht beheer) 6.1. Bosbouwkundige werken 6.1.1. Bosverjongingsprogramma 6.1.2. Be- en herbebossingswerken 6.1.3. Omvormingen 6.1.4. Bosbehandelings- en verplegingswerken 6.1.5. Werken ter preventie van bosbranden (artikel 100) 6.1.6. Andere
46
6.2. Werken met betrekking tot de fytosociologische, faunistische, bodemkundige of landschappelijke waarde 6.2.1. Flora 6.2.2. Fauna 6.2.3. Bodem 6.2.4. Landschap 6.2.5. Andere 6.3. Uitzonderlijke werken, die een wijziging van de ecologische kenmerken tot gevolg hebben zoals genoemd in artikel 30 van het Bosdecreet 6.4. Uitzonderlijke werken, die een wijziging van de ecologische kenmerking voor gevolg hebben, zoals bedoeld in de artikelen 30 en 97, en waarvoor de adviescommissie voor de bosreservaten moet worden gehoord. 6.5. Richtlijnen met betrekking tot de sociale functie (artikel 10) 6.5.1. Toegankelijkheid - Plan wegennet met aanduiding van de opengestelde boswegen - aard en duur van de toegankelijkheid 6.5.2. Specifieke maatregelen ter bescherming van flora, fauna, bosverjonging m.b.t. de bosrecreatie 6.5.3. Richtlijnen m.b.t. de jacht 6.5.4. Andere (o.a. het gebruik van prikkeldraad artikel 97) 7. Openbaarheid van het beheersplan 8. Maatregelen in de onmiddellijke omgeving van het bosreservaat om nadelige beïnvloeding van buitenaf te stoppen (artikel 29) 8.1. Aard en doelstelling van deze maatregelen 8.2. Beheersovereenkomsten
47
22 juli 1993. - Besluit van de Vlaamse regering betreffende de toegankelijkheid en het occasionele gebruik van bossen. (B.S. 15 september 1993) 1
HOOFDSTUK I - Algemene bepalingen Art. 1. Dit besluit is niet van toepassing op de bossen of delen van bossen die door de Vlaamse regering als schermbos [... (geschr. B.V.R. 9 maart 1999, art. 1, I: 20 maart 1999)] werden aangewezen. Art. 2. [Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: 1° 2° 3°
bosgebruiker: elke persoon die zich, al dan niet gemotoriseerd, met een geldige reden van onderhoud, exploitatie, beheer of bewaking in het bos bevindt, ook buiten de wegen; motorvoertuig: elk voertuig uitgerust met een motor; occasioneel gebruik: elke activiteit waarbij de boswegen verlaten worden. (verv. B.V.R. 9 maart 1999, art. 2, I: 20 maart 1999)]
[Art. 2bis. (ing. B.V.R. 24 januari 1996, art. 1)] [De in bijlage afgebeelde borden hebben de volgende betekenis: 1° 2° 3° 4° 5° 6° 7° 8° 9°
G.01, G.01bis: alleen toegankelijk voor voetgangers; G.02, G.02bis: alleen toegankelijk voor fietsers; G.03, G.03bis: alleen toegankelijk voor ruiters; G.04, G.04bis: speelzone; V.01, V.01bis: verboden voor voetgangers; V.02, V.02bis: verboden voor fietsers; V.03, V.03bis: verboden voor ruiters; V.04, V.04bis: verboden toegang; V.05, V.05bis: verboden voor motorvoertuigen. (verv. B.V.R. 9 maart 1999, art. 3, I: 20 maart 1999)]
HOOFDSTUK II - Bepalingen geldend voor alle openbare bossen Art. 3. [De toegang tot de boswegen wordt aangegeven met behulp van de in de bijlage afgebeelde borden G.01 tot en met G.04 en V.01 tot en met V.05. In de gemeenten, bedoeld in artikelen 7, 8, 3°, 4°, 6°, 8° en 10°, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, worden in de plaats van de borden G.01 tot en met G.04 en V.01 tot en met V.05 de in de bijlage afgebeelde borden G.01bis tot en met G.04bis en V.01bis tot en met V.05bis gebruikt. (verv. B.V.R. 9 maart 1999, art. 4, I: 20 maart 1999)] Art. 4. Dienstvoertuigen hebben toegang tot alle boswegen. Art. 5. Overeenkomstig artikel 10, § 2, van het bosdecreet van 13 juni 1990 mag het publiek de boswegen niet verlaten. Onder publiek wordt verstaan elke persoon die voor stille recreatie of educatie het bos bezoekt. Art. 6. Bossen of bosgedeelten die in verweerd worden gesteld aangeduid met het bord vermeld onder nr. V.04 in de bijlage bij dit besluit.
1
B.V.R. 24 januari 1996, B.S., 30 april 1996, wijzigt de artikelen 3, 8, 14 en de bijlage voegt de artikelen 2bis en 15bis in B.V.R. 9 maart 1999, B.S., 20 maart 1999, wijzigt de artikelen 1, 2, 2bis, 3, 8, 11, 13, 14, 15 en 16; wijzigt de bijlage, voegt de artikelen 10bis en 12bis in, heft artikel 15bis op. De borden die voor de inwerkingtreding van het besluit van 9 maart 1999 werden aangemaakt of geplaatst, conform de bijlage bij het besluit van de Vlaamse regering van 22 juli 1993 betreffende de toegankelijkheid en het occasionele gebruik van bossen, gewijzigd bij besluit van 24 januari 1996 blijven rechtsgeldig ZIE OOK: omz. LNW 97/1 van 18 februari 1997, B.S., 15 april 1997
48
Art. 7. Behoudens deelname aan activiteiten toegestaan door of krachtens het jachtdecreet, moeten honden aan de lijn gehouden worden en mogen zij de boswegen niet verlaten. Gezelschapsdieren, andere dan honden, moeten altijd aan de lijn worden gehouden. Art. 8. § 1. [Voor het occasionele gebruik is geen machtiging vereist, indien het zich beperkt tot één van de volgende activiteiten: 1° 2° 3° 4° 5° 6°
de werkzaamheden eigen aan de bosgebruiker; de regelmatig verpachte jacht, het faunabeheer en de visserij; natuurwandelingen onder leiding van natuurgidsen; spelen met min-18-jarigen en hun begeleiders in de daartoe door het Bosbeheer of de eigenaar aangewezen speelzones; het gebruik van bosvrije oppervlakten, stroken, lig- en speelweiden, met al dan niet recreatieve uitrustingen, voor zover dit plaatsvindt overeenkomstig het reglement op de toegankelijkheid; het aanbrengen van wegaanduidingen voor de organisatie van wandelingen die op de opengestelde boswegen plaatsvinden.
De zones, bedoeld in het eerste lid, 4°, worden vermeld op de infopanelen aan de hoofdingangen van het bos. Spelen door min-18-jarigen en hun begeleiders buiten deze zones is slechts mogelijk mits toestemming van het Bosbeheer voor de domeinbossen en van de eigenaar voor de overige openbare bossen. De wegaanduidingen bedoeld in het eerste lid, 6° dienen tevens de datum van de wandeling, de organiserende vereniging en naam en adres van de verantwoordelijke te vermelden. Het aanbrengen van de wegaanduidingen mag geen schade aan de bosinfrastructuur of de vegetatie veroorzaken. De wegaanduidingen dienen binnen de 24 uur na de organisatie van de activiteit verwijderd te worden. (verv. B.V.R. 9 maart 1999, art. 5, I: 20 maart 1999)] § 2. Andere vormen van occasioneel gebruik zijn onderworpen aan een voorafgaande toestemming van de eigenaar en een voorafgaande en voorwaardelijke machtiging van de woudmeester. Het verzoek daartoe moet tenminste veertien dagen van tevoren worden ingediend. Art. 9. Om veiligheidsredenen en om redenen van brandgevaar kan de boswachter of de houtvester het boswegennet tijdelijk afsluiten.
HOOFDSTUK III - De toegankelijkheid van de domeinbossen Art. 10. De houtvester stel voor elk domeinbos een reglement op dat de toegankelijkheid regelt. Dit reglement moet worden goedgekeurd door de woudmeester. Een uittreksel ervan wordt aan de voornaamste ingangen van het domeinbos opgehangen. [Art. 10bis. Het Bosbeheer bepaalt, na de gemeentelijke Jeugdraad te hebben gehoord, welke domeinbossen of delen ervan permanent of gedurende een vaste periode in het jaar als speelzone voor min-18-jarigen en hun begeleiders ingesteld worden. (ing. B.V.R. 9 maart 1999, art. 6, I: 20 maart 1999)] Art. 11. § 1. [Voor de volgende activiteiten, die alleen op de boswegen mogen plaatsvinden, is een machtiging van de woudmeester vereist: 1° 2°
activiteiten met commerciële doeleinden; activiteiten waarbij gebruik gemaakt wordt van wegaanduidingen, met uitzondering van deze vermeld in artikel 8 van dit besluit. (verv. B.V.R. 9 maart 1999, art. 7, I: 20 maart 1999)]
§ 2. Voor georganiseerde sportactiviteiten is een machtiging van de woudmeester vereist. HOOFDSTUK IV - De toegankelijkheid van de overige openbare bossen
49
Art. 12. De eigenaar van een openbaar bos, ander dan domeinbos, stelt na advies van de woudmeester een reglement op dat toegankelijkheid regelt. Dit reglement wordt aan het publiek bekendgemaakt. Het reglement op de toegankelijkheid wordt integraal opgenomen in het goedgekeurd beheersplan van het betrokken bos. Het ontbreken van een goedgekeurd beheersplan ontslaat de eigenaar niet van de verplichting een reglement op de toegankelijkheid vast te stellen. [Art. 12bis. De eigenaar bepaalt, na de gemeentelijke Jeugdraad en het Bosbeheer te hebben gehoord, welke delen van zijn bos permanent of gedurende een vaste periode in het jaar als speelzone voor min-18-jarigen en hun begeleiders ingesteld worden. Deze beslissing wordt onverwijld meegedeeld aan het Bosbeheer. (ing. B.V.R. 9 maart 1999, art. 8, I: 20 maart 1999)] Art. 13. [Voor de activiteiten, vermeld in artikel 11, § 1, is een machtiging van de eigenaar vereist. (verv. B.V.R. 9 maart 1999, art. 9, I: 20 maart 1999)]
HOOFDSTUK V - De toegankelijkheid van de privé-bossen Art. 14. § 1. [De eigenaar die een overeenkomst heeft afgesloten met een openbaar bestuur over het toegankelijk maken van zijn bos, moet een reglement opstellen dat minstens de volgende informatie geeft: 1° welke boswegen toegankelijk zijn voor respectievelijk voetgangers, fietsers en ruiters; 2° de openingstijden en -periodes; 3° inlichtingen over de speelzones en bosvrije oppervlakten, als bedoeld in artikel 8, § 1, 4° en 5°. § 2. De toegang tot de boswegen wordt aangewezen met behulp van de in de bijlage afgebeelde borden G.01 tot en met G.04 en V.01 tot en met V.05. In de gemeenten, bedoeld in artikelen 7, 8, 3°, 4°, 6°, 8° en 10°, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, worden in de plaats van de borden G.01 tot en met G.04 en V.01 tot en met V.05 de in de bijlage afgebeelde borden G.01bis tot en met G.04bis en V.01bis tot en met V.05bis gebruikt. (verv. B.V.R. 9 maart 1999, art. 10, I: 20 maart 1999)] Art. 15. [§ 1. De eigenaar bepaalt, na het Bosbeheer te hebben gehoord, welke delen van zijn bos permanent of gedurende een vaste periode als speelzone voor min-18-jarugen en hun begeleiders ingesteld worden. Deze beslissing wordt onverwijld meegedeeld aan het Bosbeheer. Spelen buiten deze zones is slechts toegestaan na een voorafgaande toestemming van de eigenaar. § 2. Voor de vormen van occasioneel gebruik, vermeld in artikel 8, §1, is geen machtiging van het Bosbeheer vereist. Andere vormen van occasioneel gebruik dan deze vermeld in artikel 8, § 1 en in § 1, zijn onderworpen aan een voorafgaande toestemming van de eigenaar en een voorafgaande en voorwaardelijke machtiging van de woudmeester. Het verzoek daartoe moet ten minste veertien dagen van tevoren worden ingediend. (verv. B.V.R. 9 maart 1999, art. 11, I: 20 maart 1999)]
[HOOFDSTUK VBIS - Bijzondere bepalingen betreffende de randgemeenten en de taalgemeenten (ing. B.V.R. 24 januari 1996, art. 5)]
[Art. 15bis. (ing. B.V.R. 24 januari 1996, art. 5)] [... (opgeh. B.V.R. 9 maart 1998, art. 14)]
50
Art. 16. [Het Bosbeheer maakt ten behoeve van de jeugd overzichtskaarten waarop alle speelzones in de Vlaamse bosgebieden vermeld staan. Deze kaarten worden gratis ter beschikking gesteld. (verv. B.V.R. 9 maart 1999, art. 12, I: 20 maart 1999)]
HOOFDSTUK VI - Slotbepalingen [Art. 17. (verv. B.V.R. 9 maart 1999, art. 12)] De Vlaamse minister bevoegd voor de landinrichting en het natuurbehoud is belast met de uitvoering van dit besluit. Bijlage:
51
52
53
54
55
56
14 juli 1994 - Ministerieel besluit houdende goedkeuring van het huishoudelijk reglement van het comité van beroep met betrekking tot de beheersplannen van privé-bossen. (B.S., 24 september 1994)
Enig artikel Het huishoudelijk reglement van het comité van beroep m.b.t. de beheersplannen van privé-bossen, vermeld in bijlage van dit besluit, wordt goedgekeurd. BIJLAGE COMITE VAN BEROEP M.B.T. BEHEERSPLANNEN VAN PRIVE-BOSSEN HUISHOUDELIJK REGLEMENT Art. 1. Het secretariaat van het comité wordt waargenomen door de ambtenaar belast met de opvolging van de dossiers m.b.t. het privé-bos op het hoofdbestuur van het Bosbeheer, lid van het comité. Deze ambtenaar wordt verder secretaris genoemd. Art. 2. Binnen de veertien dagen na de ontvangst van het verzoekschrift, bepaalt de voorzitter een datum voor de zitting van het comité. De zitting vindt plaats binnen de drie maanden na de ontvangst van het verzoekschrift. Art. 3. De secretaris stuurt tesamen met een uitnodiging voor de zitting een kopie van het dossier naar de leden van het comité. Art. 4. De verzoeker en de woudmeester van de betrokken provincie worden bij aangetekende brief opgeroepen voor de zitting met vermelding van dag, plaats en uur. De partijen zijn vrij al dan niet op de zitting aanwezig te zijn. Art. 5. De verzoeker kan zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat of een technisch raadsman op zijn kosten. De woudmeester kan zich laten bijstaan door de ambtenaar privé-bos van de betrokken provincie. Art. 6. Het comité kan eenieder horen die het wenselijk acht. Art. 7. Het zittingsblad vermeldt naast datum, uur en plaats, de partijen, het bos waarop het beroep betrekking heeft, de aanwezigen, de personen die gehoord werden en de datum waarop de beslissing genomen wordt. Art. 8. Na de partijen gehoord te hebben, beraadslaagt het comité. Het comité oordeelt over de ontvankelijkheid van het beroep. Indien nodig kan het comité een tweede zitting bepalen en/of een plaatsbezoek. In voorkomend geval stelt de voorzitter hiervoor datum, tijd en plaats vast. Zoniet worden de debatten gesloten. Van het plaatsbezoek wordt een verslag opgesteld door de secretaris. Het wordt door de leden ondertekend. Art. 9. Binnen de maand na het sluiten van de debatten doet het comité uitspraak met een gemotiveerde beslissing. De beslissing gebeurt collegiaal. Goedgekeurd door het comité op 6 juni 1994. Goedgekeurd door
57
16 februari 2001 - Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van nadere regels inzake compensatie van ontbossing en ontheffing van het verbod op ontbossing.
De Vlaamse regering, Gelet op het bosdecreet van 13 juni 1990, inzonderheid op artikel 90bis, ingevoegd bij het decreet van 21 oktober 1997 en vervangen bij het decreet van 17 juli 2000; Gelet op het decreet van 17 juli 2000 houdende wijziging van artikel 90bis van het bosdecreet van 13 juni 1990, inzonderheid op artikel 4; Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 26 november 1999 tot vaststelling van nadere regels inzake compensatie van ontbossing en ontheffing van het verbod op ontbossing, dat bij onderhavig besluit wordt opgeheven; Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 14 juli 2000; Gelet op de aanvraag van 31 juli 2000 om advies van de Raad van State binnen een termijn van ten hoogste één maand; dat dit advies tot op heden nog niet werd verstrekt; Gelet op de dringende noodzakelijkheid, gemotiveerd door de omstandigheid dat het decreet van 17 juli 2000 houdende wijziging van artikel 90bis van het bosdecreet van 13 juni 1990 een aantal belangrijke wijzigingen met betrekking tot het afleveren van een stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing en de compensatie bij ontbossing aanbrengt, waarbij het in voege treden van dit decreet afhangt van de bekrachtiging van onderhavig uitvoeringsbesluit; dat tot zolang het besluit van de Vlaamse regering van 26 november 1999 van kracht blijft; dat onderhavig uitvoeringsbesluit de bosbehoudsbijdrage, die in het voormelde besluit werd vastgelegd, wijzigt en ook de modaliteiten van de vrijstelling van de compensatieplicht specificeert; dat verder het decreet van 17 juli 2000 voor alle conform de in het besluit van 26 januari 1999 vervatte regeling afgehandelde dossiers, voorziet in de terugbetaling van de bosbehoudsbijdrage in geval het dossier volgens de nieuwe regeling van de vrijstelling kan genieten of in een gedeeltelijke terugbetaling in geval volgens de nieuwe criteria een lagere bosbehoudsbijdrage van toepassing zou zijn; dat ondertussen reeds 543 dossiers afgehandeld zijn, goed voor een ontbossing van +/- 60 ha; dat er hiervan 478 dossiers zijn waarbij een financiële compensatie werd voorgesteld; dat dit inhoudt dat voor de grote meerderheid van deze dossiers een terugbetaling noodzakelijk zal zijn; dat het aantal aanvraagdossiers stelselmatig blijft stijgen; dat het aangewezen is om deze, conform de bij onderhavig besluit vastgestelde regeling, zo snel mogelijk te behandelen; dat, om de in het decreet van 17 juli 2000 voorziene terugbetaling voor voormelde dossiers binnen een aanvaardbare termijn uit te voeren, het aantal te herziene dossiers niet verder mag toenemen; Gelet op de beslissing van de Vlaamse Regering van 19 januari 2001 waarbij de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw gemachtigd werd tot de aanvraag om advies van de Raad van State binnen een termijn van ten hoogste drie dagen; Gelet op het advies van de Raad van State gegeven op 25 januari 2001, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Op voorstel van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw; Na beraadslaging,
BESLUIT :
58
HOOFDSTUK I - Algemene bepalingen Artikel 1. §1. Dit besluit is niet van toepassing op de bossen die op het grondgebied van meer dan één gewest gelegen zijn. §2. De bepalingen van dit besluit gelden niet in geval van toepassing van artikel 47, tweede lid, of artikel 87, vijfde lid, van het bosdecreet. Art. 2. De stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing kan niet worden verleend vooraleer het Bosbeheer het door de aanvrager van de vergunning ingediende voorstel tot compensatie van de ontbossing al dan niet stilzwijgend heeft goedgekeurd of heeft aangepast. De verkavelingsvergunning voor een geheel of ten dele beboste grond, waarvoor de aanvraag wordt ontvangen na de inwerkingtreding van het decreet van 17 juli 2000, kan niet worden verleend vooraleer het Bosbeheer het door de aanvrager van de vergunning ingediende voorstel tot compensatie van de beboste delen van de verkaveling al dan niet stilzwijgend heeft goedgekeurd of heeft aangepast.
HOOFDSTUK II - Compensatie voor ontbossing en voor verkaveling van beboste grond. Afdeling 1. Wijze van compensatie Art. 3. Door de aanvrager van de stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing wordt een voorstel tot compensatie van de ontbossing ingediend, dat bestaat uit: 1° 2° 3°
4° 5°
hetzij een compenserende bebossing die in overeenstemming is met de bepalingen van artikel 4 en die zal worden uitgevoerd door de houder van de vergunning; hetzij een verbintenis van de aanvrager om een compenserende bebossing die in overeenstemming is met de bepalingen van artikel 4 te laten uitvoeren door een derde; hetzij een compenserende bebossing die zal worden uitgevoerd door de houder van de vergunning, in combinatie met een verbintenis van de aanvrager om voor het overige gedeelte de compenserende bebossing te laten uitvoeren door een derde, zodat door de combinatie van beide compenserende bebossingen wordt voldaan aan alle bepalingen van artikel 4; hetzij een verbintenis van de aanvrager om een bosbehoudsbijdrage als bedoeld in artikel 5, eerste lid, te betalen; hetzij een compenserende bebossing die in overeenstemming is met de bepalingen van artikel 4, tweede, derde en vierde lid, doch niet met deze van het eerste lid van artikel 4, in combinatie met een verbintenis om een bosbehoudsbijdrage als bedoeld in artikel 5, tweede lid, te betalen voor het gedeelte van het te ontbossen terrein waarvoor geen compenserende bebossing wordt voorgesteld.
Art. 4. De oppervlakte van de compenserende bebossing moet overeenkomstig artikel 90bis, §4, tweede lid, van het bosdecreet minstens gelijk zijn aan de te ontbossen oppervlakte. De aan de ontbossing gelijkwaardige compenserende bebossing wordt bepaald overeenkomstig bijlage I, gevoegd bij dit besluit, aan de hand van de oppervlakte van het bos en de boomsoortensamenstelling. Een compenserende bebossing kan slechts, met inachtneming van alle wettelijke en reglementaire bepalingen, worden uitgevoerd op terreinen die nog niet bebost zijn. Deze bebossing moet bovendien worden uitgevoerd in zones met de bestemming groengebied, natuurontwikkelingsgebied, parkgebied, buffergebied, bosgebied, bosuitbreidingsgebied, agrarisch gebied in de ruime zin, recreatiegebied, gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen of de met al deze gebieden vergelijkbare gebieden, aangeduid op de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen. Een compenserende bebossing kan niet gebeuren op terreinen die reeds buiten het kader van artikel 90bis van het bosdecreet dienen bebost of herbebost te worden hetzij ingevolge een gerechtelijke beslissing, hetzij ingevolge een contractuele of eenzijdige verbintenis.
59
De compenserende bebossing dient als bos, zoals bepaald in artikel 3 van het bosdecreet, in stand gehouden te worden voor een periode van tenminste 25 jaar na de datum van aanplanting, behoudens het akkoord van het Bosbeheer. Art. 5. De bosbehoudsbijdrage is gelijk aan de grootte van de gelijkwaardige compenserende bebossing zoals bepaald in artikel 4, uitgedrukt in m², vermenigvuldigd met 1,98 €/m². In het geval van artikel 3, 5° is de bosbehoudsbijdrage gelijk aan de vermenigvuldiging van 1,98 €/m² met het resultaat van, de oppervlakte van de compenserende bebossing, uitgedrukt in vierkante meter, waarvan de grootte berekend is krachtens artikel 4, verminderd met de oppervlakte van de voorgestelde compenserende bebossing, uitgedrukt in vierkante meter. Afdeling 2. Procedure Art. 6. De aanvrager van de stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing voegt bij zijn aanvraag een voorstel tot compensatie dat bestaat uit een van de maatregelen, bedoeld in artikel 3. Behalve in het geval, bedoeld in artikel 3, 4°, wordt bij het voorstel tot compensatie een bebossingsplan gevoegd. Het voorstel tot compensatie moet worden ingevuld op een formulier, waarvan het model gevoegd is in bijlage II, gevoegd bij dit besluit. Art. 7. Het formulier, bedoeld in artikel 6, derde lid, wordt, samen met de adviesaanvraag, bedoeld in artikel 90bis, §1, tweede lid, van het bosdecreet, aan het Bosbeheer overgezonden door de vergunningverlenende overheid. Art. 8. Binnen 30 dagen na ontvangst van de adviesaanvraag, deelt het Bosbeheer zijn advies, bedoeld in artikel 90bis, §1, tweede lid, van het bosdecreet, en zijn beslissing over de voorgestelde compensatie aan de vergunningverlenende overheid mee. Indien het Bosbeheer oordeelt dat de voorgestelde compensatie in overeenstemming is met de bepalingen van artikel 3 tot en met 5, vermeldt het zijn akkoord op het formulier. Indien de door de aanvrager voorgestelde compensatie door het Bosbeheer als niet in overeenstemming met dit besluit wordt beoordeeld, vermeldt het zijn akkoord op het formulier onder de voorwaarde dat de door het Bosbeheer aangepaste compensatiemaatregelen, uitgewerkt overeenkomstig artikel 3 tot en met 5, in acht worden genomen. Deze aangepaste compensatiemaatregelen kunnen bestaan uit: 1° 2° 3°
een aanvullende bosbehoudsbijdrage, in het geval de overeenkomstig artikel 3, 4° of 5° voorgestelde bosbehoudsbijdrage niet in overeenstemming is met artikel 5; een aanvullende bosbehoudsbijdrage in het geval de oppervlakte van de overeenkomstig artikel 3, 1°, 2° of 3° voorgestelde compenserende bebossing niet voldoet aan artikel 4. De aanvullende bosbehoudsbijdrage wordt berekend overeenkomstig artikel 5, tweede lid; een aanpassing van het voorgestelde bebossingsplan om bosbouwtechnische redenen.
Indien het formulier niet tijdig wordt teruggezonden naar de vergunningverlenende overheid, wordt dit beschouwd als een goedkeuring van het voorstel van de aanvrager. In dit geval brengt deze overheid op het formulier een vermelding aan, luidens welke het voorstel stilzwijgend is goedgekeurd bij ontstentenis van een uitdrukkelijke beslissing van het Bosbeheer binnen de in het eerste lid bedoelde termijn. De houder van de stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing die aan de compensatieplicht is onderworpen, moet de compenserende bebossing uitvoeren binnen een periode van twee jaar. De bosbehoudsbijdrage moet hij betalen binnen een termijn van vier maanden. In beide gevallen gaat de termijn in vanaf de datum waarop krachtens de wetgeving inzake ruimtelijke ordening van een stedenbouwkundige vergunning gebruik mag worden gemaakt.
60
Art. 9. Het formulier, bedoeld in artikel 6, aangevuld overeenkomstig artikel 8, tweede, derde of vierde lid, wordt samen met de stedenbouwkundige vergunning aan de aanvrager toegestuurd en maakt integraal deel uit van die vergunning. De vergunningverlenende overheid vermeldt in de stedenbouwkundige vergunning dat deze op grond van artikel 90bis, §5, derde lid, van het bosdecreet verleend wordt onder de voorwaarden zoals opgenomen in het in het eerste lid bedoelde formulier. Art. 10. Wanneer de compensatiemaatregel of – maatregelen volledig zijn uitgevoerd, wordt dit op verzoek van de vergunninghouder door het Bosbeheer, en in het geval van een bebossing na een controle ter plaatse, geattesteerd. Het Bosbeheer bezorgt een afschrift van dit attest aan de overheid die de stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing heeft verleend. Afdeling 3. Diverse bepalingen Art. 11. De houder van de stedenbouwkundige vergunning die zelf de compenserende bebossing uitvoert of de derde die garant staat voor de uitvoering van de compenserende bebossing verbindt zich ertoe: 1° 2° 3°
minstens 30 dagen voordat de compenserende bebossing wordt uitgevoerd dit aan het Bosbeheer te melden; de ambtenaren van het Bosbeheer in staat te stellen om het terrein in kwestie vooraf te onderzoeken of er de uitgevoerde beplantingen te beoordelen; dat het Bosbeheer, indien het na een controle ter plaatse binnen vijf jaar na het afleveren van het attest, bedoeld in artikel 10, vaststelt dat de aanplanting niet geslaagd is, een beroep kan doen op derden voor het uitvoeren van de bebossing en de kosten voor het uitvoeren van deze werkzaamheden en van het onderhoud gedurende vijf jaar na de aanplanting op de aanvrager kan verhalen. Een aanplanting wordt pas als geslaagd beschouwd wanneer ten minste 80% van het aangeplante stamtal bij de controle nog in leven is en deze levende bomen en struiken regelmatig gespreid over het terrein voorkomen.
Art. 12. Het Bosbeheer houdt een register bij van de bebossingen in het kader van dit besluit. Afdeling 4. Compensatie voor verkaveling van beboste grond Art. 13. De bepalingen van artikel 3 tot en met 12 zijn eveneens van toepassing op de aanvragen van de in artikel 2, tweede lid, bedoelde verkavelingvergunning met dien verstande dat niet een ontbossing of een te ontbossen oppervlakte gecompenseerd moet worden, maar de beboste delen of de beboste oppervlakte van de verkaveling met uitzondering van de oppervlakte van de in de aanvraag vermelde of als last aan de verkavelaar opgelegde beboste groene ruimten. Het voorstel van compensatie voor de beboste delen van een te verkavelen grond moet worden ingevuld op een geëigend formulier, waarvan het model gevoegd is in bijlage III, gevoegd bij dit besluit.
HOOFDSTUK III - Ontheffing van het verbod op ontbossing Art. 14. §1. De Vlaamse minister, bevoegd voor het natuurbehoud, kan de in artikel 90bis, §1, derde lid, van het bosdecreet bedoelde ontheffing verlenen op individueel en gemotiveerd verzoek. Deze ontheffing moet via een aangetekend schrijven worden aangevraagd bij het Bosbeheer en moet om als volledig te worden beschouwd de volgende elementen bevatten: 1° 2° 3°
de identiteit van de eigenaar of houder van het zakelijk recht en zonodig de identiteit van de gevolmachtigd beheerder of aanvrager. De geschreven volmacht moet worden bijgevoegd; een grondige motivatie tot afwijking van het verbod op ontbossing; een door de aanvrager ondertekende situatietekening op een kopie van een stafkaart met schaal 1/25.000 met vermelding van de straatnaam of de gangbare plaatsnaam;
61
4°
5°
de gegevens inzake de betreffende percelen: a) een uittreksel uit de kadastrale legger; b) de bestemming volgens het geldende plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan; c) de eventuele rangschikking als landschap; d) een beschrijving en een situering op een kaart (schaal 1/5000) van de geplande werken; e) het eventuele beheersplan waaraan deze percelen onderworpen zijn; f) de vermelding of er voor het gebied al dan niet een natuurrichtplan overeenkomstig artikel 48 en 50 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu moet opgesteld worden of van toepassing is; g)de te ontbossen oppervlakte, uitgedrukt in m², waarvoor de ontheffing wordt aangevraagd; een ecologische evaluatie van de gevolgen van de voorgestelde ingreep en de hieraan gekoppelde maatregelen die worden voorgesteld ter naleving van de zorgplicht, opgelegd door artikel 14 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.
§2. Het Bosbeheer onderzoekt de aanvraag tot ontheffing van het verbod op ontbossing op haar ontvankelijkheid en volledigheid overeenkomstig hetgeen bepaald in §1. Wordt de aanvraag onontvankelijk of onvolledig bevonden, dan wordt de aanvrager binnen 14 kalenderdagen na de indiening van de aanvraag hiervan door het Bosbeheer schriftelijk in kennis gesteld, met vermelding van de reden van onontvankelijkheid of met vermelding van gegevens en/of documenten die ontbreken of nadere toelichting vereisen. Wordt de aanvraag ontvankelijk en volledig bevonden, dan wordt de aanvrager binnen 14 kalenderdagen na de indiening van de aanvraag hiervan door het Bosbeheer schriftelijk in kennis gesteld. De behandelingstermijn vangt aan op de datum van de verzending van voormelde brief. Art. 15. Op basis van het advies van het Bosbeheer neemt de Vlaamse minister, bevoegd voor het natuurbehoud, binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de aanvangsdatum van de behandelingstermijn, een met reden omklede beslissing over de ontheffing van het verbod op ontbossing, eventueel gekoppeld aan voorwaarden. Deze beslissing wordt per aangetekende zending aan de aanvrager van de ontheffing van het verbod op ontbossing medegedeeld. Ingeval er geen beslissing wordt genomen binnen de voormelde termijn van drie maanden, wordt de aanvraag tot ontheffing van het verbod tot ontbossing geacht te zijn afgewezen. Art. 16. Indien een ontheffing van het verbod op ontbossing werd verleend, moet de aanvrager van de stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing naast het voorstel tot compensatie, bedoeld in artikel 3, ook een [kopie] van de beslissing tot ontheffing voorleggen aan de vergunningverlenende overheid. (BVR 23 april 2004, art. 24)
HOOFDSTUK IV - Vrijstelling van de compensatieplicht Art. 17. De aan de stedenbouwkundige vergunningsplicht onderworpen ontbossing wordt vrijgesteld van de compensatieplicht voor de eerste vijf are indien zij uitgevoerd wordt in het licht van de woningbouw op percelen kleiner dan twaalf are in zones met de bestemming woongebied in de ruime zin of in zones met een daarmee gelijk te stellen bestemming. De aanvrager van een stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing kan slechts eenmaal de in het eerste lid bedoelde vrijstelling van de compensatieplicht bekomen. Bovendien kan hij deze vrijstelling slechts bekomen indien hij een natuurlijke persoon is en hij op datum van zijn aanvraag niet reeds de volle eigendom heeft van een woning.
HOOFDSTUK V - Strafbepalingen Art. 18. Overtredingen van dit besluit worden opgespoord, vervolgd en bestraft overeenkomstig de bepalingen van het Bosdecreet van 13 juni 1990.
62
HOOFDSTUK VI - Slotbepalingen Art. 19. Het besluit van de Vlaamse regering van 26 november 1999 tot vaststelling van nadere regels inzake compensatie van ontbossing en ontheffing van het verbod op ontbossing wordt opgeheven. Art. 20. Het decreet van 17 juli 2000 en dit besluit treden in werking op de datum van de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad. Art. 21. De Vlaamse minister, bevoegd voor het natuurbehoud, wordt gemachtigd de modellen van de formulieren, die gevoegd zijn als bijlagen II en III bij dit besluit, te wijzigen of te vervangen. Art. 22. De Vlaamse minister, bevoegd voor het natuurbehoud, is belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel, ... De minister-president van de Vlaamse regering, Patrick DEWAEL
De Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw, Vera DUA
63
BIJLAGE I: De grootte van een gelijkwaardige bebossing is gelijk aan de oppervlakte van de ontboste oppervlakte, vermenigvuldigd met de compensatiefactor. Deze compensatiefactor is afhankelijk van de boomsoortensamenstelling en wordt bepaald aan de hand van de onderstaande tabel. Compensatiefactor Type bos Inheems loofbos: grondvlak bestaat uit minstens 80% inheems loofhout.
Compensatiefactor 2
Gemengd bos: grondvlak inheems loofhout ligt tussen 20 en 80% Niet – inheems loofbos en/of naaldbos: grondvlak bestaat uit minstens 80% niet - inheems loofhout, naaldhout of een menging hiervan.
1.5 1
Het grondvlak wordt gedefinieerd als de som van de gezamenlijke oppervlakte van de stamdoorsneden van de bomen, aanwezig op een perceel, gemeten op 1.5 m hoogte en uitgedrukt in m² per ha. Bestanden waarvan de opperetage uit minstens 75% cultuurpopulier bestaat, vallen in de klasse niet–inheems loofbos. De loofboomsoorten zoals vermeld in onderstaande tabel worden beschouwd als inheemse loofboomsoorten. Zomereik (Quercus robur) Wintereik (Quercus petraea) Es (Fraxinus excelsior) Beuk (Fagus sylvatica) Zoete kers (Prunus avium) Haagbeuk (Carpinus betulus) Linde (Tilia cordata, T. platyphyllos en T. x vulgaris Olm (Ulmus glabra en U. minor)
Zwarte els (Alnus glutinosa) Gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus) Tamme kastanje (Castanea sativa) Wilg (Salix alba, S. fragilis en S. x rubens) Ratelpopulier (Populus tremula) Grauwe abeel (Populus canescens) Berk (Betula pendula en Betula pubescens)
Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse regering van 16 februari 2001 tot vaststelling van nadere regels inzake compensatie van ontbossing en ontheffing van het verbod op ontbossing. Brussel, … De minister-president van de Vlaamse regering, Patrick DEWAEL De Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw, Vera DUA
64
Bijlage II
COMPENSATIEMAATREGELEN BIJ ONTBOSSING Formulier, in te vullen door de aanvrager van een stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing
Ik,
ondergetekende,................................................................................……….....................................
woon in..........................................................................................................….............…….
en wens
over te gaan tot de ontbossing van het (de) perce(e)l(en), gelegen te .......……..................... .
Ontbossing met het oog op woningbouw In te vullen door de aanvrager van de stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing, indien er ontbost wordt met het oog op woningbouw
Het (de) perce(e)l(en) waarop de ontbossing met het oog op woningbouw plaatsheeft, heeft een oppervlakte van ……………….m² en is gelegen in1: □ een zone met de bestemming woongebied in de ruime zin □ een zone met een daarmee gelijk te stellen bestemming: ………………………………………… De te ontbossen oppervlakte bedraagt…………………m².
Aangezien de oppervlakte van het (de) perce(e)l(en) waarop de ontbossing met het oog op woningbouw plaatsheeft, kleiner is dan twaalf aren wordt de aan de stedenbouwkundige vergunningsplicht onderworpen ontbossing vrijgesteld van de compensatieplicht voor de eerste vijf aren.
Ik verklaar op erewoord dat ik een natuurlijke persoon ben en op datum van de aanvraag noch reeds de volle eigendom van een woning heb, noch reeds een vrijstelling van de compensatieplicht voor dit (deze) perce(e)l(en) of enig ander perceel heb verkregen.
Opgemaakt te………….. op……………….. De aanvrager (handtekening)
Details te ontbossen percelen 1
Duid aan wat van toepassing is. 65
In te vullen door de aanvrager van de stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing Het (De) te ontbossen perce(e)l(en) he(bben)eft de volgende gegevens: Kadastrale percelen
Oppervlakte (m²) Oppervlakte bos (m²)
Compensatie- Opp. (m²) 1 3 factor resterend X Compensatiefactor Opp. (m²) 2 resterend
Te ontbossen opp. (m²) Opp.(m²) vrijstelling
De totaal te compenseren oppervlakte op deze percelen bedraagt : m² = (1) Ik verklaar hierbij aan de compensatieplicht conform art. 90bis van het bosdecreet van 13 juni 1990 te voldoen3: 1. uitsluitend door het betalen van een bosbehoudsbijdrage voor de volledige te compenseren oppervlakte In te vullen: LUIK 1, punt 1 2. uitsluitend door het uitvoeren van een compenserende bebossing voor de volledige te compenseren oppervlakte In te vullen: LUIK 2 3. uitsluitend door het uitvoeren van een compenserende bebossing voor de volledige te compenseren oppervlakte via een verbintenis van een derde In te vullen: LUIK 3 4. door de combinatie: bosbehoudsbijdrage + compenserende bebossing In te vullen: LUIK 1, punt 2 + LUIK 2 5. door de combinatie: bosbehoudsbijdrage + compenserende bebossing via een derde In te vullen: LUIK1, punt 2 + LUIK 3 6. door de combinatie: bosbehoudsbijdrage + compenserende bebossing + compenserende bebossing via een derde In te vullen: LUIK 1, punt 2 + LUIK 2 + LUIK 3 7. door de combinatie: compenserende bebossing + compenserende bebossing via een derde In te vullen : LUIK 2 + LUIK 3 LUIK 1: BOSBEHOUDSBIJDRAGE: enkel in te vullen wanneer de compensatie volledig of gedeeltelijk via het betalen van een bosbehoudsbijdrage wordt verricht
1
Compensatiefactor = 2: inheems loofbos; Compensatiefactor = 1,5: gemengd bos; Compensatiefactor = 1: nietinheems loofbos en/of naaldbos
2
De resterende oppervlakte = de te ontbossen oppervlakte min de oppervlakte waarvoor een vrijstelling wordt bekomen 3 Duid aan wat van toepassing is. 66
In te vullen door de aanvrager van de stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing
1. Als de compensatieplicht volledig via het betalen van een bosbehoudsbijdrage wordt uitgevoerd Ik verklaar hierbij aan de compensatieplicht conform art. 90bis van het bosdecreet van 13 juni 1990 te voldoen door het betalen van een bosbehoudsbijdrage. Deze bosbehoudsbijdrage bedraagt: 1,98 EUR per m² x ………………………………………m² (1) = ……..………..….EUR
Opgemaakt te …………………………., op ………………………….
Voor akkoord, op ……………………….
De aanvrager (handtekening)
Voor het Bosbeheer,
2. Als de compensatieplicht gedeeltelijk via een compenserende bebossing wordt uitgevoerd, al dan niet via een derde, en voor de resterende compensatie een bosbehoudsbijdrage wordt betaald De oppervlakte van de gedeeltelijke compenserende bebossing bedraagt ……………….m² en zal worden beplant volgens bijgevoegd bebossingsplan. Ik verklaar naast het uitvoeren van een gedeeltelijk compenserende bebossing, voor de resterende compensatie een bosbehoudsbijdrage te betalen. Deze resterende bosbehoudsbijdrage bedraagt:
1,98 EUR per m² x het gedeelte van (1), dat niet via een bebossing wordt gecompenseerd: ……………………….m². = ……..……..EUR
Opgemaakt te ………………….. , op ………………………. De aanvrager (handtekening)
Voor akkoord, op ……………………… Voor het Bosbeheer,
LUIK 2: Compenserende bebossing: enkel in te vullen als volledig of gedeeltelijk aan de compensatieplicht wordt voldaan via een bebossing, uitgevoerd door de aanvrager
67
1. Indien de aanvrager zelf de compenserende bebossing geheel of gedeeltelijk uitvoert In te vullen door de aanvrager van de stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing.1 De bebossing zal worden uitgevoerd op het (de) perce(e)l(en) met kadastra(a)l(e) nummer(s): .........................................................................……................………………………………………… …………………………………………………………………………………………………………… …………………………………………………………………………………………………… gelegen te....................................….. Dit (Deze) perce(e)l(en) zijn momenteel niet bebost. De oppervlakte van de compenserende bebossing bedraagt .................................……...m² en zal worden beplant volgens onderstaand voorstel van bebossingsplan. Deze percelen hebben de volgende bestemmingen volgens de geldende plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen: .…..……………………………………………………………………………………………………… …………………………………………………………………………………………………………… ……………………………………………………………………………………………………
BEBOSSINGSPLAN Boom- en struiksoorten Oppervlakte per soort
Hoeveelheid plantsoen
Plantverband (...m x ...m)
Leeftijd en afmetingen
Ik voeg hierbij (verplicht toe te voegen): 1° een kopie van de eigendomstitel van de percelen; 2° een situeringsplan schaal 1/25.000; 3° een kopie van het kadastraal plan; 4° een situatieschets van het beplantingsplan (ruimtelijke boomsoortenverdeling); 5° een kopie van alle wettelijk vereiste vergunningen, adviezen en machtigingen die noodzakelijk zijn om over te gaan tot de bebossing van de percelen waarop de compenserende bebossing zal worden uitgevoerd.
Ik verklaar op erewoord dat de voorgestelde bebossingswerken niet in strijd zijn met de erfdienstbaarheden die rusten op de percelen in kwestie en dat de percelen niet reeds buiten het kader van artikel 90bis van het bosdecreet van 13 juni 1990 moeten worden bebost of herbebost, ingevolge een gerechtelijke beslissing of een contractuele of eenzijdige verbintenis. Ik verbind mij ertoe de ambtenaren van het Bosbeheer toe te laten zich ter plaatse te begeven om het 1
Bij een ontbossing in het kader van een natuurinrichtingsproject, in de zin van artikel 47 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende natuurbehoud en natuurlijk milieu, moet de aanvrager dit luik, op het moment van de aanvraag van de stedenbouwkundige vergunning, niet invullen, zolang aan de voorgestelde compensatie wordt voldaan binnen de wettelijke termijn. 68
terrein in kwestie vooraf te onderzoeken of er de uitgevoerde bebossingen te beoordelen. Ik verbind mij ertoe toe te laten dat het Bosbeheer, indien het na een controle ter plaatse, binnen vijf jaar na het afleveren van het attest, bedoeld in artikel 10 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 februari 2001 tot vaststelling van nadere regels inzake compensatie van ontbossing en ontheffing van het verbod op ontbossing, vaststelt dat de aanplanting niet geslaagd is, een beroep kan doen op derden voor het uitvoeren van de bebossing en de kosten voor het uitvoeren van deze werkzaamheden en van het onderhoud gedurende vijf jaar na de aanplanting op mij kan verhalen. Opgemaakt te ......................................... , op................................................ De aanvrager, (handtekening) (voorafgegaan door "Gelezen en goedgekeurd")
Voor akkoord, op ……………………… Voor het Bosbeheer,
LUIK 3: Compenserende bebossing: enkel in te vullen als volledig of gedeeltelijk aan de compensatieplicht wordt voldaan via een bebossing waarvoor een derde zich garant stelt In te vullen door de aanvrager van de stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing Ik, ondergetekende,...........................................................................……….......................…..............woon in.............................................................................................…................…............en verklaar hierbij aan de compensatieplicht conform art. 90bis van het bosdecreet van 13 juni 1990 te voldoen door het afsluiten van een overeenkomst met……………………………………..…… wonende te ……………………….………………. De oppervlakte van de compenserende bebossing waarvoor onderstaande zich garant stelt bedraagt …………….m².
BEBOSSINGSPLAN Boom- en struiksoorten Oppervlakte per soort
Hoeveelheid plantsoen
Plantverband (...m x ...m)
Leeftijd en afmetingen
Ik voeg hierbij (verplicht toe te voegen):
1° een kopie van de eigendomstitel van de percelen; 2° een situeringsplan schaal 1/25.000; 3° een kopie van het kadastraal plan; 4° een situatieschets van het beplantingsplan (ruimtelijke boomsoortenverdeling); 5° een kopie van alle wettelijk vereiste vergunningen, adviezen en machtigingen die noodzakelijk zijn om over te gaan tot de bebossing van de percelen waarop de compenserende bebossing zal worden uitgevoerd.
69
Ik verbind mij ertoe de ambtenaren van het Bosbeheer toe te laten zich ter plaatse te begeven om het terrein in kwestie vooraf te onderzoeken of er de uitgevoerde bebossing te beoordelen. Ik verbind mij ertoe toe te laten dat het Bosbeheer, indien het na een controle ter plaatse, binnen vijf jaar na het afleveren van het attest, bedoeld in artikel 10 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 februari 2001 tot vaststelling van nadere regels inzake compensatie van ontbossing en ontheffing van het verbod op ontbossing, vaststelt dat de aanplanting niet geslaagd is, een beroep kan doen op derden voor het uitvoeren van de bebossing en de kosten voor het uitvoeren van deze werkzaamheden en van het onderhoud gedurende vijf jaar na de aanplanting op mij kan verhalen.
In te vullen door de derde die compenserende bebossing gaat uitvoeren
Ik, ondergetekende,…............................................................................………................................. woon in .............................................................................................................…..............…en stel mij garant om een compenserende bebossing conform de bepalingen van dit besluit uit te voeren. Deze compenserende bebossing zal worden uitgevoerd op het (de) perce(e)l(en), gelegen te .......……...................…………. met kadastra(a)l(e) nummer(s): ..........................................……..………………………………………………………………………… …………………………………………………………………………………………………………… …...…………………………………………………………………………………………..…... De bebossing zal worden uitgevoerd volgens bovenstaand voorstel van bebossingsplan. Deze percelen hebben volgende bestemmingen volgens de geldende plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen:
.…..……………………………………………………………………………………………… ………………………………………………………………………………………………… ………………………………………………………………………………………………… Ik verklaar op erewoord dat de voorgestelde bebossingswerken niet in strijd zijn met de erfdienstbaarheden die rusten op de percelen in kwestie en dat de percelen niet reeds buiten het kader van artikel 90bis van het bosdecreet van 13 juni 1990 moeten worden bebost of herbebost, ingevolge een gerechtelijke beslissing of een contractuele of eenzijdige verbintenis. Ik verbind mij ertoe de ambtenaren van het Bosbeheer toe te laten zich ter plaatse te begeven om het terrein in kwestie vooraf te onderzoeken of er de uitgevoerde bebossing te beoordelen.
Ik verbind mij ertoe toe te laten dat het Bosbeheer, indien het na een controle ter plaatse, binnen vijf jaar na het afleveren van het attest, bedoeld in artikel 10 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 februari 2001 tot vaststelling van nadere regels inzake compensatie van ontbossing en ontheffing van het verbod op ontbossing, vaststelt dat de aanplanting niet geslaagd is, een beroep kan doen op derden voor het uitvoeren van de bebossing en voor het onderhouden ervan gedurende 5 jaar na de aanplanting. Opgemaakt te ......................................... , op................................................ De aanvrager, (handtekening) compensatie, (voorafgegaan door "Gelezen en goedgekeurd")
De
derde
die
(handtekening)
70
garant
staat
voor
de
(voorafgegaan
door
"Gelezen
en
goedgekeurd")
Voor akkoord, op ………………………, Voor het Bosbeheer,
LUIK 4: Door het Bosbeheer aangepaste compensatiemaatregelen In te vullen door het Bosbeheer indien de door de aanvrager voorgestelde compensatie door het Bosbeheer niet in overeenstemming met dit besluit wordt beoordeeld.
Het Bosbeheer verleent zijn akkoord met de voorgestelde compensatie onder de voorwaarde dat de volgende aangepaste compensatiemaatregelen in acht worden genomen. 1. Aanvullende bosbehoudsbijdrage De aanvullende bosbehoudsbijdrage bedraagt …………………………….EUR. Reden van aanpassing: …………………………………………………………………………………………………………… …………………………………………………………………………………………………………… …………………………………………………………………………………………………………… …………………………………………………………………………………………………………… …………………… Op…………………………………. Voor het Bosbeheer,
71
2. Compenserende bebossing
AANGEPAST BEBOSSINGSPLAN VOOR COMPENSERENDE BEBOSSING Boom- en struiksoorten Oppervlakte per soort
Hoeveelheid plantsoen
Plantverband (...m x ...m)
Leeftijd en afmetingen
Reden van aanpassing: …………………………………………………………………………………………………………… …………………………………………………………………………………………………………… …………………………………………………………………………………………………… Op………………………… Voor het Bosbeheer,
Stilzwijgende goedkeuring Vermelding, aan te brengen door de vergunningverlenende overheid, indien het formulier niet binnen de termijn conform artikel 8, eerste lid van het besluit van de Vlaamse regering van 16 februari 2001 tot vaststelling van nadere regels inzake compensatie van ontbossing en ontheffing van het verbod op ontbossing werd teruggezonden. Door het niet tijdig terugzenden van het formulier door het Bosbeheer, wordt het compensatievoorstel, conform artikel 8, vierde lid van het besluit van de Vlaamse regering van 16 februari 2001 tot vaststelling van nadere regels inzake compensatie van ontbossing en ontheffing van het verbod op ontbossing, geacht stilzwijgend te zijn goedgekeurd. Te ondertekenen door de vergunningverlenende overheid. Op…………………………………. Voor de vergunningverlenende overheid,
De bosbehoudsbijdrage zoals opgegeven in LUIK1, of indien ze werd aangepast door het Bosbeheer, vermeld in LUIK 4, punt 1, moet binnen de in artikel 8, vijfde lid van het besluit van de Vlaamse regering van 16 februari 2001 tot vaststelling van nadere regels inzake compensatie van ontbossing en ontheffing van het verbod op ontbossing opgelegde termijn, betaald worden via bijgevoegd overschrijvingsformulier.
Deze termijn bedraagt 4 maanden, te rekenen van de datum waarop krachtens de wetgeving inzake ruimtelijke ordening van de stedenbouwkundige vergunning mag gebruik worden gemaakt.
72
Bijlage III
COMPENSATIEMAATREGELEN BIJ VERKAVELING VAN GEHEEL OF TEN DELE BEBOSTE GROND Formulier, in te vullen door de aanvrager van een verkavelingsvergunning
Ik, ondergetekende,................................................................................………..................................... woon in…...............................................................................................................…...............en wens over te gaan tot de verkaveling van het (de) perce(e)l(en), gelegen te .......……..................... . Het (De) te verkavelen percee(e)l(en) he(bben)eft volgende gegevens: Kadastrale gegevens
Oppervlakte (m²)
Oppervlakte bos (m²)
Te behouden beboste groene ruimte(n) (m²)1
CompensatieTe ontbossen 2 opp. (m²) factor (verschil tussen 2 vorige kolommen)
Te compenseren opp. X compensatiefactor
De totaal te compenseren oppervlakte op deze percelen bedraagt:
m² = (1)
Ik verklaar hierbij aan de compensatieplicht conform art. 90bis van het bosdecreet van 13 juni 1990 te voldoen3: 1. uitsluitend door het betalen van een bosbehoudsbijdrage voor de volledige te compenseren oppervlakte In te vullen: LUIK 1, punt 1 2. uitsluitend door het uitvoeren van een compenserende bebossing voor de volledige te compenseren oppervlakte In te vullen: LUIK 2 3. uitsluitend door het uitvoeren van een compenserende bebossing voor de volledige te compenseren oppervlakte via een verbintenis van een derde In te vullen: LUIK 3
4. door de combinatie: bosbehoudsbijdrage + compenserende bebossing In te vullen: LUIK 1, punt 2 + LUIK 2 5. door de combinatie: bosbehoudsbijdrage + compenserende bebossing via een derde In te vullen: LUIK1, punt 2 + LUIK 3 6. door de combinatie: bosbehoudsbijdrage + compenserende bebossing + compenserende bebossing via een derde In te vullen: LUIK 1, punt 2 + LUIK 2 + LUIK 3 7. door de combinatie: compenserende bebossing + compenserende bebossing via een derde In te vullen : LUIK 2 + LUIK 3
1
Met ‘te behouden beboste groene ruimte(n)' wordt bedoeld: de in de aanvraag van de verkavelingsvergunning als, openbare of niet openbare, groene ruimte(n) aangeduide beboste oppervlakte waar het bos dient behouden te blijven. 2 Compensatiefactor = 2: inheems loofbos; Compensatiefactor = 1,5: gemengd bos; Compensatiefactor = 1: nietinheems loofbos en/of naaldbos 3 Duid aan wat van toepassing is. 73
LUIK 1: BOSBEHOUDSBIJDRAGE: enkel in te vullen wanneer de compensatie volledig of gedeeltelijk via het betalen van een bosbehoudsbijdrage wordt verricht.
In te vullen door de aanvrager van de verkavelingsvergunning.
1. Als de compensatieplicht volledig via het betalen van een bosbehoudsbijdrage wordt uitgevoerd Ik verklaar hierbij aan de compensatieplicht conform art. 90bis van het bosdecreet van 13 juni 1990 te voldoen door het betalen van een bosbehoudsbijdrage. Deze bosbehoudsbijdrage bedraagt: 1,98 EUR per m² x …………………………………………………m² (1) = ……..…..….EUR
Opgemaakt te …………………………., op …………………………. De aanvrager (handtekening)
Voor akkoord, op ………………………. Voor het Bosbeheer,
2. Als de compensatieplicht gedeeltelijk via een compenserende bebossing wordt uitgevoerd, al dan niet via een derde, en voor de resterende compensatie een bosbehoudsbijdrage wordt betaald De oppervlakte van de gedeeltelijke compenserende bebossing bedraagt ……………….m² en zal worden beplant volgens bijgevoegd bebossingsplan. Ik verklaar naast het uitvoeren van een gedeeltelijk compenserende bebossing, voor de resterende compensatie een bosbehoudsbijdrage te betalen. Deze resterende bosbehoudsbijdrage bedraagt: 1,98 EUR per m² x het gedeelte van (1), dat niet via een bebossing wordt gecompenseerd: ………………m²... = .……..……..EUR
Opgemaakt te ………………….. , op ………………………. De aanvrager (handtekening)
Voor akkoord, op ……………………… Voor het Bosbeheer,
74
LUIK 2: Compenserende bebossing: enkel in te vullen als volledig of gedeeltelijk aan de compensatieplicht wordt voldaan via een bebossing, uitgevoerd door de aanvrager 1. Indien de aanvrager zelf de compenserende bebossing geheel of gedeeltelijk uitvoert In te vullen door de aanvrager van de verkavelingsvergunning. De bebossing zal worden uitgevoerd op het (de) perce(e)l(en) met kadastra(a)l(e) nummer(s) .........................................................................……................………………………………………… …………………………………………………………………………………………………………… …………………………………………………………………………………………………, gelegen te....................................….. Dit (Deze) perce(e)l(en) zijn momenteel niet bebost. De oppervlakte van de compenserende bebossing bedraagt .................................……...m² en zal worden beplant volgens onderstaand voorstel van bebossingsplan. Deze percelen hebben de volgende bestemmingen volgens de geldende plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen: .…..……………………………………………………………………………………………………… …………………………………………………………………………………………………………… ……………………………………………………………………………………………………
BEBOSSINGSPLAN Boom- en struiksoorten Oppervlakte per soort
Hoeveelheid plantsoen
Plantverband (...m x ...m)
Leeftijd en afmetingen
Ik voeg hierbij (verplicht toe te voegen):
1° een kopie van de eigendomstitel van de percelen; 2° een situeringsplan schaal 1/25.000; 3° een kopie van het kadastraal plan; 4° een situatieschets van het beplantingsplan (ruimtelijke boomsoortenverdeling); 5° een kopie van alle wettelijk vereiste vergunningen, adviezen en machtigingen die noodzakelijk zijn om over te gaan tot de bebossing van de percelen waarop de compenserende bebossing zal worden uitgevoerd. Ik verklaar op erewoord dat de voorgestelde bebossingswerken niet in strijd zijn met de erfdienstbaarheden die rusten op de percelen in kwestie en dat de percelen niet reeds buiten het kader van artikel 90bis van het bosdecreet van 13 juni 1990 moeten worden bebost of herbebost, ingevolge een gerechtelijke beslissing of een contractuele of eenzijdige verbintenis. Ik verbind mij ertoe de ambtenaren van het Bosbeheer toe te laten zich ter plaatse te begeven om het terrein in kwestie vooraf te onderzoeken of er de uitgevoerde bebossingen te beoordelen.
Ik verbind mij ertoe toe te laten dat het Bosbeheer, indien het na een controle ter plaatse, binnen vijf jaar na het afleveren van het attest, bedoeld in artikel 10 van het besluit van de Vlaamse
75
regering van 16 februari 2001 tot vaststelling van nadere regels inzake compensatie van ontbossing en ontheffing van het verbod op ontbossing, vaststelt dat de aanplanting niet geslaagd is, een beroep kan doen op derden voor het uitvoeren van de bebossing en de kosten voor het uitvoeren van deze werkzaamheden en van het onderhoud gedurende vijf jaar na de aanplanting op mij kan verhalen. Opgemaakt te ......................................... , op................................................ De aanvrager, (handtekening) (voorafgegaan door "Gelezen en goedgekeurd")
Voor akkoord, op ……………………… Voor het Bosbeheer,
LUIK 3: Compenserende bebossing: enkel in te vullen in het geval volledig of gedeeltelijk aan de compensatieplicht wordt voldaan via een bebossing waarvoor een derde zich garant stelt In te vullen door de aanvrager van de verkavelingsvergunning. Ik, ondergetekende,................................................................................………..................................... woon in .............................................................................................................…...............en verklaar hierbij aan de compensatieplicht conform art. 90bis van het bosdecreet van 13 juni 1990 te voldoen door het afsluiten van een overeenkomst met……………………………………..…… wonende te ……………………….………………. De oppervlakte van de compenserende bebossing waarvoor onderstaande zich garant stelt, bedraagt …………….m².
BEBOSSINGSPLAN Boom- en struiksoorten Oppervlakte per soort
Hoeveelheid plantsoen
Ik voeg hierbij (verplicht toe te voegen): 1° een kopie van de eigendomstitel van de percelen;
76
Plantverband (...m x ...m)
Leeftijd en afmetingen
2° een situeringsplan schaal 1/25.000; 3° een kopie van het kadastraal plan; 4° een situatieschets van het beplantingsplan (ruimtelijke boomsoortenverdeling); 5° een kopie van alle wettelijk vereiste vergunningen, adviezen en machtigingen die noodzakelijk zijn om over te gaan tot de bebossing van de percelen waarop de compenserende bebossing zal worden uitgevoerd. Ik verbind mij ertoe de ambtenaren van het Bosbeheer toe te laten zich ter plaatse te begeven om het terrein in kwestie vooraf te onderzoeken of er de uitgevoerde bebossing te beoordelen. Ik verbind mij ertoe toe te laten dat het Bosbeheer, indien het na een controle ter plaatse, binnen vijf jaar na het afleveren van het attest, bedoeld in artikel 10 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 februari 2001 tot vaststelling van nadere regels inzake compensatie van ontbossing en ontheffing van het verbod op ontbossing, vaststelt dat de aanplanting niet geslaagd is, een beroep kan doen op derden voor het uitvoeren van de bebossing en de kosten voor het uitvoeren van deze werkzaamheden en van het onderhoud gedurende vijf jaar na de aanplanting op mij kan verhalen. In te vullen door de derde die compenserende bebossing gaat uitvoeren Ik, ondergetekende,…............................................................................………................................. woon in .......................................................................................................…............……..en stel mij garant om een compenserende bebossing conform de bepalingen van dit besluit uit te voeren. Deze compenserende bebossing zal worden uitgevoerd op het (de) perce(e)l(en), gelegen te .......……...................…………. met kadastra(a)l(e) nummer(s) ..........................................……..………………………………………………………………………… …………………………………………………………………………………………………………… …...…………………………………………………………………………………………..... De bebossing zal worden uitgevoerd volgens bovenstaand voorstel van bebossingsplan. Deze percelen hebben de volgende bestemmingen volgens de geldende plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen: .…..……………………………………………………………………………………………………… …………………………………………………………………………………………………………… …………………………………………………………………………………………………… Ik verklaar op erewoord dat de voorgestelde bebossingswerken niet in strijd zijn met de erfdienstbaarheden die rusten op de percelen in kwestie en dat de percelen niet reeds buiten het kader van artikel 90bis van het bosdecreet van 13 juni 1990 moeten worden bebost of herbebost, ingevolge een gerechtelijke beslissing of een contractuele of eenzijdige verbintenis. Ik verbind mij ertoe de ambtenaren van het Bosbeheer toe te laten zich ter plaatse te begeven om het terrein in kwestie vooraf te onderzoeken of er de uitgevoerde bebossing te beoordelen. Ik verbind mij ertoe toe te laten dat het Bosbeheer, indien het na een controle ter plaatse, binnen vijf jaar na het afleveren van het attest, bedoeld in artikel 10 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 februari 2001 tot vaststelling van nadere regels inzake compensatie van ontbossing en ontheffing van het verbod op ontbossing, vaststelt dat de aanplanting niet geslaagd is, een beroep kan doen op derden voor het uitvoeren van de bebossing en voor het onderhouden ervan gedurende 5 jaar na de aanplanting. Opgemaakt te ......................................... , op................................................ De aanvrager, (handtekening) compensatie,
De
77
derde
die
garant
staat
voor
de
(handtekening) (voorafgegaan
(voorafgegaan door "Gelezen en goedgekeurd")
door
"Gelezen
en
goedgekeurd")
Voor akkoord, op ……………………… Voor het Bosbeheer,
LUIK 4: Door het Bosbeheer aangepaste compensatiemaatregelen
In te vullen door het Bosbeheer indien de door de aanvrager voorgestelde compensatie door het Bosbeheer niet in overeenstemming met dit besluit wordt beoordeeld. Het Bosbeheer verleent zijn akkoord met de voorgestelde compensatie onder de voorwaarde dat de volgende aangepaste compensatiemaatregelen in acht worden genomen. 1. Aanvullende bosbehoudsbijdrage De aanvullende bosbehoudsbijdrage bedraagt …………………………….EUR Reden van aanpassing: …………………………………………………………………………………………………………… …………………………………………………………………………………………………………… …………………………………………………………………………………………………… Op…………………………………. Voor het Bosbeheer, 2.
Compenserende bebossing
AANGEPAST BEBOSSINGSPLAN VOOR COMPENSERENDE BEBOSSING Boom- en struiksoorten Oppervlakte per soort
Hoeveelheid plantsoen
Plantverband (...m x ...m)
Leeftijd en afmetingen
Reden van aanpassing: …………………………………………………………………………………………………………… …………………………………………………………………………………………………………… …………………………………………………………………………………………………………… ………………………………………………………………………………………………………… Op …………………………
78
Voor het Bosbeheer,
Stilzwijgende goedkeuring Vermelding aan te brengen door de vergunningverlenende overheid, indien het formulier niet binnen de termijn conform artikel 8, eerste lid van het besluit van de Vlaamse regering van 16 februari 2001 tot vaststelling van nadere regels inzake compensatie van ontbossing en ontheffing van het verbod op ontbossing werd teruggezonden. Door het niet tijdig terugzenden van het formulier door het Bosbeheer, wordt het compensatievoorstel, conform artikel 8, vierde lid van het besluit van de Vlaamse regering van 16 februari 2001 tot vaststelling van nadere regels inzake compensatie van ontbossing en ontheffing van het verbod op ontbossing, geacht stilzwijgend te zijn goedgekeurd. Te ondertekenen door de vergunningverlenende overheid. Op …………………………………. Voor de vergunningverlenende overheid,
De bosbehoudsbijdrage zoals opgegeven in LUIK1, of indien ze werd aangepast door het Bosbeheer, vermeld in LUIK 4, punt 1, moet binnen de in artikel 8, vijfde lid van het besluit van de Vlaamse regering van 16 februari 2001 tot vaststelling van nadere regels inzake compensatie van ontbossing en ontheffing van het verbod op ontbossing opgelegde termijn, betaald worden via bijgevoegd overschrijvingsformulier.
Deze termijn bedraagt 4 maanden, te rekenen van de datum waarop krachtens de wetgeving inzake ruimtelijke ordening van de verkavelingsvergunning mag gebruik worden gemaakt.
79
7 juni 2002 - Besluit van de Vlaamse regering houdende de werkwijze en de voorwaarden inzake de openbare verkopingen van hout en andere bosproducten afkomstig uit openbare bossen (B.S. 20 juli 2002)
DE VLAAMSE REGERING, Gelet op het Bosdecreet van 13 juni 1990, inzonderheid op de artikelen 54 en 57, gewijzigd bij het decreet van 18 mei 1999; Gelet op het advies van de Vlaamse Hoge Bosraad, gegeven op 17 mei 2001; Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 27 april 2001; Gelet op advies 31.790/3 van de Raad van State, gegeven op 12 februari 2002; Op voorstel van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw; Na beraadslaging, BESLUIT: HOOFDSTUK I.- ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder: 1° de koper: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die als koper optreedt op openbare verkopingen van hout van openbare bossen zoals bedoeld in artikel 6 en 7, of de natuurlijke of rechtspersoon aan wie de kapvergunning zoals bedoeld in artikel 62 van het Bosdecreet van 13 juni 1990, wordt uitgereikt; 2° de verkoper: de eigenaar van het te koop gestelde hout; 3° de ontvanger: de Ontvanger der Domeinen en Penale Boeten van het ambtsgebied waarin het bos is gelegen indien het verkopen betreft van hout uit domeinbossen en de daartoe door de verkoper aangewezen persoon indien het verkopen betreft van hout uit andere openbare bossen; 4° de exploitant: de natuurlijke of rechtspersoon die in een openbaar bos hout velt, bewerkt, ruimt of vervoert, behoudens degene die tegen betaling in opdracht van een werkgever arbeid verricht; de exploitant kan ook de koper zelf zijn; 5° de ruiming: het uitslepen, of op een andere manier weghalen, van hout vanaf de plaats van het vellen tot aan de weg of stapelplaats, buiten de kavel; 6° het transport: het afvoeren van hout van de stapelplaats of van de weg tot buiten het boseigendom. Art. 2. In dit besluit wordt de werkwijze bepaald die moet worden gevolgd bij de openbare verkoop van hout en andere bosproducten van openbare bossen, en worden de voorwaarden bepaald die gelden voor de exploitatie van het gekochte hout. De algemene voorwaarden, geldend voor elke verkoop in het Vlaamse Gewest, worden bepaald in de artikelen 4 tot 45. De bijzondere voorwaarden worden per verkoop vastgesteld door de eigenaar van het bos, overeenkomstig de artikelen 46 tot 49. Art. 3. Voor elke verkoop worden de toepasselijke verkoopvoorwaarden vermeld op een document, opgesteld volgens het model opgenomen als bijlage 1, ter inzage gelegd op de plaats waar de verkoop plaatsvindt. HOOFDSTUK II.- TOEWIJZINGEN
80
Art. 4. De loten worden toegewezen zonder waarborg van kwaliteit. Het aantal bomen per boomsoort zoals vermeld in de catalogus, is gewaarborgd tot op een mogelijke fout van 3%. De waarborg in het eerste lid vervalt zodra er met de ruiming van het betrokken lot is begonnen. Art. 5. In afwijking van artikel 4. worden loten van reeds gevelde en/of gestapelde bomen toegewezen met waarborg van het aantal bomen per categorie en boomsoort per lot. Art. 6. §1. De toewijzing van de loten gebeurt ofwel bij opbod, ofwel bij afslag, ofwel bij inschrijving, ofwel bij opbod, gevolgd door de opening van de inschrijvingen. De keuze wordt bepaald in de bijzondere verkoopvoorwaarden. §2. De inschrijvingen moeten worden opgemaakt volgens het model in bijlage 2. Het adres en het tijdstip waarop ze uiterlijk moeten aankomen, worden bepaald in de bijzondere verkoopvoorwaarden. §3. Samenvoeging van loten is enkel toegelaten voor loten van dezelfde eigenaar, en alleen indien dit vastgelegd is in de bijzondere verkoopvoorwaarden. Art. 7. De voorzitter doet de toewijzing aan het hoogste geldige bod, en als hij daartoe gemachtigd is door de verkoper, wijst hij de koper definitief aan. In de andere gevallen is de verkoop pas definitief op de dag die volgt op de betekening van de goedkeuring door de verkoper. De persoon aan wie het lot werd toegewezen blijft gebonden aan zijn bod tot de 30ste dag na de verkoopzitting. De betekening van de eventuele goedkeuring gebeurt binnen die periode, zo niet heeft de persoon aan wie het lot werd toegewezen het recht zijn bod in te trekken. De intrekking van het bod moet dan gebeuren per aangetekende zending gericht aan de verkoper en verstuurd binnen zeven dagen na het verstrijken van die periode. Art. 8. De voorzitter houdt de loten in waarvoor het bod onvoldoende is. Die loten worden zonder verdere bekendmaking onder dezelfde verkoopvoorwaarden opnieuw te koop gesteld bij inschrijving op de datum die in de catalogus vermeld is. De artikelen 6, §2 en §3, en 7 zijn in dat geval van overeenkomstige toepassing. Art. 9. §1. Iedere koper moet conform artikel 57, eerste lid van het Bosdecreet op het ogenblik van de toewijzing een borg aanwijzen. Deze borg die hoofdelijk en ondeelbaar met de koper verantwoordelijk is voor alle verplichtingen van de koper dient een natuurlijke persoon te zijn die op het grondgebied van het Vlaamse Gewest woont en die door de voorzitter van de verkoop aanvaard wordt. In het geval van inschrijving moet de borg het model zoals opgenomen in bijlage 2 ondertekenen. In de andere gevallen moet die borgstelling schriftelijk gebeuren volgens het model in bijlage 3. §2. Bovendien moet iedere koper op het ogenblik van de toewijzing een belofte tot betalingswaarborg voorleggen. De bedragen beneden de 5000 euro, de kosten en de BTW niet inbegrepen, zijn daarvan vrijgesteld, met inachtneming van artikel 12, §1. Die belofte tot betalingswaarborg zal onder de vorm van een bankgarantie komen van een Belgische kredietinstelling of van een kredietinstelling die ressorteert onder een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap en die krachtens de wet van 22 maart 1993 op het statuut van de kredietinstellingen gemachtigd is om deze activiteit in België uit te oefenen. De belofte tot betalingswaarborg mag ook geleverd worden onder de vorm van een borgstelling door Belgische verzekeringsondernemingen of door verzekeringsondernemingen die ressorteren onder een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap en die krachtens de wet van 9 juli 1975 gemachtigd zijn in België de taak borgstellingsverzekering uit te oefenen. De verzekeringsondernemingen moeten bevoegd zijn zich borg te stellen en daartoe gemachtigd worden door de controledienst voor de verzekeringen. De verzekeringsonderneming zal vooraf het bewijs van machtiging leveren. De schriftelijke belofte, opgesteld volgens het model in bijlage 4, moet de volgende documenten bevatten: 1) de verplichting om het verschuldigd bedrag te betalen voor rekening van de in gebreke blijvende koper, bij het eerste verzoek van de ontvanger; 2) de verklaring om af te zien van elke betwisting en mogelijke verdeling, evenals van de hypotheek die de verworven goederen zouden kunnen betekenen. Een inschrijving is alleen ontvankelijk als ze vergezeld is van die belofte tot betalingswaarborg.
81
§3. Binnen vijf werkdagen na de verkoop deelt de ontvanger aan de instelling of aan de maatschappij die de belofte aanging, het juiste bedrag van de door de koper verschuldigde som mee en de termijn waarvoor de definitieve betalingswaarborg afgesloten moet worden. Art. 10. De koper die aan de verplichtingen van artikel 9 niet voldoet, verliest conform artikel 57, tweede lid van het Bosdecreet zijn recht op het gekochte en er wordt ter zitting tot een nieuwe verkoop overgegaan: 1° bij opbod op basis van de voorlaatste bieding. De bieder in kwestie blijft daardoor gebonden; 2° bij afslag op basis van een door de voorzitter bepaalde inzetprijs; 3° bij combinatie van opbod en inschrijving wordt het lot opnieuw opgeroepen als bij 1°. Het daarbij bekomen hoogste bod wordt vergeleken met de volgende hoogste schriftelijke bieding en het lot wordt toegewezen aan de hoogste bieder van beide. Art. 11. §1. De geboden som wordt verhoogd met 3 procent als vergoeding voor allerlei onkosten. §2. De openbare verkopen zijn onderworpen aan de federale regelgeving inzake BTW. §3. De verkoopprijs bestaat uit de geboden som, de verhoging voor onkosten en de BTW. Art. 12. §1. De wijze van betaling wordt bepaald door de samengevoegde verkoopprijzen die de koper voor eenzelfde verkoop verschuldigd is aan dezelfde verkoper. §2. De betalingen van de verkoopprijs zelf gebeuren als volgt: 1° bij een verkoopprijs tot en met 5000 euro: binnen 15 dagen na de toewijzing of na de betekening van de goedkeuring van de verkoop door de verkoper; 2° bij een verkoopprijs van meer dan 5000 euro: een voorschot van 20% van de verkoopprijs binnen 15 dagen na de toewijzing of na de betekening van de goedkeuring van de verkoop door de verkoper en de rest in drie gelijke bedragen, betaalbaar respectievelijk binnen de tweede, vierde maand en zesde maand; Art. 13. §1. De betalingswaarborg moet in bezit zijn van de ontvanger van de verkoper binnen 15 dagen na de toewijzing, behalve indien de koper binnen dezelfde termijn het verschuldigde bedrag volledig betaalt. De verkoper neemt akte van die betalingswaarborg. §2. De instelling of maatschappij, die de betalingswaarborg aanging, kan het bedrag en de termijn van de waarborg pas verminderen na bericht van de ontvanger. Het is de instelling of maatschappij niet toegestaan het bedrag van de waarborg op een vervaldag automatisch te verminderen. Art. 14. §1. Al de betalingen moeten gebeuren aan de ontvanger van de verkoper. §2. Als de betalingen niet op de vastgestelde tijdstippen gebeuren, is van rechtswege en zonder voorafgaande ingebrekestelling, de wettelijke interest verschuldigd op de niet-betaalde sommen, met ingang van de vervaldag. Voor de berekening van de interest wordt elke maand voor dertig dagen gerekend. De interest wordt per maand berekend. Elke niet volledige maand wordt niet meegerekend. De grondslag van de interest wordt afgerond op het hoger tiental, het resultaat op de lagere eurocent. §3. Indien niet tijdig voldaan wordt aan artikel 13, of indien de verkoopsom of een gedeelte ervan niet tijdig betaald wordt ondanks de waarborgen, heeft de verkoper van rechtswege de bevoegdheid om de verkoop geheel of gedeeltelijk te ontbinden. Daarvoor is geen ingebrekestelling of enige gerechtelijke tussenkomst nodig. De ontbinding van de verkoop wordt aan de koper per aangetekende brief kenbaar gemaakt. In de mate waarin de verkoop ontbonden zal zijn, wordt het hout van rechtswege opnieuw eigendom van de verkoper. §4. Daarenboven kan de verkoper overgaan tot de herverkoping bij rouwkoop. Die herverkoping zal door de aangestelden van de verkoper gedaan worden, op kosten, risico en verantwoordelijkheid van de in gebreke blijvende koper. Die moet aan de verkoper het verschil betalen tussen zijn geboden som en het eventuele lagere nieuwe bod. Dat verschil zal invorderbaar zijn binnen acht dagen door middel van een dwangschrift. De borg en de steller van de betalingswaarborg blijven aansprakelijk voor de sommen die de in gebreke blijvende koper aldus schuldig kan zijn. Een eventuele meerprijs zal aan de verkoper toekomen, als schadevergoeding. Art. 15. De kopers die een uittreksel van het proces-verbaal van toewijzing of van de akte van betalingswaarborg wensen, kunnen die stukken tegen betaling verkrijgen bij de ontvanger.
82
Art. 16. Indien andere bosproducten dan hout openbaar worden verkocht, zijn de artikelen 6 tot 15 van overeenkomstige toepassing, behoudens afwijkende bepalingen vastgesteld door het Bosbeheer. HOOFDSTUK III.- EXPLOITATIE VAN HOUT Afdeling I.- Algemene bepalingen Art. 17. De verplichtingen die bij dit hoofdstuk aan de koper worden opgelegd, gelden ook voor de exploitant. Die laatste is hoofdelijk met de koper verbonden ten uitvoering van die verplichtingen. Art. 18. De kapvergunning wordt uitgereikt na betaling van de volledig verschuldigde verkoopprijs, of nadat de ontvanger van de verkoper aan de houtvester schriftelijk heeft bevestigd dat het voorschot betaald is en de vereiste waarborgen geleverd werden. Art. 19. §1. De koper zal de naam en het adres van de exploitant(en) aan de boswachter meedelen voordat die aanvangen met werken. §2. Als de exploitant de velling of ruiming aanvangt of hervat, verwittigt hij de boswachter daarvan minstens twee werkdagen op voorhand. §3. De exploitanten of hun aangestelden moeten, voor ze aanvangen met werken, het lot bezichtigen samen met de boswachter. Art. 20. Iedereen die hout velt, bewerkt, ruimt of vervoert, moet in het bezit zijn van een kapvergunning of een afschrift ervan. Die vergunning moet steeds voorgelegd kunnen worden aan de boswachter als die laatste daar om vraagt. Art. 21. §1. De exploitant is verplicht tijdens de exploitatie de nodige voorzorgsmaatregelen te treffen opdat geen vermijdbare schade aan de voorbehouden bomen, de aanplantingen en natuurlijke zaailingen, de vegetatie, de bodem, de uitrusting en alle andere aanhorigheden van het bos kan ontstaan. §2. De exploitant is verplicht de exploitatie te verrichten in overleg met de boswachter. Die kan aanvullende richtlijnen geven en uitzonderingen toestaan op de artikelen 22, 23, §1, 29, 32, 34 en 35. Telkens als de exploitatie niet zonder schade kan gebeuren, zal de boswachter geraadpleegd worden. De boswachter moet zo spoedig mogelijk verwittigd worden bij schade ingevolge exploitatie. Art. 22. §1. De exploitatie moet zo gebeuren dat de wegen en parkeerplaatsen vrij blijven. §2. Slagbomen moeten na elke doorgang worden gesloten. De wegversperringen, slagbomen of palen moeten na verwijdering worden teruggeplaatst. Het is verboden met voertuigen naast de wegversperringen, slagbomen of palen te rijden. §3. Afrasteringen moeten zo spoedig mogelijk gesloten en, indien nodig, hersteld worden. §4. Alleen voertuigen die nodig zijn voor het vellen of ruimen, mogen de boswegen verlaten. Art. 23. §1. De koper is op basis van artikel 71 van het Bosdecreet verplicht alle gemerkte bomen te vellen en te ruimen. §2. Voorzover in de bijzondere verkoopvoorwaarden een afwijking is bepaald op de exploitatietermijn kan een gemotiveerde schriftelijke aanvraag tot uitstel, ten minste 14 dagen op voorhand, gericht worden aan het hoofd van het Bosbeheer of zijn gedelegeerde, die aanvullende voorwaarden kan opleggen. Louter door zijn aanvraag verplicht de koper zich tot het betalen van de door het Bosbeheer vastgestelde vergoeding, overeenkomstig artikel 45. Als de exploitant door overmacht of uitzonderlijke omstandigheden niet bij machte is de exploitatie binnen de vooropgestelde termijn uit te voeren, kan het hoofd van het Bosbeheer of zijn gedelegeerde beslissen de in artikel 45 vastgestelde vergoeding niet aan te rekenen. Art. 24. §1. De houtvester kan het ruimen of de toegang tot bepaalde bestanden en wegen tijdelijk verbieden ingevolge weersomstandigheden of andere uitzonderlijke omstandigheden of activiteiten.
83
§2. In geval van waardevolle wetenschappelijke waarnemingen kan de houtvester tijdelijk de exploitatie verbieden op een bepaalde plaats. Art. 25. Als de exploitant bomen wil laten vallen op of ruimen over aangrenzende terreinen, moet hij zelf daarover een overeenkomst sluiten met de eigenaar van deze terreinen. Afdeling II.- Velling Art. 26. §1 Bomen die met een pijl zijn gemerkt, moeten geveld worden in de richting van de pijl. De boswachter moet vooraf verwittigd worden van de velling. §2. Bomen of kruinen, gemerkt met de letter "V", moeten gespaard worden, zelfs indien ze met de hamer gemerkt zijn. Ze moeten onaangeroerd blijven. Bij twijfel zal de boswachter geraadpleegd worden. §3. Bomen die met de letter "K" zijn gemerkt moeten voor de velling onttakt worden. Ze zullen in de catalogus worden vermeld. Art. 27. Als geen afwijkingen vermeld zijn in de bijzondere voorwaarden, moeten bij andere kappingen dan die van hakhout, de bomen op maximaal 10 cm boven het maaiveld afgezaagd worden. De stronken moeten goed zichtbaar zijn en blijven eigendom van de verkoper. Art. 28. Een boom die aan de stamvoet werd ingezaagd, moet zonder enig uitstel worden geveld. Afgezaagde bomen die blijven hangen moeten zo spoedig mogelijk tegen de grond worden getrokken. De verantwoordelijkheid voor dergelijke bomen berust bij de exploitant. Art. 29. §1. Het is verboden bomen met hun kruin in verjongingsgroepen te doen vallen. Als dat, ondanks de genomen voorzorgsmaatregelen, toch zou gebeuren, moeten de kruinen onmiddellijk volledig opgewerkt en opgeruimd worden. §2. Het is verboden bomen te doen vallen op de voet-, fiets- en ruiterpaden of in vijvers of waterlopen. Als dat, ondanks de genomen voorzorgsmaatregelen, toch zou gebeuren, moeten de bomen onmiddellijk volledig opgewerkt en opgeruimd worden, om de paden, de wegen, de grachten en de vijvers vrij te maken. Art. 30. Bij de velling kan de verkoper kosteloos zaden en kegels oogsten, zonder dat de koper een vergoeding voor hinder kan eisen. Afdeling III.- Schouwing Art. 31. De schouwing gebeurt onder de verantwoordelijkheid van de houtvester. Afdeling IV.- Ruiming en transport Art. 32. Na de velling moeten de takken worden gespreid zodat ze de groei van de verjonging niet hinderen. Takken en twijgen mogen niet in waterlopen, vijvers of weiden en andere boomvrije plaatsen blijven liggen. Ze moeten minstens twee meter van wegen, parkings en andere boomvrije plaatsen en brandsingels verwijderd worden. Art. 33. Bij de ruiming moeten die tractoren of tuigen gebruikt worden die door hun gewicht, hun afmetingen of hun werkwijze de minste schade aan het bosbestand, de flora, de fauna of de bodem veroorzaken. Daartoe moet de koper of exploitant voor de aanvang van de exploitatie zijn tuigen of tractoren laten goedkeuren door de houtvester. Art. 34. §1. Het ruimen naar de wegen moet langs het minst schadelijke tracé gebeuren. De boswachter kan een verplicht te volgen tracé opleggen. Het opgelegde tracé kan ook in de catalogus vermeld staan. §2. De lading en/of de lengte van de getrokken stamstukken moeten aangepast zijn aan het gebruikte ruimingsmiddel en aan de terreinomstandigheden. §3. Het is verboden diepe rij- of sleepsporen te maken. Als dat, ondanks de genomen voorzorgsmaatregelen, toch zou gebeuren, moet de beschadigde bodem hersteld worden volgens de aanwijzingen van de boswachter.
84
Art. 35. §1. Het is verboden te rijden of te ruimen door andere kavels dan die waarvoor men een kapvergunning heeft, door bestanden die niet in exploitatie zijn, door verjongingsgroepen, beken en afvoergeulen, of weiden. §2. Kruinen of samenhangende delen ervan, mogen niet als geheel worden geruimd. Art. 36. Het laten slippen van de wielen tijdens het ruimen is verboden. Art. 37. De boswachter wijst de stapelplaatsen aan. Het is verboden stammen of hout op andere plaatsen te stapelen. De stapelplaatsen kunnen eveneens in de catalogus vermeld worden. Art. 38. Het transport van het hout zal gebeuren langs de wegen en plaatsen, aangegeven door de boswachter, zoals bepaald in artikel 70 van het Bosdecreet. Art. 39. De snelheid van gemotoriseerde voertuigen en werktuigen is in het bos en op de boswegen beperkt tot 30 km/uur. Afdeling V.- Bevel tot stopzetting Art. 40. Bij overtreding van een bepaling uit de algemene of bijzondere verkoopvoorwaarden die betrekking heeft op de exploitatie, kan het Bosbeheer, zelfs mondeling ter plaatse, het bevel geven de strijdige handeling stop te zetten, onverminderd de mogelijkheid tot het opstellen van een proces-verbaal. Afdeling VI.- Aansprakelijkheid Art. 41. Indien de nodige voorzorgsmaatregelen niet zijn genomen of indien de algemene of de bijzondere verkoopvoorwaarden niet zijn nageleefd, en indien daardoor materiële schade is ontstaan ingevolge de exploitatie, zijn de koper, de borg en de exploitanten hoofdelijk gehouden tot het herstel in natura of het betalen van een schadevergoeding. De verkoper kan voorzien in het herstel in natura op hun kosten, onder meer door het laten uitvoeren van de nodige werkzaamheden. Schade aan voorbehouden bomen wordt geraamd door de houtvester. Hij bepaalt ook de wijze van herstel in natura. Art. 42. Het Bosbeheer kan in geen geval aansprakelijk worden gesteld voor eventuele schade aan derden, aangebracht ingevolge de bezichtiging, de exploitatie, de ruiming of het transport. Art. 43. Het Bosbeheer en de verkoper zijn niet aansprakelijk voor eventuele beschadiging of diefstal van hout, dat reeds geveld, maar nog niet geruimd of getransporteerd is. Art. 44. Ontschorsing van voorbehouden bomen ingevolge exploitatie wordt aangerekend aan minimaal 7,50 euro per vierkante decimeter ontschorste oppervlakte of een fractie ervan, afgerond op de hogere vierkante decimeter. Art. 45. §1. Aan het verlenen van een uitstel overeenkomstig artikel 23, §2, worden de volgende vergoedingen voor de verkoper gekoppeld: 1° bij uitstel van de velling, de ruiming of het transport na de opgelegde exploitatietermijn: 8% van de waarde van het ongevelde of nog niet geruimde of getransporteerde volume hout. Dat uitstel kan niet langer gelden dan 1 jaar; 2° bij elke verlenging van het in 1° bedoelde uitstel: 16% van de waarde van het ongevelde of nog niet geruimde of getransporteerde volume hout. Dat uitstel kan niet langer gelden dan 1 jaar. §2. Indien de door de verkoopvoorwaarden opgelegde werkzaamheden niet verricht worden binnen de gestelde termijn, kan bovenop het bedrag, bepaald in de artikelen 23 en 45, §1, ook een schadevergoeding geëist worden voor de aanwijsbare verlies- en schadeposten. HOOFDSTUK IV.- BIJZONDERE VERKOOPVOORWAARDEN Afdeling I.- Algemeen Art. 46. De bijzondere verkoopvoorwaarden worden opgenomen in de catalogus. Afdeling II.- Toewijzingen Art. 47. §1. Voor elk lot wordt, overeenkomstig artikel 6, de wijze van verkoop bepaald in de bijzondere verkoopvoorwaarden.
85
§2. De bijzondere verkoopvoorwaarden kunnen de artikelen 4 tot 45 aanvullen. Ze kunnen enkel afwijken van de artikelen 8 en 12, §2, op voorwaarde dat het gaat om de verkoop van hout van een ander openbaar bos dan een domeinbos, en dat ze vooraf zijn goedgekeurd door het Bosbeheer. Afdeling III.- Exploitatie Art. 48. De vellings- en ruimingstermijnen worden voor elk lot vastgesteld in de bijzondere verkoopvoorwaarden. Art. 49. De bijzondere verkoopvoorwaarden kunnen bepalingen bevatten die alleen van toepassing zijn op een of meer loten of delen ervan. HOOFDSTUK V. - SLOTBEPALINGEN Art. 50. De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, is belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel, ……………… De minister-president van de Vlaamse regering, Patrick DEWAEL De Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw, Vera DUA
86
Bijlage 1. [NAAM VAN DE VERKOPER] -------------------------------------
HOUTVERKOPING OPENBARE BOSSEN VAN HET HOUT, TE KAPPEN IN HET DIENSTJAAR 20__ Domeinbossen/Openbare eigenaars:
DATUM en UUR: PLAATS:
VERKOOPVOORWAARDEN Op deze verkoping zijn van toepassing: - de artikelen 55 tot 79 van het Bosdecreet van 13 juni 1990; - als algemene verkoopvoorwaarden de artikelen 4 tot 45 van het besluit van de Vlaamse regering van , houdende de werkwijze en de voorwaarden inzake de openbare verkopingen van hout en andere bosproducten van openbare bossen; - de hierna vermelde bijzondere verkoopvoorwaarden. BIJZONDERE VERKOOPVOORWAARDEN Artikel 1. (...) (...)
Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse regering van ________
Brussel, ……………… De minister-president van de Vlaamse regering, Patrick DEWAEL De Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw, Vera DUA
87
Bijlage 2.
MODEL VAN INSCHRIJVING Ik, ondergetekende inschrijver, .........................................……………….... (1) .....................................................................……….…………...................... (2) BTW-nummer…………………………… verklaar te bieden, benevens 3% voor de onkosten en de eventuele B.T.W., overeenkomstig artikel 11 van het besluit van de Vlaamse regering van ... houdende de werkwijze en de voorwaarden inzake de openbare verkopingen van hout en andere bosproducten van openbare bossen: voor lot nr. .... : .................................................................... (3); voor lot nr. .... : .................................................................... (3); voor lot nr. .... : ........................................…......................... (3); voor de samenvoeging van de loten …………………………………………………………..(4). Ik heb kennis genomen van de algemene en de bijzondere verkoopvoorwaarden en zal mij daaraan houden. Mijn borg, overeenkomstig artikel 9, §1, van hoger genoemd besluit, is : …………………………………………………….................................….................…………. ............................................................……….........................………………………………(5)(6) Hij neemt eveneens alle verkoopvoorwaarden aan en heeft met mij deze bieding(en) ondertekend. De belofte tot betalingswaarborg, gevraagd door artikel 9, §2, van hoger genoemd besluit, is aangehecht (6). .....................…..,…………………… . De inschrijver,
De borg,
(handtekening)
(handtekening)
(1) naam, voornaam (2) adres (3) som in letters en cijfers (4) samenvoeging van loten in 1 bieding is slechts toegestaan in zoverre het voorzien is in de bijzondere verkoopvoorwaarden (5) naam, voornaam, adres (6) deze waarborg is vereist voor aankopen voor een gezamenlijk bedrag van meer dan 5000 euro, onkosten en BTW niet inbegrepen, bij hetzelfde verkopend bestuur. Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse regering van ________ Brussel, ……………… De minister-president van de Vlaamse regering, Patrick DEWAEL De Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw, Vera DUA
88
Bijlage 3.
Domeinbossen/Openbare eigenaar:
Houtverkoping in …………………….(1) op ………………………….(2)
Verklaring van borgstelling Ik, ondergetekende koper, ……………………………………………………………………. ….…………………………………………………………………………………………….. BTW-nummer ………………………………….
(3) (4)
verklaar, overeenkomstig artikel 9, §1, van de algemene verkoopvoorwaarden, tot mijn solidaire borg aan te wijzen ……………………………………………………………………………………………….. (3) ……………………………………………………………………………………………….. (4) Hij verklaart dat hij, net als ik, kennis heeft genomen van de algemene en bijzondere verkoopvoorwaarden en hij aanvaardt zich daaraan te houden. Hij heeft deze verklaring mee ondertekend. De koper,
(handtekening)
De borg,
(handtekening)
(1) plaats (gemeente) (2) datum (3) naam, voornaam (4) adres
Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse regering van ________
Brussel, ……………… De minister-president van de Vlaamse regering, Patrick DEWAEL De Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw, Vera DUA
89
Bijlage 4.
BELOFTE TOT BETALINGSWAARBORG De ondergetekende ....................................................……………………................………….... ..................................................………..……….….........., handelend voor de financiële instelling/ verzekeringsmaatschappij .................................................................……………………...……. …………………………………………………………………………………………………., verklaart hierbij bereid te zijn bankgarantie te verlenen/borg te staan voor rekening van...…………………....................... ........................................……………………………….(naam en adres van de kandidaat-koper) voor een totaalbedrag van .........................................…………………………............................. .................................................................…………...........………………………….........…euro ten voordele van de eigenaars van het hout dat aan genoemde kandidaat-koper zal worden toegewezen tijdens de openbare verkoping in de openbare bossen van …………..…… (datum) in ……….......................................................................(gemeente waar de verkoping plaatsvindt) Hij/zij verbindt er zich toe deze betalingswaarborg te leveren binnen 15 dagen na de verkoop. Hij/zij ziet af van elk voorrecht van uitwinning (ontzetting, opheffing) en, in voorkomend geval (van elk voorrecht) van schuldsplitsing, alsmede van het eventueel verpanden van de verkregen goederen. Gedaan te ...................., op ..................
...........................
Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse regering van ________
Brussel, ……………… De minister-president van de Vlaamse regering, Patrick DEWAEL De Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw, Vera DUA
90
7 juni 2002 - Besluit van de Vlaamse regering betreffende de vorm van de kapvergunning voor houtkavels in openbare bossen en de wijze waarop die wordt afgeleverd (B.S. 30 juli 2002) DE VLAAMSE REGERING, Gelet op het bosdecreet van 13 juni 1990, inzonderheid op artikel 62, gewijzigd bij het decreet van 18 mei 1999; Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 27 april 2001; Gelet op advies 31.791/3 van de Raad van State, gegeven op12 februari 2002; Op voorstel van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw; Na beraadslaging, BESLUIT: Art. 1. De kapvergunning, bedoeld in artikel 62 van het bosdecreet van 13 juni 1990, wordt uitgereikt door de houtvester, nadat deze zich ervan vergewist heeft dat de koper voor de betrokken houtverkoop voldaan heeft aan de bepalingen terzake van de algemene en de bijzondere verkoopvoorwaarden. Art. 2. De kapvergunning wordt opgesteld overeenkomstig het model als bijlage bij dit besluit. Art. 3. De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, is belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel, ………………
De minister-president van de Vlaamse regering, Patrick DEWAEL De Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw, Vera DUA
91
Bijlage
Kapvergunning Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Afdeling Bos & Groen Houtvesterij ______________________ _________________________________ _________________________________ tel._______________________________ Machtiging Houtvester ____________ van de houtvesterij ______________ verleent machtiging aan de koper, voor exploitatie van het hierna vermelde lot van het dienstjaar 20__. voornaam en naam koper ___________________________________ adres ___________________________________ ___________________________________ lotnummer
_______
datum verkoop
__/__/__
gelegen in _________________
eigendom van ___________________
Schoontijd Er is een schoontijd voorzien van __/__/__ tot en met __/__/__. Exploitatietermijn De exploitatietermijn loopt van __/__/__ tot en met __/__/__. Opmerkingen (…) Aanvang van de werken De koper moet de toezichthoudende boswachter van het Bosbeheer minstens twee dagen voor de aanvang van de werken op de hoogte brengen. voornaam en naam boswachter adres telefoonnummer
__________________________________ __________________________________ __________________________________ __________________________________
datum en handtekening van de houtvester ………………………………………………….……………. cc: de toezichthoudende boswachter Deze kapvergunning wordt verleend overeenkomstig art. 62 van het bosdecreet van 13 juni 1990 en het besluit van de Vlaamse regering betreffende de vorm van de kapvergunning voor houtkavels in openbare bossen en de wijze waarop die wordt afgeleverd.
92
Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse regering betreffende de vorm van de kapvergunning voor houtkavels in openbare bossen en de wijze waarop die wordt afgeleverd, van ..... Brussel, ………………
De minister-president van de Vlaamse regering, Patrick DEWAEL De Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw, Vera DUA
93
7 juni 2002 - Besluit van de Vlaamse regering betreffende de verkoop uit de hand van hout en andere bosproducten afkomstig uit openbare bossen (B.S. 20 juli 2002) DE VLAAMSE REGERING, Gelet op het Bosdecreet van 13 juni 1990, inzonderheid op artikel 55, §2, en artikel 57, gewijzigd bij het decreet van 18 mei 1999; Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 27 april 2001; Gelet op advies 31.789/3 van de Raad van State, gegeven op 12 februari 2002; Op voorstel van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw; Na beraadslaging, BESLUIT: Artikel 1. §1. Loten die bij twee afzonderlijke openbare verkopingen zoals bepaald in artikel 55, §1, van het Bosdecreet, werden ingehouden wegens een te laag geacht bod of bij gebrek aan een bod op twee openbare verkopingen, kunnen uit de hand worden verkocht aan degene die binnen de maand na de laatste openbare verkoop het hoogste bod doet per aangetekende brief. Indien binnen bovenstaande termijn geen bod werd gedaan, kunnen de desbetreffende loten uit de hand verkocht worden aan de eerste gegadigde die binnen een jaar te rekenen vanaf de tweede openbare verkoping een bod doet per aangetekende brief. §2. Bij de verkoop uit de hand kan niet worden afgeweken van de verkoopvoorwaarden van de openbare verkopingen. Art. 2. Wanneer in een domeinbos windworp optreedt in een reeds toegewezen kavel kan de houtvester aan het hoofd van het Bosbeheer of zijn gedelegeerde een gemotiveerd voorstel van verkoop doen met aanduiding van de verkoopwaarde en van eventuele bijzondere verkoopvoorwaarden. Na akkoord wordt de windworp te koop aangeboden aan de koper van de betrokken kavel. Bij windworp in een reeds toegewezen kavel in andere openbare bossen dan domeinbossen, doet de houtvester aan de eigenaar een voorstel van aflevering en verkoop, met opgave van de verkoopwaarde en de eventuele bijzondere verkoopvoorwaarden. Na akkoord wordt de windworp te koop aangeboden aan de koper van de betrokken kavel. Als de koper aan wie de kavel in kwestie werd toegewezen het aanbod niet binnen veertien kalenderdagen heeft aanvaard, kan een andere potentiële koper worden voorgesteld. Er mag niet tegen een lagere prijs of tegen gunstigere voorwaarden aan een derde verkocht worden zonder instemming van de oorspronkelijke koper van de kavel in kwestie. Art. 3. Bomen die om sanitaire of veiligheidsredenen dringend moeten worden gekapt, delicthout en alle andere gevallen van windworp dan die vermeld worden in artikel 2 van dit besluit, kunnen onmiddellijk worden verkocht aan de door het Bosbeheer meest geschikt geachte koper(s). Voor domeinbossen bepaalt de houtvester de verkoopwaarde en de bijzondere verkoopvoorwaarden. Voor andere openbare bossen dan domeinbossen, stelt de eigenaar de verkoopwaarde en de bijzondere verkoopvoorwaarden vast op voorstel van de houtvester. Art. 4. Kappingen van gering belang zijn kappingen waarvan de raming van de waarde, de kosten en BTW niet inbegrepen, maximaal 5000 euro bedraagt. Kappingen van gering belang, afkomstig uit domeinbossen, mogen onderhands verkocht worden als de door de houtvester aanvaarde minimale verkoopwaarde wordt gehaald. Kappingen van gering belang, afkomstig uit andere openbare bossen dan domeinbossen, mogen onderhands verkocht worden als de door de eigenaar aanvaarde minimale verkoopwaarde wordt gehaald. Art. 5. De algemene verkoopvoorwaarden voor andere producten dan hout, afkomstig uit openbare bossen, worden hieronder beschreven:
94
1° Andere producten dan hout, afkomstig uit openbare bossen kunnen steeds uit de hand verkocht worden conform artikel 55, §2, van het Bosdecreet. 2° Geïnteresseerden in dergelijke producten die afkomstig zijn uit domeinbossen, richten zich schriftelijk tot de houtvester met vermelding van het gewenste product. Geïnteresseerden in dergelijke producten die afkomstig zijn uit andere openbare bossen dan domeinbossen, richten zich schriftelijk tot de eigenaar van het betrokken bos met vermelding van het gewenste product. 3° Voor producten afkomstig uit domeinbossen doet de houtvester de toewijzing en stelt hij bovendien de verkoopwaarde vast en wijst hij de koper definitief aan. Het hoofd van het Bosbeheer of zijn gedelegeerde legt op schriftelijke wijze de bijzondere verkoopvoorwaarden bij de verkoop uit de hand van andere bosproducten dan hout vast en deelt die mee aan de koper, die voor akkoord tekent. 4° Voor producten afkomstig uit andere openbare bossen dan domeinbossen doet de boseigenaar de toewijzing, bepaalt de verkoopwaarde op voorstel van het Bosbeheer of zijn gemachtigde en wijst de koper definitief aan. De boseigenaar legt tevens op schriftelijke wijze de bijzondere verkoopvoorwaarden bij de verkoop uit de hand van andere bosproducten dan hout vast en deelt die mee aan de koper, die voor akkoord tekent. Deze taken kunnen door de boseigenaar ook geheel of gedeeltelijk worden overgedragen aan het Bosbeheer. 5° Aankopen boven de 5000 euro, de kosten en de BTW niet inbegrepen, moeten steeds vergezeld gaan van een belofte tot betalingswaarborg, zoals beschreven in art. 9, §2 van het besluit van de Vlaamse regering houdende de werkwijze en de voorwaarden inzake de openbare verkopingen van hout en andere bosproducten afkomstig uit openbare bossen. Art. 6. De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, is belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel, ................. De minister-president van de Vlaamse regering, Patrick DEWAEL De Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw, Vera DUA
95
8 november 2002 - Besluit van de Vlaamse regering houdende de erkenning van kopers en exploitanten van hout overeenkomstig artikel 79 van het Bosdecreet van 13 juni 1990 ( B.S. 18 december 2002) DE VLAAMSE REGERING, Gelet op het Bosdecreet van 13 juni 1990, inzonderheid op artikel 79, vervangen bij het decreet van 18 mei 1999; Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 14 december 1983 houdende sommige maatregelen tot harmonisatie van de werking en van de presentiegelden en vergoedingen van adviesorganen; Gelet op het advies van de Vlaamse Hoge Bosraad, gegeven op 29 juni 2001; Gelet op de akkoordbevinding van de Vlaamse minister bevoegd voor de Begroting, gegeven op 24 januari 2002; Gelet op de beslissing van de Vlaamse regering over het verzoek aan de Raad van State om advies te geven binnen een termijn van een maand; Gelet op advies 32.947/3 van de Raad van State, gegeven op 18 juni 2002, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Op voorstel van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw; Na beraadslaging, BESLUIT: Hoofdstuk I. Definities en toepassingen Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder: 1° de koper: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die als koper optreedt op openbare verkopingen van hout van openbare bossen, zoals bedoeld in artikelen 6 en 7 van het besluit van de Vlaamse regering van 7 juni 2002 houdende de werkwijze en de voorwaarden inzake de openbare verkopingen van hout van openbare bossen, of de natuurlijke of rechtspersoon aan wie de kapvergunning, zoals bedoeld in artikel 62 van het Bosdecreet van 13 juni 1990, wordt afgeleverd; 2° de exploitant: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die in een openbaar bos hout velt, bewerkt of uitsleept , behoudens degene die tegen loon onder gezag van een werkgever arbeid verricht. De exploitant kan ook de koper zelf zijn. 3° de minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor de bossen; 4° het erkenningscomité: orgaan dat instaat voor het beheer en de beoordeling van de erkenningdossiers, voor het adviseren van de minister over het al dan niet afleveren of intrekken van de erkenning en dat administratieve sancties kan opleggen bij schendingen op dit besluit. Art. 2. § 1. Dit besluit is van toepassing op de kopers en de exploitanten en het personeel van de exploitanten dat bosexploitatiewerkzaamheden uitvoert. § 2. Dit besluit is niet van toepassing op kopers en exploitanten die jaarlijks een hoeveelheid hout kopen of exploiteren kleiner dan 50 m3 per adres. Hoofdstuk II. Erkenningsvoorwaarden Art. 3. §1. Om erkend te worden en erkend te blijven als exploitant moeten natuurlijke personen voldoen aan de volgende vereisten: 1° de nodige bosbouwtechnische kennis en ervaring kunnen aantonen met betrekking tot de exploitatie van bossen; 2° de verkoopvoorwaarden en boswetgeving naleven; 3° zich akkoord verklaren met een verklaring, opgesteld door de minister op voorstel van het erkenningscomité, die minstens de volgende verbintenissen bevat:
96
a) tijdens de exploitatie steeds de nodige veiligheidsvoorzieningen in acht nemen en onder meer zichzelf - indien men exploitatiewerkzaamheden uitvoert - en in voorkomend geval zijn personeel dat exploitatiewerkzaamheden uitvoert, uitrusten met de nodige persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM's) conform de wetgeving inzake arbeidsveiligheid en in overeenstemming met de uit te voeren werkzaamheden. PBM's krijgen steeds een CEmarkering; b) tijdens exploitatiewerkzaamheden steeds uitgerust zijn met een EHBO-kit conform de wetgeving inzake arbeidsveiligheid en in voorkomend geval zijn personeel dat exploitatiewerkzaamheden uitvoert steeds uitrusten met één EHBO-kit per vier werknemers; c) noch zelf exploitatiewerkzaamheden uitvoeren, noch zijn personeel exploitatiewerkzaamheden laten uitvoeren onder invloed van alcohol of andere bedwelmende middelen; d) de voor de sector relevante CAO's naleven; e) alle op hem of haar van toepassing zijnde sociale verplichtingen nakomen; f) een verzekeringscontract burgerlijke aansprakelijkheid afsluiten alsook een verzekering tegen arbeidsongevallen en ter dekking van de schade die kan voortvloeien uit de voorgenomen bosbouwwerkzaamheden; g) alle op hem of haar van toepassing zijnde fiscale verplichtingen met betrekking tot de koop en de exploitatie, alsook de BTW-wetgeving naleven; h) enkel werken met biologisch afbreekbare oliën en vanuit milieustandpunt verantwoorde brandstoffen; 4° indien men een beroep doet op onderaannemers voor de uitvoering van bosexploitatiewerkzaamheden zich ertoe verbinden die enkel te laten uitvoeren door erkende personen; 5° zich ertoe verbinden zijn personeel dat boswerkzaamheden uitvoert binnen een jaar na de indiensttreding een door de minister aanvaarde bosbouwtechnische vorming te laten volgen. Het erkenningscomité legt een lijst ter advies voor aan de minister met geschikte educatieve centra. De minister beslist welke centra uit die lijst voldoen om een volwaardige bosbouwtechnische vorming te verzekeren. § 2. Om erkend te worden en erkend te blijven als exploitant moeten rechtspersonen voldoen aan de volgende vereisten: 1° opgericht zijn conform de Belgische vennootschapswetgeving of de overeenstemmende wetgeving van een andere EU-lidstaat, met maatschappelijke zetel binnen de EU; 2° ten minste één natuurlijke persoon die de vennootschap kan verbinden moet de nodige bosbouwtechnische kennis en/of ervaring kunnen aantonen met betrekking tot de exploitatie van bossen; 3° de verkoopvoorwaarden en boswetgeving naleven; 4° zich akkoord verklaren met een verklaring, zoals beschreven in artikel 3, §1, 3°; 5° indien men een beroep doet op onderaannemers voor de uitvoering van bosexploitatiewerkzaamheden zich ertoe verbinden die enkel te laten uitvoeren door erkende personen; 6° zich ertoe verbinden zijn personeel dat boswerkzaamheden uitvoert binnen een jaar na indiensttreding een door de minister aanvaarde bosbouwtechnische vorming te laten volgen. Art. 4. §1. Om erkend te worden en erkend te blijven als koper moeten natuurlijke personen voldoen aan de volgende vereisten: 1° de verkoopvoorwaarden en boswetgeving na leven; 2° voor de uitvoering van bosexploitatiewerkzaamheden enkel een beroep doen op erkende exploitanten. §2. Om erkend te worden en erkend te blijven als koper moeten rechtspersonen voldoen aan de volgende vereisten: 1° opgericht zijn conform de Belgische vennootschapswetgeving of de overeenstemmende wetgeving van een andere EU-lidstaat, met maatschappelijke zetel binnen de EU; 2° de verkoopvoorwaarden en boswetgeving naleven; 3° voor de uitvoering van bosexploitatiewerkzaamheden enkel een beroep doen op erkende exploitanten. § 3. Een natuurlijke persoon of rechtspersoon die erkend is als exploitant, is automatisch ook erkend als koper. Hoofdstuk III. Erkenningsprocedure Afdeling I. Organisatiestructuur Art. 5. Om de procedure tot erkenning als koper of exploitant te verzekeren, worden een erkenningscomité, zoals bedoeld in artikel 1, 4°, een comité van beroep en een ondersteunend secretariaat opgericht.
97
Art. 6. §1. Het erkenningscomité bestaat uit een voorzitter, twee vertegenwoordigers van de beroepsfederatie Nationale Federatie van Exploitanten en Houthandelaars (FEDEMAR), één ambtenaar van het Bosbeheer en één vertegenwoordiger van de openbare boseigenaars. De minister wijst een voorzitter aan binnen de administratie en benoemt de leden van het erkenningscomité en hun vervangers. §2. De leden van het erkenningscomité en hun vervangers vervullen hun opdracht tot zij ontslaggevend zijn of door de minister ontslagen worden. §3. Het erkenningscomité stelt een huishoudelijk reglement op dat ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de minister. Art. 7. §1. Voor de beroepsprocedure wordt een comité van beroep ingesteld, dat is samengesteld uit een voorzitter, twee vertegenwoordigers van de beroepsfederatie Nationale Federatie van Exploitanten en Houthandelaars (FEDEMAR), één ambtenaar van het Bosbeheer en één vertegenwoordiger van de openbare boseigenaars, een vertegenwoordiger van het Educatief Bosbouwcentrum Groenendaal, een privé-eigenaar, voorgesteld door de Vlaamse Hoge Bosraad, een ambtenaar van de Technische Inspectie van het federaal ministerie van Arbeid en Tewerkstelling en hun vervangers. De minister wijst een voorzitter aan binnen de administratie en benoemt de leden van het comité van beroep en hun vervangers. §2. De leden van het comité van beroep en hun vervangers vervullen hun opdracht tot zij ontslaggevend zijn of door de minister ontslagen worden. §3. Het comité van beroep stelt een huishoudelijk reglement op dat ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de Vlaamse minister. §4. Zowel de leden van het erkenningscomité als de leden van het comité van beroep, ambtenaren uitgezonderd, kunnen aanspraak maken op de vergoeding voor reis- en verblijfkosten overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten van het rijkspersoneel. Voor de berekening van die vergoeding worden zij gelijkgesteld met de rijksambtenaren die bekleed zijn met een rang 10 tot 14. De vertegenwoordigers van het privé-bos en de bosexploitanten hebben recht op een zitpenning, zoals bepaald bij het besluit van de Vlaamse regering van 14 december 1983 houdende sommige maatregelen tot harmonisatie van de werking en van de presentiegelden en vergoedingen van adviesorganen. Art. 8. Het erkenningscomité en het comité van beroep worden bijgestaan door een secretariaat. Het secretariaat staat in voor de administratieve voortgangscontrole op de erkenningdossiers. Het secretariaat wordt verzorgd door het Bosbeheer en kan uitbesteed worden. Afdeling II. Het aanvraagdossier Art. 9. §1. Het aanvraagdossier voor de erkenning als koper of exploitant moet minstens de volgende genummerde documenten bevatten: 1° het formele verzoek tot erkenning, gedateerd en ondertekend door de aanvrager of in voorkomend geval door een natuurlijke persoon die de vennootschap kan verbinden, met de volgende gegevens: a) naam, rechtsvorm, zetel en nummer van het handelsregister of een overeenstemmende registratie en BTWnummer van de aanvrager; b) woonplaats en adres van de aanvrager en in voorkomend geval van de maatschappelijke en de administratieve zetels en van de exploitatiezetels; c) in voorkomend geval naam, functie, woonplaats en adres van de natuurlijke personen die deel uitmaken van het orgaan van de vennootschap en van de natuurlijke personen die de vennootschap kunnen verbinden; d) inhoudstafel van het volledige aanvraagdossier; e) naam en functie van de ondertekenaar; 2° in voorkomend geval een [kopie] van de actuele versie van de statuten, alsmede een overzicht van de actuele aandeelhouders en hun belang (BVR 23 april 2004, art. 30); 3° een omschrijving van: a) de bedrijfsactiviteiten op het ogenblik van de aanvraag, alsmede het hiervoor ingezette personeel, met vermelding van het totale personeelsbestand; b) de bosexploitatiewerkzaamheden die verricht zullen worden;
98
4° in voorkomend geval een voor akkoord verklaarde en door de aanvrager ondertekende verklaring zoals beschreven in artikel 3, §1, 3°, die daarenboven minstens de gegevens bevat, vermeld in 1°, a), b) en e); 5° een kopie van de verzekeringspolis burgerlijke aansprakelijkheid en in voorkomend geval een verzekering tegen arbeidsongevallen om de schade die kan voortvloeien uit de voorgenomen bosbouwwerkzaamheden te dekken; 6° Als de aanvraag over de erkenning tot exploitant handelt, één van de volgende documenten: a) hetzij een schriftelijke verbintenis tot het volgen van een bosbouwtechnische opleiding. Deze opleiding moet binnen een jaar gevolgd worden door de aanvrager of, in voorkomend geval, door het personeel en moet aanvaard worden door de minister. De schriftelijke verbintenis wordt bij voorkeur onder briefhoofd van de aanvrager verzonden en bevat minstens de gegevens, vermeld in 1°, a), b) en e). Ze wordt gedateerd en ondertekend door de aanvrager of, in voorkomend geval, door een natuurlijke persoon die de vennootschap kan verbinden. Bij de schriftelijke verbintenis wordt een verklaring gevoegd waarin staat dat het onder b) vermelde attest binnen een jaar aan het secretariaat moet worden gestuurd; b) hetzij een attest waaruit blijkt dat de aanvrager of in voorkomend geval een natuurlijke persoon die de vennootschap kan verbinden, en in voorkomend geval zijn personeel dat bosexploitatiewerkzaamheden uitvoert een door het erkenningscomité aanvaarde bosbouwtechnische opleiding gevolgd heeft; 7° bewijsstukken dat per jaar gedurende minstens één werkdag een permanente vorming werd gevolgd die door de minister aanvaard werd, hetzij door de koper, hetzij door de exploitant, hetzij door zijn personeel dat bosexploitatiewerkzaamheden uitvoert; 8° als de aanvraag over de erkenning tot exploitant handelt, een schriftelijke verbintenis tot het indienen van RSZ-attesten op het secretariaat bij de aanvraag tot erkenning of bij de aanvraag tot verlenging van de erkenning. Deze verbintenis wordt bij voorkeur onder briefhoofd van de aanvrager verzonden en bevat minstens de gegevens, vermeld in 1°, a), b) en e). Ze wordt gedateerd en ondertekend door de aanvrager of, in voorkomend geval, door een natuurlijke persoon die de vennootschap kan verbinden; 9° een uittreksel uit het centraal strafregister, zoals bedoeld in artikel 595 en artikel 596 van het Wetboek van Strafvordering; §2. De aanvrager is vrijgesteld van de onder §1, 6°, a) vermelde verbintenis of het onder §1, 6°, b) vermelde attest, indien voldaan is aan alle hieronder vermelde voorwaarden: 1° hij dient zijn aanvraag in binnen drie jaar na het in voege treden van dit besluit; 2° hij kan aantonen reeds voor de aanvang van dit besluit actief te zijn als koper of exploitant of als werknemer van een exploitant die exploitatiewerkzaamheden uitvoert; 3° in het geval hij reeds erkend was, die erkenning nooit door de minister is ingetrokken. Art. 10. §1. Erkende beschutte werkplaatsen en erkende sociale werkplaatsen, zoals geregeld door het decreet van 14 juli 1998 inzake sociale werkplaatsen die bosexploitatiewerkzaamheden uitvoeren, zijn niet verplicht bij de aanvraag tot erkenning het onder artikel 9, §1, 6°, b) bedoelde attest in te dienen, mits de werkzaamheden uitgevoerd worden onder toezicht van een begeleider die in het bezit is van het onder artikel 9, §1, 6°, b) bedoelde attest. §2. Erkende terreinbeherende natuurverenigingen zoals geregeld door het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, die bosexploitatiewerkzaamheden uitvoeren en hiervoor een beroep doen op vrijwilligers, moeten voor die vrijwilligers geen onder artikel 9, §1, 6°, b) bedoelde +-attest hebben indien de werkzaamheden onder toezicht gebeuren van een begeleider die in het bezit is van het onder artikel 9, §1, 6°, b) bedoelde attest. Art. 11. §1. De minister stelt op advies van het erkenningscomité een lijst op van buitenlandse erkenningen van kopers en exploitanten van hout, die als evenwaardig moeten worden beschouwd met de regeling vervat in dit besluit. Houders van geldige buitenlandse erkenningen die voorkomen op deze lijst, kunnen op basis van die erkenning door de minister erkend worden zoals bedoeld in dit besluit. §2. Daartoe maken zij aan het secretariaat een aanvraagformulier over dat de volgende gegevens bevat: 1° een formele erkenningsaanvraag, gedateerd en ondertekend door de aanvrager of in voorkomend geval door een natuurlijke persoon die de vennootschap kan verbinden, dat volgende gegevens bevat: a) naam en adres van de aanvrager, in voorkomend geval rechtsvorm en adres van de maatschappelijke zetel en van de exploitatiezetel; b) handelsregisternummer of een overeenstemmende buitenlandse registratie en BTW-nummer; c) in voorkomend geval naam, functie en adres van de natuurlijke personen die de rechtspersoon kunnen verbinden of van de natuurlijke personen die deel uitmaken van het orgaan van de rechtspersoon die de rechtspersoon kan verbinden;
99
2° een [kopie] van de stukken waaruit blijkt dat ze erkend zijn op basis van een regeling vermeld op de lijst bedoeld in §1. (BVR 23 april 2004, art. 30) Art. 12. Het erkenningscomité stelt modelformulieren op, bestemd voor het aanvragen van de erkenning als koper of exploitant, waarin verwezen wordt naar de in artikel 9, §1 verplichte documenten . Die modelformulieren worden ter beschikking gesteld van de aanvrager. Afdeling III. De aanvraagprocedure Art. 13. Het aanvraagdossier tot erkenning wordt per aangetekend schrijven ingediend bij het secretariaat dat het dossier op zijn volledigheid beoordeelt. Art. 14. Het secretariaat licht de aanvrager binnen de maand na de ontvangst van de aanvraag schriftelijk in of het dossier volledig dan wel onvolledig werd bevonden. In geval het secretariaat de onvolledigheid van het aanvraagdossier vaststelt, wordt de aanvrager schriftelijk verwittigd van de vastgestelde onvolledigheid. De aanvrager beschikt dan over één maand na ontvangst van de kennisgeving om de ontbrekende stukken over te maken. Voor zover het secretariaat opnieuw de onvolledigheid van het aanvraagdossier vaststelt, wordt de aanvraag geweigerd. Art. 15. Indien het erkenningscomité de aanvrager om aanvullende informatie vraagt, moet die de gevraagde informatie te allen tijde aan het secretariaat bezorgen. Art. 16. Binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de dag dat de aanvraag volledig is verklaard, legt het erkenningscomité haar advies voor aan de minister. De minister beslist binnen een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de dag dat de aanvraag volledig is verklaard of de aanvrager al dan niet erkend wordt. Art. 17. Het erkenningscomité geeft onverwijld de aanvrager kennis van de beslissing die de minister genomen heeft inzake het al of niet erkennen van de aanvrager. Art. 18. De erkenning geldt voor een termijn van 5 jaar. Afdeling IV. De erkenningskaart Art. 19. §1. Indien de erkenning verleend wordt, krijgt de aanvrager een erkenningsnummer en jaarlijks een erkenningskaart zolang de erkenning geldt. De erkenningskaart wordt ook bezorgd aan het personeel van erkende exploitanten dat bosexploitatiewerkzaamheden uitvoert. §2. De vorm en het model van de erkenningskaart wordt uitgewerkt door het erkenningscomité. Art. 20. Het secretariaat stelt een lijst van erkende kopers en erkende exploitanten op. Die lijst wordt jaarlijks door het secretariaat bijgewerkt en verspreid onder de erkende kopers en erkende exploitanten. Tevens kan iedereen die lijst aanvragen op het secretariaat. De lijst bevat de volgende gegevens: 1° naam en adres van de erkende exploitant of erkende koper; 2° in voorkomend geval telefoonnummer en faxnummer; 3° de aard van de bosexploitatiewerkzaamheden die verricht worden; 4° erkenningsnummer dat overeenkomt met het nummer op de erkenningskaart. Afdeling V. Wijzigingen en verlengingen Art. 21. De houder van de erkenning is verplicht om, zonder verwijl en per aangetekend schrijven, elke wijziging van de volgende gegevens in zijn dossier mee te delen aan het secretariaat: 1° naam, rechtsvorm, zetel en nummer van het handelsregister of een overeenstemmende registratie en BTWnummer van de houder; 2° woonplaats, adres of fax- en telefoonnummer van de houder en in voorkomend geval van de maatschappelijke en de administratieve zetels en van de exploitatiezetel of van de standplaats in België; 3° het statutaire doel van de vennootschap;
100
4° naam, woonplaats, adres, functie en kwalificaties van de natuurlijke persoon die als verantwoordelijke werd aangewezen, door die laatste gedateerd en voor akkoord ondertekend; 5° naam en functie van de natuurlijke persoon die, op verzoek van elke ambtenaar van de bevoegde overheid, op elk moment actuele gegevens kan meedelen; 6° de bosbouwwerkzaamheden die verricht zullen worden; §2. De houder van de erkenning is verplicht om jaarlijks, uiterlijk op 31 maart, wijzigingen in het personeelsbestand dat aan bosexploitatiewerkzaamheden doet mee te delen aan het secretariaat. Art. 22. §1. Op basis van de wijzigingen die door de houder van de erkenning conform artikel 21 meegedeeld worden, kan het erkenningscomité aan de bevoegde minister voorstellen dat een formele aanpassing van de erkenning, dan wel een nieuwe aanvraag met intrekking van de bestaande erkenning, noodzakelijk is. §2. Het erkenningscomité brengt de houder van de erkenning binnen een termijn van twee maanden vanaf de ontvangst van het in artikel 21 bedoelde aangetekend schrijven, per aangetekend schrijven op de hoogte van de beslissing van de minister tot formele aanpassing of hernieuwing van de erkenning. Art. 23. §1. Bij een verlenging van een bestaande erkenning moet de aanvrager van de verlenging een aanvraagdossier, bevattende de in artikel 9, §1, 1°, d), e), 4°, 5°, 6°, 7° en 8° vermelde gegevens en, indien sinds de laatste aanvraag gewijzigd, de in artikel 9, §1, 1°, a), b), c), 2° en 3°, vermelde gegevens schrijven aan het secretariaat bezorgen, waarna de procedure verder verloopt volgens de artikelen 14 tot 17. §2. Houders van een erkenning verleend op basis van artikel 11 die een verlenging wensen op basis van een geldige buitenlandse erkenning die voorkomt op de lijst bedoeld in artikel 11, §1, dienen daartoe de procedure zoals omschreven in artikel 11, §2 te volgen. Hoofdstuk IV. Toezicht en controle Afdeling I. Controle Art. 24. §1. Het erkenningscomité kan initiatieven nemen om te controleren of de vereisten, vermeld onder artikel 3 en artikel 4, worden nageleefd. §2. De erkende koper of exploitant moet steeds medewerking aan het erkenningscomité verlenen bij de controle op de naleving van de vereisten, vermeld onder artikel 3 en artikel 4. §3. De erkenningskaart moet op de houtverkoop voorgelegd kunnen worden door de erkende koper. Erkende exploitanten en hun personeel moeten de erkenningskaart steeds kunnen voorleggen bij controle door de bosbeheerder of het Bosbeheer. Art. 25. §1. Het Bosbeheer of de bosbeheerder kan een met redenen omklede klacht indienen bij het secretariaat indien de vereisten, vermeld onder artikel 3 of artikel 4 niet nageleefd worden. Indien proces-verbaal opgesteld wordt wegens niet naleving van die vereisten, geldt dit als klacht. De met redenen omklede klacht wordt behandeld door het erkenningscomité. Het erkenningscomité oordeelt over de ernst van de inbreuken tegen de vereisten. §2. De met redenen omklede klacht wordt dan behandeld door het erkenningscomité dat binnen één maand na het neerleggen van de klacht schriftelijk meedeelt aan de indiener van de klacht en de betrokken exploitant of koper welke beslissing conform artikel 28 werd genomen. Afdeling II. Beroepsprocedure Art. 26. §1. Tegen elke beslissing van het erkenningscomité kan door de erkende koper of exploitant per aangetekend schrijven, binnen 30 dagen na de kennisgeving van de beslissing van het erkenningscomité, een beroep ingediend worden bij het comité van beroep, beschreven onder artikel 7. §2. Het beroepschrift moet gemotiveerd zijn. §3. Alle betrokken partijen kunnen verzoeken om tijdens de behandeling van het beroep gehoord te worden. Het beroep schorst de bestreden beslissing niet.
101
§4. Het comité van beroep formuleert een met redenen omklede beslissing binnen een termijn van 60 dagen vanaf de ontvangst van het beroepschrift. Het comité van beroep zendt een afschrift ervan aan het erkenningscomité, de indiener van de klacht en de exploitant of koper waartegen de klacht is gericht. Art. 27. Elke beslissing van de minister, het comité van beroep of van het erkenningscomité, houdende de erkenning, de weigering, de schorsing, de intrekking, of de formele aanpassing van de erkenning, wordt per aangetekend schrijven aan de aanvrager of de houder betekend. Afdeling III. Administratieve sancties Art. 28. §1. Het erkenningscomité kan elke erkende persoon bij het niet naleven van de vereisten, vermeld onder artikel 3 of artikel 4, hetzij een waarschuwing geven, hetzij ambtshalve schorsen, hetzij de minister adviseren de erkenning ambtshalve in te trekken na herhaalde schorsingen of bij ernstige inbreuken op de in artikel 3 of artikel 4 vermelde vereisten. §2. Een eerste inbreuk op de voorwaarden, vermeld in artikel 3, §1, 1°, 4°, 5° of §2, 1°, 2°, 5°, 6° of artikel 4, §1, 2° of §2, 1°, 3°, wordt gesanctioneerd met een waarschuwing. Een volgende waarschuwing binnen de geldigheidsduur van de erkenning kan tot een schorsing voor één jaar leiden. Een tweede schorsing binnen de geldigheidsduur van de erkenning leidt tot het adviseren aan de minister om de erkenning in te trekken. §3. Inbreuken op de voorwaarden, vermeld in artikel 3, §1, 2°, 3°, artikel 3, §2, 3°, 4°, artikel 4, §1, 1°, of artikel 4, §2, 2°, kunnen leiden tot een schorsing voor één jaar. §4. Gedurende de periode waarin de erkenning is ingetrokken kan geen verlenging toegekend worden. Art. 29. De schorsing van de erkenning wordt per aangetekend schrijven aan de houder van de erkenning meegedeeld. Binnen een termijn van 15 dagen kan de houder van de erkenning zich verantwoorden of ervoor zorgen dat aan de voorwaarden, zoals vermeld in artikel 3 of artikel 4, is voldaan. Art. 30. Op verzoek van de houder aan het erkenningscomité kan de minister elke erkenning intrekken. Hoofdstuk V. Wijzigingsbepalingen Art. 31. Aan de bijlage van het besluit van de Vlaamse Executieve van 14 december 1983 houdende sommige maatregelen tot harmonisatie van de werking en van de presentiegelden en vergoedingen van adviesorganen wordt onder "7. Ruimtelijke ordening en Leefmilieu" de volgende bepaling toegevoegd: - Erkenningscomité en comité van beroep van de erkenning van kopers en exploitanten van hout overeenkomstig artikel 79 van het Bosdecreet van 13 juni 1990 Hoofdstuk VI. Slotbepalingen Art. 32. De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, is belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel,…………………. De minister-president van de Vlaamse regering, Patrick DEWAEL
De Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw, Vera DUA
102
28 maart 2003 - Besluit van de Vlaamse regering van 28 maart 2003 betreffende de subsidiëring van de bebossing van landbouwgronden ter uitvoering van de Verordening (EG) Nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot wijziging en instelling van een aantal verordeningen - (BS 19/05/2003) DE VLAAMSE REGERING, Gelet op de Verordening (EG) nr. 1257/99 van de Raad van 17 mei 1999 inzake de steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot wijziging en instelling van een aantal verordeningen, inzonderheid op artikel 31; Gelet op de Verordening (EG) nr. 445/2002 van de Commissie van 26 februari 2002 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1257/99 van de Raad inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL); Gelet op de beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 oktober 2000 tot goedkeuring van het programma voor Plattelandsontwikkeling in Vlaanderen met betrekking tot de programmeringsperiode 2000-2006; Gelet op het overleg in de Interministeriële Conferentie Leefmilieu op 6 maart 2002; Gelet op het decreet van 6 juli 1994 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 1994, inzonderheid op artikel 7; Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 24 mei 2002; Gelet op de beraadslaging van de Vlaamse regering, op 24 mei 2002, betreffende de aanvraag om advies bij de Raad van State binnen een maand; Gelet op het advies nummer 33.538/3 van de Raad van State, gegeven op 4 maart 2003 , met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Op voorstel van de Vlaamse minister voor Leefmilieu en Landbouw; Na beraadslaging, BESLUIT: Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder: 1° het Bosbeheer: de afdeling Bos en Groen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap; 2° afdeling Natuur: de in het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap aangewezen bestuursentiteit die bevoegd is voor het natuurbehoud; 3° Administratie Land- en Tuinbouw: de in het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap aangewezen bestuursentiteit die bevoegd is voor het landbouwbeleid; 4° vogelrichtlijngebied: a) elk gebied dat door de Vlaamse regering definitief is vastgesteld in de zin van artikel 36bis, § 6, van het Decreet Natuurbehoud en waarvan het definitief vaststellingsbesluit krachtens artikel 36bis, § 7, laatste lid, van hetzelfde decreet tevens het aanwijzingsbesluit vormt zoals bedoeld in artikel 36bis, § 9, van dat decreet; b) elke in artikel 36bis, § 13, van het Decreet Natuurbehoud bedoelde zone, of elk daarin bedoeld onderdeel van een zone, van het besluit van de Vlaamse regering van 17 oktober 1988 tot aanwijzing van speciale beschermingszones in de zin van artikel 4 van de Vogelrichtlijn; c) elk in artikel 75 van het Decreet Natuurbehoud bedoeld gedeelte van een in artikel 1, § 3, van het besluit van de Vlaamse regering van 17 oktober 1988 bedoelde zone; 5° habitatrichtlijngebied:
103
a)
elk gebied dat door de Vlaamse regering in uitvoering van artikel 36bis, § 9, van het Decreet Natuurbehoud is aangewezen als speciale beschermingszone nadat de Europese Commissie het van communautair belang heeft verklaard; b) elk gebied dat in aanmerking komt als speciale beschermingszone en door de Vlaamse regering definitief is vastgesteld in de zin van artikel 36bis, § 6 of § 12, van het Decreet Natuurbehoud;” 6° waterrijk gebied van internationale betekenis: waterrijke gebieden die aangeduid zijn conform de Overeenkomst inzake watergebieden die van internationale betekenis zijn, opgemaakt te Ramsar op 2 februari 1971; 7° landbouwer: de persoon die een land- of tuinbouwbedrijf exploiteert met een arbeidsbehoefte van minimaal 0,5 en maximaal 10 volle arbeidskrachten (VAK) per bedrijfsleider. De landbouwer kan zowel een natuurlijke persoon als een rechtspersoon zijn. De natuurlijke persoon of de beherende vennoot, zaakvoerder, bestuurder of afgevaardigd bestuurder van de rechtspersoon moet minstens 50% van zijn totale arbeidsduur besteden aan de werkzaamheden op het land- of tuinbouwbedrijf en minstens 35% van zijn totale inkomen uit die activiteit halen. 8° landbouwgronden: alle gronden waarvan het landbouwgebruik bijgedragen heeft tot de inkomsten van de exploitant en waarvan dat landbouwgebruik niet eerder dan vijf jaar voor de datum van aanvraag van de subsidie werd stopgezet. 9° pachtwet: de wet van 4 november 1969 tot wijziging van de pachtwetgeving en van de wetgeving betreffende het recht van voorkoop ten gunste van huurders van landeigendommen; 10° minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor de landinrichting en het natuurbehoud; 11° aanbevolen herkomst: herkomst van een boom- of struiksoort die door het Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer aanbevolen wordt voor gebruik in Vlaanderen; 12° bezaaiing: het bebossen of herbebossen van een terrein door middel van inzaaiing van zaden van bomen of struiken; 13° natuurlijke verjonging: bebossings- of herbebossingstechniek waarbij zich, op spontane wijze of na kunstmatige terreinvoorbereiding, een nieuwe generatie van bomen of struiken vestigt. Door de mens wordt hierbij niet geplant of gezaaid; 14° het decreet: het bosdecreet van 13 juni 1990; 15° ambtenaar: elk personeelslid van het Bosbeheer behorende tot het niveau A; 16° het decreet natuurbehoud: het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu; Art. 2. §1. Binnen de beschikbare begrotingskredieten verleent de minister subsidies voor de bebossing van landbouwgronden. §2. De subsidies kunnen toegekend worden aan: 1° publiekrechtelijke rechtspersonen, andere dan de federale staat, het Vlaamse Gewest, de Vlaamse Gemeenschap, voor landbouwgronden in eigendom of waarop ze het zakelijk recht hebben, die niet verpacht worden, 2° privaatrechtelijke rechtspersonen of natuurlijke personen, voor landbouwgronden in eigendom of waarop ze het zakelijk recht hebben, die niet verpacht worden. 3° publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersonen of natuurlijke personen, voor landbouwgronden die ze in pacht hebben overeenkomstig de pachtwet, op voorwaarde dat er een schriftelijk akkoord van de eigenaar is of van de houder van het zakelijk recht, waarin hij toestemt met de bebossing van die landbouwgronden. §3. De subsidies worden toegekend zolang er kredieten voorhanden zijn, in volgorde van registratie van de aanvragen. Als de kredieten van het desbetreffende begrotingsjaar uitgeput zijn, worden de subsidies automatisch in het volgende begrotingsjaar toegekend, behoudens de bepalingen in artikel 2, §1. Art. 3. Een subsidie kan worden verleend voor de beplanting, de bezaaiing of de natuurlijke verjonging van landbouwgronden, met houtachtige gewassen, voor zover de totale te beplanten, te bezaaien of natuurlijk te
104
verjongen oppervlakte ten minste 0,5 ha bedraagt. Die oppervlakte kan uit ruimtelijk gescheiden deeloppervlakten van minimaal 10 are bestaan, op voorwaarde dat die maximaal 1 kilometer in vogelvlucht van elkaar verwijderd liggen. Bij de beplanting dienen de minimaal aangegeven stamtallen zoals vermeld in bijlage II bij dit besluit, gerespecteerd te worden. Bij een bezaaiing en natuurlijke verjonging dienen minstens 2500 exemplaren per hectare, regelmatig verspreid over de volledige oppervlakte van het perceel, aanwezig te zijn. De natuurlijke verjonging dient voor minstens 90 procent uit bomen en struiken van na 1998 te bestaan. De natuurlijke verjonging kan gecombineerd worden met beplanting of bezaaiing. Art. 4. Een subsidie wordt alleen toegekend indien: 1° op het ogenblik van de definitieve aanvaarding van de werkzaamheden voldaan werd aan de verplichtingen van artikel 43 van het decreet met betrekking tot het opstellen van een bosbeheerplan. Deze verplichtingen gelden niet voor de aanplantingen met een eerste generatie populier in agrarisch gebied in de ruime zin, in het kader van dit besluit. 2° de aanvrager voor het onroerend goed in kwestie of voor andere onroerende goederen die onder toepassing van het decreet vallen, niet in overtreding is of de laatste 3 jaar geweest is met de bepalingen van het decreet en zijn uitvoeringsbesluiten. 3° de werkzaamheden en diensten waarvoor subsidie wordt aangevraagd niet in strijd zijn met de bepalingen van een vastgesteld natuurrichtplan ten uitvoering van artikel 48 van het decreet natuurbehoud. 4° als het onroerend goed gelegen is in een vogelrichtlijngebied of een habitatrichtlijngebied, de werkzaamheden en diensten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, niet in strijd zijn met de bepalingen van artikel 36ter van het Decreet Natuurbehoud. Art. 5. Voor beplantingen die als maatregel tot herstel door de rechtbank worden bevolen of voor compenserende bebossingen met toepassing van artikel 90bis van het decreet, kunnen geen subsidies worden toegekend. Art. 6. §1. Een subsidie kan verleend worden om de bebossingskosten te dekken. Die wordt op de volgende manier berekend. 1° Uitgaande van de in bijlage I vastgestelde bedragen, wordt het subsidiebedrag bepaald overeenkomstig de oppervlakte die de respectieve boomsoorten innemen, afgerond tot een oppervlakte-eenheid van 1 are. De basissubsidie voor de boomsoorten uit de klassen I tot en met IV uit bijlage I kan overal worden verleend. Voor de boomsoorten uit de overige klassen kan enkel subsidie worden verleend buiten de gebieden die in artikel 20 van het decreet natuurbehoud zijn opgesomd. 2° Bij de aanleg van een onderetage met boomsoorten uit de klassen I tot en met IV van bijlage I of met boomof struiksoorten uit bijlage III, wordt een extra subsidie toegekend van 500 euro/ha, in de volgende gevallen: a) als bij een plantverband van 3 meter op 3 meter of ruimer, waarbij met akkoord van de ambtenaar plantsoen wordt gebruikt dat hiertoe specifiek geselecteerd en gekweekt werd, door bijmenging van boom- of struiksoorten, een plantverband van 3 meter op 3 meter of dichter bereikt wordt; b) als bij een plantverband kleiner dan 3 meter op 3 meter, 10 tot 25% van het hoofdbestand stamsgewijs gemengd wordt met andere boom- of struiksoorten. Minder dan 10% van het hoofdbestand mag stamsgewijs vervangen worden door andere boom- of struiksoorten van bijlage I of bijlage III, zonder dat het subsidiebedrag per klasse en per ha, overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid, gewijzigd wordt. 3° Voor de aanleg van een omringend mantelstruweel van minimum 6 meter breed rond een loofboombestand met soorten uit de lijst van begeleidende boom- en struiksoorten in de bijlage III, wordt een extra subsidie toegekend. Het bedrag bestaat uit een subsidie van 100 euro per 100 meter mantellengte. Deze subsidie wordt slechts verleend indien het vereiste advies van het instituut voor Bosbouw en Wildbeheer voor de in bijlage III aangegeven soorten gunstig is. 4° Bij de aanleg rond een naaldboombestand van een minimaal 6 meter brede brandsingel met loofboomsoorten, uitgezonderd cultuurpopulier, of met struiksoorten uit de lijst van begeleidende struiksoorten in de bijlage III, wordt een extra subsidiebedrag toegekend. Het bedrag bestaat uit een subsidie van 100 euro per 100 meter brandsingel. Deze subsidie wordt slechts verleend indien het vereiste advies van het instituut voor Bosbouw en Wildbeheer voor de in bijlage III aangegeven soorten gunstig is. §2. Aan elke privaatrechtelijke rechtspersoon of natuurlijk persoon kan een extra subsidie verleend worden om de kosten voor het onderhoud gedurende de eerste vijf jaar na de aanplanting te dekken. Het bedrag van deze subsidie wordt berekend naargelang van de categorie waartoe de gebruikte boomsoorten behoren, op basis van de in bijlage IV vastgestelde bedragen. §3. Boven op de subsidies, vermeld in §1 en §2, wordt in de volgende gevallen een supplement toegekend: a) een supplement van 250 euro/ha indien de te bebossen grond gelegen is in bosgebied of bosuitbreidingsgebied of een hiermee vergelijkbaar gebied, aangeduid op het krachtens de wetgeving inzake de ruimtelijke ordening geldende plan van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplan, of gelegen is binnen de perimeter van een
105
bosuitbreidingsgebied, opgenomen in een goedgekeurd landinrichtings- of ruilverkavelingsplan, of gelegen is binnen de perimeter van een bos- of bosuitbreidingsgebied, opgenomen in een goedgekeurd natuurinrichtingsplan; b) een supplement van 250 euro/ha indien de beplanting met aanbevolen herkomsten uitgevoerd wordt. §4. Indien de aanvrager in de loop van de periode waarbinnen hij recht heeft op de subsidie, de gronden die hij bebost heeft op welke wijze ook overdraagt, al dan niet onder bezwarende titel, voorafgaand aan de volledige uitbetaling van de subsidies overeenkomstig §1 tot en met §3, dan verkrijgt de overnemer, voorzover hij voldoet aan de voorwaarden van artikel 2 en 4, het recht op het resterende bedrag van de subsidies. Indien de overnemer een publiekrechtelijke rechtspersoon is, heeft hij geen recht op de subsidie voor het onderhoud overeenkomstig §2. Art. 7. §1. Aan elke privaatrechtelijke rechtspersoon of natuurlijk persoon kan een jaarlijkse premie verleend worden ter compensatie van inkomensverliezen ten gevolge van bebossing van landbouwgrond. Deze premie wordt verder inkomenscompensatie genoemd en wordt als volgt berekend: 1° landbouwers ontvangen gedurende twintig jaar een jaarlijks bedrag van 500 euro/ha voor bebossing met soorten uit de klassen I tot en met IV van bijlage I, en ontvangen gedurende vijf jaar een jaarlijks bedrag van 375 euro/ha voor bebossing met soorten uit de klassen V tot en met VII van bijlage I, 2° overige privaatrechtelijke rechtspersonen of natuurlijke personen ontvangen gedurende vijftien jaar een jaarlijks bedrag van 175 euro/ha voor bebossing met soorten uit de klassen I tot en met IV van bijlage I en ontvangen gedurende vijf jaar een jaarlijks bedrag van 175 euro/ha voor bebossing met soorten uit de klassen V tot en met VII van bijlage I, §2. Indien de landbouwer die de aanvraag tot inkomenscompensatie indiende en verkreeg hetzij in zijn hoedanigheid als natuurlijk persoon of als rechtspersoon, zijn bedrijf met inbegrip van de gronden die hij bebost heeft, op welke wijze ook overdraagt, al dan niet onder bezwarende titel, in de loop van de periode waarbinnen hij recht heeft op de inkomenscompensatie, dan verkrijgt de overnemer, voorzover hij landbouwer is conform artikel 1, 7°, het recht op de inkomenscompensatie voor de nog resterende periode. Indien de overnemer, privaatrechtelijke rechtspersoon of natuurlijke persoon, geen landbouwer is in de zin van artikel 1, 7°, heeft hij recht op de inkomenscompensatie voor de resterende periode overeenkomstig §1, 2°. §3. Indien de privaatrechtelijke rechtspersoon of natuurlijk persoon, die de aanvraag tot inkomenscompensatie indiende en verkreeg in hoedanigheid als landbouwer, niet meer voldoet aan artikel 1, 7°, dan heeft hij recht op de inkomenscompensatie voor de resterende periode overeenkomstig §1, 2°. Is de periode overeenkomstig §1, 2°, verstreken, dan heeft hij geen recht meer op de inkomenscompensatie. §4. Onverminderd de artikelen 55 tot 58 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991, verliest de aanvrager elk recht op het genot van de inkomenscompensatie indien hij nalaat gevolg te geven aan de verzoeken om extra inlichtingen of bewijsstukken vanwege het Bosbeheer of de Administratie Land- en Tuinbouw. §5. Beboste oppervlakten in het kader van dit besluit kunnen door landbouwers worden meegerekend als uit productie genomen in de zin van de braakleggingsverplichting. Op deze oppervlakten wordt de inkomenscompensatie echter beperkt tot een bedrag dat maximaal gelijk is aan de areaalbetaling voor braaklegging bedoeld in artikel 4, lid 3 van de Verordening (EG) nr. 1251/99 van de Raad van 17 mei 1999 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen. Art. 8. §1. Een aanvraag voor subsidiëring van bebossing van landbouwgronden wordt ingediend bij de provinciale zetel van het Bosbeheer van de provincie waar het goed in kwestie gelegen is, uiterlijk drie maanden voor de aanvang van de beplantingswerken. §2. Door het indienen van een aanvraag voor subsidie staat de eigenaar, de houder van het zakelijk recht of de pachter van de te bebossen landbouwgronden een afgevaardigde van het Bosbeheer toe zich ter plaatse te begeven om het terrein in kwestie vooraf te onderzoeken of uitgevoerde beplantingen te beoordelen. §3. De aanvraag wordt ingevuld op een formulier, zoals bepaald door de minister. De aanvraag bevat: 1° de identiteit van de eigenaar of houder van het zakelijk recht en zo nodig de identiteit van de gevolmachtigd beheerder of aanvrager. De geschreven volmacht wordt bij de aanvraag gevoegd; 2° indien de aanvrager pachter is: de identiteit van de pachter en een geschreven akkoord van de eigenaar of houder van het zakelijk recht waarin hij instemt met de bebossing van die landbouwgronden; 3° in voorkomend geval, een verklaring op erewoord door de aanvrager, gestaafd met de nodige bewijsstukken, dat voldaan wordt aan de definitie van landbouwer. Als nodige bewijsstukken gelden een afschrift van de
106
belastingsaangifte en het aanslagbiljet voor het jaar dat twee jaar voorafgaat aan het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend; 4° de gegevens inzake de te beplanten percelen: a) de kadastrale gegevens; b) de kadastrale oppervlakte en eventueel een afwijkende werkelijke oppervlakte; c) de bestemming volgens het geldende plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan; d) de eventuele bescherming als landschap; e) de eventuele ligging binnen een habitatrichtlijngebied, vogelrichtlijngebied of waterrijkgebied van internationale betekenis; 5° een verklaring op erewoord dat het landbouwgebruik van de te beplanten percelen heeft bijgedragen tot de inkomsten van de exploitant en dat dit landbouwgebruik niet eerder dan vijf jaar voor de datum van aanvraag van de subsidie werd stopgezet; 6° een volledige beschrijving van de beplantingswerkzaamheden, met opgave van de oppervlakteverdeling per boomsoort, stamtallen, plantverbanden, leeftijd en grootte van de planten, eventuele aanleg van een onderetage, een mantelstruweel of een brandsingel, met gebruik van het formulier als bijlage. Indien planten uit eigen kweek worden gebruikt, dient dat op hetzelfde formulier gemeld te worden; 7° een beschrijving van de geplande onderhoudswerken gedurende de eerste vijf jaar na de aanplanting; 8° een gedagtekende verbintenis om het bos, behalve een eerste generatie populier in agrarisch gebied in de ruime zin, niet te kappen of te rooien, noch het terrein te ontbossen binnen een periode van 25 jaar na de aanplanting, volgens het model, gevoegd bij het aanvraagformulier. Voor een eerste generatie populier in agrarisch gebied in de ruime zin wordt een gedagtekende verbintenis aangegaan om het bos niet te kappen of te rooien noch het terrein te ontbossen binnen een periode van vijftien jaar na de aanplanting. In geval van overdracht onder enigerlei vorm, al dan niet onder bezwarende titel, verbindt de aanvrager zich ertoe om in de akte van overdracht een clausule te laten opnemen die de overnemer verplicht de resterende periode van bovenvermelde termijn te respecteren. Het Bosbeheer kan een afwijking toestaan op voormelde termijn; 9° een verklaring op erewoord dat de in 6° voorgestelde werkzaamheden op de percelen in kwestie niet strijdig zijn met de erfdienstbaarheden die erop rusten; 10° een verklaring op erewoord dat voor de percelen in kwestie geen andere subsidies werden verkregen of verkregen zullen worden voor de in artikel 6 en 7 bedoelde werkzaamheden; 11° een situeringsplan (schaal 1/25.000 of groter) en, indien de percelen gelegen zijn tussen meerdere bosbestanden, een meer gedetailleerd plan (schaal 1/2500 of 1/5000), beide plannen met aanduiding van de beplantingen; 12°a) de in voorkomend geval wettelijk vereiste vergunningen en adviezen; b) indien de pacht van de betrokken percelen door de verpachter de laatste vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van aanvraag van de subsidie, werd opgezegd, om andere redenen dan die vermeld in artikel 6 van de pachtwet of indien hiertoe door de eigenaar of de houder van het zakelijk recht van de percelen in kwestie een procedure werd ingezet: een voorafgaand advies van de Administratie Land- en Tuinbouw, waarbij door die administratie wordt nagegaan of de aanvraag in overeenstemming is met de pachtwetgeving; c) indien de aanvraag wordt ingediend door een landbouwer: een voorafgaand advies van de Administratie Landen Tuinbouw, waarbij door die administratie wordt nagegaan of de aanvraag in voorkomend geval in overeenstemming is en blijft met de doelstellingen van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds. §4. De aanvrager krijgt een ontvangstmelding. Indien de aanvraag volledig is en voor verdere behandeling aanvaard wordt, wordt ook het registratienummer meegedeeld. Zo niet wordt opgave gedaan van eventuele ontbrekende gegevens of een met reden omklede beslissing van de onontvankelijkheid van de aanvraag. Zodra de ontbrekende gegevens aan het Bosbeheer bezorgd zijn, wordt het registratienummer meegedeeld. In geval van natuurlijke verjonging wordt het registratienummer pas meegedeeld na plaatsbezoek van het Bosbeheer. Art. 9. Bij elke subsidieaanvraag voegt de provinciale zetel van het Bosbeheer een schriftelijk advies. Dat advies is onder meer gesteund op: 1° de aard van het plantmateriaal; 2° het plantverband; 3° de boomsoortenkeuze in relatie tot de standplaats; 4° de mengingsgraad en de mengingsvorm afhankelijk van de onderlinge tolerantie van de voorgestelde soorten; 5° de verenigbaarheid van de beplanting met een eventueel besluit tot bescherming van een landschap; 6° het conform zijn met alle vereiste vergunningen en adviezen waarvan sprake in artikel 8, §3, 12°; 7° de instandhouding van de habitats en populaties van wilde dier- en platensoorten in het bijzonder in de vogelrichtlijn- en habitatrichtlijngebieden.
107
Art. 10. De geregistreerde aanvraag wordt met het advies van het hoofd van het Bosbeheer ter beslissing aan de minister voorgelegd. Het Bosbeheer brengt de aanvrager op de hoogte van de toekenning of de weigering van de subsidie. Elke aanvraag wordt binnen de drie maanden na de mededeling van het registratienummer afgehandeld. Art. 11. §1. Als planten uit eigen kweek gebruikt worden, dienen die planten minstens twee maanden voor de aanvang van de werkzaamheden door het Bosbeheer gecontroleerd te worden op herkomst en kwaliteit. De aanvrager dient alle informatie met betrekking tot herkomst van zaadgoed of stekken ter beschikking te stellen van het Bosbeheer. De controle gebeurt binnen een maand na ontvangst van de aanvraag. Zonder goedkeuring door het Bosbeheer van het zelf gekweekte plantsoen kan de uitbetaling van de subsidie geweigerd worden. Op de beplanting en de werkzaamheden ter voorbereiding hiervan, kan toezicht uitgeoefend worden door het Bosbeheer. §2. Na het beëindigen van de werkzaamheden stuurt de aanvrager een betalingsformulier dat door het Bosbeheer ter beschikking wordt gesteld naar de provinciale zetel van het Bosbeheer om de uitbetaling van de subsidie aan te vragen. Bij bosaanleg door beplanting of bezaaiing moet als bijlage van het betalingsformulier een attest van herkomst van het plantsoen geleverd worden voor die boomsoorten waarvoor zo'n attest wettelijk vereist is. §3. Voor 31 oktober na ontvangst van die betalingsaanvraag voert het Bosbeheer een eerste controle van de werkzaamheden uit. Voor de betalingsaanvragen, ingediend tussen 30 september en 31 oktober, wordt de controle vóór 31 oktober van het daarop volgende jaar uitgevoerd. Bij ontstentenis hiervan worden de werken als aanvaard beschouwd. §4. Indien het Bosbeheer na de controle beslist dat de werkzaamheden voorlopig aanvaard worden, wordt de eerste schijf uitbetaald die 60% bedraagt van het totale subsidiebedrag waar de aanvrager recht op heeft volgens artikel 6. Zo niet, krijgt de aanvrager een brief met vermelding van de redenen waarom de werkzaamheden voorlopig niet aanvaard kunnen worden. De aanvrager kan dan zelf binnen een jaar na de eerste controle een nieuwe controle aanvragen bij het Bosbeheer. §5. Indien het Bosbeheer het betalingsformulier niet binnen drie jaar na de toekenning van de subsidie ontvangen heeft, stuurt het Bosbeheer een rappel naar de aanvrager. Indien zes maanden na het versturen van die rappel nog steeds geen betalingsformulier ontvangen werd, vervalt de subsidie. Art. 12. §1. De resterende 40 % van het totale subsidiebedrag waar de aanvrager recht op heeft volgens artikel 6, wordt zonder extra betalingsaanvraag van de aanvrager uitbetaald na de definitieve aanvaarding van de werkzaamheden. De aanvrager wordt per brief op de hoogte gebracht van de definitieve aanvaarding van de werken. Dit gebeurt na een tweede controle die ambtshalve wordt uitgevoerd door het Bosbeheer op zijn vroegst drie jaar en uiterlijk vier jaar na de uitbetaling van de eerste subsidieschijf. Bij ontstentenis hiervan worden de werken als aanvaard beschouwd. §2. Indien uit deze tweede controle, vermeld in § 1, blijkt dat de beplanting voor meer dan 60% en minder dan 100% van de voorziene oppervlakte is geslaagd, is het bedrag van de tweede schijf gelijk aan het verschil tussen enerzijds het volledige subsidiebedrag dat bij een geheel geslaagde bosaanleg uitbetaald zou worden, verminderd tot het niveau dat overeenstemt met het percentage van de geslaagde oppervlakte, en anderzijds het bedrag dat werd uitbetaald na de voorlopige aanvaarding van de werken. §3. Indien in het bovengenoemde geval uit de controle blijkt dat de geslaagde oppervlakte minder dan 60% van de voorziene oppervlakte bedraagt, moet het gedeelte van de al uitgekeerde subsidie dat te veel betaald is in verhouding tot de geslaagde oppervlakte, vermeerderd met de wettelijke intresten, gestort worden op een door het Bosbeheer aan te duiden rekening van het Vlaamse Gewest, binnen een maand nadat de aanvrager met een aangetekende brief in gebreke werd gesteld. De bedoelde wettelijke intresten beginnen pas te lopen vanaf de datum van in gebreke stelling. Art. 13. De inkomenscompensatie bedoeld in artikel 7 wordt voor de eerste maal uitbetaald in het jaar tijdens hetwelk de eerste schijf van de subsidie voor bebossingskosten met toepassing van artikel 11, § 4, uitbetaald wordt. Deze inkomenscompensatie wordt in de daaropvolgende jaren automatisch uitbetaald, behalve indien artikel 14 toegepast wordt. Art. 14. §1. Behoudens het bepaalde in §2 en §3, wordt de subsidie geheel teruggevorderd, vermeerderd met de wettelijke intresten, indien de voorwaarden voor toekenning van de subsidies niet nageleefd worden. De
108
teruggevorderde bedragen moeten gestort worden op een door het Bosbeheer aan te duiden rekening van het Vlaamse Gewest, binnen een maand nadat de aanvrager met een aangetekende brief in gebreke werd gesteld. §2. Zodra een aanvrager niet meer voldoet aan de definitie van landbouwer, dient hij dat met een aangetekende brief te melden aan de provinciale zetel van het Bosbeheer. Indien uit controle blijkt dat de aanvrager niet meer voldoet aan deze definitie, dient hij het onrechtmatig ontvangen gedeelte van de inkomenscompensatie, vermeerderd met de wettelijke intresten, te storten op een door het Bosbeheer aan te duiden rekening van het Vlaamse Gewest, binnen een maand nadat de aanvrager met een aangetekende brief in gebreke werd gesteld. §3. Indien uit de controle overeenkomstig artikel 12, § 2, blijkt dat de geslaagde oppervlakte kleiner is dan de geplande oppervlakte, dient het gedeelte van de al uitgekeerde inkomenscompensatie dat te veel betaald werd in verhouding tot de geslaagde oppervlakte, vermeerderd met de wettelijke intresten, gestort te worden op een door het Bosbeheer aan te duiden rekening van het Vlaamse Gewest, binnen een maand nadat de aanvrager met een aangetekende brief in gebreke werd gesteld. De jaarlijks uit te keren inkomenscompensatie wordt in dat geval verminderd tot het niveau dat overeenstemt met de geslaagde oppervlakte. §4. De bedoelde wettelijke intresten, vermeld in § 1, § 2 en § 3, beginnen pas te lopen vanaf de datum van in gebreke stelling. Art. 15. Het besluit van de Vlaamse regering van 26 juni 1996 betreffende de subsidiëring van de bebossing van landbouwgronden ter uitvoering van de Verordening (EEG) 2080/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot instelling van een communautaire steunmaatregel voor bosbouwmaatregelen in de landbouw en gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 26 november 1999, wordt opgeheven. Art. 16. De Vlaamse minister, bevoegd voor het natuurbehoud, is belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel, 28 maart 2003
De minister-president van de Vlaamse regering,
Patrick DEWAEL
De Vlaamse minister voor Leefmilieu en Landbouw, Vera DUA
109
Bijlage I Lijst van de hoofdboomsoorten die in aanmerking komen voor een subsidie om de bebossingskosten te dekken: 1° Klasse I
Subsidiebedrag 3700,00 euro/ha
1. Zomereik (Quercus robur) 2. Wintereik (Quercus petraea) 2° Klasse II
Subsidiebedrag 3000,00 euro/ha
1. Es (Fraxinus excelsior) 2. Beuk (Fagus sylvatica) 3° Klasse III
Subsidiebedrag 2500,00 euro/ha
1. Zoete kers (Prunus avium) 2. Haagbeuk (Carpinus betulus) 3. Linde (Tilia cordata, Tilia platyphyllos en Tilia x vulgaris) 4. Zwarte els (Alnus glutinosa) 5. Berk (Betula pendula en Betula pubescens) 4° Klasse IV
Subsidiebedrag 2000,00 euro/ha
1. Olm (Ulmus glabra (syn. U. scabra), Ulmus minor (syn. U.campestris)) 2. Gewone Esdoorn ( Acer pseudoplatanus ) 3. Wilg (Salix alba, Salix fragilis en Salix x rubens) 4. Ratelpopulier (Populus tremula) 5. Grauwe abeel (Populus canescens) 6. Grove den (Pinus sylvestris) 5° Klasse V
Subsidiebedrag 1500,00 euro/ha
1. Walnoot (Juglans regia) 2. Abeel (Populus alba) 3. Valse Acacia (Robinia pseudoacacia) 4. Lork (Larix kaempferi en Larix x eurolepis) 5. Amerikaanse eik (Quercus rubra) 6. Tamme kastanje (Castanea sativa) 6° Klasse VI
Subsidiebedrag 1000,00 euro/ha
1. Cultuurpopulier (Populus spp.) met onderetage 2. Corsicaanse pijn (Pinus nigra var. Corsicana) 3. Douglas (Pseudotsuga menziesii) 7° Klasse VII
Subsidiebedrag 850,00 euro/ha
1. Cultuurpopulier (Populus spp.) zonder onderetage (*)Vergt een voorafgaand advies van het Instituut voor Bos- en wildbeheer.
110
Toelagen op bebossing waarbij een onderetage wordt aangelegd worden verhoogd met 500 euro/ha. Toelagen op bebossing waarbij een mantelstruweel of brandsingel wordt aangelegd worden verhoogd met 100 euro/100 m. Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse regering van……. betreffende de subsidiëring van de bebossing van landbouwgronden ter uitvoering van de Verordening (EG) Nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot wijziging en instelling van een aantal verordeningen
De minister-president van de Vlaamse regering,
Patrick DEWAEL
De Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw,
Vera DUA
111
Bijlage II Minimale stamtallen per hectare voor het verkrijgen van een subsidie voor bebossing van landbouwgronden Boomsoort 1° Zomereik (Quercus robur) 2° Wintereik (Quercus petraea) 3° Es (Fraxinus excelsior) 4° Beuk (Fagus sylvatica) 5° Zoete kers (Prunus avium) 6° Haagbeuk (Carpinus betulus) 7° Linde (Tilia cordata, T. platyphyllos en T. x vulgaris) 8° Zwarte els (Alnus glutinosa) 9° Berk (Betula pendula en Betula pubescens) 10° Olm (Ulmus glabra (syn. U. scabra), Ulmus minor (syn. U.campestris)) (*) 11° Gewone Esdoorn (Acer pseudoplatanus ) 12° Wilg (Salix alba, Salix fragilis en Salix x rubens) (*) 13° Ratelpopulier (Populus tremula) 14° Grauwe abeel (Populus canescens) 15° Grove den (Pinus sylvestris) 16° Amerikaanse eik (Quercus rubra) 17° Tamme kastanje (Castanea sativa) 18° Walnoot (Juglans regia) 19° Valse acacia (Robinia pseudoacacia) 20° Cultuurpopulier (Populus spp.) 21° Abeel (Populus alba) 22° Corsicaanse pijn (Pinus nigra var. Corsicana) 23° Douglas (Pseudotsuga menziesii) 24° Lork (Larix kaempferi en Larix x eurolepis) 25° Taxus (taxus baccata) 26° Alle soorten uit bijlage III
Minimaal stamtal per ha 2000 2000 1600 1600 1600 2000 2000 2000 2000 2000 1600 2000 1600 123 2500 1600 2000 625 2500 123 123 2500 2000 1333 2500 2000
* behoudens andersluidend advies van het Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse regering van …… betreffende de subsidiëring van de bebossing van landbouwgronden ter uitvoering van de Verordening (EG) Nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot wijziging en instelling van een aantal verordeningen De minister-president van de Vlaamse regering,
Patrick DEWAEL De Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw,
Vera DUA
112
Bijlage III Boom- en struiksoorten die in aanmerking komen voor subsidiëring als onderetage, mantelstruweel en brandsingel: 1.
soorten waarbij geen advies van het Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer vereist is 1° Vlier 2° Lijsterbes 3° Hazelaar 4° Vuilboom 5° Gelderse roos
2.
Soorten die slechts in aanmerking komen voor subsidie mits een voorafgaand gunstig advies van het instituut voor Bosbouw en Wildbeheer. Dit advies doet uitspraak over het voorkomen van de voorgestelde soort in de betreffende fytogeografische regio, over de standplaatsgeschiktheid voor de voorgestelde soort en over de autochtoniteit van het plantmateriaal. 1° Wilg 2° Kardinaalsmuts 3° Rode kornoelje 4° Vogelkers 5° Spaanse aak 6° Eenstijlige meidoorn 7° Sleedoorn 8° Wilde rozen
3.
(Sambucus nigra) (Sorbus aucuparia) (Corylus avellana) (Frangula alnus) (Viburnum opulus)
(Salix spp.) (Evonymus europaeus) (Cornus sanguinea) (Prunus padus) (Acer campestre) (Crataegus monogyna) (Prunus spinosa) (Rosa spp.)
Soorten die slechts uitzonderlijk in aanmerking komen voor subsidie, mits vooraf gunstig advies werd verleend door het Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer en de voorwaarden, vastgelegd in dit advies, werden nageleefd. 1° Hulst 2° Wegedoorn 3° andere meidoornsoorten 4° Duindoorn 5° Wilde appel 6° Wilde peer 7° Mispel 8° Taxus 9° Jeneverbes 10° Fladderiep
(Ilex aquifolium) (Rhamnus catharticus) (Crataegus spp.) (Hippophae rhamnoides) (Malus sylvestris) (Pyrus pyraster) (Mespilus germanica) (Taxus baccata) (Juniperus communis) (Ulmus laevis)
Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse regering van … betreffende de subsidiëring van de bebossing van landbouwgronden ter uitvoering van de Verordening (EG) Nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot wijziging en instelling van een aantal verordeningen De minister-president van de Vlaamse regering, Patrick DEWAEL De Vlaams minister van Leefmilieu en Landbouw, Vera DUA
113
Bijlage IV Jaarlijkse subsidiebedragen (euro/ha) voor de onderhoudskosten gedurende de eerste vijf jaar: jaar Cult. populieren (>15 jaar) Andere loofbomen Naaldbomen
1e en 2e jaar 250 EUR/ha 500 EUR/ha 250 EUR/ha
3e, 4e en 5e jaar 200 EUR/ha 250 EUR/ha 125 EUR/ha
Totaal 1100 EUR/ha 1750 EUR/ha 875 EUR/ha
Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse regering van …. betreffende de subsidiëring van de bebossing van landbouwgronden ter uitvoering van de Verordening (EG) Nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot wijziging en instelling van een aantal verordeningen
De minister-president van de Vlaamse regering,
Patrick DEWAEL
De Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw,
Vera DUA
114
27 juni 2003 - Besluit van de Vlaamse regering betreffende de subsidiëring van beheerders van openbare en privé-bossen (BS 10/09/2003) DE VLAAMSE REGERING, Gelet op het Bosdecreet van 13 juni 1990, inzonderheid op artikel 7, vervangen bij het decreet van 18 mei 1999, en op artikel 13, gewijzigd bij de decreten van 23 januari 1991 en 18 mei 1999, en op artikel 19bis, ingevoegd bij het decreet van 21 oktober 1997 en vervangen bij het decreet van 19 juli 2002 en op artikel 85, gewijzigd bij het decreet van 18 mei 1999, en op artikel 87, gewijzigd bij de decreten van 23 januari 1991 en 22 oktober 1996; Gelet op het koninklijk besluit van 23 juli 1981 betreffende de subsidiëring van bepaalde werken, leveringen en diensten die in het Vlaams Gewest door of op initiatief van ondergeschikte besturen of ermee gelijkgestelde rechtspersonen worden uitgevoerd, inzonderheid op artikel 4, 16° en 18°; Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 29 april 1991 betreffende de subsidiëring van de eigenaars van privé-bossen en de erkenning van bosgroeperingen van privé-boseigenaars, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse regering van 26 november 1999; Gelet op het advies van de Vlaamse Hoge Bosraad, gegeven op 29 juni 2001; Gelet op het advies van de Vlaamse Hoge Raad voor het Natuurbehoud, gegeven op 9 september 2001; Gelet op het verslag betreffende de vergadering van 6 maart 2002 van de Interministeriële conferentie voor het Leefmilieu, ter inachtneming van het voorschrift van artikel 6, §2,1° van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen; Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 26 juni 2002; Gelet op advies 33.799/3 van de Raad van State, gegeven op 4 februari 2003 , met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Op voorstel van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking; Na beraadslaging, BESLUIT: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder: 1° aanbevolen herkomst: herkomst van een boom- of struiksoort die door het Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer aanbevolen wordt voor gebruik in Vlaanderen; 2° bezaaiing: het bebossen of herbebossen van een terrein door middel van inzaaiing van zaden van bomen of struiken; 3° natuurlijke verjonging: bebossings- of herbebossingstechniek waarbij zich, op spontane wijze of na kunstmatige terreinvoorbereiding, een nieuwe generatie van bomen en/of struiken vestigt. Door de mens wordt hierbij niet geplant of gezaaid; 4° grondvlak: som van de gezamenlijke oppervlakte van de stamdoorsneden van de bomen die aanwezig zijn op een bosperceel, gemeten op 1,5 meter hoogte en uitgedrukt in m² per ha; 5° het decreet: het Bosdecreet van 13 juni 1990. 6° vogelrichtlijngebied: d) elk gebied dat door de Vlaamse regering definitief is vastgesteld in de zin van artikel 36bis, § 6, van het Decreet Natuurbehoud en waarvan het definitief vaststellingsbesluit krachtens artikel 36bis, § 7, laatste lid,
115
e) f)
van hetzelfde decreet tevens het aanwijzingsbesluit vormt zoals bedoeld in artikel 36bis, § 9, van dat decreet; elke in artikel 36bis, § 13, van het Decreet Natuurbehoud bedoelde zone, of elk daarin bedoeld onderdeel van een zone, van het besluit van de Vlaamse regering van 17 oktober 1988 tot aanwijzing van speciale beschermingszones in de zin van artikel 4 van de Vogelrichtlijn; elk in artikel 75 van het Decreet Natuurbehoud bedoeld gedeelte van een in artikel 1, § 3, van het besluit van de Vlaamse regering van 17 oktober 1988 bedoelde zone;
7° habitatrichtlijngebied: c) elk gebied dat door de Vlaamse regering in uitvoering van artikel 36bis, § 9, van het Decreet Natuurbehoud is aangewezen als speciale beschermingszone nadat de Europese Commissie het van communautair belang heeft verklaard; d) elk gebied dat in aanmerking komt als speciale beschermingszone en door de Vlaamse regering definitief is vastgesteld in de zin van artikel 36bis, § 6 of § 12, van het Decreet Natuurbehoud;” Art. 2. §1. Binnen de perken van de begrotingskredieten verleent de minister subsidies aan bosbeheerders voor herbebossing, openstelling, voor de bevordering van de ecologische functie of voor het opstellen van een beheerplan dat voldoet aan de criteria voor duurzaam bosbeheer of aan natuurlijke personen of rechtspersonen die een bebossing willen uitvoeren. §2. De subsidies worden toegekend aan de aanvrager volgens de volgorde van registratie door het Bosbeheer. Art. 3. Een subsidie wordt alleen toegekend op voorwaarde dat: 1° aan de verplichtingen van artikel 43 van het decreet met betrekking tot het opstellen van een bosbeheerplan voldaan werd. Voor de subsidies, vastgesteld in hoofdstuk II volstaat het wanneer op het ogenblik van de definitieve aanvaarding van de werken voldaan is aan deze verplichtingen; 2° de werkzaamheden en diensten waarvoor een subsidie wordt aangevraagd niet in strijd zijn met de bepalingen van een goedgekeurd beheerplan; 3° de aanvrager voor het onroerend goed in kwestie of voor andere onroerende goederen die onder toepassing van het decreet vallen, de laatste drie jaar niet in overtreding is geweest met de bepalingen van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten; 4° de werkzaamheden en diensten waarvoor subsidie wordt aangevraagd niet in strijd zijn met de bepalingen van een goedgekeurd natuurrichtplan ter uitvoering van artikel 48 van het decreet natuurbehoud; 5° als het onroerend goed gelegen is in een vogelrichtlijngebied of een habitatrichtlijngebied, de werkzaamheden en diensten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, niet in strijd zijn met de bepalingen van artikel 36ter van het Decreet Natuurbehoud. Hoofdstuk II. Subsidie voor bebossing en herbebossing Art. 4. §1. Aan elke bosbeheerder kan een subsidie worden verleend voor de beplanting of bezaaiing met houtachtige gewassen waarvan de lijst is opgenomen in bijlage I, gevoegd bij dit besluit. De totale oppervlakte moet ten minste 0,5 hectare beslaan. Bij de beplanting moeten de minimale stamtallen per hectare, zoals vermeld in bijlage II bij dit besluit gerespecteerd worden. Bij een bezaaiing moeten minstens 2500 planten per hectare aanwezig zijn op het ogenblik van de eerste controle. De subsidie wordt niet verleend voor de herbebossing met grove den van percelen die voorheen met inheems loofhout begroeid waren. §2. Een subsidie voor bosverjonging door natuurlijke verjonging kan worden toegekend wanneer er voldoende individuen van boomsoorten, vermeld in bijlage I bij dit besluit, aanwezig zijn op een gezamenlijke oppervlakte van minstens 0,5 hectare. Het aantal individuen moet minstens 2500 planten per hectare, regelmatig verspreid over de volledige oppervlakte van het perceel, bedragen. De natuurlijke verjonging moet voor minstens 90 procent van het grondvlak uit bomen of struiken van minder dan 10 jaar oud bestaan. De natuurlijke verjonging kan gecombineerd worden met beplanting of bezaaiing.
116
§3. Een extra subsidie van 500 euro per hectare wordt toegekend wanneer 10 tot 25 procent van het stamtal van de aan te planten hoofdboomsoort stams- of groepsgewijs gemengd wordt met andere boom- of struiksoorten uit bijlage I en/of bijlage III. De extra subsidie wordt alleen verleend als het vereiste advies van het Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer voor de in bijlage III opgesomde soorten gunstig is. Onder voorbehoud van de toepassing van het eerste lid, mag minder dan 10 % van het stamtal van de aan te planten hoofdboomsoort vervangen worden door andere boom- of struiksoorten van de klassen I, II, III en IV van bijlage I en/of bijlage III, zonder dat het subsidiebedrag per klasse en per hectare, overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid, gewijzigd wordt. §4. De in §1 en §2 vermelde oppervlakten kunnen uit ruimtelijk gescheiden deeloppervlaktes van minstens 10 are bestaan, op voorwaarde dat die maximaal 1 kilometer in vogelvlucht van elkaar liggen verwijderd. §5. Een extra subsidie van 250,00 euro per hectare wordt toegekend wanneer de beplanting met aanbevolen herkomsten uitgevoerd wordt. §6. Het bedrag van de subsidie wordt berekend pro rata van de boomsoortensamenstelling, afgerond tot een oppervlakte-eenheid van 1 are, op basis van de in bijlage I vastgestelde bedragen. §7. Voor beplantingen die als maatregel tot herstel door de rechtbank worden bevolen of voor compenserende bebossingen met toepassing van artikel 90bis van het decreet, kunnen geen subsidies worden toegekend. Art. 5. §1. Om een subsidie voor bebossing en herbebossing te verkrijgen dient de aanvrager een aanvraagformulier in, vermeld in bijlage IV bij dit besluit, bij de provinciale zetel van het Bosbeheer in de provincie waar het onroerend goed in kwestie gelegen is, uiterlijk drie maanden vóór de aanvang van de werkzaamheden. In het geval van natuurlijke verjonging kan de aanvraag op elk moment ingediend worden zolang over 90% van het grondvlak de bomen of struiken minder dan 10 jaar oud zijn. De aanvraag kan ingediend worden door de bosbeheerder of door de erkende bosgroep voor zijn leden. §2. De aanvraag bevat: 1° de identiteit van de bosbeheerder; 2° als de aanvraag ingediend wordt door een gevolmachtigde: de identiteit en hoedanigheid van de aanvrager en een verklaring dat de aanvrager gevolmachtigd is om de subsidie aan te vragen; 3° een volledige beschrijving van de werkzaamheden, met opgave van de oppervlakteverdeling per boomsoort, stamtallen, plantverbanden, leeftijd en grootte van de planten. Wanneer planten uit eigen kweek gebruikt worden, moet dat gemeld worden; 4° een gedagtekende verbintenis om het bos noch kaal te slaan, noch te rooien, noch te ontbossen binnen een periode van twintig jaar na de toekenning van de subsidie; 5° een verklaring dat voor de percelen in kwestie geen andere subsidies werden verkregen of zullen worden gevraagd voor de onder 3° bedoelde werkzaamheden; 6° een duidelijk liggingsplan [schaal 1/10.000 tot 1/25.000] met aanduiding van de beplantingen; 7° eventuele wettelijk vereiste vergunningen, toestemmingen en machtigingen en adviezen voor de bebossing of een verwijzing naar het registratienummer van de kapmachtiging of het goedgekeurde bosbeheerplan waaruit blijkt dat de eventuele kapping, voorafgaand aan de herbebossing, conform de bepalingen van het decreet gebeurd is. §3. De aanvrager krijgt een ontvangstmelding. Als de aanvraag volledig is en voor verdere behandeling aanvaard wordt, wordt ook het registratienummer meegedeeld. Zo niet wordt opgave gedaan van eventuele ontbrekende gegevens of een met reden omklede beslissing van de onontvankelijkheid van de aanvraag. Zodra de ontbrekende gegevens aan het Bosbeheer bezorgd zijn, wordt het registratienummer meegedeeld. In geval van natuurlijke verjonging wordt het registratienummer pas meegedeeld na plaatsbezoek van het Bosbeheer. §4. Elke aanvraag wordt binnen drie maanden na de mededeling van het registratienummer afgehandeld.
117
Art. 6. De geregistreerde aanvraag wordt met het advies van het Bosbeheer en, in voorkomend geval, de adviezen die vermeld zijn in artikel 87 van het decreet, ter beslissing aan de minister voorgelegd. Het Bosbeheer stelt de aanvrager op de hoogte van deze toekenning of weigering. Art. 7. Wanneer planten uit eigen kweek gebruikt worden, moeten die planten minstens twee maanden voor de aanvang van de werkzaamheden door het Bosbeheer gecontroleerd worden op herkomst en kwaliteit. De aanvrager moet alle informatie met betrekking tot de herkomst van zaadgoed of stekken ter beschikking stellen van het Bosbeheer. De controle gebeurt binnen een maand na ontvangst van de aanvraag. Zonder goedkeuring door het Bosbeheer van het zelf gekweekte plantsoen kan de uitbetaling van de subsidie geweigerd worden. Op de beplanting en de werkzaamheden ter voorbereiding hiervan, kan toezicht uitgeoefend worden door het Bosbeheer. Art. 8. §1. Na het beëindigen van de werkzaamheden stuurt de aanvrager een betalingsformulier, dat door het Bosbeheer ter beschikking gesteld wordt, ter uitbetaling van een eerste schijf van 60% van de subsidie naar de provinciale zetel van het Bosbeheer. Na de ontvangst van deze aanvraag, wordt door het Bosbeheer een controle uitgevoerd voor 31 oktober van hetzelfde jaar. Voor de aanvragen, ingediend tussen 30 september en 31 oktober, wordt de controle voor 31 oktober van het jaar daarna uitgevoerd. Bij ontstentenis hiervan worden de werkzaamheden als aanvaard beschouwd. Bij bosaanleg door beplanting of bezaaiing moet als bijlage van het betalingsformulier een attest van herkomst van het plantsoen geleverd worden voor de boomsoorten waarvoor deze attesten wettelijk vereist zijn en voor zover het geen planten uit eigen kweek zijn. Als het Bosbeheer na de controle beslist dat de werkzaamheden voorlopig aanvaard worden, wordt de eerste schijf van 60% uitbetaald. Zo niet, krijgt de aanvrager een brief met vermelding van de redenen waarom de werkzaamheden voorlopig niet aanvaard kunnen worden. De aanvrager moet zelf binnen het jaar na de eerste controle een nieuwe controle aanvragen bij het Bosbeheer. §2. Als het Bosbeheer het betalingsformulier niet binnen drie jaar na de toekenning van de subsidie ontvangen heeft, stuurt het Bosbeheer een herinnering naar de aanvrager. Als 6 maand na het versturen van deze herinnering nog steeds geen betalingsformulier ontvangen werd, vervalt de subsidie. Art. 9. §1. De resterende 40 % van de subsidie wordt zonder betalingsaanvraag van de aanvrager uitbetaald na de definitieve aanvaarding van de werkzaamheden. De aanvrager wordt per brief op de hoogte gebracht van de definitieve aanvaarding van de werkzaamheden. Dat gebeurt na een 2de controle die ambtshalve wordt uitgevoerd door het Bosbeheer op zijn vroegst drie jaar en uiterlijk 4 jaar na uitbetaling van de eerste subsidieschijf. Bij ontstentenis hiervan worden de werkzaamheden als aanvaard beschouwd. §2. Als uit deze tweede controle blijkt dat de bosaanleg geheel of gedeeltelijk mislukt is, is het bedrag van de tweede schijf gelijk aan het verschil tussen enerzijds het volledige subsidiebedrag dat bij een geheel geslaagde bosaanleg uitbetaald zou worden, maar verminderd tot het niveau dat overeenstemt met het percentage van de geslaagde oppervlakte, en anderzijds het bedrag dat werd uitbetaald na de voorlopige aanvaarding van de werkzaamheden. §3. Als in voorgaand geval uit de controle blijkt dat de geslaagde oppervlakte minder dan 60% van de geplande oppervlakte bedraagt, moet het gedeelte van de reeds uitgekeerde subsidie dat te veel betaald is in verhouding tot de geslaagde oppervlakte, vermeerderd met de wettelijke intresten, gestort worden op een door het Bosbeheer aan te wijzen rekening van het Vlaamse Gewest, binnen een maand nadat de aanvrager per aangetekende brief in gebreke werd gesteld. Art. 10. De subsidie wordt teruggevorderd, vermeerderd met de wettelijke intresten, als de voorwaarden voor toekenning van de subsidies niet nageleefd worden. De teruggevorderde bedragen moeten gestort worden op een door het Bosbeheer aan te wijzen rekening van het Vlaamse Gewest, binnen een maand nadat de aanvrager per aangetekende brief in gebreke werd gesteld. Hoofdstuk III. Subsidie voor openstelling Art. 11. Een jaarlijkse subsidie kan worden toegekend aan bosbeheerders van privé-bossen die het hele jaar geheel of gedeeltelijk opengesteld worden voor het publiek, als tegemoetkoming voor extra onderhoudskosten.
118
Om ecologische redenen kan een bos tijdelijk afgesloten worden voor een periode van maximaal vijf maanden, met behoud van de subsidie en dit op voorstel van de bosbeheerder en op voorwaarde dat het Bosbeheer akkoord gaat of als voorwaarde opgelegd door het Bosbeheer naar aanleiding van de subsidieverlening. Om jachtredenen kan een privé-bos tijdelijk afgesloten worden voor maximaal dertig dagen, met behoud van de subsidie. Op zondagen en feestdagen moet de bostoegankelijkheid verzekerd blijven. De dagen waarin het bos om jachtredenen niet toegankelijk is, moeten minstens een week vooraf worden aangekondigd aan de hoofdingangen van het bos en moeten gemeld zijn aan de provinciale zetel van het Bosbeheer. De subsidie wordt toegekend per kalenderjaar. Art. 12. §1. Om een subsidie voor openstelling te verkrijgen dient de bosbeheerder of de erkende bosgroep voor zijn leden vóór 1 oktober van het voorafgaand jaar een aanvraag in bij de provinciale zetel van het Bosbeheer in de provincie waar het goed in kwestie gelegen is. De aanvraag gebeurt op een formulier zoals bepaald in bijlage V bij dit besluit. De aanvraag bevat: 1° de identiteit van de bosbeheerder; 2° als de aanvraag ingediend wordt door een gevolmachtigde: de identiteit en hoedanigheid van de aanvrager en een verklaring dat de aanvrager gevolmachtigd is om de subsidie aan te vragen; 3° een liggingsplan [schaal 1/25.000] met aanduiding van het volledige bos en van het deel dat opengesteld wordt; 4° een bosplan [schaal 1/10.000] met de volledige opgave van de opengestelde wegen en speelzones; 5° een verklaring dat voor het bos in kwestie geen andere subsidies werden verkregen of zullen worden gevraagd voor de onder artikel 11 bedoelde diensten; 6° een opgave van de vaste periodes waarin het bos niet toegankelijk is; 7° een verklaring of er in het bos, dat voor het publiek zal worden opengesteld, al dan niet van het jachtrecht gebruik zal worden gemaakt; 8° een verklaring dat tijdens de periode van openstelling met subsidie geen wijzigingen aan de opengestelde boswegen of aan de termijn van openstelling zullen gebeuren, behoudens met instemming van het Bosbeheer. §2. De aanvrager krijgt een ontvangstmelding. Als de aanvraag volledig is en voor verdere behandeling aanvaard wordt, wordt ook het registratienummer meegedeeld. Zo niet wordt opgave gedaan van eventuele ontbrekende gegevens of een met reden omklede beslissing van de onontvankelijkheid van de aanvraag. Zodra de ontbrekende gegevens aan het Bosbeheer bezorgd zijn, wordt het registratienummer meegedeeld. Art. 13. De aanvragen worden met het advies van het Bosbeheer ter beslissing aan de minister voorgelegd. De minister beslist vóór 31 december over toekenning of weigering van de subsidie. Het Bosbeheer stelt de aanvrager op de hoogte van deze beslissing. Art. 14. Het bedrag van de totale jaarlijkse subsidie wordt vastgesteld op 2,00 euro per meter opengestelde bosweg. De maximale subsidie, berekend voor het volledige bos, bedraagt 50 euro per hectare opengesteld bos per jaar. Voor speelzone kan een extra subsidie toegekend worden van 100,00 euro per hectare, mits gunstig advies van het Bosbeheer. De subsidie wordt zonder betalingsaanvraag van de aanvrager uitbetaald tijdens het eerste half jaar van het kalenderjaar. Art. 15. Uiterlijk drie maanden vóór het einde van de periode van openstelling waarvoor de subsidie werd verleend, meldt de bosbeheerder op een formulier van het Bosbeheer, de verlenging van de openstelling. Dat formulier geldt tevens als aanvraag voor de verdere uitbetaling van de subsidie. Bij wijziging van de bestaande toestand moet dat duidelijk op het formulier vermeld worden. Deze aanvraag wordt verder behandeld zoals bepaald in artikel 13 en 14. Art. 16. De subsidie voor het lopende jaar wordt niet uitbetaald, noch wordt er een verlenging van de subsidie toegestaan, als de voorwaarden voor toekenning van de subsidie niet nageleefd worden. Als de subsidie voor het
119
lopende jaar reeds uitbetaald is, wordt die teruggevorderd, vermeerderd met de wettelijke intresten. De teruggevorderde bedragen moeten gestort worden op een door het Bosbeheer aan te wijzen rekening van het Vlaamse Gewest, binnen een maand nadat de aanvrager per aangetekende brief in gebreke werd gesteld. Hoofdstuk IV. Subsidie voor de bevordering van de ecologische bosfunctie Art. 17. §1. Een jaarlijkse subsidie kan toegekend worden aan iedere bosbeheerder die beschikt over een beheerplan dat voldoet aan de criteria voor duurzaam bosbeheer, vastgesteld ter uitvoering van artikel 41, tweede lid van het decreet. De subsidie wordt enkel toegekend als de in het goedgekeurde beheerplan bepaalde beheerwerkzaamheden en beheerrichtlijnen uitgevoerd of nageleefd worden voor zover die van belang zijn om de in het beheerplan vooropgestelde beheerdoelstellingen te halen. §2. Het bedrag van deze subsidie bedraagt 50,00 euro per hectare voor bestanden bedoeld in artikel 18, §1, 3° en 4°. Voor natuurbeheer zoals bepaald in artikel 18, §1, 1° en 2°, is dit bedrag 125,00 euro. §3. De subsidie wordt per kalenderjaar toegekend. Art. 18. §1. De in artikel 17 vermelde subsidie wordt toegekend voor elk in het beheerplan vermeld bestand dat aan ten minste één van de volgende voorwaarden voldoet, en dat ten minste tot het einde van de looptijd van het goedgekeurde bosbeheerplan. De subsidie wordt toegekend vanaf het eerste volledige kalenderjaar waarin het bestand aan één van de volgende voorwaarden voldoet: 1° natuurbeheer, zoals bepaald in artikel 2, 13°, van het decreet natuurbehoud, van bestanden die als bestendig bosvrije bosoppervlakten conform artikel 3, § 2, van het decreet beschouwd worden; 2° beheer van bestanden op basis van een bosnatuurdoeltype in overeenstemming met de bepalingen van het natuurrichtplan conform artikel 48 van het decreet natuurbehoud. Minstens 90 procent van het grondvlak van deze bestanden moet ingenomen worden door boomsoorten uit bijlage I, uitgezonderd de grove den. De subsidie wordt toegekend vanaf het eerste volledige kalenderjaar waarin het bestand voldoet aan de bepalingen van het natuurdoeltype zoals vastgesteld in het natuurrichtplan; 3° door boomsoorten uit bijlage I, gevoegd bij dit besluit, gedomineerde bestanden met een oppervlakte van minstens 50 are. Deze boomsoorten moeten minstens 90 procent van het grondvlak van het bestand innemen. Voor de grove den wordt de subsidie pas toegekend vanaf een bestandsleeftijd van 70 jaar. Het aantal oude dennen moet minstens 30 per hectare bedragen; 4° bestanden die, ter uitvoering van artikel 42 van het decreet, erkend werden als zaadbron of zaadbestand van inheemse bomen en struiken en waar effectief zaad geoogst wordt. Deze bestanden moeten dusdanig beheerd worden dat de oogst van de zaden effectief mogelijk is. §2. In de in §1 genoemde bestanden mogen, gedurende de duur van het beheerplan, geen klonen of niet-inheemse boomsoorten aangeplant worden. De subsidie wordt pas toegekend als minimaal 75 procent van het grondvlak van de bomen en struiken in de neven- en onderetage door inheemse soorten ingenomen wordt. §3. Bestanden die een onderdeel uitmaken van in het beheerplan opgenomen kaalslagen van meer dan 1 hectare oppervlakte komen niet in aanmerking voor deze subsidie. De aanvrager verbindt er zich toe tot 10 jaar na het jaar van de laatste toekenning van de subsidie voor het bestand in kwestie geen kaalslag met een oppervlakte groter dan 1 hectare uit te voeren. Art. 19. §1. De subsidie wordt aangevraagd door de bosbeheerder of door de erkende bosgroep voor zijn leden. §2. Vóór 1 oktober voorafgaand aan elk kalenderjaar stuurt de aanvrager een door het Bosbeheer ter beschikking gesteld en in bijlage VI vermeld aanvraagformulier aan de provinciale zetel van het Bosbeheer in de provincie waar het onroerend goed in kwestie gelegen is. Dit formulier bevat, per beheerplan dat aan de criteria voor duurzaam bosbeheer voldoet, een overzicht van de bestanden die in aanmerking komen voor de subsidiëring. §3. De aanvrager krijgt een ontvangstmelding. Als de aanvraag volledig is en voor verdere behandeling aanvaard wordt, wordt ook het registratienummer meegedeeld. Zo niet wordt opgave gedaan van eventuele ontbrekende gegevens of een met reden omklede beslissing van de onontvankelijkheid van de aanvraag. Zodra de ontbrekende gegevens aan het Bosbeheer bezorgd zijn, wordt het registratienummer meegedeeld.
120
§4. Binnen vijf maanden na de mededeling van het registratienummer voert het Bosbeheer een controle uit. Vóór 1 april van het kalenderjaar legt het Bosbeheer de voorgestelde subsidie ter beslissing voor aan de minister. Het Bosbeheer stelt de aanvrager op de hoogte van deze beslissing. De subsidie wordt zonder betalingsaanvraag uitbetaald na de toekenning. Art. 20. De subsidie voor het lopende jaar wordt niet uitbetaald, noch wordt er een verlenging van de subsidie toegestaan, als de voorwaarden voor toekenning van de subsidie niet nageleefd worden. Als de subsidie voor het lopende jaar reeds uitbetaald is, wordtdie teruggevorderd, vermeerderd met de wettelijke intresten. De teruggevorderde bedragen moeten gestort worden op een door het Bosbeheer aan te wijzen rekening van het Vlaamse Gewest, binnen een maand nadat de aanvrager per aangetekende brief in gebreke werd gesteld. Hoofdstuk V. Subsidie voor het opstellen van een beheerplan dat voldoet aan de criteria voor duurzaam bosheer Art. 21. §1. Aan elke bosbeheerder kan een subsidie verleend worden voor het opstellen van een beheerplan dat voldoet aan de criteria voor duurzaam bosbeheer, vastgesteld ter uitvoering van artikel 41, tweede lid, van het decreet. §2. De subsidie kan per bosbestand slechts eenmaal om de twintig jaar toegekend worden. Bij wijziging van een bestaand beheerplan komen enkel toegevoegde bosbestanden voor deze subsidie in aanmerking. De gezamenlijke bosoppervlakte, opgenomen in het beheerplan, is minstens 5 hectare. §3. Het basisbedrag van deze subsidie wordt vastgesteld op 200,00 euro per hectare, voor beheerplannen van één boseigendom apart of voor een gezamenlijk beheerplan voor twee boseigendommen. Dit bedrag wordt vermeerderd met 20,00 euro per hectare voor gezamenlijke beheerplannen met 3 tot 10 boseigendommen en met 50,00 euro per hectare voor gezamenlijke beheerplannen met meer dan 10 boseigendommen. Art. 22. §1. De aanvraag voor het verkrijgen van deze subsidie wordt ingediend door de bosbeheerder of door de erkende bosgroep voor zijn leden via het formulier als bijlage VII. De aanvraag bevat: 1° de identiteit van de bosbeheerders; 2° als de aanvraag ingediend wordt door een gevolmachtigde: de identiteit en hoedanigheid van de aanvrager en een verklaring dat de aanvrager gevolmachtigd is om de subsidie aan te vragen; 3° een liggingsplan [schaal 1/25.000] met aanduiding van alle bospercelen die in het beheerplan opgenomen zijn. 4° een verklaring dat voor het bos in kwestie geen andere subsidies werden verkregen of zullen worden gevraagd voor het opstellen van een beheerplan dat voldoet aan de criteria voor duurzaam bosbeheer. §2. De aanvraag wordt uiterlijk drie maanden na de goedkeuring van het beheerplan ingediend bij de provinciale zetel van het Bosbeheer. In afwijking van artikel 3, 1°, van dit besluit kan de subsidie toegekend worden nog voor de goedkeuring van een beheerplan. Als de aanvraag ingediend wordt vóór de goedkeuring van het beheerplan, moet het beheerplan uiterlijk 3 jaar na de toekenning van de subsidie goedgekeurd zijn, zo niet vervalt de subsidie. §3. De aanvrager krijgt een ontvangstmelding. Als de aanvraag volledig is en voor verdere behandeling aanvaard wordt, wordt ook het registratienummer meegedeeld. Zo niet wordt opgave gedaan van eventuele ontbrekende gegevens of een met redenen omklede beslissing van de onontvankelijkheid van de aanvraag. Zodra de ontbrekende gegevens aan het Bosbeheer bezorgd zijn, wordt het registratienummer meegedeeld. Art. 23. De geregistreerde aanvraag wordt met het advies van het Bosbeheer ter beslissing aan de minister voorgelegd. De minister beslist over de toekenning of de weigering van de subsidie binnen drie maanden na de mededeling van het registratienummer. Het Bosbeheer stelt de aanvrager op de hoogte van deze beslissing. Art. 24. Zodra het beheerplan is goedgekeurd, stuurt de provinciale zetel van het Bosbeheer een bericht van deze goedkeuring, met vermelding van de datum van goedkeuring en het registratienummer van het beheerplan naar de hoofdzetel. Zonder betalingsaanvraag wordt de subsidie dan uitbetaald. Hoofdstuk VI. Slotbepalingen
121
Art. 25. Enkel de subsidies, bepaald in hoofdstuk II en III van dit besluit zijn te cumuleren met de jaarlijkse vergoeding voor de erkenning als bosreservaat zoals vastgesteld ter uitvoering van artikel 24 van het decreet. Art. 26. In artikel 4, van het koninklijk besluit van 23 juli 1981 betreffende de subsidiëring van bepaalde werken, leveringen en diensten die in het Vlaamse Gewest door of op initiatief van ondergeschikte besturen of ermee gelijkgestelde rechtspersonen worden uitgevoerd, worden 16° en 18° opgeheven. Art. 27. Het besluit van de Vlaamse regering van 29 april 1991 betreffende de subsidiëring van de eigenaars van privé-bossen en de erkenning van bosgroeperingen van privé-boseigenaars wordt opgeheven. Art. 28. De subsidieaanvragen, ingediend onder gelding van het besluit van de Vlaamse regering van 29 april 1991 betreffende de subsidiëring van de eigenaars van privé-bossen en de erkenning van bosgroeperingen van privé-eigenaars, die een registratienummer ontvingen voor de inwerkingtreding van dit besluit, worden afgehandeld volgens de procedure vastgesteld door het voornoemde besluit van 29 april 1991. Bosgroeperingen die erkend werden in toepassing van het voornoemde besluit van 29 april 1991, kunnen nog tot het einde van de looptijd van het gezamenlijk bosbeheerplan subsidies aanvragen en toegekend krijgen voor beheerswerken zoals bedoeld in artikel 23, 2° van dat besluit." Art. 29. De minister kan bijlage II tot VII aanpassen. Art. 30. De Vlaamse minister, bevoegd voor het natuurbehoud, is belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel, 27 juni 2003 De minister-president van de Vlaamse regering, Bart SOMERS De Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking, Ludo SANNEN
122
Bijlage I Klasse I.
subsidiebedrag 3200,00 euro/ha
zomereik (Quercus robur) wintereik (Quercus petraea) Klasse II.
subsidiebedrag 2500,00 euro/ha
es (Fraxinus excelsior) beuk (Fagus sylvatica) Klasse III.
subsidiebedrag 2000,00 euro/ha
zoete kers (Prunus avium) haagbeuk (Carpinus betulus) linde (Tilia cordata, Tilia platyphyllos) zwarte els (Alnus glutinosa) berk (Betula pendula en Betula pubescens) Klasse IV.
subsidiebedrag 1500,00 euro/ha
olm (Ulmus glabra (syn. U. scabra), Ulmus minor (syn. U.campestris)) (*) gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus) wilg (Salix alba, Salix fragilis en Salix x rubens) (*) ratelpopulier (Populus tremula) grauwe abeel (Populus canescens) grove den (Pinus sylvestris) (*) Deze soorten komen alleen in aanmerking voor subsidie op voorwaarde dat het Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer voorafgaandelijk een gunstig advies verleent. Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse regering van 27 juni 2003. Brussel, 27 juni 2003 De minister-president van de Vlaamse regering, Bart SOMERS
De Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking, Ludo SANNEN
123
Bijlage II: Minimale stamtallen per hectare voor het verkrijgen van een subsidie voor bebossing of herbebossing Boomsoort zomereik (Quercus robur) wintereik (Quercus petraea) es (Fraxinus excelsior) beuk (Fagus sylvatica) zoete kers (Prunus avium) haagbeuk (Carpinus betulus) linde (Tilia cordata, Tilia platyphyllos en Tilia x vulgaris) zwarte els (Alnus glutinosa) berk (Betula pendula en Betula pubescens) olm (Ulmus glabra (syn. U. scabra), Ulmus minor (syn. U.campestris)) (*) gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus ) wilg (Salix alba, Salix fragilis en Salix x rubens) (*) ratelpopulier (Populus tremula)(*) grauwe abeel (Populus canescens) grove den (Pinus sylvestris) alle soorten uit bijlage III
Minimaal stamtal per hectare 2000 2000 1600 1600 1600 2000 2000 2000 2000 2000 1600 2000 1600 123 2500 2000
* behoudens andersluidend advies van het Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse regering van 27 juni 2003. Brussel, 27 juni 2003 De minister-president van de Vlaamse regering,
Bart SOMERS
De Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking,
Ludo SANNEN
124
Bijlage III: Boom- en struiksoorten die in aanmerking komen voor subsidiëring als onderetage 4.
soorten waarbij geen advies van het Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer vereist is: - vlier - lijsterbes - hazelaar - vuilboom - Gelderse roos
5.
(Sambucus nigra) (Sorbus aucuparia) (Corylus avellana) (Frangula alnus) (Viburnum opulus)
soorten die alleen in aanmerking komen voor subsidie op voorwaarde dat het instituut voor Bosbouw en Wildbeheer voorafgaandelijk een gunstig advies verleent. Dit advies doet uitspraak over het voorkomen van de voorgestelde soort in de betreffende fytogeografische regio, over de standplaatsgeschiktheid voor de voorgestelde soort en over de autochtoniteit van het plantmateriaal: - wilg (Salix spp.) - kardinaalsmuts (Euonymus europaeus) - rode kornoelje (Cornus sanguinea) - vogelkers (Prunus padus) - Spaanse aak (Acer campestre) - eenstijlige meidoorn (Crataegus monogyna) - sleedoorn (Prunus spinosa) - wilde rozen (Rosa spp.)
6.
soorten die alleen uitzonderlijk in aanmerking komen voor subsidie op voorwaarde dat het Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer voorafgaandelijk een gunstig advies verleent en op voorwaarde dat de in het advies vastgelegde voorwaarden nageleefd worden: - hulst - wegedoorn - andere meidoornsoorten - duindoorn - wilde appel - wilde peer - mispel - taxus - jeneverbes - fladderiep
(Ilex aquifolium) (Rhamnus catharticus) (Crataegus spp.) (Hippophae rhamnoides) (Malus sylvestris) (Pyrus pyraster) (Mespilus germanica) (Taxus baccata) (Juniperus communis) (Ulmus laevis)
Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse regering van 27 juni 2003. Brussel, 27 juni 2003 De minister-president van de Vlaamse regering, Bart SOMERS
De Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking, Ludo SANNEN
125
Bijlage IV: formulier voor het aanvragen van een subsidie voor bebossing of herbebossing
Aanvraag van een subsidie voor bebossing of herbebossing Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Afdeling Bos & Groen Koning Albert II-laan 20 bus 8, 1000 BRUSSEL Tel. (02)553 81 02 - Fax (02)553 81 05
CODE VAN DE AFDELING-001•JJMMDD
in te vullen door de verwerkende afdeling Registratienr.
Dit formulier is een toepassing van het Bosdecreet van 13 juni 1990 Besluit van de Vlaamse regering
ID-nummer
Gegevens van de bosbeheerder De subsidie wordt toegekend aan de bosbeheerder, dat is de eigenaar, mede-eigenaar, houder van een zakelijk recht of houder van een persoonlijk recht. Als een gezamenlijke aanvraag door verschillende bosbeheerders wordt ingediend, moet elke bosbeheerder of eigenaar dit deel afzonderlijk invullen op blad 2bis. Kruis aan over welk type van bos het gaat. privé-bos openbaar bos Kruis de hoedanigheid van de bosbeheerder aan. Vul deze vraag enkel in als het om een privé-bos gaat. de enige boseigenaar mede-eigenaar. Geef op een apart blad de naam en het adres van alle boseigenaars. houder van een zakelijk recht (bijvoorbeeld vruchtgebruik, erfpacht). Geef op een apart blad de naam en het adres van alle boseigenaars. houder van een persoonlijk recht (bijvoorbeeld pacht, huur). Geef op een apart blad de naam en het adres van alle boseigenaars. volledige naam van de bosbeheerder : Als de bosbeheerder een rechtspersoon is, geef de volledige naam en functie van de ondertekenaar: straat: postcode: land: tel.:
nr. : bus : deelgemeente/gemeente: fax:
e-mail:
Gegevens van de indiener van de aanvraag De contacten van het Bosbeheer met betrekking tot de subsidieaanvraag verlopen via de hieronder vermelde persoon. Kruis aan in welke hoedanigheid u de aanvraag indient: als enige bosbeheerder als een vertegenwoordiger van de mede-eigenaars als een van de bosbeheerders en gevolmachtigd door de andere bosbeheerders. voeg de volmacht toe als bijlage als een gevolmachtigde, niet-bosbeheerder. Voeg de volmacht toe als bijlage als een vertegenwoordiger van de bosgroep volledige naam: Als de aanvrager een rechtspersoon is, geef de volledige naam en functie van de ondertekenaar straat: nr.: bus: postcode : deelgemeente / gemeente: land: tel.: fax: e-mail: De subsidie mag gestort worden op rekeningnummer naam rekeninghouder: geboortedatum (natuurlijke persoon): BTW-nummer , indien van toepassing: De subsidie wordt per dossier op één enkele rekening gestort. De aanvrager krijgt een berekeningsnota met het subsidiebedrag per bosbeheerder.
126
Vul dit blad enkel in als verschillende bosbeheerders een gezamenlijke aanvraag indienen. indien meer dan drie bosbeheerders : kopieer dit blad in het nodig aantal exemplaren Gegevens van de bosbeheerder De subsidie wordt toegekend aan de bosbeheerder, dat is de eigenaar, mede-eigenaar, houder van een zakelijk recht of houder van een persoonlijk recht. Kruis aan over welk type bos het gaat privé-bos openbaar bos Kruis de hoedanigheid van de bosbeheerder aan. Vul deze vraag enkel in als het om een privé-bos gaat. de enige boseigenaar mede-eigenaar. Geef op een apart blad de naam en het adres van alle boseigenaars. houder van een zakelijk recht (bijvoorbeeld vruchtgebruik, erfpacht). Geef op een apart blad de naam en het adres van alle boseigenaars. houder van een persoonlijk recht (bijvoorbeeld pacht, huur). Geef op een apart blad de naam en het adres van alle boseigenaars. volledige naam van de bosbeheerder : Als de bosbeheerder een rechtspersoon is, geef de volledige naam en functie van de ondertekenaar: straat :
nr. :
bus :
postcode:
deelgemeente/gemeente :
land: tel.:
fax:
e-mail:
Gegevens van de bosbeheerder De subsidie wordt toegekend aan de bosbeheerder, dat is de eigenaar, mede-eigenaar, houder van een zakelijk recht of houder van een persoonlijk recht. Kruis aan over welk type van bos het gaat. privé-bos openbaar bos Kruis de hoedanigheid van de bosbeheerder aan. Vul deze vraag enkel in als het om een privé-bos gaat. de enige boseigenaar mede-eigenaar. Geef op een apart blad de naam en het adres van alle boseigenaars. houder van een zakelijk recht (bijvoorbeeld vruchtgebruik, erfpacht). Geef op een apart blad de naam en het adres van alle boseigenaars. houder van een persoonlijk recht (bijvoorbeeld pacht, huur). Geef op een apart blad de naam en het adres van alle boseigenaars. volledige naam van de bosbeheerder : Als de bosbeheerder een rechtspersoon is, geef de volledige naam en functie van de ondertekenaar: straat :
nr.:
bus :
postcode:
deelgemeente/gemeente :
land: tel.:
fax:
e-mail:
Voeg bij dit formulier een duidelijk liggingsplan, waarop voldoende merkpunten aangegeven staan om de betreffende percelen in kwestie gemakkelijk terug te vinden op het terrein. Ligging van de bospercelen waarvoor de subsidie gevraagd wordt
127
gemeente: deelgemeente, wijk: straat, meest nabije straat of ander goed herkenningspunt: naam van het bos (eventueel): kadastrale percelen of bestandsnummers volgens een goedgekeurd beheerplan : registratienr. beheerplan: Deelgemeente of afdeling
Sectie
Nr(s)
Kadastrale oppervlakte
Bestandsnr effectief te Ruimtelijke verjongen bestemming Oppervlakte
1 2 3 4 5 6 7 8 totaal : beschermd landschap? nee / In geval van herbebossing
ja, percelen met nrs :
jaar van de laatste kapping: kapmachtiging of beheerplan
datum: dossiernummer: registratienummer: datum goedkeuring:
In geval van bebossing Voeg de volgende documenten als bijlage bij dit formulier: Indien ruimtelijke bestemming agrarisch : een vergunning van het college van burgemeester en schepenen (Veldwetboek art. 35 bis, § 5) bijgevoegd: datum vergunning: aangevraagd op : Indienruitemlijke besemming groen, park-, buffer-, bos-, vallei-, brongebied, agrarish gebied met ecologisch belang of bijzondere waarde, natuurontwikkelingsgebied of beschermd duingebied, vogelrichtlijn of habitatgebiedof Ramsargebied: een natuurvergunning (BVR 23 juli 1998) bijgevoegd: datum vergunning : aangevraagd op :
128
Technische gegevens zoals vastgesteld in het goedgekeurde beheerplan op blad(en): Nr. perceel Vroeger Boom –en Herkomst Oppervlakte en bestand aanwezige struiksoorten boomsoort Enkel bij Gebruik de *zeker ha herbebossing afkortingen vermelden zoals op het indien premie volgende blad. voor aanbevolen Schrijf de naam herkomst wordt van de gevraagd struiksoorten voluit 1
Wijze van aanleg
Hoeveelheid plantsoen
plantverband
0: planten 1: zaaien 2: natuurlijke verjonging
Aantal Kg zaadgoed
xm
Leeftijd en afmetingen van het plantsoen
Eigen kweek Kruis aan
ja nee
2
ja nee
3
ja nee
4
ja nee
5
ja nee
6
ja nee
7
ja nee
8
ja nee
129
Lijst met afkortingen van de boomsoorten Zomereik (Quercus robur): zE* Wintereik (Quercus petraea): wE* Es (Fraxinus excelsior): Es* Beuk (Fagus sylvatica): B* Zoete kers (Prunus avium): bK* Haagbeuk (Carpinus betulus): Hb* Linde: Zomerlinde (Tilia cordata): zLi* Winterlinde (Tilia platyphyllos): wLi* Zwarte els (Alnus glutinosa): zEl* Berk : Ruwe berk (Betula pendula): rBe* Zachte berk (Betula pubescens): zBe* Olm: Ruwe olm (Ulmus glabra (syn. U. scabra): (°) rOl Gladde olm of Veldiep (Ulmus minor (syn. U.campestris)) (°) gOl Gewone esdoorn ( Acer pseudoplatanus ) : gEd* Wilg (Salix alba, Salix fragilis en Salix x rubens) (°) Wi Ratelpopulier (Populus tremula): tPo* Grauwe abeel (Populus canescens): gAb* Grove den (Pinus sylvestris): Ps* * Overeenkomstig de Europese richtlijn 1999/105/EG dient voor de aangeduide boomsoorten een basiscertificaat van echtheid van het plant- en zaadgoed van de Dienst Teeltmateriaal afgeleverd te worden, uiterlijk bij de aanvraag tot uitbetaling van de eerste schijf van de subsidie. ° Vergt een voorafgaand advies van het Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer, Gaverstraat 4, 9500 Geraardsbergen.
Ik bevestig dat ik gevolmachtigd ben om deze subsidie aan te vragen. Ik ga hierbij de verbintenis aan om de bospercelen waarvoor ik een subsidie heb aangevraagd, niet te kappen, kaal te slaan, te rooien of te ontbossen binnen een periode van twintig jaar, te rekenen vanaf de datum van de toekenning van de subsidie. Ik bevestig dat voor de werkzaamheden op de percelen in kwestie geen andere subsidies werden verkregen of gevraagd zullen worden. Ik ben ervan op de hoogte dat de tweede schijf van de subsidie pas volledig kan worden uitbetaald na goedkeuring van een beheerplan voor de onroerende goederen in kwestie, voor zover dit volgens het Bosdecreet is vereist. Ik ben ervan op de hoogte dat het bedrag van de al uitbetaalde subsidie kan worden teruggevorderd als niet werd voldaan aan één van de bovengenoemde eisen. naam: datum: handtekening: Bezorg deze aanvraag aan afdeling Bos & Groen in de provincie waar de bebossing of herbebossing uitgevoerd wordt. ANTWERPEN : Copernicuslaan 1 bus 7 - 2018 ANTWERPEN – tel: 03-224 62 62 E-mail:
[email protected] VLAAMS-BRABANT : Waaistraat 1 - 3000 LEUVEN – tel.: 016-21 12 20 E-mail:
[email protected] LIMBURG : Gouverneur Roppesingel 25 - 3500 HASSELT – tel.: 011-26 44 80 E-mail:
[email protected] OOST-VLAANDEREN : Gebroeders Van Eyckstraat 4 – 6 - 9000 GENT – tel.: 09-265 45 82 E-mail:
[email protected] WEST-VLAANDEREN : Zandstraat 255 - 8200 ST. ANDRIES-BRUGGE – tel.: 050-45 41 56 E-mail:
[email protected]
130
Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse regering van 27 juni 2003.
Brussel, 27 juni 2003 De minister-president van de Vlaamse regering, Bart SOMERS
De Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking, Ludo SANNEN
131
Bijlage V: formulier voor het aanvragen van een subsidie voor openstelling
Aanvraag van een subsidie voor openstelling Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Afdeling Bos & Groen Koning Albert II-laan 20 bus 8, 1000 BRUSSEL Tel. (02)553 81 02 - Fax (02)553 81 05
CODE VAN DE AFDELING-001•JJMMDD
in te vullen door de verwerkende afdeling Registratienr.
Dit formulier is een toepassing van het Bosdecreet van 13 juni 1990 Besluit van de Vlaamse regering
ID-nummer
Gegevens van de bosbeheerder De subsidie wordt toegekend aan de bosbeheerder, dat is de eigenaar, mede-eigenaar, houder van een zakelijk recht of houder van een persoonlijk recht. Als een gezamenlijk beheerplan door verschillende bosbeheerders wordt ingediend, moet elke bosbeheerder of eigenaar dit deel afzonderlijk invullen op blad 2bis. De bosbeheerder is: de enige boseigenaar mede-eigenaar. Geef op een apart blad de naam en het adres van alle boseigenaars. houder van een zakelijk recht (bijvoorbeeld vruchtgebruik, erfpacht). Geef op een apart blad de naam en het adres van alle boseigenaars. houder van een persoonlijk recht (bijvoorbeeld pacht, huur). Geef op een apart blad de naam en het adres van alle boseigenaars. Volledige naam van de bosbeheerder : Als de bosbeheerder een rechtspersoon is, geef de volledige naam en functie van de ondertekenaar: straat : postcode: land: tel.:
nr: bus: deelgemeente/gemeente: fax:
e-mail:
Gegevens van de indiener van de aanvraag De contacten van het Bosbeheer met betrekking tot de subsidieaanvraag verlopen via de hieronder vermelde persoon. Kruis aan in welke hoedanigheid u de aanvraag indient: als enige bosbeheerder als een vertegenwoordiger van de mede-eigenaars als een van de bosbeheerders en gevolmachtigd door de andere bosbeheerders. Voeg de volmacht toe als bijlage als een gevolmachtigde, niet-bosbeheerder. Voeg de volmacht toe als bijlage als een vertegenwoordiger van de bosgroep Volledige naam: Als de aanvrager een rechtspersoon is, geef de volledige naam en functie van de ondertekenaar: straat postcode land
nr. bus deelgemeente / gemeente
tel. fax e-mail De subsidie mag gestort worden op rekeningnummer naam rekeninghouder: geboortedatum (natuurlijke persoon): BTW-nummer (indien van toepassing) De subsidie wordt per dossier op één enkele rekening gestort. De aanvrager krijgt een berekeningsnota met het
132
subsidiebedrag per bosbeheerder.
Vul dit blad enkel in als verschillende bosbeheerders een gezamenlijke aanvraag indienen. indien meer dan drie bosbeheerders : kopieer dit blad in het nodig aantal exemplaren Gegevens van de bosbeheerder De subsidie wordt toegekend aan de bosbeheerder, dat is de eigenaar, mede-eigenaar, houder van een zakelijk recht of houder van een persoonlijk recht. Kruis de hoedanigheid van de bosbeheerder aan. de enige boseigenaar mede-eigenaar. Geef op een apart blad de naam en het adres van alle boseigenaars. houder van een zakelijk recht (bijvoorbeeld vruchtgebruik, erfpacht). Geef op een apart blad de naam en het adres van alle boseigenaars. houder van een persoonlijk recht (bijvoorbeeld pacht, huur). Geef op een apart blad de naam en het adres van alle boseigenaars. Volledige naam van de bosbeheerder: Als de bosbeheerder een rechtspersoon is, geef de volledige naam en functie van de ondertekenaar: straat:
nr :
bus:
postcode:
deelgemeente/gemeente :
land tel.
fax
e-mail
Gegevens van de bosbeheerder De subsidie wordt toegekend aan de bosbeheerder, dat is de eigenaar, mede-eigenaar, houder van een zakelijk recht of houder van een persoonlijk recht. Kruis de hoedanigheid van de bosbeheerder aan. de enige boseigenaar mede-eigenaar. Geef op een apart blad de naam en het adres van alle boseigenaars. houder van een zakelijk recht (bijvoorbeeld vruchtgebruik, erfpacht). Geef op een apart blad de naam en het adres van alle boseigenaars. houder van een persoonlijk recht (bijvoorbeeld pacht, huur). Geef op een apart blad de naam en het adres van alle boseigenaars.
Volledige naam van de bosbeheerder : Als de bosbeheerder een rechtspersoon is, geef de volledige naam en functie van de ondertekenaar: straat:
nr:
postcode
bus: deelgemeente/gemeente
land tel.
fax
e-mail
Voeg bij dit formulier een duidelijk liggingsplan met aanduiding van het volledige bos en het gedeelte dat opengesteld wordt.
133
Voeg daarnaast een bosplan bij de aanvraag met opgave van de opengestelde wegen en speelzones.
Ligging van de bospercelen waarvoor de subsidie gevraagd wordt gemeente : deelgemeente, wijk : straat, meest nabije straat of ander goed herkenningspunt : naam van het bos (eventueel): datum goedkeuring van het beheerplan: registratienummer: opengestelde bestanden het volledige bos enkel de volgende bestanden: bospercelen (enkel in te vullen indien geen beheerplan conform art. 43 van het Bosdecreet vereist is ) Deelgemeente of afdeling
Sectie
Nummer
Oppervlakte
1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. beschermd landschap?
nee /
ja, percelen met nrs :
totaal :
Gegevens voor de berekening van de subsidie voor openstelling lengte van de opengestelde boswegen: m Wegen die voorkomen op de atlas der buurtwegen, komen niet in aanmerking voor subsidie. bestands- of perceelsnummer van speelbos oppervlakte ha totale oppervlakte van alle opengestelde bestanden of percelen:
ha
Periode van openstelling De subsidie wordt gevraagd vanaf het kalenderjaar : Dien de aanvraag in vóór 1 oktober voorafgaand aan het jaar waarvoor subsidie gevraagd wordt. Het bos wordt heel het jaar door opengesteld. ja nee Het bos zal maximum dertig dagen per jaar afgesloten worden om jachtredenen ja nee
134
Het bos kan niet op zondag afgesloten worden voor de jacht. De dagen dat het bos afgesloten wordt, moeten minstens één week vooraf aangekondigd worden aan de hoofdingangen van het bos en moeten gemeld worden aan de provinciale zetel van het Bosbeheer. De volgende wegen, bestanden of percelen worden om ecologische redenen tijdelijk afgesloten. Weg, perceel, bestand Periode van afsluiting Reden
Ik bevestig dat ik gevolmachtigd ben om deze subsidie aan te vragen. Ik bevestig dat voor de werkzaamheden op de percelen in kwestie geen andere subsidies werden verkregen of gevraagd zullen worden. Ik bevestig dat er geen wijzigingen aan de opengestelde boswegen of aan de termijn van openstelling zullen gebeuren zonder instemming van het Bosbeheer. Ik ben ervan op de hoogte dat de subsidie voor het lopend jaar niet wordt uitbetaald, en dat de subsidie niet wordt verlengd als niet werd voldaan aan een van de bovengenoemde voorwaarden. Als de subsidie voor het lopend jaar reeds uitbetaald is, kan deze worden teruggevorderd, vermeerderd met de wettelijke intresten. naam :
datum :
handtekening :
Bezorg deze aanvraag aan afdeling Bos & Groen in de provincie waar de bebossing of herbebossing uitgevoerd wordt. ANTWERPEN : Copernicuslaan 1 bus 7 - 2018 ANTWERPEN – tel: 03-224 62 62 E-mail:
[email protected] VLAAMS-BRABANT : Waaistraat 1 - 3000 LEUVEN – tel.: 016-21 12 20 E-mail:
[email protected] LIMBURG : Gouverneur Roppesingel 25 - 3500 HASSELT – tel.: 011-26 44 80 E-mail:
[email protected] OOST-VLAANDEREN : Gebroeders Van Eyckstraat 4 – 6 - 9000 GENT – tel.: 09-265 45 82 E-mail:
[email protected] WEST-VLAANDEREN : Zandstraat 255 - 8200 ST. ANDRIES-BRUGGE – tel.: 050-45 41 56 E-mail:
[email protected] Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse regering van 27 juni 2003. Brussel, 27 juni 2003 De minister-president van de Vlaamse regering, Bart SOMERS De Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking, Ludo SANNEN
135
Bijlage VI: formulier voor het aanvragen van een subsidie voor de ecologische bosfunctie CODE VAN DE AFDELING-001•JJMMDD
Aanvraag van een subsidie voor de ecologische bosfunctie Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Afdeling Bos & Groen Koning Albert II-laan 20 bus 8, 1000 BRUSSEL Tel. (02)553 81 02 - Fax (02)553 81 05
in te vullen door de verwerkende afdeling Registratienr.
Dit formulier is een toepassing van het Bosdecreet van 13 juni 1990 Besluit van de Vlaamse regering
ID-nummer
Gegevens van de bosbeheerder De subsidie wordt toegekend aan de bosbeheerder, dat is de eigenaar, mede-eigenaar, houder van een zakelijk recht of houder van een persoonlijk recht. Als een gezamenlijk beheerplan door verschillende bosbeheerders wordt ingediend, moet elke bosbeheerder of eigenaar dit deel afzonderlijk invullen op blad 2bis. Kruis aan over welk type van bos het gaat. privé-bos openbaar bos Kruis de hoedanigheid van de bosbeheerder aan. Vul deze vraag enkel in als het om een privé-bos gaat. de enige boseigenaar mede-eigenaar. Geef op een apart blad de naam en het adres van alle boseigenaars. houder van een zakelijk recht (bijvoorbeeld vruchtgebruik, erfpacht). Geef op een apart blad de naam en het adres van alle boseigenaars. houder van een persoonlijk recht (bijvoorbeeld pacht, huur). Geef op een apart blad de naam en het adres van alle boseigenaars. Volledige naam van de bosbeheerder : Als de bosbeheerder een rechtspersoon is, geef de volledige naam en functie van de ondertekenaar: straat: postcode : land : tel.:
nr : bus: deelgemeente/gemeente : fax :
e-mail :
Gegevens van de indiener van de aanvraag De contacten van het Bosbeheer met betrekking tot de subsidieaanvraag verlopen via de hieronder vermelde persoon. Kruis aan in welke hoedanigheid u de aanvraag indient: als enige bosbeheerder als een vertegenwoordiger van de mede-eigenaars als een van de bosbeheerders en gevolmachtigd door de andere bosbeheerders. Voeg de volmacht toe als bijlage als een gevolmachtigde, niet-bosbeheerder. Voeg de volmacht toe als bijlage als een vertegenwoordiger van de bosgroep Volledige naam : straat: postcode: land :
nr.: bus: deelgemeente / gemeente:
tel. : fax : e-mail: De subsidie mag gestort worden op rekeningnummer naam rekeninghouder : geboortedatum (natuurlijke persoon):
136
-
-
BTW-nummer (indien van toepassing) : De subsidie wordt per dossier op één enkele rekening gestort. De aanvrager krijgt een berekeningsnota met het subsidiebedrag per bosbeheerder.
Vul dit blad enkel in als verschillende bosbeheerders een gezamenlijke aanvraag indienen. indien meer dan drie bosbeheerders : kopieer dit blad in het nodig aantal exemplaren Gegevens van de bosbeheerder De subsidie wordt toegekend aan de bosbeheerder, dat is de eigenaar, mede-eigenaar, houder van een zakelijk recht of houder van een persoonlijk recht. Kruis aan over welk type van bos het gaat. privé-bos openbaar bos Kruis de hoedanigheid van de bosbeheerder aan. Vul deze vraag enkel in als het om een privé-bos gaat. de enige boseigenaar mede-eigenaar. Geef op een apart blad de naam en het adres van alle boseigenaars. houder van een zakelijk recht (bijvoorbeeld vruchtgebruik, erfpacht). Geef op een apart blad de naam en het adres van alle boseigenaars. houder van een persoonlijk recht (bijvoorbeeld pacht, huur). Geef op een apart blad de naam en het adres van alle boseigenaars. Volledige naam van de bosbeheerder Als de bosbeheerder een rechtspersoon , geef de volledige naam en functie van de ondertekenaar: straat:
nr :
bus:
postcode:
deelgemeente/gemeente:
land : tel.:
fax :
e-mail :
Gegevens van de bosbeheerder De subsidie wordt toegekend aan de bosbeheerder, dat is de eigenaar, mede-eigenaar, houder van een zakelijk recht of houder van een persoonlijk recht. Kruis aan over welk type van bos het gaat. privé-bos openbaar bos Kruis de hoedanigheid van de bosbeheerder aan. Vul deze vraag enkel in als het om een privé-bos gaat. de enige boseigenaar mede-eigenaar. Geef op een apart blad de naam en het adres van alle boseigenaars. houder van een zakelijk recht (bijvoorbeeld vruchtgebruik, erfpacht). Geef op een apart blad de naam en het adres van alle boseigenaars. houder van een persoonlijk recht (bijvoorbeeld pacht, huur). Geef op een apart blad de naam en het adres van alle boseigenaars.
137
Volledige naam van de bosbeheerder Als de bosbeheerder een rechtspersoon , geef de volledige naam en functie van de ondertekenaar: straat:
nr :
bus:
postcode:
deelgemeente/gemeente:
land : tel.:
fax :
e-mail :
Gegevens van de bestanden waarvoor de subsidie aangevraagd wordt gemeente: deelgemeente, wijk : straat, meest nabije straat of ander goed herkenningspunt: naam van het bos (eventueel): datum goedkeuring van het beheerplan: registratienummer: De subsidie wordt enkel toegekend indien een beheerplan is goedgekeurd dat voldoet aan de criteria voor duurzaam bosbeheer. bosbestanden die in aanmerking komen voor de subsidie Bestandsnr.
Oppervlakte (ha)
Natuurbeheer op Bosbestanden met bestendig bosvrije bostype = bosoppervlakten bosdoeltype in natuurrichtplan (vegetatietype) (bostype)
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15
138
Bestanden, Erkende zaadbestanden gedomineerd door inheemse boomsoorten boomsoort (bewijs van (belangrijkste erkenning als bijlage) boomsoorten)
Bestandsnr.
Oppervlakte (ha)
Natuurbeheer op Bosbestanden met bestendig bosvrije bostype = bosoppervlakten bosdoeltype in natuurrichtplan (vegetatietype) (bostype)
Bestanden Erkende zaadbestanden gedomineerd door inheemse boomsoorten boomsoort (bewijs van (belangrijkste erkenning als bijlage) boomsoorten)
16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40
Ik bevestig dat ik voldoende gevolmachtigd ben om deze subsidie aan te vragen.
Ik ga hierbij de verbintenis aan om tot 10 jaar na het jaar van de toekenning van de subsidie voor het betreffend bestand geen kaalslag met een oppervlakte groter dan 1 ha uit te voeren.
Ik bevestig dat voor het beheer op de percelen in kwestie geen andere subsidies werden verkregen of gevraagd zullen worden.
Ik ben ervan op de hoogte dat de subsidie voor het lopend jaar niet wordt uitbetaald, en dat de subsidie niet wordt verlengd als niet werd voldaan aan een van de bovenvermelde voorwaarden. Als de subsidie
139
voor het lopend jaar reeds uitbetaald is, kan deze worden teruggevorderd, vermeerderd met de wettelijke intresten. naam :
datum :
handtekening :
Bezorg deze aanvraag aan afdeling Bos & Groen in de provincie waar de bebossing of herbebossing uitgevoerd wordt. ANTWERPEN : Copernicuslaan 1 bus 7 - 2018 ANTWERPEN – tel: 03-224 62 62 E-mail:
[email protected] VLAAMS-BRABANT : Waaistraat 1 - 3000 LEUVEN – tel.: 016-21 12 20 E-mail:
[email protected] LIMBURG : Gouverneur Roppesingel 25 - 3500 HASSELT – tel.: 011-26 44 80 E-mail:
[email protected] OOST-VLAANDEREN : Gebroeders Van Eyckstraat 4 – 6 - 9000 GENT – tel.: 09-265 45 82 E-mail:
[email protected] WEST-VLAANDEREN : Zandstraat 255 - 8200 ST. ANDRIES-BRUGGE – tel.: 050-45 41 56 E-mail:
[email protected] Gezien om gevoegd te worden bij het Besluit van de Vlaamse regering van 27 juni 2003. Brussel, 27 juni 2003 De minister-president van de Vlaamse regering, Bart SOMERS
De Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking, Ludo SANNEN
140
Bijlage VII: formulier voor het aanvragen van een subsidie voor het opstellen van een beheerplan dat voldoet aan de criteria voor duurzaam bosbeheer.
Aanvraag van een subsidie voor het opstellen van een beheerplan dat voldoet aan de criteria voor duurzaam bosbeheer Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Afdeling Bos & Groen Koning Albert II-laan 20 bus 8, 1000 BRUSSEL Tel. (02)553 81 02 - Fax (02)553 81 05
CODE VAN DE AFDELING-001•JJMMDD
in te vullen door de verwerkende afdeling Registratienr.
Dit formulier is een toepassing van het Bosdecreet van 13 juni 1990Besluit van de Vlaamse regering
ID-nummer
Gegevens van de bosbeheerder De subsidie wordt toegekend aan de bosbeheerder, dat is de eigenaar, mede-eigenaar, houder van een zakelijk recht of houder van een persoonlijk recht. Als een gezamenlijk beheerplan door verschillende bosbeheerders wordt ingediend, moet elke bosbeheerder of eigenaar dit deel afzonderlijk invullen op blad 2bis. Kruis aan over welk type van bos het gaat. privé-bos openbaar bos Kruis de hoedanigheid van de bosbeheerder aan. Vul deze vraag enkel in als het om een privé-bos gaat. de enige boseigenaar mede-eigenaar. Geef op een apart blad de naam en het adres van alle boseigenaars. houder van een zakelijk recht (bijvoorbeeld vruchtgebruik, erfpacht). Geef op een apart blad de naam en het adres van alle boseigenaars. houder van een persoonlijk recht (bijvoorbeeld pacht, huur). Geef op een apart blad de naam en het adres van alle boseigenaars. Volledige naam van de bosbeheerder : Als de bosbeheerder een rechtspersoon is, geef de volledige naam en functie van de ondertekenaar: straat: postcode : land : tel.:
nr : bus: deelgemeente/gemeente : fax :
e-mail :
Gegevens van de indiener van de aanvraag De contacten van het Bosbeheer met betrekking tot de subsidieaanvraag verlopen via de hieronder vermelde persoon. Kruis aan in welke hoedanigheid u de aanvraag indient: als enige bosbeheerder als een vertegenwoordiger van de mede-eigenaars als een van de bosbeheerders en gevolmachtigd door de andere bosbeheerders als een gevolmachtigde, niet-bosbeheerder als een vertegenwoordiger van de bosgroep Volledige naam : straat: postcode: land : tel. :
nr.: bus: deelgemeente / gemeente: fax :
e-mail:
141
De subsidie mag gestort worden op rekeningnummer naam rekeninghouder: geboortedatum (natuurlijke persoon): BTW-nummer (indien van toepassing): De subsidie wordt per dossier op één enkele rekening gestort. De aanvrager krijgt een berekeningsnota met het subsidiebedrag per bosbeheerder.
Vul dit blad enkel in als verschillende bosbeheerders een gezamenlijke aanvraag indienen. indien meer dan drie bosbeheerders : kopieer dit blad in het nodig aantal exemplaren Gegevens van de bosbeheerder De subsidie wordt toegekend aan de bosbeheerder, dat is de eigenaar, mede-eigenaar, houder van een zakelijk recht of houder van een persoonlijk recht. Kruis aan over welk type van bos het gaat. privé-bos openbaar bos Kruis de hoedanigheid van de bosbeheerder aan. Vul deze vraag enkel in als het om een privé-bos gaat. de enige boseigenaar mede-eigenaar. Geef op een apart blad de naam en het adres van alle boseigenaars. houder van een zakelijk recht (bijvoorbeeld vruchtgebruik, erfpacht). Geef op een apart blad de naam en het adres van alle boseigenaars. houder van een persoonlijk recht (bijvoorbeeld pacht, huur). Geef op een apart blad de naam en het adres van alle boseigenaars. Volledige naam van de bosbeheerder Als de bosbeheerder een rechtspersoon , geef de volledige naam en functie van de ondertekenaar: straat:
nr :
bus:
postcode:
deelgemeente/gemeente:
land : tel.:
fax :
e-mail :
Gegevens van de bosbeheerder De subsidie wordt toegekend aan de bosbeheerder, dat is de eigenaar, mede-eigenaar, houder van een zakelijk recht of houder van een persoonlijk recht. Kruis aan over welk type van bos het gaat. privé-bos openbaar bos Kruis de hoedanigheid van de bosbeheerder aan. Vul deze vraag enkel in als het om een privé-bos gaat. de enige boseigenaar mede-eigenaar. Geef op een apart blad de naam en het adres van alle boseigenaars. houder van een zakelijk recht (bijvoorbeeld vruchtgebruik, erfpacht). Geef op een apart blad de naam en het adres van alle boseigenaars. houder van een persoonlijk recht (bijvoorbeeld pacht, huur). Geef op een apart blad de naam en het adres van alle boseigenaars.
142
Volledige naam van de bosbeheerder Als de bosbeheerder een rechtspersoon , geef de volledige naam en functie van de ondertekenaar: straat:
nr :
bus:
postcode:
deelgemeente/gemeente:
land : tel.:
fax :
e-mail :
Voeg bij dit formulier een duidelijk liggingsplan [schaal 1/25.000] met aanduiding van alle bospercelen die in het beheerplan opgenomen zijn en hun respectievelijke bosbeheerders.
Ligging van het bos waarvoor een beheerplan opgesteld wordt gemeente(n) : deelgemeente, wijk: straat, meest nabije straat of ander goed herkenningspunt: naam van het bos (eventueel):
Vul de volgende gegevens enkel in als een beheerplan reeds goedgekeurd werd. De aanvraag kan tot uiterlijk drie maanden na de goedkeuring van het beheerplan ingediend worden : datum van goedkeuring van het beheerplan: registratienummer:
. Overzicht van de boseigendommen die in het beheerplan zijn opgenomen. Bosbeheerder of naam van de boseigendom Gemeente 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11.
143
Oppervlakte (ha)
12. 13. 14. 15. 16. 17. 18. 19. 20. 21. 22. 23. 24. 25. 26. 27. 28. 29. 30. 31. 32. 33. 34. 35. 36. 37. 38. 39. 40. totale oppervlakte:
144
Ik bevestig dat ik voldoende gevolmachtigd ben om deze subsidie aan te vragen. Ik bevestig dat voor het beheer van de percelen in kwestie geen andere subsidies werden verkregen of gevraagd zullen worden. Ik ben ervan op de hoogte dat indien de aanvraag wordt ingediend vóór de goedkeuring van het beheerplan, het beheerplan uiterlijk drie jaar na de toekenning van de subsidie goedgekeurd moet zijn. Zo niet, vervalt de subsidie.
naam :
datum :
handtekening : Bezorg deze aanvraag aan afdeling Bos & Groen in de provincie waar de bebossing of herbebossing uitgevoerd wordt. ANTWERPEN : Copernicuslaan 1 bus 7 - 2018 ANTWERPEN – tel: 03-224 62 62 E-mail:
[email protected] VLAAMS-BRABANT : Waaistraat 1 - 3000 LEUVEN – tel.: 016-21 12 20 E-mail:
[email protected] LIMBURG : Gouverneur Roppesingel 25 - 3500 HASSELT – tel.: 011-26 44 80 E-mail:
[email protected] OOST-VLAANDEREN : Gebroeders Van Eyckstraat 4 – 6 - 9000 GENT – tel.: 09-265 45 82 E-mail:
[email protected] WEST-VLAANDEREN : Zandstraat 255 - 8200 ST. ANDRIES-BRUGGE – tel.: 050-45 41 56 E-mail:
[email protected] Gezien om gevoegd te worden bij het Besluit van de Vlaamse regering van 27 juni 2003. Brussel, 27 juni 2003 De minister-president van de Vlaamse regering, Bart SOMERS
De Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking, Ludo SANNEN
145
27 juni 2003 - Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van de criteria voor duurzaam bosbeheer voor bossen gelegen in het Vlaamse Gewest (BS 10/09/2003) DE VLAAMSE REGERING, Gelet op het Bosdecreet van 13 juni 1990, inzonderheid op artikel 7 vervangen bij het decreet van 18 mei 1999, 41, tweede lid ingevoegd bij het decreet van 18 mei 1999 en 43,§4, vervangen door het decreet van 18 mei 1999; Gelet op het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, inzonderheid op artikel 25, gewijzigd bij decreten van 18 mei 1999 en 19 juli 2002, en op artikel 28 zoals gewijzigd bij decreet van 19 juli 2002; Overwegende dat in de adviezen van de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen, gegeven op 6 oktober 1998 en 5 april 2001 een actieve rol van de overheid gevraagd wordt rond duurzaam bosbeheer en wordt aangedrongen op duidelijkheid rond het beheer van bossen in het Vlaams Ecologisch Netwerk; Gelet op het advies van de Vlaamse Hoge Bosraad, gegeven op 29 juni 2001; Gelet op het advies van de Vlaamse Hoge Raad voor het Natuurbehoud, gegeven op 5 september 2001; Gelet op het overleg bedoeld in artikel 6, §2, 1° van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 zoals dat werd gehouden op 6 maart 2002 tijdens de vergadering van de Interministeriële Conferentie voor het Leefmilieu; Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor begroting, gegeven op 26 juni 2002; Gelet op het advies nr. 33.797/3 van de Raad van State, gegeven op 4 februari 2003 , met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Op voorstel van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking; Na beraadslaging, BESLUIT : Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder: 1° het decreet: het Bosdecreet van 13 juni 1990; 2° het VEN: het Vlaams Ecologisch Netwerk, bedoeld in het Decreet Natuurbehoud.
Art. 2. De criteria voor duurzaam bosbeheer, bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het decreet, worden vastgesteld in de bijlage bij dit besluit. Art. 3. Het beheer van de openbare bossen en van de bossen gelegen in het VEN moet gebeuren met naleving van de criteria voor duurzaam bosbeheer. Art. 4. De naleving van de criteria voor duurzaam bosbeheer gebeurt op een redelijke en bosbouwtechnisch verantwoorde wijze, zonder dat op elk ogenblik en op elke plaats in het bos aan elk van de criteria voldaan moet zijn. Als voor het bos een beheerplan opgesteld moet worden, bevat het beheerplan de maatregelen die genomen worden ter naleving van de criteria voor duurzaam bosbeheer, op de wijze bedoeld in het eerste lid. Art. 5. Voor de bossen gelegen in het VEN gelden de criteria voor duurzaam bosbeheer als maatregelen ter
146
bevordering van een natuurgerichte bosbouw, in de zin van artikel 25, §1, tweede lid, 1°, van het decreet natuurbehoud, en ter bevordering van het recreatieve medegebruik in de bossen, als bedoeld in artikel 25, § 1, tweede lid, 5°, van hetzelfde decreet. Art. 6. De Vlaamse minister, bevoegd voor de landinrichting en het natuurbehoud, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Brussel, 27 juni 2003 De minister-president van de Vlaamse regering, Bart SOMERS De Vlaamse minister bevoegd voor Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking, Ludo SANNEN
147
Bijlage : Criteria voor duurzaam bosbeheer Situering: Op Europees niveau werd het begrip ‘duurzaam bosbeheer’ gedefinieerd door de verantwoordelijke Europese ministers door middel van resolutie H1 "Algemene Richtlijnen voor het Duurzaam Beheer van Bossen in Europa" tijdens de tweede Ministeriële Conferentie ter Bescherming van de Bossen in Europa, gehouden te Helsinki (Finland) in 1993. Duurzaam bosbeheer wordt omschreven als "het rentmeesterschap en het gebruik van bossen op een dusdanige manier en snelheid dat hun biologische verscheidenheid, hun productiviteit, hun regeneratiecapaciteit, hun vitaliteit en hun vermogen om nu en in de toekomst op verschillende ruimtelijke schalen (lokaal, nationaal, mondiaal) relevante ecologische, economische en sociale functies te volbrengen, niet in het gedrang komen en dat er geen schade berokkend wordt aan andere ecosystemen". De in deze bijlage opgenomen "criteria voor duurzaam bosbeheer" vormen een evaluatie-instrument om het praktische beheer van de bossen te toetsen op duurzaamheid. Dit praktisch beheersniveau wordt ruim gezien en omvat alle verschillende aspecten en functies van het bos (zie Hoofdstukken). Onder de respectievelijke hoofdstukken worden één of meer doelstellingen geformuleerd die het duurzaam beheer van de bossen moeten garanderen. Dit gebeurt onder de vorm van principes en criteria. Deze doelstellingen worden verder verfijnd tot indicatoren om zodoende een concrete en objectieve beoordeling van de duurzaamheid van het bosbeheer mogelijk te maken. Deze indicatoren zijn als onmiddellijk meetbare en controleerbare parameters te beschouwen. De indicatoren zijn als de bindende bepalingen voor duurzaam bosbeheer te beschouwen. Het bosbeheer wordt pas als in overeenstemming met de criteria duurzaam bosbeheer beschouwd, wanneer de beheerder van het bos kan aantonen dat aan de indicatoren is tegemoet gekomen. Het bosbeheerplan zal hierbij het belangrijkste instrument zijn voor de bosbeheerder om dit aan te tonen. Gezien in Vlaanderen de uitgangssituaties sterk kunnen verschillen onder meer qua bodemtoestand, boomsoortensamenstelling, leeftijdsverdeling, versnipperinggraad, ligging, e.a., zal het in de praktijk zo zijn dat niet alle indicatoren in alle situaties toepasbaar of relevant zijn en dus op dat ogenblik niet als bindend af te dwingen zijn. Zo is het duidelijk dat het opnemen van een verjongingsplan in een bosbeheerplan niet relevant is wanneer de desbetreffende bosbestanden binnen het verloop van het beheerplan nog niet aan verjonging toe zijn. Vooral via het bosbeheerplan kan verduidelijkt en vastgelegd worden waarom bepaalde indicatoren in bepaalde situaties niet dienen nagekomen te worden. Criteria duurzaam Bosbeheer: Hoofdstuk I. Criteria voor het juridisch kader en relevante overeenkomsten Principe 1: De bosbeheerder moet bij het beheer van zijn bos alle wetten die in het Vlaamse Gewest van toepassing zijn respecteren. Criterium 1.1: De bosbeheerder leeft het wettelijke kader na dat betrekking heeft op bos en bosbouw in de brede zin en houdt zich aan de hieruit voortvloeiende verplichtingen. Criterium 1.2: Eigendomsrechten en eventuele zakelijke en persoonlijke rechten op het bos zijn aantoonbaar vastgesteld. Criterium 1.3: De bosbeheerder houdt zich aan alle rechten en plichten de volgen uit alle overeenkomsten, contracten en regelingen die van toepassing zijn op het bosbedrijf en het bosbeheer. Criterium 1.4: De bosbeheerder beschermt zijn bezit waar mogelijk tegen illegale kap, niet toegestane verblijfsactiviteiten en andere ongewenste vormen van bosgebruik. Criterium 1.5: De bosbeheerder verklaart dat hij de richtlijnen van deze criteria voor duurzaam bosbeheer zal naleven gedurende een periode, gekoppeld aan het beheerplan en dat hij ook op de lange termijn ernaar streeft zijn bosbezit volgens deze criteria te blijven beheren. Hoofdstuk II. Criteria voor het waarborgen van sociale en culturele functies
148
Principe 2: De bosbeheerder houdt bij het beheer en gebruik van zijn bosbezit rekening met de sociale en culturele belangen van zowel de bevolking als de omgeving Criterium 2.1: De bosbeheerder erkent de betrokkenheid van alle relevante groepen en personen en houdt rekening met hun standpunten. 1° Indicator 2.1.1: Voor het opstellen en het laten goedkeuren van het beheerplan, is de betrokken bevolking ingelicht over de beheerdoelstellingen en wordt ze in staat gesteld hierop te reageren. 2° Indicator 2.1.2: Relevante en onderbouwde wensen of bezwaren worden in overweging genomen bij de beheerplanning en uitvoering van beheermaatregelen. 3° Indicator 2.1.3: Bij de planning en uitvoering van beheermaatregelen houdt de bosbeheerder indien mogelijk rekening met vragen, opmerkingen en suggesties van de betrokkenen. 4° Indicator 2.1.4: Het beheer van bossen moet aandacht hebben voor het recreatief medegebruik en moet de selectieve bostoegankelijkheid voor het publiek stimuleren. Het bos kan toegankelijk gesteld worden voor het publiek op een manier die de ecologische functievervulling niet in het gedrang brengt en die verstoring - zowel in de tijd als in de ruimte - beperkt en zo nodig uitsluit. Criterium 2.2: Bossen of delen van bossen met grote sociale, culturele, landschappelijke, geschiedkundige, religieuze betekenis, waardevolle traditionele beheervormen of belangrijke wetenschappelijke of educatieve betekenis worden beschermd en beheerd overeenkomstig hun specifieke waarden en potenties. Het gaat hier om gebieden waarvan de specifieke waarde kan aangetoond worden, zoals bijvoorbeeld oude bossen, oud hakhout, oud middelhoutbos, archeologische vindplaatsen, holle wegen, boswallen enzovoort. 1° Indicator 2.2.1: De beheerdoelstellingen en -maatregelen voor deze bossen of delen van bossen zijn uitdrukkelijk afgestemd op de specifieke waarden en potenties. Criterium 2.3: De bosbeheerder draagt er zorg voor dat de voorschriften voor gezondheid, milieu, veiligheid, arbeidsinhoud en arbeidsomstandigheden worden nageleefd bij alle activiteiten die onder zijn verantwoordelijkheid en opdracht worden uitgevoerd in het bos in kwestie. Het gaat onder meer om voorschriften op basis van de milieuwetgeving, wetgeving welzijn op het werk (waaronder Algemeen Reglement inzake Arbeidsbescherming), relevante collectieve akkoorden, de erkenningsregeling bosexploitanten en functiebeschrijvingen van het personeel. 1° Indicator 2.3.1: Het personeel dat rechtstreeks voor of in opdracht van de bosbeheerder in het bos werkt, is op de hoogte van zijn taakomschrijving en arbeidsinhoud en van de veiligheidsvoorschriften. Criterium 2.4: De bosbeheerder werkt mee aan een goede sociale en technische structuur van de bedrijfstak bij de inzet van eigen personeel of via aannemers. 1° Indicator 2.4.1: De bosbeheerder staat in voor een aangepast (permanent) vormingsprogramma voor het eigen personeel. In contracten met aannemers staat bepaald dat het tewerkgestelde personeel over voldoende technische competentie moet beschikken. 2° Indicator 2.4.2: Bij de uitbesteding van werkzaamheden wordt gebruik gemaakt van aannemers die voldoen aan collectief vastgestelde criteria voor deskundigheid, kwaliteit en betrouwbaarheid, conform de criteria “Erkenningsregeling Bosexploitanten” indien die van kracht zijn. Hoofdstuk III. Criteria voor het waarborgen van productie- en economische functies Principe 3: Het beheer van bossen moet het efficiënte gebruik van de verschillende bosproducten en –diensten stimuleren, teneinde de economische levensvatbaarheid van het bosbezit en een breed scala aan ecologische en maatschappelijke functies te waarborgen. Criterium 3.1: De bosbeheerder behandelt zijn bos als een hernieuwbare hulpbron, waarbij hij streeft naar een veelzijdige functievervulling.
149
1° Indicator 3.1.1: Bij beslissingen in het bosbeheer is een afweging gemaakt van de directe en indirecte effecten van de te nemen maatregelen, met het oog op de duurzame voortbrenging van goederen en diensten op lange termijn. De afweging komt tot uiting in het beheerplan bij de keuze van de beheerdoelstelling en de daaraan verbonden maatregelen; de detaillering van de onderbouwing staat in verhouding tot de grootte van het bos. 2° Indicator 3.1.2: De bosbeheerder behoudt de natuurlijke productiecapaciteit van de bosbodem door een aangepast bosbeheer (bijvoorbeeld door de boomsoortenkeuze, het nastreven van voldoende mengingsgraad). Zo wordt bodembewerking tot een minimum beperkt. Bij gedegradeerde bosbodems zijn herstelmaatregelen mogelijk na voorafgaand bodemonderzoek. 3° Indicator 3.1.3: De bosbeheerder tracht de mineralenkringloop in zijn bos zo veel mogelijk te sluiten door zowel verliezen als importen te beperken. Bemesting (aanrijking met nutriënten) is niet toegestaan wegens het risico van eutrofiëring, grondwatervervuiling en wijzigingen in de kruidenlaag. Startbemesting met stalmest in de plantput bij verjonging met veeleisende boomsoorten is wel toegestaan. 4° Indicator 3.1.4: Bij exploitatie en beheerwerken wordt schade aan de productiecapaciteit van de standplaats, de bodem, het overblijvend bestand (inclusief verjonging) en verstoring van fauna en flora tot een minimum beperkt. In overeenkomsten met aannemers zijn werkbare procedures opgenomen om de schade in eerste instantie te voorkomen of - indien schade onvermijdelijk is - die te beperken of indien dit niet mogelijk is, te herstellen. Er zijn procedures van kracht om aan de hand van terreincontroles toezicht te houden op het verloop van de terreinwerkzaamheden en hierbij passend op te treden, bijvoorbeeld door de werkzaamheden stil te leggen of bijzondere voorwaarden op te leggen. Criterium 3.2: De bosbeheerder streeft met zijn bosbedrijf naar economische levensvatbaarheid zonder afbreuk te doen aan het behoud van de ecologische of sociale functievervulling door het bos. 1° Indicator 3.2.1: Bij beslissingen in het bosbeheer is rekening gehouden met ecologische, sociale en bedrijfseconomische randvoorwaarden en zijn de nodige investeringen grondig afgewogen, teneinde de kwaliteit en productiviteit van het bosbezit op lange termijn te waarborgen. De afweging komt tot uiting in het beheerplan bij de beschrijving van maatregelen, middelen en randvoorwaarden; 2° Indicator 3.2.2: In bossen of delen van bossen waarvoor geen specifieke doelstellingen gelden rond het behoud en bevorderen van biologische diversiteit of sociaal-recreatieve argumenten moet een zeker voorraadpeil gehandhaafd worden door een evenwicht te bewaren tussen houtoogst en aanwas. 3° Indicator 3.2.3: De bosbeheerder zoekt naar samenwerkingsverbanden waaruit schaalvoordelen kunnen ontstaan. Criterium 3.3: De bosbeheerder beoogt met zijn bosbeheer een bos dat een gevarieerde structuur bezit, zowel naar soorten als naar leeftijdsverdeling, dat een ongelijkjarige opbouw kent en dat gemengd is samengesteld als borg voor het behoud van de standplaatsproductiviteit. 1° Indicator 3.3.1: De bosbeheerder kiest een boomsoortensamenstelling die steeds standplaatsgeschikt is. In geval van kunstmatige of gecombineerde verjonging kiest hij steeds voor de door het Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer aanbevolen herkomsten, voor zover die beschikbaar zijn. 2° Indicator 3.3.2: De bosbeheerder kiest voor kleinschalige kappingen. Kaalslagen zijn beperkt tot 1 ha. Van die regel kan afgeweken worden indien dat grondig gemotiveerd wordt in het bosbeheerplan en in specifieke gevallen (bijvoorbeeld directe omvorming van een homogeen bestand van een uitheemse soort; verjonging van een populierenaanplant).
3° Indicator 3.3.3: De bosbeheerder stelt voor zijn bos een verjongingsplan op dat in tijd en ruimte moet leiden tot een gevarieerde bosstructuur en opbouw. 4° Indicator 3.3.4: De bosbeheerder streeft bij zijn bosbedrijfsvoering naar evenwichtig en omzichtig bepaalde bedrijfstijden, wat een voldoende evenwicht inhoudt tussen economische en ecologische factoren.
150
Criterium 3.4: De bosbeheerder regelt het gebruik en de voortbrengst van niet-houtige bosproducten zonder afbreuk te doen aan het behoud van de ecologische of sociale functievervulling door het bos. 1° Indicator 3.4.1: Stroperij en niet-weidelijke jachtmethoden worden actief bestreden. 2° Indicator 3.4.2: De bosbeheerder ziet erop toe dat er geen wild wordt uitgezet in zijn bos, tenzij in het kader van wettelijk toegestane soortbeschermingsmaatregelen. 3° Indicator 3.4.3: De bosbeheerder ziet erop toe dat het gebruik van andere niet-houtige bosproducten (visvangst; plukken en verzamelen van planten, vruchten en paddestoelen enzovoort) gebeurt volgens de geldende wetgeving en dat er, voorzover dat is toegestaan, minimale schade wordt aangericht aan het bosecosysteem, de habitats en de populaties van wilde dier- en plantensoorten. Hoofdstuk IV. Criteria voor het behoud en de bescherming van het milieu Principe 4: Bosbeheer zal de ecologische functies van het bos in stand houden door het bewaren of verbeteren van de biologische diversiteit, het natuurlijk milieu, de unieke en kwetsbare ecosystemen en landschappen en door de instandhouding van habitats en populaties van wilde dier- en plantensoorten. Criterium 4.1: Bosbeheer en bosgebruik blijven binnen de grenzen van de ecologische draagkracht van het bosbezit. 1° Indicator 4.1.1: Bij beslissingen over het beheer en gebruik van het bos is uitdrukkelijk rekening gehouden met de ecologische functies van het bos en dit tevens in relatie met zijn omgeving. Criterium 4.2: Ingrijpende veranderingen in bosbeheer en bosgebruik worden vooraf getoetst aan een evaluatie van de te verwachten effecten op natuur en landschap. De evaluatie wordt afgestemd op de schaal en intensiteit van de ingreep en op de natuur- en landschapswaarde van het bos. 1° Indicator 4.2.1: Bij beslissingen over ingrijpende veranderingen in bosbeheer en bosgebruik is rekening gehouden met de resultaten van voorafgaand onderzoek naar de mogelijke effecten op de natuur, het natuurlijk milieu en het landschap. 2° Indicator 4.2.2: In functie van de omvang van de ingreep (intensiteit, sterkte, betrokken oppervlakte) en de kwaliteiten van het gebied zijn passende maatregelen genomen om eventuele schade aan de natuur, het natuurlijk milieu en het landschap te voorkomen, te beperken of indien dit niet mogelijk is, te herstellen. Criterium 4.3: De bosbeheerder ziet erop toe dat bij het beheer bos-vreemde stoffen en producten zo veel mogelijk uit het bos worden geweerd. 1° Indicator 4.3.1: Olieverversingen van machines zijn in het bos niet toegestaan. 2° Indicator 4.3.2: Bij het aanwenden van motorzagen wordt alleen biologisch afbreekbare kettingolie gebruikt.
3° Indicator 4.3.3: De bosbeheerder gebruikt geen genetisch gemanipuleerde organismen. 4° Indicator 4.3.4: Voorzover dat nog niet wettelijk is geregeld, is het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen niet toegestaan, tenzij het gebruik van glyfosaat voor het bestrijden van nietinheemse agressieve soorten (onder meer de Amerikaanse vogelkers) in een planmatige en gecombineerde mechanisch-chemische bestrijdingsmethode. Deze uitzondering geldt zolang er geen ecologisch beter verantwoord product of verantwoorde methode met dezelfde efficiëntie beschikbaar is en pas nadat de noodzaak en mogelijke alternatieven vooraf werden overwogen en uitgeprobeerd.
Het gebruik van biologische bestrijdingsmiddelen is toegestaan bij zorgvuldige toepassing en controle, zonder af te wijken van geldende wetgeving of internationaal erkende wetenschappelijke voorschriften. Criterium 4.4: De bosbeheerder moet, voorzover hij daartoe de mogelijkheden heeft, met zijn bosbedrijfsvoering bijdragen tot het integraal waterbeheer.
151
1° Indicator 4.4.1: De bosbeheerder zal de bestaande vrije loop van stromende waters binnen zijn bos niet beïnvloeden. 2° Indicator 4.4.2: De bosbeheerder zal waterrijke gebieden, zoals gedefinieerd in het decreet natuurbehoud, en overstromingsgebieden niet ontwateren. Buiten deze gebieden kunnen bestaande drainagesystemen, ont- en afwateringen behouden blijven indien dat noodzakelijk is en leidt tot een betere groei van standplaatsgeschikte boomsoorten. Bestaande drainage, ontwatering of afwatering kan in uitzonderlijke gevallen worden gewijzigd om de andere functies te kunnen optimaliseren. 3° Indicator 4.4.3: Nieuwe drainage of andere ontwatering- en afwateringsvoorzieningen zijn nergens toegestaan. Hoofdstuk V. Criteria voor het behoud en de bevordering van de biologische diversiteit Principe 5: De bosbeheerder houdt bij het beheer van zijn bosbezit rekening met de biologische diversiteit door zorg voor het behoud, de ontwikkeling of het herstel van de ecologische functie van zijn bos. Criterium 5.1: In het bosbeheer en bosgebruik worden maatregelen genomen ter instandhouding van habitats en populaties van wilde dier- en plantensoorten met het oog op de multifunctionaliteit. 1° Indicator 5.1.1: De bosbeheerder houdt bij de bosbedrijfsvoering rekening met het zorgprincipe en het standstillprincipe, toegepast op de biologische diversiteit. Standplaatsen met een van nature rijke boomsoortensamenstelling mogen in geen geval worden vervangen door uniforme bestanden of door een andere vorm van bodemgebruik. Aanplanten van agressieve exoten is uitgesloten. Het omvormen van bossen van inheemse loofboomsoorten naar homogene bossen van fijnspar, populier, andere nietinheemse soorten en grove dennen is uitgesloten. 2° Indicator 5.1.2: Het bos en zijn beheer zijn getoetst op de aanwezigheid en het voortbestaan van zeldzame, bedreigde en wettelijk beschermde plant- en diersoorten, alsook indicatorsoorten van oud bos. De relevante gebieden, terreinkenmerken en beheersmaatregelen zijn aangegeven op een beheerskaart. Voor die natuurelementen worden de nodige maatregelen genomen om de instandhouding van hun habitat te garanderen. De inventarisatie is zowel gericht op de aanwezigheid van indicatoren voor oude en goed ontwikkelde bosecosystemen als op de aanwezigheid van zeldzame en bedreigde soorten en bijzondere natuurelementen. Concreet wordt onder meer rekening gehouden met: oud-bosplanten; oude bomen met holten voor vogels en zoogdieren; nestbomen van roofvogels; zeldzame en bedreigde boom-, struik- en plantensoorten, alsook andere bedreigde organismen en kensoorten, voorzover hiervan terreingegevens beschikbaar zijn. Tevens wordt rekening gehouden met specifieke natuurelementen zoals beken, poelen, vennen en bronnen, open plekken en natuurlijke rand- en overgangssituaties (mantel- en zoomvegetaties) en de aan deze habitats gebonden soorten. 3° Indicator 5.1.3: Bij beslissingen over het beheer en gebruik van alle bostypen is uitdrukkelijk rekening gehouden met de eisen die zeldzame, bedreigde en wettelijk beschermde plant- en diersoorten stellen aan hun habitat. 4° Indicator 5.1.4: De bosbeheerder besteedt bij planning en uitvoering van exploitatie speciale aandacht aan de broedperiode van vroege of late broedvogels. Hiertoe worden in het lastenboek passende exploitatievoorwaarden vastgelegd. Er is een lange vaste schoontijd, die loopt van 1 april tot 30 juni. Op voorwaarde dat vooraf machtiging van Bosbeheer werd verkregen, kan van deze standaard schoontijd worden afgeweken : de periode kan zowel verruimd, verengd of opgeheven worden. Criterium 5.2: Bij het beheer van bos wordt gestreefd naar een bepaald aandeel inheemse boomsoorten en het bevorderen van een rijke en gevarieerde bosstructuur van toepassing op het niveau van het beheerplan. 1° Indicator 5.2.1: Ten minste 20% van de totale oppervlakte van het bos moet bestaan uit of in omvorming zijn naar gemengde bestanden op basis van inheemse en standplaatsgeschikte boomsoorten binnen een bosbouwtechnische verantwoorde termijn. Indien het streefdoel van 20% nog niet gerealiseerd is, blijkt uit het beheerplan hoe en wanneer het bereikt zal worden. Norm voor inheemse bestanden: Inheemse boomsoorten dienen minstens 90% van het grondvlak van het bestand in te nemen. 152
Norm voor gemengde bestanden: Bestanden zijn gemengd zodra er minstens twee verschillende boomsoorten aanwezig zijn en de hoofdboomsoort 80% of minder van het bestandsgrondvlak inneemt, of 80% van het totale stamtal voor bestanden jonger dan 30 jaar. 2° Indicator 5.2.2: De bosbeheerder beschikt over een omvormingsplan voor alle homogene aanplantingen van populier, fijnspar, en andere niet-inheemse boomsoorten. Norm populier: Er wordt een onderetage opgebouwd en behouden van verschillende inheemse houtige gewassen. Die mag als hakhout worden beheerd met populier als bovenstaanders (soort middelhout). Norm andere homogene niet-inheemse bestanden: Er wordt gestreefd naar gemengde bestanden waarvan 30% van de bedekkingsgraad of grondvlak wordt ingenomen door inheemse loofbomen. In een eerste fase mogen in die 30% ook onderstandige bomen en de onderetage meegerekend worden. Het is echter de bedoeling na verloop van tijd te komen tot 30% inheemse loofbomen in de opperetage. Criterium 5.3: In het bosbeheer en bosgebruik worden maatregelen genomen om de ecologische processen binnen het bos te beschermen, te versterken of te herstellen. 1° Indicator 5.3.1: De bosbeheerder kiest bij het beheer van het bos waar mogelijk (voldoende kwaliteit en kwantiteit) en zinvol (standplaatsgeschikt, kwalitatief goed en aangepast uitgangsmateriaal), in principe voor natuurlijke verjonging. Voor bebossingen komt kunstmatige aanplanting in aanmerking. 2° Indicator 5.3.2: Bij het beheer van het bos worden kansen geboden, maximaal rekening houdend met natuurontwikkeling en dat minimaal voor 5% van de totale oppervlakte onder beheerplan. Dit gebeurt bij voorkeur in die bestanden met een reeds aanwezige of potentiële natuurwaarde. Aangepast beheer van open plekken en bosranden komen eveneens in aanmerking. Eerst wordt een streefbeeld met natuurdoeltypen in het beheerplan vooropgesteld. Vervolgens wordt in een planning aangegeven hoe dat streefbeeld gerealiseerd kan worden. Voor bossen sluit dit streefbeeld zo goed mogelijk aan bij de natuurlijke bosgemeenschap van die plaats, of de potentieel natuurlijke vegetatie. Economisch waardevolle bosproducten kunnen ten gevolge van dit beheer worden gevaloriseerd indien dit de soortensamenstelling en structuur niet noemenswaardig beïnvloedt. 3° Indicator 5.3.3: De bosbeheerder streeft naar het verkrijgen van meer dood hout in het bos. In het beheerplan staan concrete beheerrichtlijnen vermeld, die gericht zijn op het verkrijgen van meer dood hout in het bos, afhankelijk van de natuurlijke bestandsontwikkeling : bijvoorbeeld snoeihout wordt niet verwijderd; staande of liggende holle of dode bomen die geen gevaar opleveren voor voorbijgangers of voor het verspreiden van ziekten of brand blijven behouden, bij catastrofes of nietbesmettelijke aantastingen worden niet alle getroffen bomen verwijderd, hoogdunning wordt toegepast of wegkwijnende bomen die geen concurrentie betekenen voor potentiële toekomstbomen worden niet verwijderd, wortelkluiten van omgewaaide bomen worden niet systematisch verwijderd en opgevuld. De evolutie van het volume dood hout wordt expliciet gevolgd. Bij planning en uitvoering wordt aandacht besteed aan waarden zoals veiligheid, fytosanitaire conditie en risico’s, en natuurbeleving. Richtwaarde: 4% van het totale bestandsvolume (staand, liggend, spreiding in alle omtrekklassen > 30cm) of een verdubbeling van de hoeveelheid dood hout binnen de planperiode. 4° Indicator 5.3.4: De bosbeheerder duidt per bestand een zeker aantal bomen per ha aan, bij voorkeur inheemse loofbomen, tot ze de natuurlijke leeftijdsgrens bereiken. Criterium 5.4: Representatieve voorbeelden van natuurlijke inheemse bosgemeenschappen, waardevolle bostypen en goed ontwikkelde bosecosystemen worden beschermd en beheerd overeenkomstig hun specifieke waarde. 1° Indicator 5.4.1: De beheerdoelstellingen en -maatregelen voor deze gebieden zijn uitdrukkelijk afgestemd op de waardevolle aspecten van de gebieden.
Hoofdstuk VI. Criteria voor planmatig en controleerbaar beheer Principe 6: Het beheer van het bos moet planmatig en controleerbaar zijn. Criterium 6.1: De bosbeheerder heeft zijn visie op het beheer en gebruik van zijn bos vastgelegd in een uitgebreid beheerplan.
153
1° Indicator 6.1.1: Het beheerplan komt tot stand na het afwerken van de logische fasen van een planningscyclus : inventarisatie, analyse van de situatie, formuleren van beheerdoelstellingen, het programmeren van de maatregelen, controle en bijsturing. 2° Indicator 6.1.2: De bosbeheerder beschrijft in het beheerplan alle nodige maatregelen die een toetsing van deze criteria voor duurzaam bosbeheer mogelijk moeten maken. De graad van detaillering is afhankelijk van de aard van de geplande werkzaamheden. 3° Indicator 6.1.3: De bosbeheerder zoekt bij het opstellen van het bosbeheerplan actief naar samenwerkingsverbanden met verschillende betrokken partijen die bijvoorbeeld gegevens kunnen leveren die dienstig zijn voor het beheer van het bos. 4° Indicator 6.1.4: De bosbeheerder geeft in het beheerplan weer hoe de eventuele opmerkingen en suggesties van betrokkenen doorwerken naar de uiteindelijke beheerdoelstellingen. 5° Indicator 6.1.5: Goedgekeurde beheerplannen liggen ter inzage bij het Bosbeheer. 6° Indicator 6.1.6: Het beheerplan is geldig voor 20 jaar en blijft verbonden aan het bos. Het kan tussentijds herzien worden. De herziening houdt rekening met de resultaten van de controle en monitoring, met de nieuwe wetenschappelijke gegevens en technieken en met de gewijzigde sociale, economische of milieu-omstandigheden. De argumenten voor herziening worden duidelijk opgenomen in het eerste deel van de planningscyclus. Criterium 6.2: De bosbeheerder volgt de effecten van het beheer en gebruik van zijn bosbezit en gebruikt die gegevens voor aanpassingen in het beheer of de tussentijdse herziening van zijn beheerplan. 1° Indicator 6.2.1: Overeenkomstig de schaal en intensiteit van de activiteiten in het bos worden de relevante ecologische, economische en sociale effecten nagegaan en geëvalueerd en wordt de bedrijfsvoering zo nodig aangepast. De verzameling van gegevens is inhoudelijk afgestemd op het beheerplan en de inspanningen staan in redelijke verhouding tot de bedrijfsgrootte. Criterium 6.3: De bosbeheerder controleert en documenteert de houtwinning, de exploitatie en verkoop van hout en andere bosproducten en kan hiervoor een beroep doen op de bosgroep. 1° Indicator 6.3.1: De bosbeheerder hanteert duidelijke richtlijnen voor exploitatieactiviteiten en transport binnen zijn bos ter bescherming van mens, natuur en milieu en hij controleert de uitvoering ervan in de praktijk. Deze richtlijnen geven inzicht in de beperkingen die gesteld (kunnen) worden aan exploitatie en transport, ook in het geval van uitbesteding en eventuele schaderegeling. 2° Indicator 6.3.2: De bosbeheerder heeft de oogst en verkoop van hout zodanig gedocumenteerd dat de producten gevolgd kunnen worden van het bos tot aan het eerste verkooppunt of tot aan de bosweg indien verkoop op stam plaatsvindt. Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse regering van 27 juni 2003 Brussel, 27 juni 2003 De minister-president van de Vlaamse regering, Bart SOMERS De Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking, Ludo SANNEN
154
27 juni 2003 - Besluit van de Vlaamse regering betreffende de erkenning en de subsidiëring van bosgroepen en de wijze waarop leden van het Bosbeheer kunnen meewerken in erkende bosgroepen (BS 10/09/2003) DE VLAAMSE REGERING, Gelet op het Bosdecreet van 13 juni 1990, inzonderheid op artikel 39 en op artikel 41bis en 41ter, ingevoegd bij het decreet van 18 mei 1999; Gelet op het advies van de Vlaamse Hoge Bosraad, gegeven op 29 juni 2001; Gelet op het advies van de Vlaamse Hoge Raad voor het Natuurbehoud, gegeven op 9 september 2001; Gelet op het verslag betreffende de vergadering van 6 maart 2002 van de Interministeriële conferentie voor het Leefmilieu, ter inachtneming van het voorschrift van artikel 6, §2,1° van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen; Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 26 juni 2002; Gelet op advies 33.800/3 van de Raad van State, gegeven op 4 februari 2003, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Op voorstel van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking; Na beraadslaging, BESLUIT : Hoofdstuk I. definities Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder: 1° het decreet: het Bosdecreet van 13 juni 1990; 2° de minister: de Vlaamse minister bevoegd voor de landinrichting en het natuurbehoud. 3° Raad: de Vlaamse Hoge Bosraad; 4° vogelrichtlijngebied: a) elk gebied dat door de Vlaamse regering definitief is vastgesteld in de zin van artikel 36bis, § 6, van het Decreet Natuurbehoud en waarvan het definitief vaststellingsbesluit krachtens artikel 36bis, § 7, laatste lid, van hetzelfde decreet tevens het aanwijzingsbesluit vormt zoals bedoeld in artikel 36bis, § 9, van dat decreet; b) elke in artikel 36bis, § 13, van het Decreet Natuurbehoud bedoelde zone, of elk daarin bedoeld onderdeel van een zone, van het besluit van de Vlaamse regering van 17 oktober 1988 tot aanwijzing van speciale beschermingszones in de zin van artikel 4 van de Vogelrichtlijn; c) elk in artikel 75 van het Decreet Natuurbehoud bedoeld gedeelte van een in artikel 1, § 3, van het besluit van de Vlaamse regering van 17 oktober 1988 bedoelde zone; 5° habitatrichtlijngebied: a) elk gebied dat door de Vlaamse regering in uitvoering van artikel 36bis, § 9, van het Decreet Natuurbehoud is aangewezen als speciale beschermingszone nadat de Europese Commissie het van communautair belang heeft verklaard; b) elk gebied dat in aanmerking komt als speciale beschermingszone en door de Vlaamse regering definitief is vastgesteld in de zin van artikel 36bis, § 6 of § 12, van het Decreet Natuurbehoud;”
Hoofdstuk II. Voorlopige en definitieve erkenning van bosgroepen Afdeling I. Voorlopige erkenning van bosgroepen Art. 2. Om voorlopig erkend te kunnen worden, moet een bosgroep aan de volgende voorwaarden voldoen. 1° De bosgroep moet een vereniging van bosbeheerders zijn met rechtspersoonlijkheid. De inspraak van de leden is geregeld via stemrecht in de algemene vergadering van de vereniging.
155
2° In de statuten van de vereniging zijn minstens expliciet alle doelstellingen van de bosgroep, zoals bepaald in artikel 41bis van het decreet, opgenomen. Andere doelstellingen mogen niet in tegenspraak zijn met de doelstellingen volgens het decreet. In de statuten wordt eveneens opgenomen dat geen enkele bosbeheerder van bos binnen het werkingsgebied van de bosgroep als lid geweigerd kan worden, behoudens wanneer die bosbeheerder minder dan vijf jaar geleden werd uitgesloten uit de vereniging. 3° Om doelstelling 1, zoals bepaald in artikel 41bis, §1, van het decreet, namelijk het stimuleren van duurzaam bosbeheer, te realiseren, neemt de bosgroep als richtinggevend kader de criteria voor duurzaam bosbeheer, zoals bepaald in het Besluit van de Vlaamse regering van … tot vaststelling van de criteria voor duurzaam bosbeheer voor bossen gelegen in het Vlaams Gewest. 4° In de statuten is eveneens het werkingsgebied opgenomen. Dat omvat in de regel één van de bosgroepregio’s zoals aangeduid op de kaart als bijlage I bij dit besluit. In elke bosgroepregio kan slechts één erkende bosgroep actief zijn. De erkende bosgroep kan enkel aanvullend in aangrenzende bosgroepregio’s actief zijn voorzover daar nog geen andere erkende bosgroep actief is. 5° Op het ogenblik van de indiening van de aanvraag tot erkenning heeft de bosgroep minstens 10 effectieve leden. Voor bosgroepen die actief zijn in West- en Oost-Vlaanderen moeten deze leden samen een totale bosoppervlakte beheren van minstens 100 ha binnen het werkingsgebied. Voor bosgroepen die actief zijn in de overige provincies is de totale bosoppervlakte in beheer bij effectieve leden minstens 200 ha binnen het werkingsgebied. De stichtende leden mogen niet uitsluitend uit beheerders van openbaar bos bestaan. 6° De bosgroep legt een werkplan voor voor de eerste drie jaar na de voorlopige erkenning. Dit werkplan bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage II van dit besluit. Dit werkplan moet goedgekeurd zijn door de algemene vergadering van de vereniging. 7° De bosgroep verbindt er zich tot om binnen het jaar nadat de bosgroep voorlopig erkend is, minstens één voltijdse of viervijfde werkende coördinator en een halftijdse technisch-administratief medewerker in dienst te nemen of hierover te kunnen beschikken via een andere werkgever, die geen privé-bosbeheerder is. De coördinator moet beschikken over een diploma van academisch niveau of over een diploma dat gelijkwaardig is door de ervaring die hij heeft opgedaan. Een hiermee overeenstemmende weddenschaal wordt vastgesteld door de werkgever. De coördinator kan zelf geen lid zijn van de bosgroep. Art. 3. Om de voorlopige erkenning te verkrijgen, dient de bosgroep uiterlijk op 1 oktober voorafgaand aan het begin van het eerste werkjaar een aanvraag in bij de provinciale zetel van het Bosbeheer. Het aanvraagdossier omvat de volgende stukken: 1° statuten van de vereniging waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de voorwaarden, vermeld onder artikel 2, 1°, 2°, 3° en 4°; 2° een verklaring op erewoord van alle leden, waarin staat van welke kadastrale percelen binnen het werkingsgebied elk van de leden bosbeheerder is en een overzicht met de totale oppervlakte van de bossen die beheerd worden door leden van de bosgroep binnen het werkingsgebied van de bosgroep; 3° een werkplan, zoals omschreven in artikel 2, 6°; 4° bewijsstukken die aantonen dat de bosgroep een voltijdse of viervijfde werkende coördinator en een halftijdse technisch-administratief medewerker in dienst heeft of ter beschikking krijgt door een andere werkgever of een schriftelijke verklaring, ondertekend door de leden van de beheerraad van de vereniging, dat binnen een jaar nadat de bosgroep erkend is een voltijdse of viervijfde werkende coördinator en een technisch-administratief medewerker in dienst genomen zal worden. Art. 4. Het Bosbeheer legt de aanvraag samen met zijn advies ter beslissing voor aan de minister. De minister beslist voor 1 januari van het eerste werkjaar. Het Bosbeheer brengt de bosgroep op de hoogte van deze beslissing. Art. 5. De voorlopige erkenning start vanaf 1 januari en geldt voor drie jaar. De bosgroep bezorgt een jaarlijks activiteitenverslag aan de provinciale zetel van het Bosbeheer binnen 15 dagen na het werkjaar waarop het verslag betrekking heeft. Dit verslag geeft onder meer aan voor elke doelstelling van de bosgroep, zoals opgesomd in artikel 41bis van het decreet, hoe en in welke mate het voorbije jaar aan de vermelde doelstelling gewerkt werd en wat de resultaten zijn. Het jaarlijkse activiteitenverslag bevat minstens de 156
gegevens, vermeld in bijlage III van dit besluit. De beoordeling gebeurt door het Bosbeheer. De bosgroep wordt door het Bosbeheer van deze beoordeling op de hoogte gebracht. Op basis van de beoordeling van het jaarlijkse activiteitenverslag kan het Bosbeheer voorstellen aan de minister om de erkenning voor een bepaalde periode op te schorten of om de erkenning in te trekken. De bosgroep wordt door het Bosbeheer van dit voorstel op de hoogte gebracht. De minister beslist na advies van de Raad en de Vlaamse Hoge Raad voor het Natuurbehoud. De bosgroep kan vragen toelichting te geven bij haar dossier voor de Raad en/of de Hoge Raad voor Natuurbehoud, vooraleer deze advies geven over het voorstel tot opschorting of intrekking van de erkenning. De bosgroep kan ook vragen toelichting te geven bij haar dossier bij de minister. De minister beslist over de opschorting of intrekking binnen drie maanden na ontvangst van het jaarlijkse activiteitenverslag. Het Bosbeheer brengt de bosgroep op de hoogte van deze beslissing. Afdeling II. Definitieve erkenning van bosgroepen Art. 6. Om definitief erkend te kunnen worden, moet de bosgroep aan de volgende voorwaarden voldoen: 1° de voorwaarden, vermeld in artikel 2, 1°, 2°, 3°, 4° en 7; 2° gedurende drie jaar voorlopig erkend zijn als bosgroep en een gunstige beoordeling gekregen hebben door het Bosbeheer van de jaarlijkse activiteitenverslagen van de voorbije 3 werkingsjaren als voorlopig erkende bosgroep; 3° een werkplan voorleggen voor de eerste 6 jaar na de definitieve erkenning met alle elementen zoals opgesomd in bijlage II van dit besluit. Art. 7. Om de definitieve erkenning van de bosgroep te verkrijgen dient de bosgroep op zijn vroegst op 1 september en uiterlijk op 1 oktober voor het einde van het derde werkjaar van de voorlopige erkenning een aanvraag in bij de provinciale zetel van het Bosbeheer. Samen met deze aanvraag dient de bosgroep een voorlopig jaarlijks activiteitenverslag over de activiteiten van 1 januari tot 31 augustus van het derde werkjaar in. Het aanvraagdossier omvat de volgende stukken: 1° een verklaring op erewoord van alle leden, waarin staat van welke kadastrale percelen binnen het werkingsgebied elk van de leden bosbeheerder is en een overzicht met de totale oppervlakte van de bossen die beheerd worden door leden van de bosgroep binnen het werkingsgebied van de bosgroep; 2° een werkplan, zoals omschreven in artikel 6, 3°; 3° bewijsstukken die aantonen dat de bosgroep een voltijdse of viervijfde werkende coördinator en een halftijdse technisch-administratief bediende in dienst heeft of ter beschikking krijgt van een andere werkgever. Art. 8. Uiterlijk 1 november legt het Bosbeheer deze aanvraag samen met een verslag ter advies voor aan de Raad en de Vlaamse Hoge Raad voor het Natuurbehoud. Dit verslag omvat een globale beoordeling op basis van de jaarlijkse activiteitenverslagen van de drie werkjaren als voorlopig erkende bosgroep en een vergelijking met het bij de voorlopige erkenning ingediende werkplan. De Raden geven hun advies binnen 2 maanden na ontvangst van de aanvraag, zo niet wordt het geacht gunstig te zijn. Daarna wordt het dossier ter beslissing voorgelegd aan de minister. De minister beslist uiterlijk op 31 januari na de ontvangst van de aanvraag. Het Bosbeheer brengt de bosgroep op de hoogte van de beslissing. Als er geen of niet tijdig een beslissing is, wordt de voorlopige erkenning stilzwijgend verlengd gedurende maximaal 1 jaar. Art. 9. De definitieve erkenning start op 1 januari en geldt voor 6 jaar. De bosgroep bezorgt een jaarlijks activiteitenverslag aan de provinciale zetel van het Bosbeheer voor 15 januari van het jaar dat volgt op het werkjaar waarop het betrekking heeft. Dit verslag geeft onder meer aan voor elke doelstelling van de bosgroep, zoals opgesomd in artikel 41bis van het decreet, hoe en in welke mate het voorbije jaar aan de vermelde doelstelling gewerkt werd en wat de resultaten zijn. De beoordeling gebeurt door het Bosbeheer. Het jaarlijkse activiteitenverslag bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage III.
157
Op basis van de beoordeling van het jaarlijks activiteitenverslag kan het Bosbeheer, voorstellen aan de minister om de erkenning voor een bepaalde periode op te schorten of om de erkenning in te trekken. De bosgroep wordt door het Bosbeheer van dit voorstel op de hoogte gebracht. De minister beslist na advies van de Raad en de Vlaamse Hoge Raad voor het Natuurbehoud. De bosgroep kan vragen toelichting te geven bij haar dossier voor de Raad en/of de Hoge Raad voor Natuurbehoud, vooraleer deze advies geven over het voorstel tot opschorting of intrekking van de erkenning. De bosgroep kan ook vragen toelichting te geven bij haar dossier bij de minister. De minister beslist over de opschorting of de intrekking binnen drie maanden na ontvangst van het jaarlijkse activiteitenverslag. Het Bosbeheer brengt de bosgroep op de hoogte van deze beslissing. Art. 10. Om de verlenging van de definitieve erkenning van de bosgroep te verkrijgen voor een nieuwe termijn van 6 jaar, dient de bosgroep op zijn vroegst op 1 september en uiterlijk op 1 oktober voor het einde van het zesde werkjaar een aanvraag in bij de provinciale zetel van het Bosbeheer. Samen met deze aanvraag dient de bosgroep een voorlopig jaarlijks activiteitenverslag in van het 6de werkjaar met betrekking tot de activiteiten van 1 januari tot 31 augustus van het 6de werkjaar. Hierbij wordt dezelfde procedure gevolgd als bij de eerste definitieve erkenning zoals omschreven in de artikelen 6 tot 9 . De jaarlijkse activiteitenverslagen van de voorbije 6 werkjaren gelden dan als basis voor de beoordeling door het Bosbeheer. Afdeling III. Aanvullende bepalingen Art. 11. Elke wijziging aan de statuten moet onmiddellijk aan het Bosbeheer meegedeeld worden. Art. 12. Op voorstel van het Bosbeheer of van een of meer bosgroepen kan de minister de grenzen van de bosgroepregio’s aanpassen. Dat kan enkel mits de betrokken bosgroepen voorafgaandelijk akkoord gaan. Art. 13. Zodra het Bosbeheer vaststelt dat niet meer aan de voorwaarden voor voorlopige of definitieve erkenning voldaan is, kan het Bosbeheer voorstellen aan de minister om de erkenning voor een bepaalde periode op te schorten of om de erkenning in te trekken. De bosgroep wordt door het Bosbeheer van dit voorstel op de hoogte gebracht. De minister beslist na advies van de Raad en de Vlaamse Hoge Raad voor het Natuurbehoud. De bosgroep kan vragen toelichting te geven bij haar dossier voor de Raad en/of de Hoge Raad voor Natuurbehoud, vooraleer deze advies geven over het voorstel tot opschorting of intrekking van de erkenning. De bosgroep kan ook vragen toelichting te geven bij haar dossier bij de minister. Het Bosbeheer brengt de bosgroep op de hoogte van deze beslissing. Art. 14. Bosgroepen waarvan de voorlopige of definitieve erkenning geweigerd of ingetrokken is, kunnen een nieuwe aanvraag tot erkenning indienen, zodra opnieuw aan de voorwaarden voor erkenning voldaan is. Bij opschorting van de erkenning wordt de periode van opschorting vastgelegd of gekoppeld aan voorwaarden. De periode van opschorting kan maximaal één jaar duren. Indien na één jaar nog niet aan de gestelde voorwaarden voldaan is, wordt de opschorting automatisch omgezet in een intrekking van de erkenning. De erkenning kan slechts eenmaal opgeschort worden gedurende de periode van erkenning. Indien binnen dezelfde periode de bosgroep opnieuw een ongunstige beoordeling van het jaarlijks activiteitenverslag krijgt of indien vastgesteld wordt dat niet meer aan de erkenningsvoorwaarden voldaan wordt, dan kan enkel nog de intrekking van de erkenning aan de minister voorgesteld worden. Indien de periode van opschorting van de erkenning minder dan 6 maanden bedraagt blijft de duur van de voorlopige of definitieve erkenning ongewijzigd. Indien deze periode meer dan zes maanden bedraagt, wordt de periode van de erkenning met één jaar verlengd. Hoofdstuk III. Subsidiëring van erkende bosgroepen Afdeling I. Algemene bepalingen Art. 15. Binnen de perken van de begrotingskredieten verleent de minister subsidies aan erkende bosgroepen. Art. 16. Subsidies worden teruggevorderd, vermeerderd met de wettelijke intresten, als de voorwaarden voor toekenning van de subsidies niet nageleefd worden. De wettelijke intrest begint te lopen vanaf de datum van in gebreke stelling. De teruggevorderde bedragen moeten gestort worden op een door het Bosbeheer aan te wijzen rekening van het Vlaamse Gewest, binnen een maand nadat de aanvrager per aangetekende brief in gebreke werd gesteld. 158
Afdeling II. Basissubsidie Art. 17. Aan elke erkende bosgroep wordt ter ondersteuning van de algemene werking jaarlijks een basissubsidie toegekend. De maximale jaarlijks toegekende basissubsidie voor elke voorlopig of definitief erkende bosgroep bedraagt 100.000,00 euro. Deze subsidie wordt enkel volledig toegekend als de bosgroep gedurende het volledige werkjaar voltijds een coördinator en minstens halftijds een technisch-administratief medewerker in dienst of ter beschikking heeft. De maximale subsidie wordt evenredig verminderd in de volgende gevallen: 1° wanneer de bosgroepcoördinator niet gedurende het volledige werkjaar aangesteld wordt: de basissubsidie wordt verminderd met 75.000,00 euro * x/12, waarbij x de periode is, uitgedrukt in maanden, dat de bosgroepcoördinator nog niet in dienst is van de bosgroep; 2° wanneer de bosgroepcoördinator vier vijfde werkt: de basissubsidie wordt verminderd met 75.000,00 euro * 1/5; 3° wanneer de technisch-administratief medewerker niet gedurende het volledige werkjaar in dienst is van de bosgroep: de basissubsidie wordt verminderd met 25.000,00 euro * x/12, waarbij x de periode is, uitgedrukt in maanden, dat de technisch administratief medewerker nog niet in dienst is. Art. 18. De basissubsidie voor de werking gedurende het eerste werkjaar wordt tegelijk met de voorlopige of de definitieve erkenning door de minister toegekend. Het bedrag wordt vastgesteld op basis van de gegevens in het aanvraagdossier voor de erkenning van de bosgroep. De basissubsidie voor de volgende werkjaren van de voorlopig of definitief erkende bosgroep wordt toegekend na een gunstige beoordeling van het jaarlijkse activiteitenverslag van het voorbije werkjaar door het Bosbeheer. Het bedrag wordt vastgesteld op basis van de gegevens in het jaarlijkse activiteitenverslag. Het Bosbeheer legt een voorstel tot toekenning van de basissubsidie, samen met zijn beoordeling van het jaarlijks activiteitenverslag ter beslissing voor aan de minister, die beslist vóór 15 maart van het betreffende werkjaar. Het Bosbeheer brengt de bosgroep van deze beslissing op de hoogte. Art. 19. De toegekende basissubsidie wordt na de toekenning zonder betalingsaanvraag van de begunstigde betaald op rekening van de bosgroep. Als op het einde van het werkjaar uit het jaarlijkse activiteitenverslag blijkt dat de uitbetaalde basissubsidie te hoog was in verhouding tot de effectief gepresteerde werkduur van de coördinator en/of de administratiefmedewerker, dan wordt het teveel betaalde gedeelte afgetrokken van de andere nog uit te betalen subsidies. Afdeling III. Beheersubsidie Art. 20. Aan elke erkende bosgroep kan ter stimulering van de ledenwerving en ter ondersteuning van zijn werking inzake de bevordering van criteria duurzaam bosbeheer jaarlijks een subsidie toegekend worden. Deze subsidie bestaat uit 2 gedeelten. De twee delen worden verder samen beheersubsidie genoemd. Het eerste deel van de beheersubsidie wordt berekend op basis van het aantal hectare bos dat beheerd wordt door leden van de bosgroep binnen het werkingsgebied. Het eerste gedeelte van de subsidie bedraagt 5,00 euro per hectare voor alle boseigendommen ongeacht hun oppervlakte. Het tweede gedeelte van de beheersubsidie wordt berekend op basis van het aantal hectare bos in beheer van een lid van de bosgroep binnen het werkingsgebied van de bosgroep en met goedgekeurd beheerplan dat voldoet aan de criteria duurzaam bosbeheer, zoals bepaald in artikel 41 van het decreet. Het tweede gedeelte van de beheersubsidie bedraagt 20,00 euro per hectare voor boseigendommen die kleiner zijn dan of gelijk zijn aan 1 hectare, 10,00 euro per hectare voor boseigendommen die groter zijn dan 1 en kleiner zijn dan of gelijk zijn aan 5 hectare, en 5,00 euro per hectare voor boseigendommen die groter zijn dan 5 hectare.
159
Art. 21. Om deze beheersubsidie te verkrijgen, neemt de erkende bosgroep op het einde van elk werkjaar in zijn jaarlijks activiteitenverslag een lijst op van de bossen, beheerd door leden van de bosgroep binnen het werkingsgebied van de bosgroep, met vermelding of er een goedgekeurd beheerplan is dat voldoet aan de criteria voor duurzaam bosbeheer. Deze lijst bevat per boseigendom de volgende gegevens: 1° bosoppervlakte; 2° bosbeheerder; 3° registratienummer van het beheerplan; 4° datum van goedkeuring van het beheerplan; 5° geldigheidsduur van het beheerplan; 6° voor de bossen waarvoor er geen goedgekeurd beheerplan is: kadastrale perceelsnummers. Onderaan de lijst wordt zowel de totale bosoppervlakte weergegeven als de bosoppervlakte van alle bossen met goedgekeurd beheerplan dat voldoet aan de criteria voor duurzaam bosbeheer. Deze lijst wordt gecontroleerd bij de provinciale zetel van het Bosbeheer, onder andere aan de hand van het register van de goedgekeurde beheerplannen en van de ledenlijst van de bosgroep. Wanneer de provinciale zetel van het Bosbeheer voor een bepaalde boseigendom gedurende het voorbije werkjaar ernstige afwijkingen van het bosbeheerplan vastgesteld heeft, wordt dit bos niet meegeteld voor de vaststelling van de totale beheersubsidie. Art. 22. De beheersubsidie voor het voorbije werkjaar wordt tegelijk toegekend en uitbetaald met de basissubsidie voor het volgende werkjaar. Afdeling IV. Projectsubsidie Art. 23. Aan elke erkende bosgroep kan jaarlijks een subsidie toegekend worden ter ondersteuning van niet op economisch rendement gerichte projecten. Die subsidie wordt verder projectsubsidie genoemd. De voorgestelde projecten hebben betrekking op het komende werkjaar of op meerdere werkjaren. Een projectsubsidie kan enkel voor meerdere werkjaren toegekend worden, als de bosgroep voor die periode ook erkend is. Onder meer de volgende acties komen in aanmerking: bestrijding van Amerikaanse vogelkers, natuurbeheerwerken, aanduiden van onrendabele dunningen, zuiveringen, maatregelen met betrekking tot recreatieve infrastructuur, opmaak van een toegankelijkheidsreglement voor een boscomplex. Hierbij moet het telkens gaan over acties die leiden tot samenwerking tussen verschillende bosbeheerders. Andere voorstellen kunnen ingediend worden en worden individueel beoordeeld. Acties die behoren tot de basiswerking van de bosgroep komen niet in aanmerking voor deze projectsubsidie: organisatie gezamenlijke houtverkoop, opvolgen van de exploitatie die volgt op de verkoop, adviesverlening aan individuele bosbeheerders of aan organisaties, hulp bij het invullen van formulieren voor aanvraag subsidies, kapmachtiging, beheerplan, informatieverstrekking met betrekking tot de criteria voor duurzaam bosbeheer, verzamelen van administratieve gegevens, opmaken van het bestek en volgen van opdrachten tot het opstellen van gezamenlijke beheerplannen die voldoen aan de criteria voor duurzaam bosbeheer… Acties die aan individuele bosbeheerders gesubsidieerd kunnen worden met toepassing van artikel 13, 19, 85 en 87 van het decreet of met toepassing van het decreet Natuurbehoud, komen niet in aanmerking voor deze projectsubsidie. Art. 24. Om een projectsubsidie te verkrijgen vanaf het eerste werkjaar van de voorlopig erkende bosgroep, wordt in het werkplan, bedoeld in artikel 2, 6°, een apart hoofdstuk gewijd aan de omschrijving en gedetailleerde kostenraming van de projecten waar een projectsubsidie voor gevraagd wordt. Om deze projectsubsidie voor alle volgende werkjaren van de erkende bosgroep te verkrijgen, dient de bosgroep als onderdeel van het jaarlijkse activiteitenverslag van het voorbije jaar een planning in met daarin de omschrijving en een gedetailleerde kostenraming van de projecten waarvoor een projectsubsidie gevraagd wordt. Als het voorgestelde project betrekking heeft op meerdere werkjaren, moet de gedetailleerde kostenraming de hele periode en niet enkel het eerste jaar behelzen. Art. 25. De voorgestelde projecten worden individueel beoordeeld door het Bosbeheer, samen met de erkenningsaanvraag (1ste werkjaar) of het jaarlijkse activiteitenverslag (volgende werkjaren). Het Bosbeheer legt zijn advies over de projecten die voor subsidie in aanmerking genomen kunnen worden en welk percentage van 160
de geraamde kosten de subsidie zal bedragen ter beslissing voor aan de minister. Hierbij wordt onder meer rekening gehouden met de volgende aspecten: 1° lokaal draagvlak voor de uitvoering van het project; 2° mogelijkheden voor medefinanciering door andere instanties; 3° continuïteit ten opzichte van projecten gerealiseerd in de vorige werkingsjaren; 4° afstemming van de doelstellingen van het project op het gebiedsgericht natuurbeleid en het ruimtelijk beleid; 5° conformiteit van het project met de goedgekeurde bosbeheerplannen voor de percelen in kwestie. De projectsubsidie wordt tegelijkertijd met de basissubsidie toegekend. Art. 26. 50% van het toegekende bedrag voor het komende werkjaar wordt uitbetaald samen met de basissubsidie voor het komende werkjaar. Het saldo voor het betreffende werkjaar wordt uitbetaald na de goedkeuring van het jaarlijkse activiteitenverslag. Via het jaarlijkse activiteitenverslag gaat het Bosbeheer na of het toegekende bedrag voor het betreffende werkjaar verminderd moet worden met een bedrag dat overeenstemt met het niet-gerealiseerde gedeelte van het project. Als het saldo negatief is, wordt dat bedrag in mindering gebracht van de andere nog uit te betalen subsidies of wordt het in mindering gebracht van de subsidie voor het volgende werkjaar. Afdeling V. Vormingssubsidie Art. 27. Aan elke erkende bosgroep kan jaarlijks een subsidie toegekend worden ter ondersteuning van vormingsactiviteiten voor of door de bosgroep voor leden en voor werknemers van de bosgroep. De vormingssubsidie bedraagt maximaal 240,00 euro per volledige vormingsdag (minstens 6 uur) en maximaal 140,00 euro voor een halve vormingsdag (minstens 3 uur). Voor de vorming van leden van de bosgroep komen maximaal 25 volle dagen per jaar in aanmerking. Voor de vorming van terreinarbeiders die in dienst zijn van de bosgroep of die opdrachten uitvoeren voor de bosgroep komen maximaal 40 vormingsdagen in aanmerking. Voor de vorming van andere werknemers van de bosgroep kunnen maximaal 15 vormingsdagen in rekening gebracht worden. Jaarlijks kan dus alles samen maximaal voor 80 volledige vormingsdagen subsidie toegekend worden aan de erkende bosgroep. Om in aanmerking te komen voor subsidie moet de vormingsactiviteit aan volgende voorwaarden voldoen. 1° De doelgroep moet duidelijk bepaald worden en bestaat ofwel uit de leden van de bosgroep, ofwel uit terreinarbeiders in dienst van de bosgroep, ofwel uit ander personeel van de bosgroep. 2° Het thema of onderwerp van de vorming is duidelijk bepaald. Het sluit aan bij de doelstellingen van de bosgroep zoals omschreven in artikel 41bis van het decreet of het is duidelijk aantoonbaar dat de vorming bijdraagt tot de goede werking van de bosgroep. Publieke infovergaderingen of overlegvergaderingen met diverse instanties die hoofdzakelijk de bekendmaking van de bosgroep en de werking van de bosgroep als thema hebben, komen niet in aanmerking als vormingsactiviteit. Art. 28. Om de vormingssubsidie te verkrijgen voor het eerste werkjaar van de voorlopig erkende bosgroep, wordt in het werkplan, zoals bedoeld in artikel 2, 6°, een apart hoofdstuk gewijd aan de planning van de vormingsactiviteiten gedurende het eerste werkjaar. Die planning omvat de volgende gegevens per vormingsactiviteit: het aantal vormingsdagen, de doelgroep, het thema. De vormingssubidie voor het eerste werkjaar wordt samen met de toekenning van de basissubsidie ter beslissing voorgelegd aan de minister. Om deze vormingssubsidie voor alle volgende werkjaren van de erkende bosgroep te verkrijgen, dient de bosgroep als onderdeel van het jaarlijkse activiteitenverslag van het voorbije jaar een planning in voor de vormingsactiviteiten gedurende het komende werkjaar. Die planning omvat de volgende gegevens per vormingsactiviteit: het aantal vormingsdagen, de doelgroep, het thema. De planning voor de vormingsactiviteiten wordt samen met het jaarlijkse activiteitenverslag beoordeeld door het Bosbeheer. De vormingssubsidie wordt samen met de toekenning van de basissubsidie ter beslissing voorgelegd aan de minister. Art. 29. De uitbetaling van de vormingssubsidie gebeurt na afloop van het werkjaar. Het uit te betalen bedrag wordt bepaald aan de hand van de gegevens in het jaarlijkse activiteitenverslag, aangevuld met een aanwezigheidslijst, een kort verslag voor elke vormingsactiviteit en bewijsstukken waaruit de effectieve kostprijs van elke vormingsactiviteit blijkt.
161
De vormingssubsidie voor het voorbije jaar wordt tegelijk uitbetaald met de basissubsidie voor het volgende werkjaar. Afdeling VI. Aanvullende bepalingen Art. 30. In geval van intrekking van de voorlopige of definitieve erkenning, worden de toegekende, maar nog niet uitbetaalde subsidies voor het lopende werkjaar niet meer uitbetaald. De reeds uitbetaalde subsidies voor het lopende werkjaar moeten onmiddellijk teruggestort worden op een door het Bosbeheer op te geven rekeningnummer van het Vlaamse Gewest. In geval van opschorting van de voorlopige of definitieve erkenning worden de basissubsidie en de beheersubsidie voor het betreffende werkjaar verminderd met een factor x/365, waarbij x de periode is van de opschorting uitgedrukt in aantal dagen. Het gedeelte van de basissubsidie dat teveel is betaald, zal verrekend worden met de overige te betalen subsidies. Desgevallend wordt het negatief saldo teruggevorderd. De opschorting heeft geen gevolgen voor de berekening van de projectsubsidie en de vormingsubsidie. Het bedrag van de uit te betalen subsidie wordt berekend conform art.26 en art. 29. Hoofdstuk IV. Wijze waarop de leden van het Bosbeheer kunnen meewerken in erkende bosgroepen. Art. 31. In de erkende bosgroepen waarvan het Vlaamse Gewest lid is, wordt het Bosbeheer vertegenwoordigd door de door het afdelingshoofd aangewezen houtvester of zijn afgevaardigde. Die houtvester treedt op in de hoedanigheid van terreinbeheerder van de domeinbossen binnen het werkingsgebied van de erkende bosgroep. De houtvester beslist hoe en in welke mate het Bosbeheer gebruikmaakt van de diensten van de bosgroep. De houtvester beslist eveneens in welke gevallen aspecten van het technisch beheer van openbare bossen andere dan domeinbossen aan de bosgroep toevertrouwd kunnen worden, op voorwaarde dat de betrokken openbare boseigenaar akkoord gaat. Art. 32. Ter uitvoering van artikel 41ter van het decreet kan de houtvester, op verzoek van de bosgroep en op voorwaarde dat de bosbeheerder van een bos akkoord gaat, binnen het werkingsgebied van de bosgroep, arbeiders of technici van het Bosbeheer inzetten voor economisch niet rendabele beheertaken. Die beheertaken maken deel uit van de normale opdracht van de betrokken personeelsleden van het Bosbeheer en kunnen in geen geval aanleiding geven tot een aparte vergoeding aan het betrokken personeelslid. De financiële vergoeding voor het uitvoeren van die beheertaken wordt vastgesteld in overleg met de bosgroep. Die vergoeding wordt door de bosgroep betaald op een door het Bosbeheer aan te geven rekening van het Vlaamse Gewest. De bosgroep zorgt zelf voor het terugvorderen van het verschuldigde bedrag bij de betrokken bosbeheerder. Art. 33. Het toezicht op de naleving van de voorwaarden voor de erkenning en de subsidiëring van de bosgroep kan in geen geval gebeuren door de houtvester. Hoofdstuk V. Slotbepalingen Art. 34. De minister kan bijlage II en bijlage III bij dit besluit aanpassen. Art. 35. De Vlaamse minister, bevoegd voor de landinrichting en het natuurbehoud, is belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel, 27 juni 2003 De minister-president van de Vlaamse regering, Bart SOMERS De Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking, Ludo SANNEN
162
Bijlage I: Afbakening van de bosgroepregio’s in Vlaanderen
163
Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse regering van 27 juni 2003 . Brussel, 27 juni 2003 De minister-president van de Vlaamse regering, Bart SOMERS
De Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking, Ludo SANNEN
164
Bijlage II Werkplan te voegen bij de aanvraag voor de voorlopige of definitieve erkenning van een bosgroep Het werkplan omvat minstens de volgende gegevens: 1°
naam van de bosgroep, adres, telefoonnummer, e-mailadres;
2°
bosgroepregio + omschrijving van het gebied, met onder meer de volgende informatie: a) totale oppervlakte; b) bosoppervlakte; c) verhouding openbaar bos / privé-bos; d) raming aantal bosbeheerders en gemiddelde grootte van de boseigendommen; e) aanduiding op kaart van bossen binnen de bosgroepregio die liggen in VEN of IVON, in vogelrichtlijngebied, habitatrichtlijngebied, of waarvoor er een goedgekeurd natuurrichtplan bestaat, of die liggen binnen een beschermd landschap;
3°
vereniging: a) aantal leden + bosoppervlakte waarvan deze leden bosbeheerder zijn b) statuten van de vereniging; c) samenstelling raad van beheer; d) groeiscenario voor het aantal leden en communicatiestrategie voor ledenwerving (met onder meer initiatieven die de toetreding van bosbeheerders van kleine boseigendommen bevorderen);
4°
personeel: a) coördinator: indien gekend: naam, diploma, aard contract, aanvangsdatum tewerkstelling, eventueel: overeenkomst met andere werkgever of verklaring, conform artikel 3, 4° van dit besluit; b) technisch-administratief medewerker: idem; c) voorstel van berekening voor de basissubsidie voor het eerste werkjaar;
5° informatie- en vormingsactiviteiten: a) globale planning voor de periode van erkenning; b) concrete planning voor het eerste werkjaar na de erkenning en voorstel van berekening voor de vormingssubsidie (inclusief interne vorming); 6° organisatie van gezamenlijke beheerwerken a) globale planning voor de periode van erkenning; b) concrete planning en kostenraming voor het eerste werkjaar van acties waarvoor projectsubsidie gevraagd wordt; 7° organisatie van gezamenlijke houtverkoop a) globale planning voor de periode van erkenning; b) concrete planning voor het eerste werkjaar; 8° acties met betrekking tot toegankelijkheid en recreatie, en het afstemmen van de functievervulling van de bossen op de behoeften van de lokale gemeenschap en de bosgebruikers: a) globale planning voor de periode van erkenning; b) concrete planning en kostenraming voor het eerste werkjaar van acties waarvoor een projectsubsidie gevraagd wordt; 9° acties met betrekking tot natuurbeheerwerken en verbetering van de ecologische functie van de bossen: a) globale planning voor de periode van erkenning; b) concrete planning en kostenraming voor het eerste werkjaar van acties waarvoor een projectsubsidie gevraagd wordt; 10°
acties met betrekking tot het opstellen van bosbeheerplannen: a) globale planning voor de periode van erkenning om de opmaak van gezamenlijke beheerplannen en beheerplannen die voldoen aan de criteria duurzaam bosbeheer te stimuleren; b) groeiscenario voor aantal ha bos met beheerplan dat voldoet aan de criteria duurzaam bosbeheer;
11°
acties met betrekking tot de afstemming op gebiedsgerichte terreinvisies uit andere beleidsdomeinen:
165
a) beknopte inventaris van acties, plannen, terreinvisies e.d. met impact op concreet beheer van de bossen binnen het werkingsgebied; b) globale planning voor de periode van erkenning; c) concrete planning voor het eerste werkjaar van acties waarvoor projectsubsidie gevraagd wordt; 12°
overzicht van de acties waarvoor een projectsubsidie gevraagd wordt en een totale kostenraming.
Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse regering van 27 juni 2003. Brussel, 27 juni 2003 De minister-president van de Vlaamse regering, Bart SOMERS
De Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking, Ludo SANNEN
166
Bijlage III Het jaarlijks activiteitenverslag omvat minstens de volgende gegevens: 1° naam van de bosgroep, adres, telefoon, e-mail; 2° bosgroepregio; 3° vereniging: a) aantal leden + bosoppervlakte waarvan deze leden bosbeheerder zijn; b) vergelijking met het in het werkplan opgenomen groeiscenario; 4° personeel: a) coördinator: naam, diploma, aard contract, effectieve periode van tewerkstelling gedurende het voorbije werkjaar b) technisch-administratief medewerker: idem c) basissubsidie voor het voorbije werkjaar: berekening van het eventueel in mindering te brengen saldo. d) basissubsidie voor het komende werkjaar, voorstel van berekening op basis van de voorziene tewerkstellingsduur van de coördinator en de technisch-administratief medewerker; 5° informatie- en vormingsactiviteiten: a) overzicht van informatievergaderingen en vormingsactiviteiten gedurende het voorbije werkjaar, aangevuld met bewijsstukken als bijlage en een voorstel van berekening van de effectief uit te betalen vormingssubsidie; b) concrete planning van informatie- en vormingsactiviteiten voor het volgende werkjaar en voorstel van berekening voor de vormingsubsidie (inclusief interne vorming); 6° organisatie van gezamenlijke beheerwerken: a) overzicht van realisaties in het voorbije werkjaar en een voorstel van berekening van het effectief uit te betalen bedrag van de projectsubsidie; b) concrete planningen voor het volgende werkjaar met in het bijzonder de acties waarvoor een projectsubsidie gevraagd wordt (inclusief kostenraming); 7° organisatie van een gezamenlijke houtverkoop: a) resultaten voor het voorbije werkjaar; b) concrete planning voor het volgende werkjaar; 8° acties met betrekking tot toegankelijkheid en recreatie, en de afstemming van de functievervulling van de bossen op de behoeften van de lokale gemeenschap en de bosgebruikers: a) resultaten voor het voorbije werkjaar en een voorstel van berekening van het effectief uit te betalen bedrag van de projectsubsidie; b) concrete planning voor het volgende werkjaar, in het bijzonder van acties waarvoor een projectsubsidie gevraagd wordt (inclusief kostenraming); 9° acties met betrekking tot natuurbeheerwerken en verbetering van de ecologische functie van de bossen: a) resultaten van het voorbije werkjaar en berekening van het effectief uit te betalen bedrag van de projectsubsidie; b) concrete planning voor het volgende werkjaar, in het bijzonder van acties waarvoor een projectsubsidie gevraagd wordt (inclusief kostenraming); 10° acties met betrekking tot het opstellen van bosbeheerplannen: a) resultaten van het voorbije werkjaar en vergelijking met het groeiscenario in het werkplan; b) een lijst van de bossen beheerd door leden van de bosgroep, binnen het werkingsgebied van de bosgroep, met de vermelding of er een goedgekeurd beheerplan is dat voldoet aan de criteria voor duurzaam bosbeheer. Die lijst bevat per boseigendom de volgende gegevens: 1) bosoppervlakte; 2) bosbeheerder; 3) registratienummer van het beheerplan; 4) datum van goedkeuring van het beheerplan; 5) geldigheidsduur van het beheerplan; 6) voor die bossen waarvoor er geen goedgekeurd beheerplan is: kadastrale perceelnummers;
167
Onderaan de lijst wordt zowel de totale bosoppervlakte weergegeven als de bosoppervlakte van alle bossen met goedgekeurd beheerplan dat voldoet aan de criteria voor duurzaam bosbeheer. c) voorstel van berekening van de beheersubsidie. d) groeiscenario voor aantal ha bos met beheerplan dat voldoet aan de criteria duurzaam bosbeheer. 11° acties met betrekking tot de afstemming van gebiedsgerichte terreinvisies uit andere beleidsdomeinen; a) resultaten voor het voorbije werkjaar en berekening van het effectief uit te betalen bedrag van de projectsubsidie; b) concrete planning voor het volgende werkjaar van acties waarvoor een projectsubsidie gevraagd wordt. 12° overzicht van de acties waarvoor voor het volgende jaar een projectsubsidie gevraagd wordt.
Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse regering van 27 juni 2003. Brussel, 27 juni 2003 De minister-president van de Vlaamse regering, Bart SOMERS
De Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking, Ludo SANNEN
168
27 juni 2003 - Besluit van de Vlaamse regering betreffende de beheerplannen van bossen (BS 10/09/2003) DE VLAAMSE REGERING, Gelet op het Bosdecreet van 13 juni 1990, inzonderheid op artikel 43, vervangen bij het decreet van 18 mei 1999, en op artikel 44; Gelet op het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, inzonderheid op artikel 36ter, § 3, ingevoegd bij het decreet van 19 juli 2002; Gelet op het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg, inzonderheid op art. 16, §4, vervangen bij het decreet van van 21 december 2001; Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 4 december 1991 betreffende het vaststellen van de beheersplannen voor de bossen; Gelet op het advies van de Vlaamse Hoge Bosraad, gegeven op 29 juni 2001; Gelet op het advies van de Vlaamse Hoge Raad voor het Natuurbehoud, gegeven op 5 september 2001; Gelet op het verslag betreffende de vergadering van 6 maart 2002 van de Interministeriële conferentie voor het Leefmilieu, ter inachtneming van het voorschrift van artikel 6, §2,1° van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen; Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 26 juni 2002; Gelet op de beraadslaging van de Vlaamse regering, op 9 juli 2002, betreffende de aanvraag om advies bij de Raad van State binnen een maand; Gelet op advies 33.798/3 van de Raad van State, gegeven op 4 februari 2003, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Op voorstel van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking; Na beraadslaging, BESLUIT: Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder: 2° het decreet: het Bosdecreet van 13 juni 1990; 3° het VEN: het Vlaams Ecologisch Netwerk, bedoeld in het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu; 4° het Comité: het comité van beroep, bedoeld in artikel 43 van het Bosdecreet; 4° vogelrichtlijngebied: g) elk gebied dat door de Vlaamse regering definitief is vastgesteld in de zin van artikel 36bis, § 6, van het Decreet Natuurbehoud en waarvan het definitief vaststellingsbesluit krachtens artikel 36bis, § 7, laatste lid, van hetzelfde decreet tevens het aanwijzingsbesluit vormt zoals bedoeld in artikel 36bis, § 9, van dat decreet; h) elke in artikel 36bis, § 13, van het Decreet Natuurbehoud bedoelde zone, of elk daarin bedoeld onderdeel van een zone, van het besluit van de Vlaamse regering van 17 oktober 1988 tot aanwijzing van speciale beschermingszones in de zin van artikel 4 van de Vogelrichtlijn; i) elk in artikel 75 van het Decreet Natuurbehoud bedoeld gedeelte van een in artikel 1, § 3, van het besluit van de Vlaamse regering van 17 oktober 1988 bedoelde zone; 5° habitatrichtlijngebied: e) elk gebied dat door de Vlaamse regering in uitvoering van artikel 36bis, § 9, van het Decreet Natuurbehoud is aangewezen als speciale beschermingszone nadat de Europese Commissie het van communautair belang heeft verklaard; 169
f)
elk gebied dat in aanmerking komt als speciale beschermingszone en door de Vlaamse regering definitief is vastgesteld in de zin van artikel 36bis, § 6 of § 12, van het Decreet Natuurbehoud; 6° boscomplex : fysisch en geografisch samenhangend geheel van bospercelen; 7° landschapsdecreet: het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg; 8° de minister: de Vlaamse minister bevoegd voor de landinrichting en het natuurbehoud. Art.2. Dit besluit is van toepassing op de beheerplannen van alle bossen, met uitzondering van de beheerplannen, bedoeld in artikel 25 en 47 van het decreet. Hoofdstuk II. Vorm en inhoud van het beheerplan Art. 3. §1. Het beheerplan van een openbaar bos en het beheerplan van een privé-bos gelegen in het VEN, bevatten de gegevens, vermeld in bijlage I. Deze beheerplannen moeten worden opgesteld met inachtneming van het besluit van de Vlaamse regering van ... tot vaststelling van de criteria voor duurzaam bosbeheer voor bossen gelegen in het Vlaamse gewest. §2. Een beheerplan van een openbaar bos, gelegen in het VEN, in vogelrichtlijngebied of in habitatrichtlijngebied, vervalt uiterlijk 2 jaar na het van kracht zijn van het natuurrichtplan, zoals bedoeld in artikel 48 van het decreet natuurbehoud. Binnen die periode van twee jaar moet een nieuw beheerplan ingediend worden dat rekening houdt met de bepalingen van het natuurrichtplan. Art. 4. §1. Het beheerplan van een privé-bos, niet gelegen in het VEN, bevat de gegevens, vermeld in bijlage II. De opsteller van het beheerplan maakt hiervoor gebruik van de formulieren, opgenomen in bijlage III. §2. De beheerder van een privé-bos, niet gelegen in het VEN, kan op vrijwillige basis een beheerplan opstellen dat de gegevens bevat, vermeld in bijlage I. Dat beheerplan moet worden opgesteld met inachtneming van het Besluit van de Vlaamse regering van ... tot vaststelling van de criteria voor duurzaam bosbeheer voor bossen gelegen in het Vlaamse Gewest. Art. 5. Een of meer beheerders van privé-bossen en/of een of meer openbare boseigenaars kunnen een gezamenlijk beheerplan indienen. Het gezamenlijk beheerplan heeft betrekking op bossen die behoren tot één zelfde boscomplex. Het gezamenlijk beheerplan wordt ingediend door de gevolmachtigde. De gevolmachtigde voegt aan het beheerplan een geschreven volmacht of een verklaring op erewoord toe dat hij gevolmachtigd is om het ontwerpbeheerplan in te dienen. Alle correspondentie in verband met het beheerplan gebeurt via de gevolmachtigde. Wanneer een andere gevolmachtigde wordt aangesteld, wordt dat gemeld aan het Bosbeheer. Het gezamenlijk beheerplan bevat de gegevens, vermeld in bijlage II. Hiervoor wordt gebruikgemaakt van de formulieren, opgenomen in bijlage III. Wanneer één van de bossen waarvoor een gezamenlijk beheerplan wordt opgemaakt, een openbaar bos is of een privé-bos gelegen in het VEN, moet het volledige gezamenlijke beheerplan worden opgesteld overeenkomstig artikel 3, §1. Art. 6. §1. Elk beheerplan heeft in de regel een looptijd van 20 jaar. §2. Voor een beheerplan van een privé-bos met de gegevens, vermeld in bijlage II, dat goedgekeurd werd met toepassing van dit besluit vóór de afbakening van het VEN en dat met de afbakening in het VEN komt te liggen, vervalt het beheerplan twee jaar na de datum van de afbakening van het VEN. Binnen die periode van twee jaar moet een nieuw beheerplan ingediend worden dat minstens de gegevens bevat uit bijlage I. Hoofdstuk III. Termijn, indiening, consultatie en goedkeuring van het beheerplan Art. 7. De ontwerpbeheerplannen van openbare bossen en van privé-bossen worden ingediend in vier exemplaren bij de provinciale zetel van het Bosbeheer. De indiener van het ontwerpbeheerplan krijgt binnen een termijn van één maand een ontvangstmelding. Als het ontwerpbeheerplan volledig is en voor verdere behandeling aanvaard wordt, wordt ook het registratienummer meegedeeld. Bij eventuele onvolkomenheden zendt het Bosbeheer het dossier terug met opgave van de redenen van onontvankelijkheid. Zodra de ontbrekende gegevens aan het Bosbeheer bezorgd zijn, wordt het registratienummer meegedeeld.
170
Als het ontwerpbeheerplan moet voldoen aan de criteria duurzaam bosbeheer zoals bepaald in artikel 3, §1 of artikel 4, §2, kan het registratienummer pas meegedeeld worden nadat het in artikel 8, §3, bedoelde dossier en het ontwerpbeheerplan zijn ingediend bij het Bosbeheer. Art. 8. §1. Na de ontvangstmelding wordt het ontwerpbeheerplan dat moet voldoen aan de criteria duurzaam bosbeheer zoals bepaald in artikel 3, §1 of artikel 4, §2 voor consultatie ter inzage gelegd bij de bosgroep die actief is in de bosgroepregio waar het bos ligt, of bij het Bosbeheer. §2. De aankondiging van de consultatie over het ontwerpbeheerplan gebeurt binnen 30 kalenderdagen na de ontvangstmelding. De aankondiging wordt in minstens 1 regionale krant gepubliceerd. In de aankondiging worden de volgende gegevens vermeld: 1° het onderwerp van het ontwerpbeheerplan, met een korte beschrijving van de beheerdoelstellingen op niveau van het bos of het boscomplex; 2° de plaats waar en de uren waarop gedurende een periode van 30 kalenderdagen het ontwerpbeheerplan kan worden ingezien; 3° de begin- en einddatum van de consultatieperiode; 4° de mededeling dat gedurende die periode opmerkingen en/of bezwaren schriftelijk kunnen worden gericht aan de bosgroep of het Bosbeheer. §3. Bij het afsluiten van de consultatie wordt door de bosgroep of het Bosbeheer een dossier opgemaakt dat de volgende elementen omvat: 1° het bewijs van de aankondiging; 2° een kopie van de ingediende schriftelijke opmerkingen en/of bezwaren. Het bosbeheer of de bosgroep bezorgen dit dossier aan de opsteller van het beheerplan. De opsteller van het beheerplan past het ontwerpbeheerplan zonodig aan en voegt er een verslag van de consultatieronde aan toe. Dat verslag omvat naast bovengenoemde elementen ook een vermelding op welke wijze en waarom al dan niet rekening is gehouden met de ingediende schriftelijke opmerkingen en/of bezwaren. Het verslag van de consultatieronde wordt samen met het ontwerpbeheerplan ingediend bij het Bosbeheer binnen 30 kalenderdagen na het afsluiten van de consultatieperiode. §4. Overeenkomstig artikel 43, § 6 van het decreet, resp. art 36 ter, § 3 van het decreet natuurbehoud, wordt het ontwerpbeheerplan van een openbaar bos, gelegen in het VEN, resp. in vogelrichtlijngebied of in habitatrichtlijngebied, dat bij het Bosbeheer is ingediend na het afsluiten van de consultatieronde, door het Bosbeheer voor advies doorgestuurd naar de administratie, bevoegd voor het natuurbehoud. Wanneer het advies niet binnen dertig dagen wordt uitgebracht, kan het beheerplan goedgekeurd worden. Art. 9. Binnen zes maanden na het toekennen van het registratienummer keurt het Bosbeheer het ontwerpbeheerplan van een openbaar bos of van een privé-bos goed of brengt de indiener van het beheerplan op de hoogte van de onderdelen van het beheerplan die moeten worden gewijzigd en van de redenen waarom dat moet gebeuren. Na ontvangst van de voorgestelde aanpassingen heeft de indiener van het beheerplan zes maanden de tijd om bij de provinciale zetel van het Bosbeheer een aangepast ontwerpbeheerplan in te dienen dat voldoende tegemoetkomt aan de in het vorige lid bedoelde opmerkingen van het Bosbeheer. Als het opnieuw ingediende ontwerpbeheerplan hieraan niet voldoende tegemoetkomt of als er binnen de termijn van zes maanden nog geen aangepast beheerplan is ingediend, wordt de indiener van het beheerplan per aangetekende brief op de hoogte gebracht van de afkeuring. Tegen de afkeuring kan binnen een termijn van één maand, te rekenen vanaf de datum van afkeuring, beroep ingesteld worden door de indiener van het beheerplan bij het Comité. Art. 10. §1. Na afkeuring door het Bosbeheer of bij toepassing van de beroepsprocedure door het Comité heeft de indiener van het beheerplan zes maanden de tijd om een afdoende aangepast ontwerpbeheerplan in te dienen bij de provinciale zetel van het Bosbeheer. §2. Wanneer het ingediende ontwerpbeheerplan niet afdoende is aangepast of wanneer er binnen de termijn van zes maanden na afkeuring door het Bosbeheer of bij toepassing van de beroepsprocedure door het Comité nog geen aangepast beheerplan is ingediend bij het Bosbeheer, kan het Bosbeheer het beheerplan opstellen overeenkomstig artikel 43, §4, derde lid, van het decreet.
171
Het Bosbeheer stelt per aangetekende brief de openbare boseigenaar of de beheerder van een privé-bos of de gevolmachtigde in kennis van het beheerplan dat werd opgesteld en goedgekeurd. Art. 11. Binnen de zes maanden na het toekennen van het registratienummer keurt de minister het ontwerpbeheerplan van een domeinbos goed of brengt het Bosbeheer op de hoogte van de onderdelen van het beheerplan die moeten gewijzigd worden en van de redenen waarom dit moet gebeuren. Wanneer het ontwerpbeheerplan een gezamenlijk beheerplan betreft met domeinbos enerzijds en anderzijds ook openbaar bos ander dan domeinbos en/of privé-bos, dan kan het ontwerpbeheerplan pas ter goedkeuring aan de minister voorgelegd worden, nadat het ontwerpbeheerplan door het Bosbeheer werd goedgekeurd conform artikel 9 en 10. Art. 12. §1. Als de openbare boseigenaar of de beheerder van het privé-bos geen ontwerpbeheerplan ter goedkeuring voorlegt, kan hij door het Bosbeheer per aangetekende brief in gebreke gesteld worden met het verzoek binnen een termijn van 6 maanden een beheerplan ter goedkeuring voor te leggen. §2. Als de openbare boseigenaar of de beheerder van het privé-bos binnen de termijn van zes maanden, te rekenen vanaf de datum van de in §1 bedoelde ingebrekestelling, geen ontwerpbeheerplan heeft voorgelegd, kan het Bosbeheer het beheerplan opstellen overeenkomstig respectievelijk artikel 43, §2, en artikel 43, §3, van het decreet. Het Bosbeheer stelt per aangetekende brief de openbare boseigenaar of de beheerder van een privé-bos in kennis van het beheerplan dat werd opgesteld en goedgekeurd. Art.13. Op gemotiveerd verzoek van de beheerder van het privé-bos, van de eigenaar van het openbaar bos of van de gevolmachtigde kan het beheerplan gewijzigd worden, onder meer naar aanleiding van toevoeging van bestanden. Enkel de gewijzigde gegevens moeten ingediend worden. De procedure voor goedkeuring is dezelfde als voor een nieuw ingediend beheerplan. De goedkeuring van de wijziging van een beheerplan geldt voor de resterende termijn van de oorspronkelijke periode. Als op niveau van het bos of het boscomplex de beheerdoelstellingen wijzigen, zoals beschreven in het beheerplan ter uitvoering van punt 3 van bijlage I en bijlage II, dan moet een nieuw beheerplan ingediend worden. Hoofdstuk IV. Het inzagerecht Art. 14. Een goedgekeurd beheerplan ligt ter inzage bij de provinciale zetel van het Bosbeheer. Hoofdstuk V. Het Comité Art. 15. §1. De leden van het comité van beroep worden benoemd door de minister bevoegd voor het natuurbehoud voor een hernieuwbare termijn van vier jaar. De Vlaamse Hoge Bosraad geeft advies met betrekking tot het al dan niet hernieuwen van de benoeming van de vertegenwoordigers van privé-boseigenaars en van de openbare eigenaars, die reeds vier jaar hun mandaat hebben vervuld. §2. Wanneer het comité een beroep behandelt met betrekking tot een privé-bos zetelen de twee vertegenwoordigers van privé-boseigenaars in het comité. Wanneer het een beroep betreft met betrekking tot een openbaar bos zetelen de twee vertegenwoordigers van de openbare boseigenaars. Wanneer het een beroep betreft met betrekking tot een gezamenlijk beheerplan van privé-bos en openbaar bos zetelen één vertegenwoordiger van de openbare bossen en één vertegenwoordiger van de privé-bossen in het comité. §3. Leden van het Comité kunnen vervangen worden wanneer onder andere belangenvermenging mogelijk is. De voorzitter van het Comité beslist of leden al dan niet vervangen moeten worden. §4. Het secretariaat van dit Comité wordt waargenomen door het Bosbeheer. §5. Het Comité stelt een huishoudelijk reglement op, dat ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het natuurbehoud. §6. Het Comité kan alleen geldig beraadslagen als alle leden aanwezig zijn en beslist bij gewone meerderheid van stemmen. De voorzitter is stemgerechtigd. 172
§7. Na de beheerder van het privé-bos, de openbare boseigenaar, de gevolmachtigde en/of het Bosbeheer te hebben gehoord, hetzij op eigen verzoek, hetzij op uitnodiging, beslist het Comité in een met redenen omklede beslissing. Het Comité zendt een afschrift van de beslissing aan het Bosbeheer en aan de betrokken indiener van het beheerplan binnen een maand na de beraadslaging. §8. De leden van het Comité kunnen aanspraak maken op de vergoeding voor reis- en verblijfkosten, overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten van het rijkspersoneel. Voor de berekening van deze vergoeding worden zij gelijkgesteld met de rijksambtenaren bekleed met rang 10 tot 14. De voorzitter, evenals de vertegenwoordigers van het privé-bos en van het openbaar bos hebben recht op een zitpenning, zoals vastgesteld bij het besluit van de Vlaamse regering van 14 december 1983 houdende sommige maatregelen tot harmonisatie van de werking en van de presentiegelden en vergoedingen van adviesorganen. Hoofdstuk VI. Slotbepalingen Art. 16. Het besluit van de Vlaamse regering van 4 december 1991 betreffende het vaststellen van de beheerplannen voor de bossen wordt opgeheven. Art. 17. Een goedgekeurd beheerplan van een openbaar bos, niet gelegen in VEN, in Vogelrichtlijngebied of in habitatrichtlijngebied of van een privé-bos, opgesteld ter uitvoering van het besluit van de Vlaamse regering van 4 december 1991 betreffende het vaststellen van de beheerplannen voor de bossen, blijft geldig tot de vervaldatum van het beheerplan. Art. 18. De Vlaamse minister, bevoegd voor het natuurbehoud, kan bijlage I, bijlage II en bijlage III aanpassen. Art. 19. De Vlaamse minister, bevoegd voor de landinrichting en het natuurbehoud, is belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel, 27 juni 2003 De minister-president van de Vlaamse regering, Bart SOMERS De Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking, Ludo SANNEN
173
Bijlage I. Inhoudstafel uitgebreid beheerplan 1 Identificatie van het bos 1.1 Eigendom, zakelijke en persoonlijke rechten 1.2 Kadastraal overzicht 1.3 Situatieplan (schaal 1/10.000 tot 1/25.000) 1.4 Situering 1.4.1 Algemeen - administratief 1.4.2 Relatie met andere groene domeinen 1.5 Statuut van de wegen en waterlopen 1.6 Bestemming volgens het geldende plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan 1.7 Ligging in speciale beschermingszones 1.7.1 Internationale beschermingszones 1.7.2 Nationale beschermingszones en regionale aandachtsgebieden 2 Algemene beschrijving 2.1 Cultuurhistorische beschrijving 2.1.1 Historisch overzicht 2.1.2 Kenmerken van het vroegere beheer 2.2 Beschrijving van de standplaats 2.2.1 Reliëf en hydrografie 2.2.2 Bodem en geologie 2.3 Beschrijving van het biotisch milieu 2.3.1 Bestandskaart (schaal 1/5000 of 1/10.000) 2.3.2 Bestandsbeschrijving en dendrometrische gegevens a) Bestandskenmerken b) Boomsoortensamenstelling c) Dendrometrische gegevens 2.3.3 Flora 2.3.4 Fauna 2.4 Opbrengsten en diensten 3 Beheerdoelstellingen 3.1 Beheerdoelstellingen met betrekking tot de economische functie 3.2 Beheerdoelstellingen met betrekking tot de ecologische functie 3.3 Beheerdoelstellingen met betrekking tot de sociale en educatieve functie 3.4 Beheerdoelstellingen met betrekking tot de milieubeschermende functie 3.5 Beheerdoelstellingen met betrekking tot de wetenschappelijke functie 4 Beheermaatregelen 4.1 Bosverjonging 4.2 Bosomvorming 4.3 Bebossingswerken 4.4 Bosbehandelings- en verplegingswerken 4.5 Kapregeling 4.6 Bosexploitatie 4.7 Brandpreventie 4.8 Open plekken 4.9 Gradiënten en bosrandontwikkeling 4.10 Specifieke maatregelen ter bescherming van flora en fauna 4.11 Dood hout en oude bomen 4.12 Beheermaatregelen en richtlijnen met betrekking tot de toegankelijkheid 4.12.1 Plan wegennet - opengestelde boswegen 4.12.2 Speelzones 4.12.3 Recreatieve infrastructuur 4.13 Beheermaatregelen en richtlijnen met betrekking tot de jacht 4.14 Beheermaatregelen en richtlijnen met betrekking tot de visserij 174
4.15 Beheermaatregelen en richtlijnen met betrekking tot gebruik niet-houtige bosproducten 4.16 Beheermaatregelen en richtlijnen met betrekking tot cultuurhistorische elementen. Indien het bos gelegen is in een beschermd landschap, vormt dit deel het luik ‘landschap’, conform art. 16, §4, van het landschapsdecreet 4.17 Beheermaatregelen en richtlijnen met betrekking tot de milieubeschermende functie 4.18 Beheermaatregelen en richtlijnen met betrekking tot de wetenschappelijke functie 4.19 Werken die de biotische of abiotische toestand van het bos wijzigen (artikel 20, artikel 90, artikel 96 en artikel 97 van het decreet) 4.20 Planning van de beheerwerken Bijlage 1. Samenvatting per bestand van de bosbouwopnames Bijlage 2. Samenvatting per bestand van de vegetatieopnames Bijlage 3. Consultatie van de bevolking Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse regering van 27 juni 2003. Brussel, 27 juni 2003 De minister-president van de Vlaamse regering, Bart SOMERS De Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking, Ludo SANNEN
175
Bijlage II. Inhoudstafel beperkt beheerplan 1 Identificatie van het bos 1.1 Eigendom, zakelijke en persoonlijke rechten 1.2 Kadastraal overzicht 1.3 Situatieplan (schaal 1/10.000 tot 1/25.000) 1.4 Bestemming volgens het geldende plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan 1.5 Ligging in speciale beschermingszones 1.5.1 Internationale beschermingszones 1.5.2 Nationale beschermingszones en regionale aandachtsgebieden 2 Algemene beschrijving 2.1 Bestandskaart (schaal 1/5000 of 1/10.000) 2.2 Bestandsbeschrijving 2.3 Biologische waarderingskaart 3 Beheerdoelstellingen 3.1 Beheerdoelstellingen met betrekking tot de economische functie 3.2 Beheerdoelstellingen met betrekking tot de ecologische functie 3.3 Beheerdoelstellingen met betrekking tot de sociale en educatieve functie 3.4 Beheerdoelstellingen met betrekking tot de milieubeschermende functie 3.5 Beheerdoelstellingen met betrekking tot de wetenschappelijke functie 4 Beheermaatregelen 4.1 Bosbouwkundige beheermaatregelen 4.1.1 Bosverjonging 4.1.2 Bosomvorming 4.1.3 Bosbehandelings- en verplegingswerken 4.1.4 Brandpreventie 4.1.5 Kapregeling 4.2 Beheermaatregelen en richtlijnen met betrekking tot de ecologische functie 4.3 Beheermaatregelen en richtlijnen met betrekking tot de sociale en educatieve functie 4.4 Beheermaatregelen en richtlijnen met betrekking tot de milieubeschermende functie 4.5 Beheermaatregelen en richtlijnen met betrekking tot de wetenschappelijke functie 4.6 Beheermaatregelen en richtlijnen met betrekking tot cultuurhistorische elementen. (facultatief luik voor bossen gelegen in beschermd landschap, conform art. 16, §4 van het landschapsdecreet 4.7 Ingrepen en activiteiten onderworpen aan een machtiging (artikel 90, artikel 96 en artikel 97 van het decreet) Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse regering van 27 juni 2003 . Brussel, 27 juni 2003 De minister-president van de Vlaamse regering, Bart SOMERS De Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking, Ludo SANNEN
176
Bijlage III. formulier voor het opmaken van een beperkt bosbeheerplan CODE VAN DE AFDELING001•JJMMDD
Beperkt bosbeheerplan Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Afdeling Bos & Groen Koning Albert II-laan 20 bus 8, 1000 BRUSSEL Tel. (02)553 81 02 - Fax (02)553 81 05
in te vullen door de verwerkende afdeling Registratienr. Eigenaarsnummer
Dit formulier is een toepassing van het Bosdecreet van 13 juni 1990 Besluit van de Vlaamse regering U kunt dit formulier enkel gebruiken voor privé-bos dat niet in het VEN is gelegen. Identificatie van het bos Situering van het eigendom naam van het bos : gemeente(n) van ligging : deelgemeente(n) : wijk, gehucht : straat, meest nabije straat of ander goed herkenningspunt : oppervlakte
ha
a
ca
Welke zakelijke of persoonlijke rechten gelden er op het bosdomein? Kruis een of meer invulhokjes aan. recht van opstal
recht van vruchtgebruik
recht van gebruik en bewoning
recht van erfpacht
huurovereenkomsten
pachtovereenkomsten
andere, namelijk…
erfdienstbaarheden
geen Voeg bij dit formulier een situatieplan op schaal 1/10.000 tot 1/25.000 met ligging van het bos en vermelding van de schaal. Welke bestemming heeft het boseigendom volgens het geldende plan van aanleg of het ruimtelijk uitvoeringsplan? Geniet het bosdomein, geheel of gedeeltelijk, een bijzondere bescherming als? Kruis een of meer invulhokjes aan. als behorend tot het Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN) als vogelrichtlijngebied als behorend tot het Integraal Verbindend en Ondersteunend Netwerk (IVON)
als habitatrichtlijngebied
als beschermd landschap
als ramsargebied
geen bijzondere bescherming
177
Gegevens van de bosbeheerder Het beheerplan van een privé-bos wordt opgesteld door de bosbeheerder, dat is de eigenaar, mede-eigenaar, houder van een zakelijk recht of houder van een persoonlijk recht. Als een gezamenlijk beheerplan door verschillende bosbeheerders wordt ingediend, moet elke bosbeheerder of eigenaar dit deel afzonderlijk invullen op blad 3bis. De bosbeheerder is: de enige boseigenaar mede-eigenaar. Geef op een apart blad naam en adres van alle boseigenaars. houder van een zakelijk recht (bijvoorbeeld vruchtgebruik, erfpacht). Geef op een apart blad naam en adres van alle boseigenaars. houder van een persoonlijk recht (bijvoorbeeld pacht, huur). Geef op een apart blad naam en adres van alle boseigenaars. voornaam en naam van de bosbeheerder : Als de bosbeheerder een firma of vereniging is, geef de volledige naam en functie van de ondertekenaar: straat :
nr. :
bus :
postcode :
deelgemeente of gemeente :
land : tel.:
fax:
e-mail
Gegevens van de indiener van het beheerplan Kruis aan in welke hoedanigheid u het beheerplan indient: als enige bosbeheerder als vertegenwoordiger van de mede-eigenaars als gevolmachtigde als een van de bosbeheerders en gevolmachtigd door de andere bosbeheerders als vertegenwoordiger van de bosgroep voornaam en naam : straat :
nr. :
bus :
postcode :
deelgemeente of gemeente :
land : tel.:
fax :
e-mail :
178
Vul dit blad enkel in als verschillende bosbeheerders een gezamenlijk beheerplan indienen. Indien meer dan 3 bosbeheerders : kopieer dit blad in het nodige aantal exemplaren Gegevens van de bosbeheerder De bosbeheerder is: de enige boseigenaar mede-eigenaar. Geef op een apart blad naam en adres van alle boseigenaars. houder van een zakelijk recht (bijvoorbeeld vruchtgebruik, erfpacht). Geef op een apart blad naam en adres van alle boseigenaars. houder van een persoonlijk recht (bijvoorbeeld pacht, huur). Geef op een apart blad naam en adres van alle boseigenaars.
voornaam en naam : Als de bosbeheerder een firma of vereniging is, geef de volledige naam en functie van de ondertekenaar: postcode :
deelgemeente of gemeente :
land : tel. :
fax :
e-mail : Gegevens van de bosbeheerder De bosbeheerder is: de enige boseigenaar mede-eigenaar. Geef op een apart blad naam en adres van alle boseigenaars. houder van een zakelijk recht (bijvoorbeeld vruchtgebruik, erfpacht). Geef op een apart blad naam en adres van alle boseigenaars. houder van een persoonlijk recht (bijvoorbeeld pacht, huur). Geef op een apart blad naam en adres van alle boseigenaars. voornaam en naam : Als de bosbeheerder een firma of vereniging is, geef de volledige naam en functie van de ondertekenaar: postcode :
deelgemeente of gemeente :
land : tel. :
fax :
e-mail :
Kadastraal overzicht Voeg bij dit formulier een recente versie van de kadastrale legger en de kadastrale plannen, met aanduiding van de bospercelen, eventueel met schriftelijke aanpassing voor zeer recent gewijzigde situaties. Als u deze plannen en leggers al hebt ingediend in het kader van de erkenning van een bosgroep, hoeft u die niet opnieuw bij het beheerplan te voegen. Kadastrale gegevens
179
Gemeente
Afdeling
Sectie
Kadastraal nummer
Kadastrale oppervlakte
Nr. bosperceel of bosbestand
Algemene beschrijving Bestandskaart Voeg bij dit formulier het bosplan op schaal 1/5.000 of 1/10.000, met aanduiding van de bestanden en percelen, wegen en grachten, bestaande prikkeldraad.
Biologische waarderingskaart Welke aanduiding krijgt het bosdomein op de Biologische Waarderingskaart ? Voeg een afschrift van de Biologische Waarderingskaart bij dit formulier.
180
Bestandsbeschrijving Nr. bosperceel of bosbestand
Oppervlakte Jaar van bosperceel/bos- aanleg bestand (ongeveer)
Boomsoorten hoofdetage (+ procentueel aandeel bijmenging)
Struik- en boomsoorten nevenetage
181
Opmerkingen (kruidachtige vegetatie, bron, poel, ven, open plek, rotsformatie, duinen, nesten zeldzame diersoorten, wildakker, constructie, gebouw, begrazing, enzovoort)
Beheerdoelstellingen Beheerdoelstellingen met betrekking tot de economische functie van het bos. houtkappingen
geen
voor eigen gebruik
winning andere bosproducten dan hout
neen
jacht
wordt verpacht
geen
voor verkoop
ja, namelijk …
Beheerdoelstellingen met betrekking tot de ecologische functie van het bos. verhogen aandeel inheemse boomsoorten herstel, bescherming of ontwikkeling van: open plekken
bosranden
poel - moeras
specifieke vegetaties
bescherming van specifieke fauna-elementen andere, namelijk…
Beheerdoelstellingen met betrekking tot de sociale en educatieve functie van het bos. toegang publiek
wegen niet toegankelijk
wegen gedeeltelijk toegankelijk
wegen volledig toegankelijk
alleen toegankelijk onder begeleiding
geen private wegen aanwezig Voeg een afschrift van het toegankelijkheidsreglement bij dit formulier, als dat voorhanden is. toegankelijke oppervlakte (in ha) lengte opengestelde wegen (in meter) periode toegankelijkheid bestandsnr. / perceelsnr. van eventuele speelzone totale oppervlakte van speelzone
Beheerdoelstellingen met betrekking tot de milieubeschermende functie van het bos. Welke schermfunctie heeft het bos? landschap
bodembescherming
waterwinning
geluidswering
erosiebestrijding
waterbeheersing
geen
182
Beheerdoelstellingen met betrekking tot de wetenschappelijke functie van het bos. Geniet het bosdomein, geheel of gedeeltelijk, een bijzondere bescherming als niet-erkend natuurreservaat ? ja nee Worden er in het bosdomein wetenschappelijke proeven of metingen uitgevoerd ? ja, namelijk… nee
Beheermaatregelen Bosbouwkundige beheermaatregelen. Bosverjonging Bestanden of percelen die kunstmatig herbebost zullen worden Bestands- of Opp. perceelsnr.
Uiterste datum van Boomsoortensamenstelling herbebossing (eventueel procentuele verdeling)
Plantverband
Bestanden of percelen waar naar natuurlijke verjonging (NV) gestreefd wordt Bestands- of perceelsnr
Opp.
Datum geplande eindkap, dunningskap
Gewenste soorten (NV)
Soorten aan te planten bij niet slagen NV
Bosomvorming Bestanden of percelen die omgevormd worden : Bestands- of Opp. perceelsnr.
Boomsoorten hoofdetage
Gewenste boomsoorten
183
Jaar van aanplanting
Bosbehandelings- en verplegingswerken vrijstelling
snoeien
zuivering
dunnen
Algemene onderhoudswerken wegen, grachten, omheiningen, maaibeheer, brandpreventie, enzovoort
Uitvoeringswijze van de eindkap De eindkap wordt uitgevoerd door kaalslag in de volgende bestanden
De eindkappen worden door andere kapwijzen uitgevoerd zoomsgewijze kap in bestanden met nummers groepsgewijze kap in bestanden met nummers selectieve verjongingskap onder uitgedund scherm (= schermslag) in bestanden met nummers hakhoutkap in bestanden met nummers andere (specificeer) in bestanden met nummers
184
Kapregeling Nr. bosperceel/ bosbestand
Opp. in ha
Belangrijkste boomsoorten in hoofdetage Gebruik de afkorting onderaan deze pagina, rubriek 1.
Jaar van aanleg
Jaar laatste dunning
Jaargangen van de kappingen Gebruik de afkortingen onderaan deze pagina, rubriek 2
1. Afkortingen van boomsoorten loofboomsoorten E
- eik: zE (Zomereik), wE (Wintereik), den ), AE (Amerikaanse eik), mE (Moeraseik) (Corsicaanse den) Es - Es Be B - Beuk Wi bK - Boskers Po Hb - Haagbeuk Ed - esdoorn : gEd(Gewone esdoorn), nEd (Noorse esdoorn), (Hybride Lork), VEd (Veldesdoorn), Li - linde: zLi (Zomerlinde), wLi (Winterlinde), xLi (Hollandse linde) Ol - olm: rOl (Ruwe olm), gOl (Gewone olm) tKa - Tamme kastanje
naaldboomsoorten Wn
- Walnoot
El
- els: zEl (Zwarte els), gEl (Grauwe els)
- berk: rBe (Ruwe berk), zBe (Zachte berk) - wilg: sWi (Schietwilg), kWi (Kraakwilg), xWi (Salix x rubens) - populier: zPo (Zwarte populier), tPo (Trilpopulier), xPo (Cultuurpopulier) Ab - abeel: wAb (Witte abeel), gAb (Grauwe abeel) vAc - Valse acacia (Robinia)
P
- den: Ps (Grove Pc
Tax L
- Taxus Jun - Jeneverbes Do - Douglas - lork: jL (Japanse lork), xL
2. Afkortingen van de kappingen: X = dunningskap; O = facultatieve kap; E = kaalslag (over het hele bestand); h = hakhoutkap; Ei = individuele kap; Eg (x/x) = groepsgewijze of zoomsgewijze kap over een deel van het bestand (x/x geeft de verhouding weer t.o.v. het bestand)
185
Beheermaatregelen en richtlijnen met betrekking tot de ecologische functie. omvormingsbeheer :
open plekken :
bosranden:
poel-moeras :
specifieke vegetaties :
specifieke fauna-elementen :
andere :
Toepassing schoontijd Schoontijd (periode waarin kappen en ruimen verboden is): standaardperiode 1 april – 30 juni. Indien u van de standaardperiode afwijkt, geef hier de reden :
Beheermaatregelen en richtlijnen met betrekking tot de sociale en educatieve functie. Geef aan wat al aanwezig is of wat u van plan bent te installeren. toegankelijkheidsborden
ja
nee
bosplan – infobord
ja
nee
banken
ja
nee
lig-, speelweide, parkeerplaats
ja
nee
andere, namelijk…
186
Beheermaatregelen en richtlijnen met betrekking tot de milieubeschermende functie.
Beheermaatregelen en richtlijnen met betrekking tot de wetenschappelijke functie.
Ingrepen en activiteiten onderworpen aan een machtiging De onderstaande werkzaamheden zijn krachtens artikel 90, 96 en 97 slechts toegestaan in de gevallen en onder de voorwaarden vastgesteld in een goedgekeurd beheerplan. Zo niet zijn ze onderworpen aan een voorafgaande machtiging van het Bosbeheer. Geef aan voor welke ingrepen of activiteiten u een toestemming vraagt. reliëfwijzigingen wegenaanleg drainage strooiseluitbating wijziging van de kruidlaag gebruik van prikkeldraad houden van dieren binnen een omheining andere, namelijk…
Duid in voorkomend geval de geplande werkzaamheden, ingrepen of activiteiten op de boskaart aan en specificeer ze.
De goedkeuring van het beheerplan ontslaat de eigenaar niet van zijn verplichtingen die zijn vastgesteld in de wetgeving op de Ruimtelijke Ordening, het Natuurbehoud, de Afvalstoffen en de Beschermde landschappen.
187
Beheermaatregelen en richtlijnen met betrekking tot cultuurhistorische elementen (facultatief luik voor bossen gelegen in Beschermd landschap. - cfr. art. 16 §4 van het landschapsdecreet).
Geldigheidsduur De ondergetekenden, eigenaars en beheerders van de bosoppervlakte, beschreven in de hierboven opgegeven kadastrale informatie, verklaren dat deze bosoppervlakte gedurende een periode van jaren, te rekenen vanaf de datum van goedkeuring door het Bosbeheer, zal beheerd worden volgens de voorschriften van dit beheerplan. Indien het bos ingevolge de afbakening van het VEN, in VEN komt te liggen, vervalt het beheerplan twee jaar na de afbakening. Binnen die periode van twee jaar dient een nieuw beheerplan dat voldoet aan de criteria voor duurzaam bosbeheer ingediend te worden bij het Bosbeheer. Ondergetekenden verklaren op eer dat zij gevolmachtigd zijn om dit beheerplan in te dienen. Het beheerplan bindt de opeenvolgende eigenaars zolang geen gewijzigd beheerplan werd ingediend en goedgekeurd (Bosdecreet, artikel 43, § 5). Bij overdracht van zakelijke rechten en bij verdeling van een onroerend goed dient het beheerplan aan de notaris bezorgd te worden. plaats :
datum :
naam of namen van de eigenaars en beheerders
handtekening(en)
188
Stuur het ontwerpbeheerplan naar de afdeling Bos & Groen in de provincie waar het bos gelegen is: ANTWERPEN:
Copernicuslaan 1 bus 7 - 2018 ANTWERPEN – tel.: 03-224 62 62 E-mail:
[email protected]
VLAAMS-BRABANT:
Waaistraat 1 - 3000 LEUVEN – tel.: 016-21 12 32 E-mail:
[email protected]
LIMBURG:
Gouverneur Roppesingel 25 - 3500 HASSELT – tel.: 011-26 44 80 E-mail:
[email protected]
OOST-VLAANDEREN:
Gebroeders Van Eyckstraat 4 – 6 - 9000 GENT – tel.: 09-265 45 82 E-mail:
[email protected]
WEST-VLAANDEREN:
Zandstraat 255 - 8200 ST. ANDRIES-BRUGGE – tel.: 050-45 41 56 E-mail:
[email protected]
Goedkeuring en registratie Ondergetekende, woudmeester in , verklaart dit beheerplan conform de bepalingen van het Bosdecreet en van het besluit van de Vlaamse regering van .. .. … . Bijgevolg wordt dit beheerplan goedgekeurd voor een periode van jaar, te rekenen vanaf heden, en wordt het opgenomen in het register van het Bosbeheer, onder het nummer . plaats naam van de woudmeester
datum handtekening
Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse regering van 27 juni 2003. Brussel, 27 juni 2003 De minister-president van de Vlaamse regering, Bart SOMERS De Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking, Ludo SANNEN
189
Besluit van de Vlaamse regering betreffende de procedure tot erkenning van bosbouwkundig uitgangsmateriaal en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal (B.S. 13 november 2003)
DE VLAAMSE REGERING, Gelet op de wet van 11 juli 1969 betreffende de bestrijdingsmiddelen en grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt, inzonderheid op artikel 2, § 1, gewijzigd bij de wetten van 21 december 1998 en 5 februari 1999; Gelet op het Bosdecreet van 13 juni 1990, inzonderheid op het artikel 42; Gelet op het koninklijk besluit van 17 mei 1968 houdende inrichting van de keuring van uitgangsmateriaal en teeltmateriaal van bosbouwsoorten; Gelet op het koninklijk besluit van 14 september 1973 houdende reglementering van de handel in teeltmateriaal van bosbouwsoorten; Overwegende dat volgens de Richtlijn 1999/105/EG van de Raad van 22 december 1999 betreffende het in handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal het Vlaams Gewest de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking moet doen treden om aan deze Richtlijn te voldoen; Gelet op het advies van de minister bevoegd voor begroting, gegeven op 24 april 2003; Gelet op het overleg tussen de Gewesten en de Federale Overheid op 14 april 2003, bekrachtigd door de Interministeriële Conferentie Landbouwbeleid op 29 september 2003; Gelet op advies 35.655/1/V van de Raad van State, gegeven op 29 juli 2003, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Op voorstel van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking; Na beraadslaging,
BESLUIT:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: 1° bosbouwkundig teeltmateriaal: teeltmateriaal van boom- en struiksoorten en van kunstmatige hybriden daarvan die binnen de Europese Gemeenschap of een deel daarvan voor de bosbouw van belang zijn en met name die welke in bijlage I zijn opgenomen; 2° teeltmateriaal: a)
zaadeenheden: kegels, vruchtgestellen, vruchten en zaden bestemd voor de productie van plantgoed;
b) plantendelen: houtstekken, blad- en wortelstekken, explantaten of embryo’s voor microvermeerdering, knoppen, afleggers, wortels, enten, poten en plantendelen bestemd voor de productie van plantgoed; c)
plantgoed: uit zaadeenheden, uit plantendelen of uit natuurlijke zaailingen geteelde planten;
3° uitgangsmateriaal: 190
a)
zaadbron: bomen in een gebied waar zaad wordt verzameld;
b) bestand: een afgebakende, wat samenstelling betreft voldoende uniforme populatie bomen; c) zaadtuin: een aanplanting van geselecteerde klonen of families die wordt afgeschermd of beheerd om bestuiving door externe stuifmeelbronnen te voorkomen of te beperken en die wordt beheerd om veelvuldige, overvloedige en gemakkelijke zaadoogsten te verkrijgen; d) ouderplanten van een familie: bomen die voor het verkrijgen van nakomelingschap worden gebruikt door gecontroleerde of vrije bestuiving van één geïdentificeerde, als moederplant fungerende ouderplant met het stuifmeel van één ouderplant (“full-sib”-nakomelingschap) respectievelijk van een aantal andere al dan niet geïdentificeerde ouderplanten (“half-sib”-nakomelingschap); e) kloon: groep van individuen (ramets) die door vegetatieve vermeerdering, bijvoorbeeld door stekken, microvermeerdering, enten, afleggen of delen, van één oorspronkelijke uitgangsplant (ortet) zijn afgeleid; f)
mengsel van klonen: een mengsel van geïdentificeerde klonen in welbepaalde verhoudingen;
4° a) autochtoon bestand of autochtone zaadbron: bestand of zaadbron waarvan de vernieuwing gewoonlijk door continue natuurlijke regeneratie is gebeurd. Het bestand of de zaadbron mag kunstmatig zijn vernieuwd met behulp van teeltmateriaal dat uit hetzelfde bestand of dezelfde zaadbron of uit autochtone bestanden of zaadbronnen in de nabije omgeving is verkregen; b) inheems bestand of inheemse zaadbron: autochtoon bestand of autochtone zaadbron of een bestand dat of een zaadbron die kunstmatig is geteeld uit zaad waarvan de oorsprong in hetzelfde herkomstgebied gelegen is; 5° oorsprong: voor een autochtoon bestand of autochtone zaadbron, de plaats waar de bomen groeien. Voor een niet-autochtoon bestand of niet-autochtone zaadbron, de plaats waarvan de zaden of planten oorspronkelijk afkomstig zijn. De oorsprong van een bestand of zaadbron kan onbekend zijn; 6° herkomst: de groeiplaats van een bestand of een zaadbron; 7° herkomstgebied: voor een soort of ondersoort, het gebied of de groep gebieden waar voldoende uniforme ecologische omstandigheden heersen en waar bestanden of zaadbronnen met soortgelijke fenotypische of genetische kenmerken worden aangetroffen, zo nodig rekening houdend met de hoogtegrenzen; 8° erkend uitgangsmateriaal: uitgangsmateriaal dat toegelaten is volgens de in dit besluit gestelde minimumeisen; 9° productie: alle stadia van het voortbrengen van de zaadeenheden, de omzetting van de zaadeenheden in zaad en de teelt van plantgoed uit zaden en plantendelen en de teelt van planten uit natuurlijke zaailingen; 10° in de handel brengen: tentoonstellen met het oog op verkoop, te koop aanbieden, verkopen of leveren aan een andere persoon, met inbegrip van levering in het kader van een dienstverleningscontract; 11° leverancier: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die zich uit hoofde van zijn beroep bezighoudt met het in de handel brengen of invoeren van bosbouwkundig teeltmateriaal; 12° categorieën van bosbouwkundig teeltmateriaal: a) Van bekende origine: teeltmateriaal dat is afgeleid van uitgangsmateriaal, bestaande uit een binnen één enkel herkomstgebied gelegen zaadbron of bestand dat aan de eisen van bijlage II voldoet; b) geselecteerd: teeltmateriaal dat is afgeleid van uitgangsmateriaal, bestaande uit een binnen één enkel herkomstgebied gelegen bestand, dat op populatieniveau aan een fenotypische selectie is onderworpen en dat aan de eisen van bijlage III voldoet; c) gekeurd: teeltmateriaal dat is afgeleid van uitgangsmateriaal, bestaande uit zaadtuinen, ouderplanten van families, klonen of mengsels van klonen, waarvan de componenten individueel aan een fenotypische selectie zijn onderworpen en die aan de eisen van bijlage IV voldoen. Een toetsing van het teeltmateriaal behoeft niet noodzakelijk te zijn begonnen of te zijn voltooid;
191
d) getest: teeltmateriaal dat is afgeleid van uitgangsmateriaal, bestaande uit bestanden, zaadtuinen, ouderplanten van families, klonen of mengsels van klonen. De hoge kwaliteit van het teeltmateriaal moet aangetoond zijn door middel van vergelijkende tests of door een kwantitatieve schatting van de hoge kwaliteit van het teeltmateriaal, berekend op basis van de genetische waardebepaling van de componenten van het uitgangsmateriaal. Het teeltmateriaal moet aan de eisen van bijlage V voldoen; 13° dienst: dienst, bevoegd voor het toezicht op het in de handel brengen en de kwaliteit van bosbouwkundig teeltmateriaal; 14° lijst: lijst van het erkend Vlaams uitgangsmateriaal; 15° register: register van het erkend Vlaams uitgangsmateriaal; 16° Instituut: het Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer, Vlaamse wetenschappelijke instelling, opgericht bij het besluit van 13 maart 1991 van de Vlaamse executieve betreffende de instelling en organisatie van het Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer; 17° Richtlijn: de Richtlijn 1999/105/EG van de Raad van 22 december 1999 betreffende het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal. Art. 2. §1. Dit besluit regelt enerzijds de erkenning van bosbouwkundig uitgangsmateriaal en anderzijds de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal met het oog op het in de handel brengen en het in de handel brengen binnen de Europese Gemeenschap van de boomsoorten, opgesomd in bijlage I A. §2. De boom- en struiksoorten, opgesomd in bijlage I B, kunnen op aanvraag van een belanghebbende, onderworpen worden aan dezelfde regeling zoals bedoeld in §1. Art. 3. §1. De in dit besluit vervatte maatregelen zijn niet van toepassing op bosbouwkundig teeltmateriaal in de vorm van plantgoed of plantendelen waarvan wordt aangetoond dat ze voor andere doeleinden dan bosbouw zijn bestemd. In dat geval gaat het materiaal vergezeld van een etiket of een ander document, overeenkomstig de bepalingen die uitgevaardigd worden door de Gemeenschap of het Vlaamse Gewest en die op dat materiaal voor het beoogde doel van toepassing zijn. Indien die bepalingen ontbreken, en een leverancier zowel materiaal voor bosbouwdoeleinden als aantoonbaar niet voor bosbouwdoeleinden bestemd materiaal onder zich heeft, gaat de laatstgenoemde soort vergezeld van een etiket met de volgende tekst: "niet voor bosbouwdoeleinden". §2. De in dit besluit vervatte maatregelen zijn niet van toepassing op bosbouwkundig teeltmateriaal waarvan wordt aangetoond dat het voor uitvoer of wederuitvoer naar landen buiten de Europese Gemeenschap is bestemd. Hoofdstuk II. Erkenning van uitgangsmateriaal Art. 4. Het uitgangsmateriaal dat als basis wordt gebruikt voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal wordt erkend door de Vlaamse minister, bevoegd voor het natuurbehoud, op voordracht van het Instituut. Art. 5. Het Instituut heeft tot taak de Vlaamse minister, bevoegd voor het natuurbehoud, te adviseren over alle aangelegenheden die de erkenning van het uitgangsmateriaal aanbelangen. Art. 6. Uitgangsmateriaal van de boom- en struiksoorten, opgesomd in bijlage I, wordt erkend, naargelang van het type zoals bepaald in artikel 1, 3° en de categorie van teeltmateriaal die het kan produceren zoals bepaald in artikel 1, 12°, conform de minimumeisen, opgesomd in bijlagen II tot en met V van dit besluit. Bijlage VI bij dit besluit geeft een overzicht van de categorieën waaronder teeltmateriaal dat van de diverse typen uitgangsmateriaal is afgeleid in de handel mag worden gebracht. Art. 7. §1.Indien het in artikel 6 bedoelde uitgangsmateriaal uit een genetisch gemodificeerd organisme in de zin van artikel 2, punt 1 en 2 van Richtlijn 2001/18/EEG van het Europees Parlement en van de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu bestaat, kan het alleen worden aanvaard indien het veilig is voor de volksgezondheid en het milieu. §2. In het geval van genetisch gemodificeerd uitgangsmateriaal als bedoeld in §1: 1° wordt een milieurisicobeoordeling uitgevoerd die gelijkwaardig is aan de beoordeling die is voorgeschreven in Richtlijn 2001/18/EEG; 192
2° kunnen de nadere technische en wetenschappelijke bijzonderheden van de uitvoering van de milieurisicobeoordeling vastgesteld worden overeenkomstig de beslissingen van de Europese instellingen. Art. 8. §1. Iedere belanghebbende die meent te beschikken over uitgangsmateriaal zoals bedoeld in artikel 6 kan een erkenningsaanvraag doen. §2. Wanneer de belanghebbende geen eigenaar is van het uitgangsmateriaal moet de erkenningsaanvraag een document bevatten waarin de eigenaar zich akkoord verklaart met de erkenning van het uitgangsmateriaal. §3. Het Instituut kan op eigen initiatief de erkenningsaanvraag voor uitgangsmateriaal zoals bedoeld in §1 en conform §2 van dit artikel doen. Art. 9. De aanvragen voor de erkenning van uitgangsmateriaal worden ingediend bij het Instituut. Het stelt hiertoe een dossier op met een wetenschappelijke beoordeling van de erkenningsaanvraag volgens de vereisten, gesteld in artikel 6 van dit besluit. Dit dossier wordt vervolgens voor beslissing voorgelegd aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het natuurbehoud. Art. 10. Het Instituut brengt de aanvrager van de erkenning schriftelijk op de hoogte van de beslissing van de Vlaamse minister, bevoegd voor het natuurbehoud. Art. 11. Voor de aanvragen tot wijziging of schrapping van uitgangsmateriaal wordt dezelfde procedure gevolgd als voor de aanvragen tot erkenning. Art. 12. §1. Het erkende uitgangsmateriaal wordt als "toegelaten eenheid" met een unieke referentiecode ingeschreven in het register. §2. Het Instituut is belast met het opstellen en het bijhouden van het register. §3. Het register kan op schriftelijke aanvraag geraadpleegd worden door derden. De aanvrager moet hiertoe een verzoekschrift indienen, gericht aan het hoofd van het Instituut. Art. 13. §1. Het Instituut maakt jaarlijks een samenvatting van het register in de vorm van een lijst volgens een gemeenschappelijk model voor iedere toegelaten eenheid. Dit model is bepaald in de Verordening (EG) Nr. 1597/2002 van de Commissie van 6 september 2002 houdende vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Richtlijn 1999/105/EG van de Raad inzake de vorm van de nationale lijsten van uitgangsmateriaal van bosbouwkundig teeltmateriaal. Voor de categorieën "van bekende origine" en "geselecteerd" kan een samenvatting van het uitgangsmateriaal op basis van de herkomstgebieden worden aangenomen. §2. In de lijst worden, naast de unieke referentiecode, de volgende uitvoerige gegevens betreffende iedere toegelaten eenheid opgenomen: 1° de botanische naam; de categorie; 2° 3° de beoogde toepassing; 4° het type uitgangsmateriaal; 5° de vermelding in het register of, in voorkomend geval, de samenvatting dan wel de individuele code van het herkomstgebied; de ligging: in voorkomend geval een bondige aanduiding, alsmede de volgende bijzonderheden: 6° a) voor de categorie "van bekende origine": een korte benaming, het herkomstgebied en de breedte- en lengtegraad (bereik); b) voor de categorie "geselecteerd": een korte benaming, het herkomstgebied en de exacte geografische positie, gedefinieerd door de lengte- en breedtegraad; c) voor de categorie "gekeurd": een korte benaming en de exacte geografische positie(s) waar het uitgangsmateriaal wordt bewaard; d) voor de categorie "getest": een korte benaming en de exacte geografische positie(s) waar het uitgangsmateriaal wordt bewaard; de hoogteligging of het hoogte-interval; 7° 8° de oppervlakte: de grootte (in ha) van een zaadbron, bestand of zaadtuin; 9° de oorsprong: er moet aangegeven worden of het uitgangsmateriaal al dan niet autochtoon/inheems is, dan wel of de oorsprong ervan onbekend is. Voor niet-autochtoon/niet-inheems uitgangsmateriaal moet, indien bekend, de oorsprong worden aangegeven; 10° voor de categorie "getest": indien het om genetisch gemodificeerd materiaal gaat, vermelding daarvan; 11° eigenaar en beheerder: naam en coördinaten; 12° plan met ligging van het uitgangsmateriaal op basis van kadastergegevens.
193
Art. 14. Na erkenning wordt het uitgangsmateriaal, bestemd voor de productie van teeltmateriaal van de categorieën "van bekende origine", "geselecteerd", "gekeurd" en "getest", minimaal om de tien jaar aan een inspectie onderworpen. De inspectie wordt georganiseerd door het Instituut. De eigenaar of beheerder moet steeds zijn volledige medewerking verlenen bij het uitvoeren van de inspecties. De erkenning vervalt indien niet langer aan de vereisten, zoals gesteld in de bijlagen II tot en met V bij dit besluit, is voldaan. Art. 15. In het belang van het behoud van de genetische plantenrijkdommen die in de bosbouw worden gebruikt, en in het belang van het duurzaam gebruik ervan door middel van het telen en in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal dat van nature is aangepast aan de lokale en regionale omstandigheden en bedreigd wordt door genetische erosie, kan de Vlaamse minister, bevoegd voor het natuurbehoud, overeenkomstig de voorwaarden vast te stellen door de beslissingen van de instellingen van de Europese Unie, afwijken van de voorschriften van artikel 6 en van de bijlagen II, III, IV en V. Art. 16. Uitgangsmateriaal voor de productie van getest teeltmateriaal kan voorlopig en voor ten hoogste 10 jaar erkend worden indien de voorlopige resultaten van de genetische evaluatie of van de vergelijkende proeven, zoals beschreven in bijlage V, doen vermoeden dat dit uitgangsmateriaal na afloop van de proeven zal voldoen aan de in dezelfde bijlage gestelde minimumeisen.
Hoofdstuk III. Afbakening van herkomstgebieden Art. 17. §1. Het Instituut bakent voor de relevante boom- en struiksoorten de herkomstgebieden af, zoals gedefinieerd in artikel 1, 7°, voor het uitgangsmateriaal, bestemd voor de productie van teeltmateriaal onder de categorieën "van bekende origine" en "geselecteerd". Deze afbakening gebeurt aan de hand van administratieve of geografische grenzen of andere relevante grenzen. §2. Met het oog op de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal afkomstig van autochtoon uitgangsmateriaal, kan het herkomstgebied verder ingedeeld worden in deelgebieden. Deze verdere indeling is gebaseerd op verschillen in ecologische groeicondities en/of verschillen in genetische samenstelling. Art. 18. De afbakening wordt weergegeven aan de hand van kaartmateriaal met daarop de aanduiding van de grenzen van de herkomstgebieden. Dit kaartmateriaal is een onderdeel van de lijst.
Hoofdstuk IV. In de handel brengen van teeltmateriaal Art. 19. Voor de productie van bosbouwkundig teeltmateriaal dat bestemd is om in de handel te worden gebracht, moet erkend uitgangsmateriaal worden gebruikt. Art. 20. Bosbouwkundig teeltmateriaal mag slechts in de handel worden gebracht: 1° onder de categorieën, volgens het type van het uitgangsmateriaal waarvan het is afgeleid, die vermeld zijn in de tabel in bijlage VI; 2° indien: a) voor de in bijlage I genoemde soorten het behoort tot de categorieën "van bekende origine", "geselecteerd", "gekeurd" of "getest" en het overeenkomstige uitgangsmateriaal voldoet aan de eisen van respectievelijk bijlage II, III, IV en V; b) voor de in bijlage I genoemde kunstmatige hybriden het behoort tot de categorieën "geselecteerd", "gekeurd" of "getest" en het overeenkomstige uitgangsmateriaal voldoet aan de eisen van respectievelijk bijlage III, IV en V; c)
voor de in bijlage I genoemde soorten en kunstmatige hybriden die vegetatief vermeerderd worden het behoort tot de categorieën "geselecteerd", "gekeurd" of "getest" en het overeenkomstige uitgangsmateriaal voldoet aan de eisen van respectievelijk bijlage III, IV en V. Teeltmateriaal van de categorie "geselecteerd" mag slechts in de handel worden gebracht indien het massaal uit zaad is geteeld;
d) voor de in bijlage I genoemde soorten en kunstmatige hybriden die geheel of gedeeltelijk uit genetisch gemodificeerde organismen bestaan, het behoort tot de categorie "getest" en het overeenkomstige uitgangsmateriaal voldoet aan de eisen van bijlage V. 3° indien het voldoet aan de relevante eisen van bijlage VII. 194
Art. 21. Bosbouwkundig teeltmateriaal mag slechts in de handel worden gebracht door leveranciers die krachtens het koninklijk besluit van 3 mei 1994 betreffende de bestrijding van voor planten en plantengewassen schadelijke organismen zijn geregistreerd. Art. 22. De Vlaamse minister, bevoegd voor het landbouwbeleid, kan onder de voorwaarden die vastgelegd kunnen worden door de instellingen van de Europese Gemeenschap, een afwijking van artikel 20 verlenen voor het in de handel brengen van de volgende passende hoeveelheden: 1° bosbouwkundig teeltmateriaal, bestemd voor tests, wetenschappelijke doeleinden, veredelingsactiviteiten of de instandhouding van genetisch materiaal; 2° zaadeenheden waarvan duidelijk is aangetoond dat ze niet voor bosbouwdoeleinden zijn bestemd. Art. 23. Conform de voorwaarden, vastgesteld in de Verordening (EG) Nr. 1602/2002 van de Commissie van 9 september 2002 houdende vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Richtlijn 1999/105/EG inzake de machtiging van lidstaten om het verkopen van gespecificeerd bosbouwkundig teeltmateriaal aan de eindgebruiker te verbieden, kan de Vlaamse minister, bevoegd voor het landbouwbeleid, op het gehele Vlaamse grondgebied of een deel daarvan, het verkopen van gespecificeerd teeltmateriaal aan de eindgebruiker met het oog op het zaaien of planten verbieden en wel om de volgende redenen: 1° het gebruik van het bedoelde teeltmateriaal zou wegens fenotypische of genetische kenmerken ervan een ongunstig effect hebben op de bosbouw, het milieu, de genetische rijkdommen of de biologische diversiteit en dit op grond van een van de volgende elementen: a) de gegevens die betrekking hebben op het gebied van herkomst of de oorsprong van het materiaal; b) de resultaten van proeven of wetenschappelijk onderzoek die op geëigende plaatsen in de Europese Gemeenschap of daarbuiten zijn uitgevoerd. 2° op grond van bekende uitkomsten van proeven, wetenschappelijk onderzoek of de resultaten van bosbouwpraktijk betreffende het overleven en ontwikkelen van planten in relatie tot morfologische en fysiologische kenmerken, zal het gebruik van het bedoelde teeltmateriaal wegens de kenmerken ervan een ongunstig effect hebben op het milieu, de genetische rijkdommen of de biologische diversiteit. Hoofdstuk V. Identiteit van het teeltmateriaal Art. 24. §1. Voor al het van erkend uitgangsmateriaal afgeleide teeltmateriaal wordt door de dienst na de oogst een basiscertificaat met de specifieke registervermelding uitgereikt dat de in bijlage VIII volgens het type uitgangsmateriaal genoemde relevante gegevens bevat. §2. Wanneer overeenkomstig artikel 25, §2, op het materiaal verdere vegetatieve vermeerdering van toepassing is, wordt een nieuw basiscertificaat uitgereikt. §3. Wanneer overeenkomstig artikel 25, §3, 1°, 2°, 3° of 5°, menging plaatsvindt, zorgt de dienst ervoor dat de registervermeldingen van de componenten van het mengsel identificeerbaar blijven en wordt voor het mengsel een nieuw basiscertificaat of een ander document ter identificatie van het mengsel uitgereikt. Art. 25. §1. Teeltmateriaal wordt in alle stadia van de productie gescheiden gehouden naar individuele toegelaten eenheden. Iedere partij teeltmateriaal wordt geïdentificeerd aan de hand van: 1° de code en het nummer van het basiscertificaat; 2° de botanische naam; 3° de categorie; 4° de beoogde toepassing; 5° het type uitgangsmateriaal; 6° de vermelding in het register of de individuele code van het herkomstgebied; 7° het herkomstgebied voor teeltmateriaal van de categorieën "van bekende origine" en "geselecteerd" en, indien passend, voor ander teeltmateriaal; 8° indien van toepassing, de vermelding of de oorsprong van het materiaal, met name autochtoon/inheems dan wel niet-autochtoon/niet-inheems dan wel of de oorsprong ervan onbekend is; 9° in het geval van de zaadeenheden, het rijpingsjaar; 10° de leeftijd en het type van het uit zaailingen of stekken bestaande plantgoed en de vermelding of het afgepende, verspeende planten of containerplanten betreft; 11° indien van toepassing, de vermelding "genetisch gemodificeerd". §2. Onverminderd §1 van dit artikel en artikel 20, 2°, c), is het toegestaan plantgoed van één enkele toegelaten éénheid in de categorieën "geselecteerd", "gekeurd" en "getest" verder vegetatief te vermeerderen. In dergelijke gevallen wordt het materiaal gescheiden gehouden en als zodanig geïdentificeerd.
195
§3. Onverminderd §1 van dit artikel zijn de volgende maatregelen van toepassing: l° binnen één enkel herkomstgebied is menging toegestaan van teeltmateriaal dat is afgeleid van twee of meer tot de categorie "van bekende origine", respectievelijk "geselecteerd" behorende toegelaten eenheden; 2° wanneer binnen één enkel herkomstgebied menging plaatsvindt van teeltmateriaal dat verkregen is uit zaadbronnen en bestanden van de categorie "van bekende origine", wordt de nieuwe gecombineerde partij als "teeltmateriaal afgeleid van een zaadbron" gecertificeerd; 3° wanneer menging plaatsvindt van teeltmateriaal dat is afgeleid van niet-autochtoon of niet-inheems uitgangsmateriaal met teeltmateriaal dat uit uitgangsmateriaal van onbekende oorsprong is verkregen, wordt de nieuwe gecombineerde partij als “van onbekende oorsprong" gecertificeerd; 4° wanneer menging plaatsvindt overeenkomstig het bepaalde in 1 , 2 en 3 , mag de individuele code van het herkomstgebied worden gebruikt in plaats van de in §1, 6°, bedoelde vermelding in het register; 5° menging van partijen die in verschillende rijpingsjaren van één enkele toegelaten eenheid zijn afgeleid, is toegestaan; 6° wanneer menging plaatsvindt overeenkomstig het bepaalde in 5°, worden de werkelijke rijpingsjaren alsmede het relatieve aandeel van het materiaal van de respectieve rijpingsjaren vermeld. Art. 26. §1. Teeltmateriaal mag slechts in de handel worden gebracht in partijen die aan het bepaalde in artikel 25 voldoen en vergezeld gaan van een etiket of een ander document van de leverancier ("het etiket of document van de leverancier") met naast de in artikel 25 vereiste gegevens de volgende gegevens: 1° het (de) nummer(s) van het (de) overeenkomstig artikel 24 uitgereikte basiscertifica(a)t(en) of een verwijzing naar het in artikel 24, §3, bedoelde andere document; 2° de naam van de leverancier en zijn registratienummer; 3° de geleverde hoeveelheid; 4° in het geval van teeltmateriaal van de categorie "getest", waarvan het uitgangsmateriaal krachtens artikel 16 werd erkend, de woorden "voorlopig erkend"; 5° of het materiaal vegetatief vermeerderd is. §2. In het geval van zaden moet het in §1 bedoelde etiket of document van de leverancier eveneens de volgende aanvullende gegevens bevatten, die voor zover mogelijk met internationaal aanvaarde beoordelingstechnieken verkregen zijn: 1° de zuiverheid: het gewichtspercentage zuiver zaad, ander zaad en inert materiaal in het als een partij zaad in de handel gebrachte product; 2° de kiemkracht: uitgedrukt in percentage zuiver zaad, indien het kiempercentage niet of niet gemakkelijk te bepalen is, het aan de hand van een nader genoemde methode bepaalde percentage levensvatbare zaden; 3° het duizendkorrelgewicht van het zuivere zaad; 4° het aantal kiemkrachtige zaden per kilogram als zaad in de handel gebracht product of, indien het aantal kiemkrachtige zaden niet of niet gemakkelijk kan worden bepaald, het aantal levensvatbare zaden per kilogram. §3. Om ervoor te zorgen dat het zaad van het lopende seizoen spoedig beschikbaar komt, is het in de handel brengen ervan toegestaan tot en met de eerste koper, ook al is het onderzoek betreffende het kiemen, bedoeld in §2, 2°, niet voltooid. De leverancier moet zo spoedig mogelijk verklaren dat voldaan is aan de voorwaarden van §2, 2° en 4°. §4. Voor geringe hoeveelheden zaad is de in §2, onder 2 en 4 , genoemde informatie niet vereist. Voor de bepaling van een geringe hoeveelheid zaad wordt de Verordening (EG) Nr. 2301/2002 van de Commissie van 20 december 2002 houdende vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Richtlijn 1999/105/EG van de Raad met betrekking tot de definitie van geringe hoeveelheden zaad toegepast. §5. In het geval van Populus spp. mogen plantendelen slechts in de handel worden gebracht, indien op het etiket of in het document van de leverancier het EG-classificatienummer is vermeld overeenkomstig bijlage VII, 3°, b), 2). §6. Indien een gekleurd etiket of document van de leverancier wordt gebruikt voor een categorie van bosbouwkundig teeltmateriaal, dan moet de kleur van het etiket of van het document van de leverancier geel zijn in het geval van teeltmateriaal "van bekende origine", groen in het geval van "geselecteerd" teeltmateriaal, roze in het geval van "gekeurd" teeltmateriaal en blauw in het geval van "getest" teeltmateriaal. §7. In het geval van bosbouwkundig teeltmateriaal dat is afgeleid van uitgangsmateriaal dat uit genetisch gemodificeerde organismen bestaat, moeten alle officiële en andere etiketten en documenten dit duidelijk vermelden. 196
Art. 27. Zaadeenheden mogen uitsluitend in gesloten verpakking in de handel worden gebracht. Het sluitingsmechanisme moet zodanig zijn dat het bij het openen van de verpakking onbruikbaar wordt. Art. 28. Indien zich in de algemene voorziening van de eindgebruiker met bosbouwkundig teeltmateriaal dat aan de eisen van dit besluit voldoet tijdelijke tekorten voordoen die niet binnen de Europese Gemeenschap kunnen worden overwonnen, kan, voor een vastgestelde periode in de tijd, bosbouwkundig teeltmateriaal van een of meer soorten dat aan minder stringente eisen voldoet, tot de handel toegelaten worden, conform de voorwaarden die vastgesteld werden door de instellingen van de Europese Gemeenschap. In dit geval vermelden de krachtens artikel 26, § 1, vereiste etiketten of documenten van de leverancier dat het betrokken materiaal aan minder stringente eisen voldoet. Art. 29. §1. Bosbouwkundig teeltmateriaal dat in een land is geoogst dat geen lid is van de Europese Unie, mag enkel in de handel gebracht worden indien de Raad vooraf heeft vastgesteld dat het in dit land geoogste materiaal dezelfde waarborgen biedt ten aanzien van de toelating van het uitgangsmateriaal en de met betrekking tot de productie met het oog op het in de handel brengen, genomen maatregelen en in dit opzicht gelijkwaardig is aan bosbouwkundig teeltmateriaal dat in de Unie is geoogst en beantwoordt aan de bepalingen van de Richtlijn 99/105/EG van 22 december 1999 betreffende het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal. §2. In afwachting van een beslissing van de Raad gelden de bepalingen die vastgesteld werden in de Beschikking van de Commissie van 21 februari 2003 houdende machtiging van de lidstaten om op grond van Richtlijn 1999/105/EG van de Raad besluiten te nemen inzake in derde landen voortgebracht bosbouwkundig teeltmateriaal. §3. Bovendien moeten, in voorkomend geval, de door de instellingen van de Europese Unie vastgestelde bijzondere voorwaarden zijn vervuld. In het bijzonder moet het ingevoerde materiaal vergezeld gaan van een door het land van oorsprong afgegeven basiscertificaat of officieel certificaat en van registers met nadere gegevens over alle voor uitvoer bestemde zendingen, te verstrekken door de leverancier in het derde land. Art. 30. §1. De Vlaamse minister, bevoegd voor het landbouwbeleid, stelt een technisch controlereglement op, op voorstel van de dienst. Dit reglement bepaalt het controlesysteem zodat de van de individuele toegelaten eenheden of partijen afgeleid teeltmateriaal duidelijk identificeerbaar blijven gedurende het hele proces van oogst tot aflevering aan de eindgebruiker. Hiertoe worden eveneens bij geregistreerde leveranciers geregeld inspecties verricht. §2. De dienst verleent administratieve bijstand voor het verkrijgen van passende informatie in het kader van de Richtlijn wanneer bosbouwkundig teeltmateriaal van de ene lidstaat naar de andere wordt overgebracht in toepassing van de Verordening (EG) Nr. 1598/2002 van de Commissie van 6 september 2002 houdende vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Richtlijn 1999/105/EG van de Raad inzake de wederzijdse administratieve bijstand tussen officiële instanties. §3. De leveranciers verstrekken de dienst registers met nadere gegevens die door de Vlaamse minister, bevoegd voor het landbouwbeleid, bepaald worden over alle in hun bezit zijnde en in de handel gebrachte zendingen. Art. 31. Overtredingen van de bepalingen in hoofdstuk II van dit besluit worden opgespoord, vastgesteld, vervolgd en bestraft overeenkomstig de bepalingen van het bosdecreet van 13 juni 1990, en de overtredingen van de overige bepalingen van het besluit volgens de wet van 11 juli 1969 betreffende de bestrijdingsmiddelen en de grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt. Hoofdstuk VI. Slotbepalingen Art. 32. Het koninklijk besluit van 14 september 1973 houdende reglementering van de handel in teeltmateriaal van bosbouwsoorten, wordt opgeheven. Art. 33. Het koninklijk besluit van 17 mei 1968 houdende inrichting van de keuring van uitgangsmateriaal en teeltmateriaal van bosbouwsoorten, wordt opgeheven op de datum van het in werking treden van het ministerieel besluit, bedoeld in artikel 30, §1. Art. 34. §1. Een overgangsperiode wordt bepaald voor de erkenning van uitgangsmateriaal voor de productie van getest teeltmateriaal van boomsoorten en hybriden die voorheen niet onder het koninklijk besluit van 17 mei 1968 houdende inrichting van de keuring van uitgangsmateriaal en teeltmateriaal van bosboomsoorten vielen. Voor de erkenning kunnen resultaten van vergelijkende proeven, die niet voldoen aan de vereisten, opgesomd in 197
bijlage V, gebruikt worden. De proeven moeten opgestart zijn vóór 1 januari 2003 en moeten aantonen dat het teeltmateriaal dat afkomstig is van het te erkennen uitgangsmateriaal van hoge kwaliteit is. De overgangsperiode om erkend te worden loopt tot 31 december 2012. §2. Een overgangsperiode wordt bepaald voor de erkenning van uitgangsmateriaal voor de productie van getest teeltmateriaal voor boomsoorten en hybriden van bijlage I waarvan de proeven voor genetische evaluatie niet voldoen aan de vereisten, opgesomd in bijlage V. De proeven moeten opgestart zijn vóór 1 januari 2003 en moeten aantonen dat het teeltmateriaal dat afkomstig is van het te erkennen uitgangsmateriaal van hoge kwaliteit is. De overgangsperiode om erkend te worden loopt tot 31 december 2012. Art. 35. Voorraden bosbouwkundig teeltmateriaal die vóór 1 januari 2003 gevormd zijn, mogen volledig in de handel worden gebracht. Art. 36. De Vlaamse minister, bevoegd voor het natuurbehoud, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het landbouwbeleid, kunnen ieder wat hem of haar betreft, mede in overeenstemming met de toekomstige ontwikkelingen vanuit de Europese instellingen, bijlage I tot VIII aanpassen. Art. 37. §1. De Vlaamse minister, bevoegd voor het natuurbehoud, kan bijlage I B en bijlage II tot en met V wijzigen voor zover deze wijziging in overeenstemming is met de Richtlijn. §2. De Vlaamse minister, bevoegd voor het landbouwbeleid, kan bijlage VII wijzigen voor zover deze wijziging in overeenstemming is met de Richtlijn. Art. 38. De Vlaamse minister, bevoegd voor het natuurbehoud, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het landbouwbeleid, zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit. Art. 39. Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. Brussel, 3 oktober 2003 De minister-president van de Vlaamse regering, Bart SOMERS De Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking, Ludo SANNEN
198
Bijlage I. Lijst van boom- en struiksoorten en kunstmatige hybriden
I. A. Boomsoorten en hun kunstmatige hybriden, verplicht onderhevig aan het besluit van de Vlaamse regering betreffende de procedure tot erkenning van bosbouwkundig uitgangsmateriaal en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal 1° 2° 3° 4° 5° 6° 7° 8° 9° 10° 11° 12° 13° 14° 15° 16° 17° 18° 19° 20° 21° 22° 23° 24° 25° 26° 27° 28° 29° 30° 31° 32° 33° 34° 35° 36° 37° 38° 39° 40° 41° 42° 43° 44° 45° 46° 47°
Abies alba Mill. Abies cephalonica Loud. Abies grandis Lindl. Abies pinsapo Boiss. Acer platanoides L. Acer pseudoplatanus L. Alnus glutinosa Gaertn. Alnus incana Moench. Betula pendula Roth. Betula pubescens Ehrh. Carpinus betulus L. Castanea sativa Mill. Cedrus atlantica Carr. Cedrus libani A. Richard Fagus sylvatica L. Fraxinus angustifolia Vahl. Fraxinus excelsior L. Larix decidua Mill. Larix x eurolepis Henry Larix kaempferi Carr. Larix sibirica Ledeb. Picea abies Karst. Picea sitchensis Carr. Pinus brutia Ten. Pinus canariensis C. Smith Pinus cembra L. Pinus contorta Loud. Pinus halepensis Mill. Pinus leucodermis Antoine Pinus nigra Arnold Pinus pinaster Ait. Pinus pinea L. Pinus radiata D. Don Pinus sylvestris L. Populus spp. en kunstmatige hybriden van die soorten Prunus avium L. Pseudotsuga menziesii Franco Quercus cerris L. Quercus ilex L. Quercus petraea Liebl. Quercus pubescens Willd. Quercus robur L. Quercus rubra L. Quercus suber L. Robinea pseudoacacia L. Tilia cordata Mill. Tilia platyphyllos Scop.
199
I. B. Boom- en struiksoorten die facultatief kunnen worden onderworpen aan het besluit van de Vlaamse regering betreffende de procedure tot erkenning van bosbouwkundig uitgangsmateriaal en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal 1° 2° 3° 4° 5° 6° 7° 8° 9° 10° 11° 12° 13° 14° 15° 16° 17° 18° 19° 20° 21° 22° 23° 24° 25° 26° 27° 28° 29° 30° 31° 32° 33° 34°
Acer campestre L. Cornus sanguinea L. Corylus avellana L. Crataegus monogyna Jacquin Crataegus laevigata (Poiret) DC Euonymus europaeus L. Hippophae rhamnoides L. Ilex aquifolium L. Juniperus communis L. Ligustrum vulgare L. Malus sylvestris Miller Mespilus germanica L. Myrica gale L. Prunus padus L. Prunus spinosa L. Rosa canina L. Rosa arvensis Hudson Rosa rubiginosa L. Rhamnus frangula Salix alba L. Salix aurita L. Salix caprea L. Salix cinerea L. Salix fragilis L. Salix purpurea L. Salix repens L. Salix x rubens Schrank Salix triandra L. Sambucus nigra L. Sorbus aucuparia L. Ulmus glabra Hudson Ulmus laevis Pallas Ulmus minor Miller Viburnum opulus L.
Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse regering van 3 oktober 2003 betreffende de procedure tot erkenning van bosbouwkundig uitgangsmateriaal en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal. Brussel, 3 oktober 2003 De minister-president van de Vlaamse regering, Bart SOMERS De Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking, Ludo SANNEN
200
Bijlage II. Minimumeisen voor de erkenning van uitgangsmateriaal bestemd voor de productie van als "van bekende origine" te certificeren teeltmateriaal 1° Het uitgangsmateriaal is een autochtone zaadbron of een autochtoon bestand; 2° Het herkomstgebied of het deelgebied hiervan alsmede de geografische ligging en de hoogteligging of het hoogte-interval van de plaats(en) waar het teeltmateriaal wordt geoogst, moeten worden aangegeven.
Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse regering van 3 oktober 2003 betreffende de procedure tot erkenning van bosbouwkundig uitgangsmateriaal en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal. Brussel, 3 oktober 2003
De minister-president van de Vlaamse regering, Bart SOMERS De Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking, Ludo SANNEN
201
Bijlage III. Minimumeisen voor de erkenning van uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van als "geselecteerd" te certificeren teeltmateriaal Enkel bestanden komen in aanmerking voor erkenning in deze categorie. 1° Oorsprong: Aan de hand van historische gegevens of op een andere passende wijze moet worden bepaald of het bestand al dan niet autochtoon, al dan niet inheems of van ongekende oorsprong is. Voor niet-autochtoon/niet-inheems uitgangsmateriaal moet de oorsprong, voor zover bekend, worden aangegeven; 2° Afzondering: de bestanden moeten voldoende ver verwijderd zijn van minderwaardige bestanden van dezelfde soort en van bestanden van verwante soorten en variëteiten waarmee de soort kan hybridiseren. Aan deze eis moet bijzondere aandacht worden besteed wanneer autochtone/inheemse bestanden door niet-autochtone of niet-inheemse bestanden of door bestanden van onbekende oorsprong worden omringd; 3° Effectieve populatieomvang: de bestanden moeten bestaan uit een of meer groepen bomen die goed gespreid zijn en voldoende talrijk zijn om adequate kruisbestuiving te garanderen. Om de ongunstige effecten van inteelt te vermijden, moeten de geselecteerde bestanden een voldoende aantal dicht bij elkaar staande bomen omvatten; 4° Leeftijd en ontwikkelingsstadium: de bestanden moeten bestaan uit bomen die een zodanige leeftijd, en ontwikkelingsstadium hebben bereikt dat een duidelijke beoordeling in het licht van de te hanteren selectiecriteria mogelijk is; 5° Homogeniteit: de bestanden moeten een normale mate van individuele morfologische variatie vertonen. Indien nodig moeten minderwaardige bomen worden verwijderd; 6° Aangepastheid: de bomen moeten aan de in het herkomstgebied heersende ecologische omstandigheden aangepast zijn; 7° Gezondheid en weerstandsvermogen: de bomen in de bestanden mogen in het algemeen niet door schadelijke organismen zijn aangetast, en moeten bestand zijn tegen de ongunstige klimaats- en omgevingsfactoren, afgezien van aantasting door milieuverontreiniging, van de standplaats; 8° Houtmassaproductie: voor de toelating van geselecteerde bestanden moet de houtmassaproductie ervan normaliter hoger zijn dan het algemeen aanvaarde gemiddelde in gelijkaardige ecologische en beheertechnische omstandigheden; 9° Houtkwaliteit: de kwaliteit van het hout moet in ieder geval in aanmerking genomen worden en kan in sommige gevallen een hoofdcriterium zijn; 10° Groeivorm en habitus: de bomen in de bestanden moeten bijzonder gunstige morfologische kenmerken vertonen, met name rechtheid en rolrondheid van de stam, een gunstig vertakkingpatroon, fijnheid van de takken en een goede natuurlijke takafstoting. Voorts moet het percentage gevorkte bomen en bomen met draaigroei gering zijn. Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse regering van 3 oktober 2003 betreffende de procedure tot erkenning van bosbouwkundig uitgangsmateriaal en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal. Brussel, 3 oktober 2003 De minister-president van de Vlaamse regering, Bart SOMERS De Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking, Ludo SANNEN
202
Bijlage IV. Minimumeisen voor de erkenning van uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van als "gekeurd" te certificeren teeltmateriaal In deze categorie kunnen slechts zaadtuinen, ouderplanten van families, klonen of mengsels van klonen worden erkend. 1° Zaadtuinen a) Type, doel, kruisingsschema, en inrichting van de percelen, componenten, mate van afzondering en locatie, alsmede alle wijzigingen daarvan. Deze gegevens moeten in het register worden opgenomen; b) De klonen of families die deel uitmaken van een zaadtuin worden geselecteerd om hun voortreffelijke eigenschappen; bijzondere aandacht wordt geschonken aan de eisen 4°, 6°, 7°, 8°, 9°en 10° van bijlage III; c) De klonen of families die deel uitmaken van een zaadtuin, worden of zijn aangeplant volgens een schema dat zodanig is opgezet dat iedere component identificeerbaar is; d) De in de zaadtuinen uitgevoerde dunningen worden beschreven; die beschrijvingen worden, met de daarbij toegepaste selectiecriteria, in het register opgenomen; e) De zaadtuinen worden op zodanige wijze beheerd, en het zaad op zodanige wijze geoogst, dat de doelstellingen van de zaadtuinen gehaald worden. Indien een zaadtuin bestemd is voor de productie van een kunstmatige hybride, moet het percentage hybride exemplaren in het teeltmateriaal aan de hand van een verificatietest worden bepaald; 2° Ouderplanten van families a) De ouderplanten worden geselecteerd om hun voortreffelijke eigenschappen, waarbij bijzondere aandacht wordt geschonken aan de eisen 4°, 6°, 7°, 8°, 9° en 10) van bijlage III, dan wel geselecteerd om hun combineerbaarheid; b) Doel, kruisingsschema en bestuivingssysteem, componenten, mate van afzondering en locatie, alsmede alle significante wijzigingen. Deze gegevens moeten in het register opgenomen worden; c) De identiteit van de ouderplanten alsmede de absolute en relatieve aantallen daarvan in een mengsel moeten in het register worden opgenomen; d) Indien de ouderplanten bestemd zijn voor de productie van een kunstmatige hybride, moet het percentage hybride exemplaren in het teeltmateriaal aan de hand van een verificatietest bepaald worden; 3° Klonen a) Klonen zullen identificeerbaar zijn aan de hand van onderscheidende kenmerken die door de dienst zijn goedgekeurd en in het register zijn opgenomen; b) De waarde van de individuele klonen wordt bepaald op basis van eerder opgedane ervaring of wordt aangetoond aan de hand van experimenteel onderzoek van voldoende lange duur; c) De voor de productie van de klonen gebruikte ortets worden geselecteerd om hun voortreffelijke eigenschappen; er wordt bijzondere aandacht geschonken aan de eisen 4°, 6°, 7°, 8°, 9° en 10° van bijlage III;
203
d) De toelating blijft beperkt tot een door het Instituut te bepalen maximaal aantal jaren of een maximaal aantal geproduceerde ramets; 4° Mengsels van klonen a) Mengsels van klonen moeten voldoen aan de eisen 3° a), 3° b) en 3° c) van bijlage IV; b) De identiteit van de klonen die deel uitmaken van het mengsel, het aantal klonen en het relatieve aandeel daarvan in een mengsel, alsmede de selectiemethode en het basismateriaal moeten in het register worden opgenomen. De genetische diversiteit van ieder mengsel moet toereikend zijn; c) De erkenning blijft beperkt tot een door het Instituut te bepalen maximaal aantal jaren of een maximaal aantal geproduceerde ramets. G ezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse regering van 3 oktober 2003 betreffende de procedure tot erkenning van bosbouwkundig uitgangsmateriaal en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal. Brussel, 3 oktober 2003 De minister-president van de Vlaamse regering, Bart SOMERS De Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking, Ludo SANNEN
204
Bijlage V. Minimumeisen voor de erkenning van uitgangsmateriaal dat bestemd is voor de productie van als "getest" te certificeren teeltmateriaal In deze categorie kunnen bestanden, zaadtuinen, ouders van families, klonen of mengsels van klonen worden erkend. 1° Eisen die voor alle tests gelden a) Algemene opmerkingen Het uitgangsmateriaal moet voldoen aan de eisen van bijlage III of IV. De tests met het oog op de toelating van uitgangsmateriaal moeten worden voorbereid, opgezet en uitgevoerd, en de resultaten ervan geïnterpreteerd, overeenkomstig internationaal erkende procedures. Bij vergelijkende tests moet het geteste teeltmateriaal met één of bij voorkeur verscheidene erkende uitgangsmaterialen c.q. voorgeselecteerde standaarden worden vergeleken; b) Te onderzoeken eigenschappen 1) De tests moeten worden opgezet met het oog op de evaluatie van specifieke eigenschappen die voor iedere test moeten worden aangegeven; 2) Er moet in passende mate belang worden gehecht aan aanpassing, groei en aan de rol van belangrijke biotische en abiotische factoren. Bovendien moeten andere eigenschappen die met het oog op de beoogde specifieke toepassing van belang worden geacht, worden geëvalueerd in het licht van de ecologische omstandigheden die heersen in het gebied waar de test wordt uitgevoerd; c) Documentatie Een beschrijving van de testlocaties, met inbegrip van de ligging, het klimaat, de bodemgesteldheid, het vorige bodemgebruik, de inrichting en het beheer alsmede eventuele schade als gevolg van abiotische en biotische factoren, moet worden opgenomen in het register. De gegevens betreffende de leeftijd van het materiaal en de op het moment van de evaluatie verkregen resultaten moeten aan het Instituut worden bezorgd; d) Opzet van de tests 1) Voor zover het type plantenmateriaal het toelaat, moet ieder monster van het teeltmateriaal op identieke wijze worden opgekweekt, geplant en verzorgd; 2) Ieder experiment moet volgens een geldig statistisch schema worden opgezet met een voldoende aantal bomen om de individuele eigenschappen van iedere onderzochte component te kunnen evalueren; e) Analyse en geldigheid van de resultaten 1) 2) 3) 4)
De experimentele gegevens moeten worden geanalyseerd met behulp van internationaal aanvaarde statistische methoden. Voor iedere onderzochte eigenschap moeten de resultaten worden gepubliceerd; De bij de test toegepaste methodiek en alle verkregen resultaten moeten openbaar worden gemaakt; Een verklaring betreffende het gebied (in het land waar de test wordt uitgevoerd) waaraan het materiaal waarschijnlijk is aangepast, alsmede de eigenschappen die de bruikbaarheid van de resultaten kunnen beperken, is eveneens vereist; Indien tijdens de tests het bewijs wordt geleverd dat het teeltmateriaal niet ten minste: i) de karakteristieke eigenschappen van het uitgangsmateriaal, alsmede; ii) eenzelfde weerstandsvermogen tegen uit economisch oogpunt belangrijke schadelijke organismen als het uitgangsmateriaal bezit, dan moet dat teeltmateriaal onmiddellijk worden geëlimineerd.
2° Eisen ten aanzien van de genetische evaluatie van de componenten van het uitgangsmateriaal
205
a) De componenten van de volgende types uitgangsmateriaal kunnen aan een genetische waardebepaling worden onderworpen: zaadtuinen, ouderplanten van families, klonen en mengsels van klonen; b) Documentatie Voor de toelating van uitgangsmateriaal zijn de volgende aanvullende gegevens vereist: 1) identiteit, oorsprong en afstamming van de beoordeelde componenten; 2) kruisingsschema dat werd gebruikt ter verkrijging van het teeltmateriaal dat in het kader van de tests wordt geëvalueerd; c) Testprocedures Aan de volgende eisen moet worden voldaan: 1) de genetische waarde van iedere component moet worden bepaald op twee of meer testlocaties, waarvan ten minste één moet worden gekenmerkt door milieuomstandigheden die relevant zijn voor de toepassing waarvoor het teeltmateriaal is bedoeld; 2) op basis van deze genetische waarden en het specifieke kruisingsschema wordt de geschatte mate van superioriteit van het teeltmateriaal dat in de handel zal worden gebracht, berekend; 3) de tests waarop de evaluatie wordt gebaseerd alsmede de genetische berekeningen moeten door de minister worden goedgekeurd; d) Interpretatie 1) De berekening van de geschatte mate van superioriteit van het teeltmateriaal geschiedt ten opzichte van een referentiepopulatie voor de betrokken eigenschap of reeks eigenschappen; 2) Er moet worden aangegeven of de geschatte genetische waarde van het teeltmateriaal voor enige belangrijke eigenschap lager is dan die van de referentiepopulatie; 3° Eisen betreffende de vergelijkende tests van teeltmateriaal a) Bemonstering van het teeltmateriaal 1) Het voor vergelijkende tests bestemde monster teeltmateriaal moet werkelijk representatief zijn voor het teeltmateriaal dat wordt afgeleid van het uitgangsmateriaal waarvoor toelating moet worden verleend; 2) Het voor vergelijkende tests bestemde teeltmateriaal dat langs geslachtelijke weg werd verkregen, moet: i) in jaren van goede bloei en goede vrucht-/zaadzetting zijn geoogst. Er mag gebruik zijn gemaakt van kunstmatige bestuiving; ii) geoogst zijn volgens methodes die garanderen dat de verkregen monsters representatief zijn; b) Standaarden 1) Van de standaarden die in de tests als vergelijkingsmateriaal worden gebruikt, moeten de prestaties in de streek waar de test wordt gepland, indien mogelijk, reeds voldoende lang bekend zijn. De standaarden bestaan in principe uit materiaal dat op het moment waarop de test wordt begonnen, zijn deugdelijkheid voor de bosbouw heeft bewezen in de ecologische omstandigheden waarvoor het te testen teeltmateriaal moet worden gecertificeerd. Ze moeten zo veel mogelijk afkomstig zijn van bestanden die aan de hand van de criteria van bijlage III werden geselecteerd, of van uitgangsmateriaal dat officieel voor de productie van getest materiaal werd erkend; 2) Indien kunstmatige hybriden aan vergelijkende tests worden onderworpen, moeten beide oudersoorten, voor zover mogelijk, deel uitmaken van de standaarden; 3) Er moeten, indien mogelijk, verscheidene standaarden worden gebruikt. Wanneer dat nodig is en te verantwoorden valt, mag in plaats van de standaarden het meest geschikte van de geteste materialen worden gebruikt; 4) Dezelfde standaarden worden in alle tests in een zo breed mogelijk spectrum van plaatselijke omstandigheden gebruikt;
206
c) Interpretatie 1) Voor ten minste één belangrijke eigenschap moet een statistisch significante superioriteit ten opzichte van de standaarden worden aangetoond; 2) Indien er eigenschappen van economisch of ecologisch belang zijn waarvoor bij het geteste materiaal significant minder goede resultaten worden vastgesteld dan bij de standaarden, moet dat duidelijk worden gerapporteerd, en moeten de effecten daarvan door de gunstige eigenschappen worden gecompenseerd; 4° Voorwaardelijke toelating Een voorlopige evaluatie van de resultaten van proeven in de beginfase kan de basis vormen van een voorwaardelijke toelating. Beweringen betreffende de superioriteit van enig materiaal die op een dergelijke vroege evaluatie berusten, moeten na ten hoogste tien jaar worden getoetst; 5° Verkennende tests Tests in kwekerijen, kassen en laboratoria kunnen door de minister met het oog op voorwaardelijke toelating of definitieve toelating worden aanvaard indien kan worden aangetoond dat er een nauwe correlatie bestaat tussen de in die omstandigheden gemeten eigenschappen en de eigenschappen die normaliter in het kader van de evaluatie van bestanden in situ worden beoordeeld. Het materiaal moet, wat de overige te testen eigenschappen betreft, voldoen aan de eisen van 3° van bijlage V. Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse regering van 3 oktober 2003 betreffende de procedure tot erkenning van bosbouwkundig uitgangsmateriaal en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal. Brussel, 3 oktober 2003 De minister-president van de Vlaamse regering, Bart SOMERS De Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking, Ludo SANNEN
207
Bijlage VI. Overzicht van de categorieën waaronder teeltmateriaal dat van de diverse typen uitgangsmateriaal is afgeleid, in de handel mag worden gebracht
Categorie bosbouwkundig teeltmateriaal Type uitgangsmateriaal Zaadbron Bestand Zaadtuin Ouderplanten van familie(s) Kloon Mengsel van klonen
Van bekende origine (geel)
Geselecteerd
Gekeurd
Getest
(groen)
(roze)
(blauw)
X X
X X X
X X
X X
X X
X
Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse regering van 3 oktober 2003 betreffende de procedure tot erkenning van bosbouwkundig uitgangsmateriaal en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal. Brussel, 3 oktober 2003 De minister-president van de Vlaamse regering, Bart SOMERS De Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking, Ludo SANNEN
208
Bijlage VII. 1° Eisen voor partijen vruchten en zaden van de in bijlage I genoemde soorten a) Een partij vruchten of zaden van de in bijlage I genoemde soorten mag niet in de handel worden gebracht, tenzij ze voor ten minste 99% soortzuiver is; b) Onverminderd het bepaalde in lid 1 moet in het geval van nauw verwante soorten van bijlage I, met uitzondering van kunstmatige hybriden, de soortzuiverheid van de partij vruchten of zaden worden vermeld indien die minder dan 99% bedraagt;
2° Eisen voor partijen plantendelen van de in bijlage I genoemde soorten en kunstmatige hybriden Plantendelen van de in bijlage I genoemde soorten en kunstmatige hybriden moeten van deugdelijke handelskwaliteit zijn. Of plantendelen van deugdelijke handelskwaliteit zijn, wordt vastgesteld op basis van hun algemene kenmerken, gezondheidstoestand en bezit van de passende afmetingen. Bij Populus spp. mag opgegeven worden dat aan de aanvullende eisen van 3° is voldaan;
3° Minimumeisen inzake de normen voor de uitwendige kwaliteit van door middel van houtstekken of poten vermeerderde Populus spp. a) Houtstekken 1) Houtstekken worden niet beschouwd als zijnde van deugdelijke handelskwaliteit indien ze een van de volgende gebreken vertonen: i) het hout is meer dan twee jaar oud; ii) ze dragen minder dan twee goed ontwikkelde knoppen; iii) ze vertonen necrosen of sporen van aantasting door schadelijke organismen; iv) ze vertonen tekenen van uitdroging, oververhitting, schimmel of rot; 2) Minimumafmetingen voor houtstekken: i) minimumlengte: 20cm ii) minimumdiameter van de top:
klasse EG 1: 8mm klasse EG 2: 10mm
b) Poten 1) Poten worden niet beschouwd als zijnde van deugdelijke handelskwaliteit indien ze een van de volgende gebreken vertonen: i) het hout is meer dan drie jaar oud; ii) ze dragen minder dan vijf goed ontwikkelde knoppen; iii) ze vertonen necrosen of sporen van aantasting door schadelijke organismen; iv) ze vertonen tekenen van uitdroging, oververhitting, schimmel of rot; v) ze vertonen andere wonden aan snoeisneden; vi) ze hebben meer dan één stam; vii) ze vertonen buitensporige stamkromming; 2) Grootteklassen voor poten Klasse Niet-mediterrane gebieden N1 N2 Mediterrane gebieden S1 S2
Minimumdoorsnee(in mm) op halve Minimumhoogte hoogte (m) 6 15
1,5 3,00
25 30
3,00 4,00
209
4° Eisen voor plantgoed van de in de lijst van bijlage I opgenomen soorten en kunstmatige hybriden Plantgoed moet van deugdelijke handelskwaliteit zijn. Of plantgoed van deugdelijke handelskwaliteit is, wordt vastgesteld aan de hand van de algemene kenmerken, gezondheidstoestand, vitaliteit en fysiologische kwaliteit ervan;
5° Eisen voor plantgoed, bestemd voor verkoop aan de eindgebruiker in gebieden met een mediterraan klimaat Plantgoed mag slechts in de handel worden gebracht, indien 95% van iedere partij van deugdelijke handelskwaliteit is. a) Plantgoed wordt geacht niet van deugdelijke handelskwaliteit te zijn indien het een van de volgende tekortkomingen vertoont: 1) andere beschadigingen dan snoeisneden of beschadigingen ten gevolge van het rooien; 2) het ontbreken van knoppen die kunnen uitgroeien tot hoofdloot; 3) het hebben van meer dan één stam; 4) een vervormd stelsel van wortels; 5) tekenen van uitdroging, oververhitting, schimmel, rot of aantasting door andere schadelijke organismen; 6) de configuratie van de planten is onevenwichtig; b) Grootte van de planten Soort
Maximumleeftijd (jaar)
Pinus halepensis
1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1
Pinus leucodermis Pinus nigra Pinus pinaster Pinus pinea Quercus ilex Quercus suber
c)
Minimumhoogte (cm) Maximumhoogte (cm) Minimumdoorsnee van de wortelhals (mm) 2 25 8 3 40 12 2 25 8 3 35 10 2 15 8 3 20 10 2 30 7 3 45 15 3 30 10 4 40 15 2 30 8 3 50 15 3 60 13
Grootte van de eventueel gebruikte container Soort
Minimuminhoud van de container (cm³)
Pinus pinaster
120
Andere soorten
200
210
Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse regering van 3 oktober 2003 betreffende de procedure tot erkenning van bosbouwkundig uitgangsmateriaal en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal. Brussel, 3 oktober 2003 De minister-president van de Vlaamse regering, Bart SOMERS De Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking, Ludo SANNEN
211
Bijlage VIII. 1° Model van het basiscertificaat van echtheid voor teeltmateriaal dat is afgeleid van ‘zaadbronnen’ en ‘bestanden’
UITGEREIKT OVEREENKOMSTIG RICHTLIJN 1999/105/EG LIDSTAAT: CERTIFICAAT Nr.EG:/(CODE LIDSTAAT)/(Nr.)…………………………. Hierbij wordt verklaard dat het hieronder omschreven bosbouwkundig teeltmateriaal werd geproduceerd: conform de EG-richtlijn □ krachtens een overgangsregeling □ 1. Botanische naam:………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………… 2. Aard van het teeltmateriaal: Zaadeenheid Plantendelen Plantgoed
□ □ □ 4. Aard van het uitgangsmateriaal: Zaadbron □ Bestand □
3. Categorie van het teeltmateriaal: Van bekende origine Geselecteerd Getest
□ □ □
5. Toepassing:…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….. 6. Nummer in het register van het betrokken land of individuele code van het uitgangsmateriaal in het nationale register:……………………………………………………/mengsel:……………………………………………………………………………………… 7.
Autochtoon Inheems
□ □
Niet-autochtoon Niet-inheems
□ □
Oorsprong onbekend
□
8. Oorsprong van het uitgangsmateriaal (voor niet-autochtoon/niet-inheems materiaal, voor zover bekend):……………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………… 9. Land van herkomst en herkomstgebied van het uitgangsmateriaal:…………………………………………………………………………… Herkomst (beknopte omschrijving, indien nodig):………………………………………………………………………………………………………………… 10.Hoogteligging of hoogte-interval van de plaats waar het uitgangsmateriaal wordt gehouden:………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………… 11.Rijpingsjaar van de zaden: ……………………………………………………………………………………………………………………………………………. 12.Hoeveelheid teeltmateriaal:………………………………………………………………………………………………………………………………………… 13.Is het materiaal waarop dit certificaat betrekking heeft, verkregen door onderverdeling van een grotere partij waarvoor eerder een EG-certificaat is afgegeven? Ja □ Neen □ Nummer vorig certificaat:…………………………………………………………………Omvang oorspronkelijke artij:……………………………………………… 14.Duur verblijf in kwekerij:………………………………………… ……………………………………………………………………………………………………………………… 15.Is het uit het zaad verkregen materiaal achteraf vegetatief vermeerderd? Vermeerderingsmethode……………………………………………………………
Ja
□
Neen
□
Aantal vermeerderingscycli………………………………………………
16.Andere relevante informatie:………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………… 17.Naam en adres van de leverancier:
Naam en adres van de officiële instantie:
Stempel van de officiële instantie:
Naam van de verantwoordelijke functionaris:
Datum:
Handtekening:
212
2° Model van het basiscertificaat van echtheid voor teeltmateriaal dat is afgeleid van zaadtuinen of ouderplanten of ouderplanten van families
UITGEREIKT OVEREENKOMSTIG RICHTLIJN 1999/105/EG LIDSTAAT: CERTIFICAAT Nr.EG:/(CODE LIDSTAAT)/(Nr.)………………………… Hierbij wordt verklaard dat het hieronder omschreven bosbouwkundig teeltmateriaal werd geproduceerd: conform de EG-richtlijn □ krachtens een overgangsregeling □ 1. a)Botanische naam:……………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………… b)Naam van het uitgangsmateriaal (als vermeld in de Catalogus):………………………………………………………………………… 2. Aard van het teeltmateriaal: Zaadeenheid Plantendelen Plantgoed
□ □ □ 4. Aard van het uitgangsmateriaal: Zaadtuin □ Ouderplanten van familie(s) □
3. Categorie van het teeltmateriaal: Gekeurd Getest
□ □
5. Toepassing:……………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………… 6. Nummer in het register van het betrokken land of individuele code van het uitgangsmateriaal in het nationale register:…………………………………………………………………………………………………………………………………………………… 7. (indien nodig) □
Autochtoon Inheems
□
Niet-autochtoon
□
Niet-inheems
□
Oorsprong onbekend
□
8. Oorsprong van het uitgangsmateriaal (voor niet-autochtoon/niet-inheems materiaal, voorzover bekend):…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………… 9. Land van herkomst en herkomstgebied van het uitgangsmateriaal:…………………………………………………………… Herkomst (beknopte omschrijving):………………………………………………………………………………………………………………………………………… 10.Zaad verkregen door: vrije bestuiving aanvullende bestuiving gecontroleerde bestuiving
□ □ □
11.Rijpingsjaar van de zaden:…………………… ……………………… 12.Hoeveelheid teeltmateriaal:……………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………. 13.Is het materiaal waarop dit certificaat betrekking heeft, verkregen door onderverdeling van een grotere partij waarvoor eerder een EG-certificaat is afgegeven? Ja □ Neen □ Nummer vorig certificaat:……………………………………………………………Omvang oorspronkelijke partij:……………………………………… 14.Duur verblijf in kwekerij:…………………………………… …………………………………………………………………………………………………………………… 16.Hoogteligging gehouden:………………….
of
–interval
van
de
15.Aantal componenten in het materiaal: Families…………………………………Klonen……………………………… plaats
waar
het
uitgangsmateriaal
wordt
17.Is bij de productie van het uitgangsmateriaal gebruik gemaakt van genetische modificatie? □ Ja □ Neen 18.Voor teelmateriaal dat is afgeleid van ouderplanten van (een)familie(s): Kruisingsschema……………………………… Minimaal en maximaal relatief aandeel (in %) van de individuele families……………………………… 19.Is het uit het zaad verkregen materiaal achteraf vegetatief vermeerderd? Ja □ Neen vermeerderingsmethode………………………………………………….aantal vermeerderingscycli……………………………………………………………………… 20.Andere relevante informatie:……………………………………………………………………………………………………………………………………………………………… 21.Naam en adres van de leverancier:
213
□
Naam en adres van de officiële instantie:
Stempel van de officiële instantie:
Naam van de verantwoordelijke functionaris:
Datum:
Handtekening:
3° Model van het basiscertificaat van echtheid voor teeltmateriaal dat is afgeleid van klonen en mengsels van klonen
UITGEREIKT OVEREENKOMSTIG RICHTLIJN 1999/105/EG LIDSTAAT: CERTIFICAAT Nr.EG:/(CODE LIDSTAAT)/(Nr.)………………………… Hierbij wordt verklaard dat het hieronder omschreven bosbouwkundig teeltmateriaal werd geproduceerd: conform de EG-richtlijn □ krachtens een overgangsregeling □ 1.a)Botanische naam:………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………… b)Naam van kloon of mengsel van klonen:…………………………………………………………………………………………………………………………… 2. Aard van het teeltmateriaal: Plantendelen Plantgoed
□ □ 4. Aard van het uitgangsmateriaal: Kloon □ Mengsel van klonen □
3. Categorie van het teeltmateriaal: Gekeurd Getest
□ □
5. Toepassing:…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………… 6. Nummer in het register van het betrokken land of individuele code van het uitgangsmateriaal in het nationale register:……………………………………………………………………………………………………………………………………………………… 7.(Indien nodig)
Autochtoon Inheems
□ □
Niet-autochtoon Niet-inheems
□ □
Oorsprong onbekend
□
8. Oorsprong van het uitgangsmateriaal (voor niet-autochtoon/niet-inheems materiaal, voor zover bekend):…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………… 9. Land van herkomst en herkomstgebied of locatie van het uitgangsmateriaal: Herkomst(beknopte omschrijving):……………………………………………………………………………………………………………………………………………… 10.Is bij de productie van het uitgangsmateriaal gebruik gemaakt van genetische modificatie? Ja □ Neen □ 11.a)Vermeerderingsmethode:…………………………………………………………… b)Aantal vermeerderingscycli:……………………………………………… 12.Hoeveelheid teeltmateriaal:……………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………. 13.Is het materiaal waarop dit certificaat betrekking heeft, verkregen door onderverdeling van een grotere partij waarvoor eerder een EG-certificaat is afgegeven? Ja □ Neen □ Nummer vorig certificaat:…………………………………………………………Omvang oorspronkelijke partij:………………………………………… 14.Duur verblijf in kwekerij:………………………………… …………………………………………………………………………… 15.Voor mengsels van klonen: Aantal klonen in het mengsel:………………………………………………………………………………… Minimaal en maximaal relatief aandeel (in precent) van de individuele klonen:………………………………………… 16.Andere relevante informatie:…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………… 17.Naam en adres van de leverancier:
214
Naam en adres van de officiële instantie:
Stempel van de officiële instantie:
Naam van de verantwoordelijke functionaris:
Datum:
Handtekening:
Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse regering van 3 oktober 2003 betreffende de procedure tot erkenning van bosbouwkundig uitgangsmateriaal en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal.
Brussel, 3 oktober 2003 De minister-president van de Vlaamse regering, Bart SOMERS De Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking, Ludo SANNEN
215
2 juni 2004 - Ministerieel besluit tot vaststelling van een technisch controlereglement betreffende het bosbouwkundig teeltmateriaal ( B.S. 17 juni 2004)
DE VLAAMSE MINISTER VAN LEEFMILIEU, LANDBOUW EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, Gelet op de wet van 11 juli 1969 betreffende de bestrijdingsmiddelen en de grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt, gewijzigd bij de wet van 21 december 1998, 5 februari 1999, 28 maart 2003 en 22 december 2003; Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 3 oktober 2003 betreffende de procedure tot erkenning van bosbouwkundig uitgangsmateriaal en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal, inzonderheid op artikel 30, §1 en 33; Gelet op het overleg tussen de gewestregeringen en de federale overheid op 3 mei 2004; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, vervangen bij de wet van 4 juli 1989 en gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996; Gelet op de dringende noodzakelijkheid; Overwegende dat het noodzakelijk is aan de betrokken operatoren de praktische uitvoering van de reglementering kenbaar te maken en hen ervan in te lichten vóór het begin van het nieuwe teeltseizoen, BESLUIT : Artikel 1. Het technisch controlereglement, bedoeld in artikel 30, §1, van het besluit van de Vlaamse regering van 3 oktober 2003 betreffende de procedure tot erkenning van bosbouwkundig uitgangsmateriaal en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal, wordt vastgesteld in de bijlage bij dit besluit als het Technisch controlereglement betreffende het bosbouwkundig teeltmateriaal. Art. 2. Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. Brussel, 2 juni 2004 De Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking,
Jef TAVERNIER
216
BIJLAGE HOOFDSTUK 1 ALGEMEENHEDEN
1.1
BETROKKEN TOEPASSINGSGEBIED
Het technisch controlereglement is verplicht van toepassing op het bosbouwkundig teeltmateriaal van de volgende boomsoorten en hun kunstmatige hybriden: Botanische benaming 1° 2° 3° 4° 5° 6° 7° 8° 9° 10° 11° 12° 13° 14° 15° 16° 17° 18° 19° 20° 21° 22° 23° 24° 25° 26° 27° 28° 29° 30° 31° 32° 33° 34° 35° 36° 37° 38° 39° 40° 41° 42° 43°
Abies alba Mill. Abies cephalonica Loud. Abies grandis Lindl. Abies pinsapo Boiss. Acer platanoides L. Acer pseudoplatanus L. Alnus glutinosa Gaertn. Alnus incana Moench. Betula pendula Roth. Betula pubescens Ehrh. Carpinus betulus L. Castanea sativa Mill. Cedrus atlantica Carr. Cedrus libani A. Richard Fagus sylvatica L. Fraxinus angustifolia Vahl. Fraxinus excelsior L. Larix decidua Mill. Larix x eurolepis Henry Larix kaempferi Carr. Larix sibirica Ledeb. Picea abies Karst. Picea sitchensis Carr. Pinus brutia Ten. Pinus canariensis C. Smith Pinus cembra L. Pinus contorta Loud. Pinus halepensis Mill. Pinus leucodermis Antoine Pinus nigra Arnold Pinus pinaster Ait. Pinus pinea L. Pinus radiata D. Don Pinus sylvestris L. Populus spp. en kunstmatige hybriden van die soorten Prunus avium L. Pseudotsuga menziesii Franco Quercus cerris L. Quercus ilex L. Quercus petraea Liebl. Quercus pubescens Willd. Quercus robur L. Quercus rubra L.
Nederlandstalige benaming (enkel indicatieve waarde): Gewone zilverspar Reuzezilverspar Noorse esdoorn Gewone esdoorn Zwarte els Grauwe els Ruwe berk, zilverberk Zachte berk Haagbeuk Tamme kastanje Atlasceder, Atlantische ceder Libanonceder Beuk Smalbladige es Gewone es Europese lork Hybride lork Goudlork, Japanse lork Siberische lork Fijnspar Sitka spar Canarische den Arve, alpenden Draaiden Aleppoden Bosnische den Zwarte den Zeeden Parasolden Montereyden Grove den, gewone den Populier Zoete kers, boskers Douglasspar, groene Douglas Moseik Steeneik Wintereik Donzige eik Zomereik Amerikaanse eik 217
44° 45° 46° 47°
Quercus suber L. Robinia pseudoacacia L. Tilia cordata Mill. Tilia platyphyllos Scop.
Kurkeik Robinia, valse acacia Winterlinde, kleinbladige linde Zomerlinde, grootbladige linde
De toepassing van dit reglement kan facultatief aangevraagd worden voor de volgende boom- en struiksoorten: Botanische benaming 1° 2° 3° 4° 5° 6° 7° 8° 9° 10° 11° 12° 13° 14° 15° 16° 17° 18° 19° 20° 21° 22° 23° 24° 25° 26° 27° 28° 29° 30° 31° 32° 33° 34°
Acer campestre L. Cornus sanguinea L. Corylus avellana L. Crataegus monogyna Jacquin Crataegus laevigata (Poiret) DC Euonymus europaeus L. Hippophae rhamnoides L. Ilex aquifolium L. Juniperus communis L. Ligustrum vulgare L. Malus sylvestris Miller Mespilus germanica L. Myrica gale L. Prunus padus L. Prunus spinosa L. Rosa canina L. Rosa arvensis Hudson Rosa rubiginosa L. Rhamnus frangula Salix alba L. Salix aurita L. Salix caprea L. Salix cinerea L. Salix fragilis L. Salix purpurea L. Salix repens L. Salix x rubens Schrank Salix triandra L. Sambucus nigra L. Sorbus aucuparia L. Ulmus glabra Hudson Ulmus laevis Pallas Ulmus minor Miller Viburnum populus L.
Nederlandstalige benaming (enkel indicatieve waarde): Spaanse aak, veldesdoorn Rode kornoelje Hazelaar Eénstijlige meidoorn Tweestijlige meidoorn Wilde kardinaalsmuts Duindoorn Hulst Jeneverbes Wilde liguster Wilde appel Mispel Wilde gagel Vogelkers Sleedoorn Hondsroos Bosroos, akkerroos Egelantier Sporkehout Schietwilg Geoorde wilg Boswilg Grauwe wilg Kraakwilg Bittere wilg Kruipwilg Bindwilg, gele bindwilg Amandelwilg Gewone vlier Wilde lijsterbes Ruwe iep (olm) Fladderiep, steeliep Gladde iep Gelderse roos
Teeltmateriaal van de soorten die vermeld zijn in bovenstaande lijsten kan niet als bosbouwkundig teeltmateriaal in de handel gebracht worden indien de herkomst ervan niet als zodanig werd gecertificeerd en het niet verder werd opgevolgd volgens de bepalingen van het reglement. Dit reglement is enkel toepasselijk op bosbouwkundig teeltmateriaal dat in de handel wordt gebracht binnen de EG.
1.2 1.2.1
BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN Bosbouwkundig teeltmateriaal: 218
Het bosbouwkundig teeltmateriaal kan van de volgende aard zijn: d) e)
zaadeenheden: kegels, vruchtgestellen, vruchten en zaden bestemd voor de productie van plantgoed; plantendelen: houtstekken, blad- en wortelstekken, explantaten of embryo’s voor microvermeerdering, knoppen, afleggers, wortels, enten, poten en plantendelen bestemd voor de productie van plantgoed;
f)
plantgoed: uit zaadeenheden, uit plantendelen of uit natuurlijke zaailingen geteelde planten.
1.2.2
Bosbouwkundig uitgangsmateriaal:
Uitgangsmateriaal kan van de volgende aard (type) zijn: a)
zaadbron: bomen in een gebied waar zaad wordt verzameld;
b)
bestand of opstand: een afgebakende, wat samenstelling betreft voldoende uniforme populatie bomen;
c)
zaadtuin of zaadgaarde: een aanplanting van geselecteerde klonen of families die wordt afgeschermd of beheerd om bestuiving door externe stuifmeelbronnen te voorkomen of te beperken en die wordt beheerd om veelvuldige, overvloedige en gemakkelijke zaadoogsten te verkrijgen;
d)
ouderplanten van een familie: bomen die voor het verkrijgen van nakomelingschap worden gebruikt door gecontroleerde of vrije bestuiving van één geïdentificeerde, als moederplant fungerende ouderplant met het stuifmeel van één ouderplant (“full-sib”-nakomelingschap) respectievelijk van een aantal andere al dan niet geïdentificeerde ouderplanten (“half-sib”-nakomelingschap);
e)
kloon: groep van individuen (ramets) die door vegetatieve vermeerdering, bijvoorbeeld door stekken, microvermeerdering, enten, afleggen of delen, van één oorspronkelijke uitgangsplant (ortet) zijn afgeleid;
f)
mengsel van klonen: een mengsel van geïdentificeerde klonen in welbepaalde verhoudingen.
1.2.3
Autochtoon bestand of autochtone zaadbron:
Bestand of zaadbron waarvan de vernieuwing gewoonlijk door continue natuurlijke regeneratie is gebeurd. Het bestand of de zaadbron mag kunstmatig zijn vernieuwd met behulp van teeltmateriaal dat uit hetzelfde bestand of dezelfde zaadbron of uit autochtone bestanden of zaadbronnen in de nabije omgeving is verkregen. 1.2.4
Inheems bestand of inheemse zaadbron:
Autochtoon bestand of autochtone zaadbron of een bestand dat of een zaadbron die kunstmatig is geteeld uit zaad waarvan de oorsprong in hetzelfde herkomstgebied gelegen is. 1.2.5
Oorsprong:
Voor een autochtoon bestand of autochtone zaadbron, de plaats waar de bomen groeien. Voor een niet-autochtoon bestand of niet-autochtone zaadbron, de plaats waarvan de zaden of planten oorspronkelijk afkomstig zijn. De oorsprong van een bestand of zaadbron kan onbekend zijn. 1.2.6
Herkomstgebied:
Voor een soort of ondersoort, het gebied of de groep gebieden waar voldoende uniforme ecologische omstandigheden heersen en waar bestanden of zaadbronnen met soortgelijke fenotypische of genetische kenmerken worden aangetroffen, zo nodig rekening houdend met de hoogtegrenzen. 1.2.7
Toegelaten eenheid:
Uitgangsmateriaal dat toegelaten is volgens de gestelde minimumeisen en als zodanig met een unieke referentiecode ingeschreven is in het register. 219
1.2.8
Register:
Register van het erkend Vlaams uitgangsmateriaal. 1.2.9
Lijst:
Lijst met het toegelaten Vlaams uitgangsmateriaal, opgemaakt aan de hand van het register. 1.2.10
Productie:
Alle stadia van het voortbrengen van de zaadeenheden, de omzetting van de zaadeenheden in zaad en de teelt van plantgoed uit zaden en plantendelen en de teelt van planten uit natuurlijke zaailingen. 1.2.11
Perceel:
Grootste eenheid, ondubbelzinnig gedefinieerd, met uniek nummer, een naam of omschrijving en een bepaalde oppervlakte. 1.2.12
Lot:
Deel van een perceel waarop alleen materiaal voorkomt waarvoor éénzelfde basiscertificaat werd afgeleverd en dat behandeld is volgens dezelfde teelttechnieken. 1.2.13
Partij:
Verzamelde eenheden van éénzelfde product en gekenmerkt door een homogene samenstelling en éénzelfde oorsprong en die éénzelfde teelttechnische behandeling gekregen hebben. 1.2.14
In de handel brengen:
Tentoonstellen met het oog op verkoop, te koop aanbieden, verkopen of leveren aan een andere persoon, met inbegrip van levering in het kader van een dienstverleningscontract. 1.2.15
Leverancier:
Elke natuurlijke of rechtspersoon die beroepshalve ten minste één van de volgende activiteiten verricht met betrekking tot teeltmateriaal: oogsten-bereiden, vermeerderen, produceren, beschermen en/of behandelen en in de handel brengen. 1.2.16
Dienst:
De Dienst Normering en Controle van de Plantaardige Productie (NCPP), bevoegd voor het toezicht op het in de handel brengen en de kwaliteit van bosbouwkundig teeltmateriaal.
1.3
CATEGORIEËN
Bosbouwkundig teeltmateriaal kan slechts tot één van de volgende categorieën toegelaten worden wanneer het bosbouwkundig uitgangsmateriaal waarvan het is afgeleid voor dezelfde categorie erkend is. Er kan enkel teeltmateriaal toegelaten worden dat tot één van deze categorieën behoort. De categorieën zijn: 1.3.1
Categorie “van bekende origine”:
220
Teeltmateriaal dat is afgeleid van uitgangsmateriaal, bestaande uit een binnen één enkel herkomstgebied gelegen zaadbron of bestand. 1.3.2
Categorie “geselecteerd”:
Teeltmateriaal dat is afgeleid van uitgangsmateriaal, bestaande uit een binnen één enkel herkomstgebied gelegen bestand, dat op populatieniveau aan een fenotypische selectie is onderworpen. 1.3.3 Categorie “gekeurd”: Teeltmateriaal dat is afgeleid van uitgangsmateriaal, bestaande uit zaadtuinen, ouderplanten van families, klonen of mengsels van klonen, waarvan de componenten individueel aan een fenotypische selectie zijn onderworpen. Een toetsing van het teeltmateriaal behoeft niet noodzakelijk te zijn begonnen of te zijn voltooid. 1.3.4
Categorie “getest”:
Teeltmateriaal dat is afgeleid van uitgangsmateriaal, bestaande uit bestanden, zaadtuinen, ouderplanten van families, klonen of mengsels van klonen. De hoge kwaliteit van het teeltmateriaal moet aangetoond zijn door middel van vergelijkende tests of door een kwantitatieve schatting van de hoge kwaliteit van het teeltmateriaal, berekend op basis van de genetische waardebepaling van de componenten van het uitgangsmateriaal. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de categorieën waaronder teeltmateriaal dat van de diverse typen uitgangsmateriaal is afgeleid, in de handel mag worden gebracht.
Categorie bosbouwkundig teeltmateriaal Type uitgangsmateriaal Zaadbron Bestand Zaadtuin Ouderplanten familie(s) Kloon Mengsel van klonen
1.4
Van bekende origine
Geselecteerd
X X
X
van
Gekeurd
Getest
X X
X X X
X X
X X
ERKENNINGEN EN VOORWAARDEN TOT ERKENNING
De controle gebeurt enkel bij de leveranciers van bosbouwkundig teeltmateriaal die door de Dienst daartoe erkend zijn: -
de oogster-bereider de producent de invoerder (uit landen die niet tot de EG behoren) de voortverkoper
Om erkend te kunnen worden moeten de leveranciers daartoe een aanvraag indienen bij de Dienst en het bewijs leveren dat zij beschikken over inrichtingen, kennis en personeel, nodig voor het uitoefenen van hun activiteiten. Door het aanvaarden van hun erkenning verbinden de leveranciers er zich toe:
221
1)
te voldoen aan alle vereisten van het KB van 3 mei 1994 met betrekking tot de schadelijke organismen zoals laatst gewijzigd;
2)
de in het reglement beschreven bepalingen op te volgen en uit te voeren en in te stemmen met de in het reglement beschreven controles door de Dienst;
3)
aan de Dienst alle materialen en middelen ter beschikking te stellen voor de controles;
4)
een transparante voorraadboekhouding te voeren en de ambtenaren van de Dienst te machtigen deze na te gaan;
5)
tijdig de jaarlijkse bijdrage en elke andere relevante vergoeding te betalen.
De erkenningen lopen van jaar tot jaar en zijn geldig van 1 juli tot 30 juni van het jaar daarop. Nochtans worden de erkenningen stilzwijgend verlengd van jaar tot jaar zolang als de opgelegde voorwaarden vervuld blijven. Ingeval van belangrijke wijzigingen aan de activiteiten of verandering van de betrokken verantwoordelijke personen moet de Dienst onmiddellijk daarvan verwittigd worden. De erkenning wordt ingetrokken wanneer de opgelegde voorwaarden niet meer vervuld zijn.
1.5
IDENTIFICATIE VAN HET TEELTMATERIAAL
Teeltmateriaal wordt in alle stadia van de productie gescheiden gehouden naar individuele toegelaten eenheden. Van iedere partij teeltmateriaal dienen de volgende identificatiegegevens gekend te zijn: a) b) c) d) e) f) g) h) i) j) k) l) m) n)
de code en het nummer van het basiscertificaat; de botanische naam; de categorie; de beoogde toepassing; het type uitgangsmateriaal; de vermelding in het register of de individuele code van het herkomstgebied; het herkomstgebied; of het materiaal autochtoon/inheems dan wel niet-autochtoon/niet-inheems is of de oorsprong onbekend is; het rijpingsjaar in het geval van de zaadeenheden; de leeftijd en het type van het uit zaailingen of stekken bestaande plantgoed en de vermelding of het afgepende, verspeende planten of containerplanten betreft; of het teeltmateriaal genetisch gemodificeerd werd; of het teeltmateriaal vegetatief vermeerderd werd; in geval van menging de vermelding in het register of de individuele code van het herkomstgebied van de componenten; in geval van menging van zaadeenheden van verschillende rijpingsjaren het relatieve aandeel van het materiaal van de respectieve rijpingsjaren.
Het beheer van de gegevens die de identificatie van het teeltmateriaal in de loop van de productie garanderen wordt verder in het reglement besproken aan de hand van de keuringsverrichtingen en de erbij horende documenten.
1.6
DOCUMENTEN
Voor zover er inhoudelijk aan dit reglement geen veranderingen aangebracht worden en er aan de doelstellingen van de EG regelgeving en van de Vlaamse regelgeving beantwoord wordt, kunnen het model van de documenten en de vormen van informatieoverdracht door de Dienst aangepast worden. 1.6.1 Het basiscertificaat Een basiscertificaat wordt opgemaakt en afgeleverd door de Dienst in de volgende gevallen: 222
bij de oogst van erkend uitgangsmateriaal bij de bewerking van teeltmateriaal dat rechtstreeks werd geoogst van erkend uitgangsmateriaal nadat teeltmateriaal onder bepaalde voorwaarden vegetatief werd vermeerderd nadat teeltmateriaal onder bepaalde voorwaarden werd gemengd en waarvoor voor ieder van de partijen voordien een basiscertificaat werd afgeleverd - nadat teeltmateriaal werd ingevoerd uit een land buiten de EG -
Het model van het certificaat verschilt naargelang het teeltmateriaal werd afgeleid van: - een zaadbron of bestand - een zaadtuin of ouderplanten van families - van klonen en mengsels van klonen
223
Het model van het basiscertificaat voor teeltmateriaal dat is afgeleid van zaadbronnen en bestanden is als volgt: UITGEREIKT OVEREENKOMSTIG RICHTLIJN 1999/105/EG LIDSTAAT:
CERTIFICAAT Nr.EG:/(CODE LIDSTAAT)/(Nr.)…………………………. Hierbij wordt verklaard dat het hieronder omschreven bosbouwkundig teeltmateriaal werd geproduceerd: conform de EG-richtlijn □ krachtens een overgangsregeling □ Botanische 1. naam:……………………………………………………………………………………………………………… ………………………………………………………………… 2. Aard van het teeltmateriaal: Zaadeenheid Plantendelen Plantgoed
□ □ □ 4. Aard van het uitgangsmateriaal: Zaadbron □ Bestand □
3. Categorie van het teeltmateriaal: Van bekende origine Geselecteerd Getest
□ □ □
5. Toepassing:…………………………………………………………………………………………………… ……………………………………………………………………………………………………….. 6. Nummer in het register van het betrokken land of individuele code van het uitgangsmateriaal in het nationale register:……………………………………………………/mengsel:………………………………………… …………………………………………… 7.
Autochtoon Inheems
□ □
Niet-autochtoon Niet-inheems
□ □
Oorsprong onbekend
□
8. Oorsprong van het uitgangsmateriaal (voor niet-autochtoon/niet-inheems materiaal, voor zover bekend):………………………………………………………………………………………………………… …………………………………………………………………………………………………………………… 9. Land van herkomst en herkomstgebied van het uitgangsmateriaal:…………………………………………………………………………… Herkomst (beknopte omschrijving, indien nodig):……………………………………………………………………………………………………………… … 10.Hoogteligging of hoogte-interval van de plaats waar het uitgangsmateriaal wordt gehouden:……………………………………………………………………………………………………… ………………………………………………………………………………………………………………… 11.Rijpingsjaar van de zaden: ……………………………………………………………………………………………………………………… ……………………. 12.Hoeveelheid teeltmateriaal:…………………………………………(bruto of netto vermelden) 224
13.Is het materiaal waarop dit certificaat betrekking heeft, verkregen door onderverdeling van een grotere partij waarvoor eerder een EG-certificaat is afgegeven? Ja □ Neen □ Nummer vorig certificaat:…………………………………………………………………Omvang oorspronkelijke partij:…………………………………………… 14.Duur verblijf in kwekerij:………………………………………… …………………………………………………………… ………………………………………………………… 15.Is het uit het zaad verkregen materiaal achteraf vegetatief vermeerderd?
Ja □
Vermeerderingsmethode…………………………………………………………… vermeerderingscycli………………………………………………
Neen □
Aantal
16.Andere relevante informatie:………………………………………………………………………………………………………… ……………………………………………………… 17.Naam en adres van de leverancier:
Naam en adres van de officiële instantie:
Stempel van de officiële instantie:
Naam van de verantwoordelijke functionaris:
Datum: Handtekening:
225
Het model van het basiscertificaat voor teeltmateriaal dat is afgeleid van zaadtuinen of ouderplanten van families is als volgt: UITGEREIKT OVEREENKOMSTIG RICHTLIJN 1999/105/EG Nr.EG:/(CODE CERTIFICAAT LIDSTAAT)/(Nr.)………………………… Hierbij wordt verklaard dat het hieronder omschreven bosbouwkundig teeltmateriaal werd geproduceerd: conform de EG-richtlijn □ krachtens een overgangsregeling □ 1. a)Botanische naam:……………………………………………………………………………………………………………… ……………………………………………………………………………… b)Naam van het uitgangsmateriaal (als vermeld in de Catalogus):………………………………………………………………………… LIDSTAAT:
2. Aard van het teeltmateriaal: Zaadeenheid Plantendelen Plantgoed
□ □ □ 4. Aard van het uitgangsmateriaal: Zaadtuin Ouderplanten van familie(s)
3. Categorie van het teeltmateriaal: Gekeurd Getest
□ □
□ □
5. Toepassing:…………………………………………………………………………………………………… ………………………………………………………………………………………………………… 6. Nummer in het register van het betrokken land of individuele code van het uitgangsmateriaal in het nationale register:………………………………………………………………………………………………………… ………………………………………… 7. (indien nodig)
Autochtoon Inheems
□ □
Niet-autochtoon Niet-inheems
□ □
Oorsprong onbekend
□
8. Oorsprong van het uitgangsmateriaal (voor niet-autochtoon/niet-inheems materiaal, voorzover bekend):………………………………………………………………………………………………………… ………………………………………………………………………………………………………………… 9. Land herkomstgebied van het van herkomst en uitgangsmateriaal:…………………………………………………………… (beknopte Herkomst omschrijving):……………………………………………………………………………………………………… ………………………………… 10.Zaad verkregen door:
11.Rijpingsjaar van ………………………
de
vrije bestuiving aanvullende bestuiving gecontroleerde bestuiving
□ □ □
zaden:……………………
12.Hoeveelheid teeltmateriaal:…………………………………………(bruto of netto vermelden) 226
13.Is het materiaal waarop dit certificaat betrekking heeft, verkregen door onderverdeling van een grotere partij waarvoor eerder een EG-certificaat is afgegeven? Ja □ Neen □ Nummer vorig certificaat:……………………………………………………………Omvang oorspronkelijke partij:……………………………………… 14.Duur verblijf in kwekerij:…………………………………… ………………………………………………………………… …………………………………………………
15.Aantal componenten in het materiaal: Families…………………………………Klone n………………………………
16.Hoogteligging of –interval van de plaats waar het uitgangsmateriaal wordt gehouden:…………………. 17.Is bij de productie van het uitgangsmateriaal gebruik gemaakt van genetische modificatie? Ja □ Neen □ 18.Voor teelmateriaal dat is afgeleid van ouderplanten van (een)familie(s): Kruisingsschema……………………………… Minimaal en maximaal relatief aandeel (in %) van de individuele families……………………………… 19.Is het uit het zaad verkregen materiaal achteraf vegetatief vermeerderd? vermeerderingsmethode………………………………………………….aantal vermeerderingscycli………………………………………………………………………
Ja
□
Neen □
20.Andere relevante informatie:………………………………………………………………………………………………………… …………………………………………………… 21.Naam en adres van de leverancier:
Naam en adres van de officiële instantie:
Stempel van de officiële instantie:
Naam van de verantwoordelijke functionaris:
Datum: Handtekening:
227
Het model van het basiscertificaat voor teeltmateriaal dat is afgeleid van klonen en mengsels van klonen is als volgt:
UITGEREIKT OVEREENKOMSTIG RICHTLIJN 1999/105/EG LIDSTAAT:
CERTIFICAAT Nr.EG:/(CODE LIDSTAAT)/(Nr.)………………………… Hierbij wordt verklaard dat het hieronder omschreven bosbouwkundig teeltmateriaal werd geproduceerd: conform de EG-richtlijn □ krachtens een overgangsregeling □ 1. a)Botanische naam:……………………………………………………………………………………………………………… ………………………………………………………………………… b)Naam van kloon of mengsel van klonen:……………………………………………………………………………………………………………… …………… 2. Aard van het teeltmateriaal: Plantendelen Plantgoed
□ □ 4. Aard van het uitgangsmateriaal: Kloon □ Mengsel van klonen □
3. Categorie van het teeltmateriaal: Gekeurd Getest
□ □
5. Toepassing:…………………………………………………………………………………………………… ……………………………………………………………………………………………………………… 6. Nummer in het register van het betrokken land of individuele code van het uitgangsmateriaal in het nationale register:………………………………………………………………………………………………………… …………………………………………… 7. (indien nodig)
Autochtoon Inheems
□ □
Niet-autochtoon Niet-inheems
□ □
Oorsprong onbekend
□
8. Oorsprong van het uitgangsmateriaal (voor niet-autochtoon/niet-inheems materiaal, voor zover bekend):………………………………………………………………………………………………………… ………………………………………………………………………………………… 9. Land van herkomst en herkomstgebied of locatie van het uitgangsmateriaal: Herkomst(beknopte omschrijving):…………………………………………………………………………………………………… ………………………………………… 10.Is bij de productie van het uitgangsmateriaal gebruik gemaakt van genetische modificatie? Ja □ Neen □ 11.a)Vermeerderingsmethode:……………………………… …………………………… b)Aantal vermeerderingscycli:………………………………………… …… 12.Hoeveelheid teeltmateriaal:…………………………………………(bruto of netto vermelden) 228
13.Is het materiaal waarop dit certificaat betrekking heeft, verkregen door onderverdeling van een grotere partij waarvoor eerder een EG-certificaat is afgegeven? Ja □ Neen □ Nummer vorig certificaat:……………………………………………………………Omvang oorspronkelijke partij:……………………………………… 14.Duur verblijf in kwekerij:………………………………… ……………………………………………………… …………………… 15.Voor mengsels van klonen: Aantal klonen in het mengsel:………………………………………………………………………………… Minimaal en maximaal relatief aandeel (in percent) van de individuele klonen:………………………………………… 16.Andere relevante informatie:………………………………………………………………………………………………………… ………………………………………………………… 17.Naam en adres van de leverancier:
Naam en adres van de officiële instantie:
Stempel van de officiële instantie:
Naam van de verantwoordelijke functionaris:
Datum: Handtekening:
1.6.2 Het kwekerijboek Het kwekerijboek wordt opgemaakt door de boomkweker en bevat minstens volgende gegevens: 1°
het teeltjaar
2°
per perceel: - perceelsnummer - perceelsnaam - een duidelijk plan met de ligging van de loten
3°
per lot: - maand en jaar van aanleg - botanische naam (Latijn) van de planten in de loten en in voorkomend geval de benaming van de kloon - aantal planten in de loten - de code en het nummer van het basiscertificaat van het materiaal waaruit de planten gekweekt worden (zaad, stekken…) of het referentienummer van het “document van de leverancier” zoals het door de leverancier in zijn voorraadboekhouding bijgehouden wordt - nadere omschrijving van de planten in de loten: zaailing, stek, geënt, verspeend, containerplant, afgepend (enkel te vermelden indien het een afwijkende cultuurmaatregel betreft), enz.
Het kwekerijboek is eigendom van de boomkweker. Het dient ter beschikking gesteld te worden van de Dienst bij de controlewerkzaamheden en het opstellen van documenten. 229
1.6.3 Het veldverslag Voor teeltmateriaal dat verder wordt opgekweekt wordt een veldverslag opgemaakt door de Dienst aan de hand van de gegevens uit het kwekerijboek, van alle documenten die het teeltmateriaal tot dan toe vergezeld hebben en/of door een controlerende instantie voor het teeltmateriaal uitgereikt werden en van de vaststellingen door de Dienst in het veld. Op dit verslag komen, per lot, de volgende gegevens voor: 1° 2° 3° 4° 5° 6° 7° 8° 9° 10° 11° 12°
de locatie van opkweek van het materiaal(perceel, plaats van het lot); de code en het nummer van het basiscertificaat; het referentienummer toegekend door de Dienst aan het “document van de leverancier” indien het basiscertificaat afgeleverd is in een ander gewest of lidstaat; de botanische naam; de categorie; het type uitgangsmateriaal; de vermelding in het register of de individuele code van het herkomstgebied; het herkomstgebied; of het materiaal autochtoon/inheems dan wel niet-autochtoon/niet-inheems is of de oorsprong onbekend is; indien van toepassing, de vermelding "genetisch gemodificeerd"; de leeftijd en het type van het uit zaailingen of stekken bestaande plantgoed en de vermelding of het afgepende (enkel te vermelden indien het een afwijkende cultuurmaatregel betreft), verspeende planten of containerplanten betreft; aantal geschatte planten.
1.6.4 Het “document van de leverancier” Algemeen Het document van de leverancier wordt opgemaakt door en onder de verantwoordelijkheid van de leverancier wanneer teeltmateriaal in de handel wordt gebracht. Dit document vergezelt steeds het teeltmateriaal en draagt een uniek nummer. Het document is wit. Aanvullende labels ter identificatie op de verpakkingen mogen gekleurd zijn. Indien ze gekleurd zijn dan kunnen enkel geel, groen, roze en blauw als kleuren gebruikt worden. De kleuren dienen om de categorieën van het teeltmateriaal aan te duiden als volgt: - geel voor de categorie “van bekende origine” - groen voor de categorie “geselecteerd” - roze voor de categorie “gekeurd” - blauw voor de categorie “getest”. Indien een label alle informatie bevat die vereist is voor een document van de leverancier wordt het beschouwd als een document van de leverancier en is de kleur wit. Dergelijk label geldt slechts als document van de leverancier voor de verpakking waar het is aangehecht. Document van de leverancier voor zaden Indien het document van de leverancier opgemaakt wordt voor zaden dienen, naast het uniek nummer, de volgende gegevens op het document voor te komen: 1) 2) 3) 4) 5)
de naam van de leverancier en zijn registratienummer; de botanische naam; de code en het nummer van het basiscertificaat(alle nummers indien er meerdere basiscertificaten afgeleverd werden); de geleverde hoeveelheid; de categorie; 230
6) 7) 8) 9) 10) 11) 12) 13) 14) 15) 16) 17)
(*)
het type uitgangsmateriaal; de vermelding in het register of de individuele code van het herkomstgebied; het herkomstgebied; of het materiaal autochtoon/inheems dan wel niet-autochtoon/niet-inheems is of de oorsprong onbekend is; het rijpingsjaar; de zuiverheid: het gewichtspercentage zuiver zaad, ander zaad en inert materiaal in de partij; het duizendkorrelgewicht van het zuivere zaad; de kiemkracht: uitgedrukt in percentage zuiver zaad, indien het kiempercentage niet of niet gemakkelijk te bepalen is, het aan de hand van een nader genoemde methode bepaalde percentage levensvatbare zaden (*); het aantal kiemkrachtige zaden per kilogram of, indien het aantal kiemkrachtige zaden niet of niet gemakkelijk kan worden bepaald, het aantal levensvatbare zaden per kilogram (*); de vermelding “bosbouwkundig teeltmateriaal” of het specifieke doeleinde; indien van toepassing, de vermelding "genetisch gemodificeerd". de woorden "voorlopig erkend" in het geval van teeltmateriaal van de categorie "getest", waarvan het uitgangsmateriaal bij uitzondering tot 31 december 2012 tot deze categorie is toegelaten.
1)
Indien het onderzoek betreffende het kiemen nog niet is afgelopen is het in de handel brengen van zaden toegestaan op de volgende voorwaarden: -
2)
het betreft een eerste koper er wordt vermeld dat dit gegeven nog niet beschikbaar is dit gegeven wordt aan de koper gemeld van zodra het beschikbaar is
Dit gegeven dient niet ingevuld te worden indien de geleverde hoeveelheid zaad niet meer bedraagt dan de hoeveelheid die is vastgelegd voor de verschillende soorten als volgt: HOEVEELHEID (IN GRAM) NAALDBOMEN Abies alba Mill. Abies cephalonica Loud. Abies grandis Lindl. Abies pinsapo Boiss. Cedrus atlantica Carr. Cedrus libani A. Richard Larix decidua Mill. Larix x eurolepis Henry Larix kaempferi Carr. Larix sibirica Ledeb. Picea abies Karst. Picea sitchensis Carr. Pinus brutia Ten. Pinus canariensis C. Smith Pinus cembra Linne Pinus contorta Loud. Pinus halepensis Mill. Pinus leucodermis Antoine Pinus nigra Arnold Pinus pinaster Ait. Pinus pinea L. Pinus radiata D. Don Pinus sylvestris L. Pseudotsuga menziesii Franco
1.200 1.800 500 1.600 2.000 2.000 170 160 100 100 200 60 500 300 7.000 90 500 600 500 1.200 10.000 800 200 300
LOOFBOMEN Acer platanoides L. Acer pseudoplatanus L. Alnus glutinosa Gaertn.
3.500 3.000 40 231
Alnus incana Moench. Betula pendula Roth Betula pubescens Ehrh. Carpinus betulus L. Castanea sativa Mill. Fagus sylvatica L. Fraxinus angustifolia Vahl. Fraxinus excelsior L. Populus spp Prunus avium L. Quercus cerris L. Quercus ilex L. Quercus petraea Liebl. Quercus pubescens Willd. Quercus robur L. Quercus rubra L. Quercus suber L. Robinia pseudoacacia L. Tilia cordata Mill. Tilia platyphyllos Scop.
20 50 50 2.500 45.000 6.000 2.000 2.000 20 4.500 40.000 40.000 40.000 40.000 40.000 40.000 40.000 500 900 2.500
De gegevens betreffende de kwaliteit van de zaden dienen, voor zover mogelijk, met internationaal aanvaarde beoordelingstechnieken verkregen te zijn.
Document van de leverancier voor ander bosbouwkundig teeltmateriaal dan zaden Indien het document van de leverancier opgemaakt wordt voor ander bosbouwkundig teeltmateriaal dan zaden dienen de volgende gegevens, naast het uniek nummer, op het document voor te komen: 1) 2) 3) 4) 5) 6) 7) 8) 9) 10) 11) 12) 13) 14) 15)
de naam van de leverancier en zijn registratienummer; de botanische naam; de code en het nummer van het basiscertificaat(alle nummers indien er meerdere basiscertificaten afgeleverd werden); de geleverde hoeveelheid; de categorie; het type uitgangsmateriaal; de vermelding in het register of de individuele code van het herkomstgebied; het herkomstgebied; of het materiaal autochtoon/inheems dan wel niet-autochtoon/niet-inheems is of de oorsprong onbekend is; de leeftijd en het type van het uit zaailingen of stekken bestaande plantgoed en de vermelding of het afgepende (enkel te vermelden indien het een afwijkende cultuurmaatregel betreft), verspeende planten of containerplanten betreft; of het materiaal vegetatief vermeerderd is; de vermelding “bosbouwkundig teeltmateriaal” of het specifieke doeleinde; indien van toepassing, de vermelding "genetisch gemodificeerd"; de woorden "voorlopig erkend" in het geval van teeltmateriaal van de categorie "getest", waarvan het uitgangsmateriaal bij uitzondering tot 31 december 2012 tot deze categorie is toegelaten; de nummers van de etiketten indien het teeltmateriaal van populieren betreft.
1.6.5 De voorraadboekhouding en registratie van gegevens Materiaal dat door de leverancier in de handel gebracht is Bij alle leveranciers die teeltmateriaal in de handel brengen zullen regelmatig, en tenminste maandelijks, door de Dienst alle gegevens met betrekking tot de documenten van de leverancier die door hen werden uitgereikt geregistreerd worden. Wanneer de wetgeving het vereist (zie punt 1.6.6 Het informatiedocument) of indien de Dienst het nodig acht voor de traceerbaarheid, dienen voor alle in de handel gebracht teeltmateriaal en aanvullend aan de gegevens van het document van de leverancier, de volgende gegevens verstrekt te worden: 232
-de datum van verzending van het materiaal -de naam en het volledig adres van de ontvanger Materiaal dat door de leverancier uit de handel betrokken is Bij alle leveranciers die teeltmateriaal uit de handel betrekken zullen regelmatig, en tenminste maandelijks, door de Dienst alle gegevens met betrekking tot de documenten van de leverancier die door hen werden ontvangen geregistreerd worden. Indien de Dienst het nodig acht voor de traceerbaarheid of ter verificatie van andere documenten, dienen voor alle uit de handel betrokken teeltmateriaal en aanvullend aan de gegevens van het document van de leverancier, de volgende gegevens verstrekt te worden: -de datum van ontvangst van het materiaal -de naam en het volledig adres van de verzender In de gevallen waar de traceerbaarheid niet voldoende kan opgevolgd worden aan de hand van de documenten kan de Dienst een eigen nummering invoeren. 1.6.6 Het informatiedocument Het informatiedocument wordt opgemaakt door de Dienst nadat teeltmateriaal door een leverancier in de handel werd gebracht in een andere lidstaat. Het wordt opgemaakt aan de hand van de gegevens die de Dienst van de leverancier ontvangt. Het model van het informatiedocument is als volgt:
233
Afgegeven overeenkomstig artikel 16, lid 2, van de Richtlijn 1999/105/EG DOCUMENT Nr……………………………………………… Verklaard wordt dat het hieronder beschreven bosbouwkundig materiaal is verzonden overeenkomstig bovengenoemde richtlijn van de EG. 1. 2. 3.
Documentnummer leverancier:…………………………………………………………………… Datum van verzending van het teeltmateriaal: …………………………………………………………………… Referentie hoofdcertificaat: ……………………………………………………………………
4.Naam en adres van de leverancier:
5.Naam en adres van de ontvanger:
6. Botanische naam: ………………………………… 7. Aard van het teeltmateriaal
9. Type uitgangsmateriaal:
a) Zaad b) Delen van planten c) Planten (met blote wortels) d) Planten (in containers)
8.
a) Zaadbron b) Opstand c) Zaadgaarde d) Ouderplanten van (een) familie(s) e) Kloon f) Mengsel van klonen
Categorie van het teeltmateriaal a) Van bekende origine b) Geselecteerd c) Gekeurd d) Getest
Voorlopig
10.Doel:………………………………………………… 11.Referentie nationaal register van het uitgangsmateriaal:…………………… 12.Autochtoon Onbekend Niet-autochtoon Inheems Niet-inheems 13.Land en herkomstgebied of ligging van het uitgangsmateriaal:……………………………… 14.Oorsprong van het uitgangsmateriaal indien niet-autochtoon of niet-inheems:…………………………… 15.Hoeveelheid teeltmateriaal:……………………… 16.Duur verblijf in de kwekerij:……………… 17. Jaar waarin het zaad is gerijpt:…………… 18.Is het uitgangsmateriaal genetisch gemodificeerd? Ja Neen 19.Heeft reeds vegetatieve vermeerdering plaatsgevonden van van het zaad verkregen materiaal? Ja Neen 20.Naam en adres van de officiële instantie
21.Naam van de bevoegde ambtenaar:
……………………………………………………… Handtekening
234
Met de bedoeling kruiscontroles te kunnen uitvoeren ontvangt de Dienst informatiedocumenten van de andere lidstaten wanneer teeltmateriaal door hun leveranciers in Vlaanderen is binnengebracht. 1.6.7 Bijzondere identificatie en bijzondere documenten Wanneer een basiscertificaat wordt uitgereikt kan de partij waarop de keuringsverrichting betrekking heeft, door de Dienst op een voor haar geschikte manier geïdentificeerd worden. Indien voor de douane een bijzonder document vereist is dient dit tijdig aan de Dienst aangevraagd te worden.
HOOFDSTUK 2 HET UITGANGSMATERIAAL Voor de soorten waarop het technisch controlereglement verplicht van toepassing is, zijn de herkomstgebieden en de toegelaten eenheden van de verschillende categorieën door alle lidstaten binnen de EG erkend. De Instellingen van de EG bepalen de voorwaarden en modaliteiten tot erkenning van herkomstgebieden en uitgangsmateriaal van landen buiten de EG. Het Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer (IBW) heeft bovendien voor het Vlaams grondgebied de herkomstgebieden en de toegelaten eenheden voor de boom- en struiksoorten waarvoor de facultatieve toepassing van dit reglement kan aangevraagd worden bepaald. Het IBW heeft voor alle soorten op het Vlaams grondgebied een register aangelegd en publiceert geregeld de lijst van het uitgangsmateriaal en van de toegelaten eenheden. Het publiceert eveneens de lijst van de toegelaten eenheden die in de andere gewesten en in de andere lidstaten gelegen zijn voor de boom- en struiksoorten waarvoor de facultatieve toepassing van dit reglement kan aangevraagd worden.
HOOFDSTUK 3 CERTIFICERING, REGISTRATIE EN CONTROLE VAN TEELTMATERIAAL
3.1 3.1.1
ZAADEENHEDEN Oogst
Wanneer zaadeenheden zullen worden geoogst van erkend uitgangsmateriaal brengt de oogster de Dienst minstens 3 werkdagen op voorhand op de hoogte van de datum waarop hij zal oogsten. Na het oogsten wordt door de Dienst voor de goedgekeurde zaadeenheid een basiscertificaat opgemaakt en worden de verpakkingen door haar verzegeld en geïdentificeerd. 3.1.2
Bereiding
Wanneer zaadeenheden zullen worden bereid, brengt de bereider de Dienst minstens 3 werkdagen op voorhand op de hoogte van de datum waarop hij het materiaal zal bereiden. Voor controle bij het bereiden mogen alleen de zaadeenheden onderworpen worden die goedgekeurd werden bij en na het oogsten. Zaadeenheden dienen voor tenminste 99% soortzuiver te zijn. Indien er menging mogelijk is tussen nauw verwante soorten en de soortzuiverheid minder dan 99% bedraagt dient dit te worden vermeld. Na de bereiding wordt voor de zaadeenheden een nieuw basiscertificaat door de Dienst opgemaakt.
235
3.1.3
Menging
Menging is onder bepaalde voorwaarden toegestaan en dient minstens 3 werkdagen op voorhand aangevraagd te worden bij de Dienst. Menging van zaadeenheden is toegestaan op voorwaarde dat het is afgeleid van toegelaten eenheden uit éénzelfde herkomstgebied en behoort tot hetzij de categorie “van bekende origine”, hetzij de categorie “geselecteerd”. Menging tussen beide categorieën is niet toegestaan. In geval van menging van zaadeenheden van de categorie “van bekende origine” dat verkregen werd uit zowel zaadbronnen als uit bestanden binnen éénzelfde herkomstgebied dient het type te worden aangeduid als “zaadbron”. Voor gemengde zaadeenheden die verkregen werden uit zowel niet-autochtoon of niet-inheems uitgangsmateriaal als uit uitgangsmateriaal van onbekende oorsprong dient de oorsprong te worden aangeduid als “onbekend”. Wanneer menging heeft plaatsgevonden zoals hierboven beschreven mag de individuele code van het herkomstgebied worden gebruikt in plaats van de vermelding in het register. Partijen die zijn afgeleid van éénzelfde toegestane éénheid en waarvan enkel het rijpingsjaar verschillend is mogen gemengd worden op voorwaarde dat voor ieder rijpingsjaar het relatieve aandeel van het materiaal voor dat jaar wordt aangegeven. Na de menging wordt voor de zaadeenheden een nieuw basiscertificaat door de Dienst opgemaakt. Het relatief aandeel van materialen van verschillende rijpingsjaren wordt aangegeven ter hoogte van de vermelding in het register of van de individuele code van het herkomstgebied. Partijen die samengebracht werden en die niet verschillen op basis van voormelde punten of geen verschillende technische behandeling hebben ondergaan zijn niet onderworpen aan een nieuw basiscertificaat. 3.1.4
In de handel brengen van zaadeenheden
Algemeen Zaadeenheden mogen uitsluitend in gesloten verpakking in de handel worden gebracht. Het sluitingsmechanisme moet zodanig zijn dat het bij het openen van de verpakking onbruikbaar wordt. Iedere levering van zaadeenheden dient voorzien te zijn door de leverancier van een document van de leverancier. Het in de handel brengen van zaad van het lopende seizoen, zonder dat het onderzoek betreffende het kiemen is voltooid, is toegestaan tot en met de eerste koper. De gegevens betreffende het document van de leverancier dienen geregistreerd te worden bij de Dienst volgens de modaliteiten van punt 1.6.5. In ontvangst nemen/aankopen Zaadeenheden die uit de handel betrokken worden dienen vergezeld te zijn van een document van de leverancier. De gegevens betreffende het document van de leverancier dienen geregistreerd te worden bij de Dienst volgens de modaliteiten van punt 1.6.5. Voortverkoop Indien de zaadeenheden, al of niet gesplitst in kleinere partijen, voortverkocht worden stelt de verkoper een nieuw document van de leverancier op waarbij de referentie naar het oorspronkelijk basiscertificaat behouden blijft. De gegevens betreffende het oude en het nieuwe document van de leverancier dienen geregistreerd te worden bij de Dienst volgens de modaliteiten van punt 1.6.5. 236
3.2
PLANTENDELEN EN PLANTEN (PLANTGOED)
3.2.1
Oogst
De oogst van plantendelen (bv. stekken) of planten (bv. natuurlijke zaailingen) en hun eventuele bereiding of menging wordt aan dezelfde procedure onderworpen als deze voor zaadeenheden. Voor de gevallen dat het voldoen aan voormelde procedures op een duidelijke wijze niet verenigbaar is met specifieke omstandigheden of technieken in de sector van de boomkwekerij zal de Dienst passende instructies opstellen. Vegetatieve vermeerdering van teeltmateriaal van individueel toegelaten eenheden in de categorieën "geselecteerd", "gekeurd" en "getest" is toegestaan. De productie van vegetatief vermeerderd teeltmateriaal van de categorie “geselecteerd” kan evenwel enkel uit massaal geproduceerde zaailingen. Na de vegetatieve vermeerdering wordt voor het teeltmateriaal een nieuw basiscertificaat door de Dienst opgemaakt. Vegetatief vermeerderd materiaal wordt gescheiden gehouden en als zodanig geïdentificeerd. 3.2.2 Veldkeuring Deze controle kan één of meerdere malen per jaar plaats vinden. Kunnen enkel aan de veldkeuring onderworpen worden, de plantendelen en planten die beantwoorden aan de fytosanitaire regelgeving en die afkomstig zijn van teeltmateriaal waarvoor een document met een verwijzing naar het basiscertificaat werd voorgelegd. De controle door de Dienst omvat drie luiken: 1)een documentencontrole 2)een identiteitscontrole 3)een fysische controle 3.2.2.1
Documentencontrole
Zowel voor plantendelen als voor planten gebeurt deze controle aan de hand van de gegevens van het basiscertificaat of van het document van de leverancier en van gegevens uit het kwekerijboek. Indien het tweejarige of méérjarige planten betreft die de leverancier zelf kweekt, overhandigt hij op vraag van de Dienst het voorafgaande veldverslag. 3.2.2.2
Identiteitscontrole
Ieder lot dient geïdentificeerd te zijn. Aan de hand van de gegevens betreffende de hoeveelheden gebruikt zaad of plantendelen en/of van de reeds in de handel gebrachte partijen teeltmateriaal wordt nagegaan of het aantal in het veld aanwezige individuen hiermee overeenstemt. 3.2.2.3
Fysische controle
Algemeen Zowel voor plantendelen als voor planten mag er geen twijfel bestaan over de zuiverheid en de handelskwaliteit ervan die bepaald wordt door de algemene kenmerken, de passende afmetingen, de goede gezondheidstoestand, de vitaliteit en de fysiologische kwaliteit van het materiaal. Populus spp.
237
Voor wat betreft houtstekken of poten van Populus spp. gelden volgende bijzondere minimumeisen voor de uitwendige kwaliteitsnormen: a) Houtstekken 3) Houtstekken dienen te voldoen aan volgende kenmerken: i) het hout mag niet meer dan twee jaar oud zijn; ii) ze moeten minstens twee goed ontwikkelde knoppen dragen; iii) ze mogen geen necrosen of sporen van aantasting door schadelijke organismen vertonen; iv) ze mogen geen tekenen van uitdroging, oververhitting, schimmel of rot vertonen. 4) Minimumafmetingen voor houtstekken: i) minimumlengte: 20cm ii) minimumdiameter van de top:
klasse EG 1: 8mm klasse EG 2: 10mm
b) Poten 1) Poten dienen te voldoen aan volgende kenmerken: i) het hout mag niet meer dan drie jaar oud zijn; ii) ze moeten minstens vijf goed ontwikkelde knoppen dragen; iii) ze mogen geen necrosen of sporen van aantasting door schadelijke organismen vertonen; iv) ze mogen geen tekenen van uitdroging, oververhitting, schimmel of rot vertonen; v) ze mogen geen andere wonden dan snoeisneden vertonen; vi) ze mogen niet meer dan een stam hebben; vii) ze mogen geen buitensporige stamkromming vertonen. 2)Grootteklassen voor poten Klasse
Minimum-doorsnee op halve hoogte (mm)
Minimumhoogte (m)
Niet-mediterrane gebieden N1 N2
6 15
1,5 3,0
Mediterrane gebieden S1 S2
25 30
3,0 4,0
Planten bestemd voor verkoop aan de eindgebruiker in gebieden met een mediterraan klimaat Dit plantgoed mag slechts in de handel worden gebracht, indien 95% van iedere partij van deugdelijke handelskwaliteit is. De volgende voorwaarden dienen daartoe vervuld: a)
Plantgoed dient te voldoen aan volgende kenmerken: 7) 8) 9) 10) 11) 12)
het mag geen andere beschadigingen dan snoeisneden of beschadigingen ten gevolge van het rooien vertonen; er moeten knoppen aanwezig zijn die kunnen uitgroeien tot hoofdloot; het mag niet meer dan een stam hebben; het wortelstelsel mag niet vervormd zijn; het mag geen tekenen van uitdroging, oververhitting, schimmel, rot of aantasting door andere schadelijke organismen vertonen; de configuratie van de planten moet evenwichtig zijn.
b) Grootte van de planten
238
Soort Pinus halepensis Pinus leucodermis Pinus nigra Pinus pinaster Pinus pinea Quercus ilex Quercus suber c)
Maximumleeftijd (jaar) 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1 2 1
Minimumhoogte (cm)
Maximumhoogte (cm)
Minimum-doorsnee van de wortelhals (mm)
8 12 8 10 8 10 7 15 10 15 8 15 13
25 40 25 35 15 20 30 45 30 40 30 50 60
2 3 2 3 2 3 2 3 3 4 2 3 3
Grootte van de eventueel gebruikte container
Soort
Minimuminhoud van de container (cm³)
Pinus pinaster
120
Andere soorten
200
3.2.3 In de handel brengen van plantendelen en planten Algemeen Kunnen enkel in de handel worden gebracht de plantendelen of planten die door de Dienst aangenomen werden bij de veldkeuring. Bij het in de handel brengen ervan stelt de boomkweker een document van de leverancier op. Plantendelen of planten, die als bosbouwkundig teeltmateriaal werden gecertificeerd en als zodanig verder werden opgevolgd doch in de handel gebracht worden voor andere doeleinden, dienen geïdentificeerd te worden volgens de bepalingen die voor die andere doeleinden van toepassing zijn. Indien deze bepalingen ontbreken gaat het materiaal vergezeld van een etiket of een document met de tekst “niet voor bosbouwkundige doeleinden”. Verkoopbare plantendelen en planten van Populus spp. worden ter identificatie bijkomend op het einde van het groeiseizoen op het veld door de leverancier van een genummerd etiket voorzien. De Dienst zal dit verifiëren. De nummers van de etiketten dienen op het document van de leverancier te worden aangebracht. In geval van poten van Populus spp. dient op het etiket het EG-classificatienummer vermeld te zijn overeenkomstig de tabel “Grootteklassen voor poten” (punt 3.2.2.3 Fysische controle). De boomkweker brengt zelf op zijn exemplaar van het veldverslag aan welke planten en hoeveel planten hij telkens van de percelen haalt en het nummer van het document van de leverancier dat hiervoor opgemaakt werd. De gegevens betreffende het document van de leverancier dienen geregistreerd te worden bij de Dienst volgens de modaliteiten van punt 1.6.5. In ontvangst nemen/aankopen Plantendelen of planten die uit de handel betrokken worden dienen vergezeld te zijn van een document van de leverancier.
239
De gegevens betreffende het document van de leverancier dienen geregistreerd te worden bij de Dienst volgens de modaliteiten van punt 1.6.5. Voortverkoop Indien de plantendelen of planten, al of niet gesplist in kleinere partijen, voortverkocht worden stelt de verkoper een nieuw document van de leverancier op waarbij de referentie naar het oorspronkelijk basiscertificaat behouden blijft. De gegevens betreffende het oude en het nieuwe document van de leverancier dienen geregistreerd te worden bij de Dienst volgens de modaliteiten van punt 1.6.5. 3.2.4 Opvolging naar het volgend teeltjaar Aan de hand van de geregistreerde gegevens van de voorraadboekhouding en van de verkopen worden de formulieren voor het volgend teeltjaar opgemaakt.
HOOFDSTUK 4 INVOER VAN BOSBOUWKUNDIG TEELTMATERIAAL UIT LANDEN BUITEN DE EUROPESE GEMEENSCHAP De invoer van bosbouwkundig teeltmateriaal van bepaalde soorten voor bepaalde categorieën en types uit landen buiten de EG is toegelaten, voor zover de landen en de specificaties van het teeltmateriaal overeenstemmen met de beslissingen van de Instellingen van de EG. Wanneer teeltmateriaal uit een land buiten de EG wordt ontvangen dient de leverancier het erbij horende herkomstdocument binnen de 5 werkdagen bij de Dienst te laten registreren. De Dienst zal aan de hand van de gegevens van dit document een basiscertificaat opmaken en afleveren.
HOOFDSTUK 5 UITVOER VAN BOSBOUWKUNDIG TEELTMATERIAAL NAAR LANDEN BUITEN DE EUROPESE GEMEENSCHAP Indien teeltmateriaal zal geoogst of geteeld worden dat bestemd is voor landen buiten de Europese Gemeenschap en waarvoor aan een bijzondere regelgeving moet voldaan worden met een tussenkomst van de Dienst, dient de leverancier dit tijdig aan de Dienst te melden. HOOFDSTUK 6 BEROEP De leverancier die een vaststelling in het kader van dit reglement betwist, kan hiertegen beroep aantekenen. De schriftelijke aanvraag daartoe moet op de Dienst toekomen binnen de 3 werkdagen na mededeling van de vaststelling opdat een nieuw onderzoek onder normale omstandigheden zou kunnen uitgevoerd worden.
240