PAGINA
Handleiding “Omgaan met conventionele explosieven uit de 2e WO binnen de gemeente Arnhem”
ONDERWERP
De handleiding is op 10 febuari 2009 door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem vastgesteld. Naar aanleiding van de evaluatie is de handleiding op 7 december 2010 opnieuw vastgesteld.
1
Handleiding “Omgaan met conventionele explosieven uit de 2e WO binnen de gemeente Arnhem” tijdens grondroerende werkzaamheden
PAGINA
Handleiding “Omgaan met conventionele explosieven uit de 2e WO binnen de gemeente Arnhem”
ONDERWERP
Oorlogshandelingen
2
Samenvatting
nee
ja
nee
Stedelijk gebied
ja
Vooroorlogse wijk
nee
ja
Hoog
Verlaagd
Verhoogd
Laag
©
> 100m3
nee
ja
Maatwerk per project
Extra maatregelen
Geen extra maatregelen Protocol “Toevalstreffer CE uit de 2e WO”
In deze handleiding “Omgaan met conventionele explosieven uit de 2e WO binnen de gemeente Arnhem” wordt beschreven hoe we omgaan met de mogelijke aanwezigheid van conventionele explosieven (CE) tijdens grondroerende werkzaamheden. Op basis van de door de jaren heen binnen Arnhem uitgevoerde historische onderzoeken wordt Arnhem in “kans van aantreffen” gebieden verdeeld. Het kan hierbij gaan om een hoge, verhoogde, verlaagde of lage kans van aantreffen gebied. Op basis van deze gebiedsindeling kan vervolgens worden aangegeven of er extra maatregelen moeten worden getroffen. ©
Wanneer het gaat om grondroerende werkzaamheden tbv een groot ondergronds project (parkeergarage, tunnel) die in de regel binnen dit gebied niet voorkomt moet er een advies aan de CE adviseur worden gevraagd.
5 5 6 7 7
3. Huidige situatie en consequenties nieuwe wet- en regelgeving 3.1 Inleiding 3.2 Bijdragebesluit (tot 1 oktober 2009) 3.3 Regeling na 1 januari 2010 3.4 Samenvatting
8 8 9 9
4. Hoe gaan we om met de mogelijke aanwezigheid van CE 4.1 Inleiding 4.2 Kans van aantreffen 4.3 Schema 4.4 Extra maatregelen
10 10 13 13
5. Uitvoering 5.1 Algemeen 5.2 Advisering kans van aantreffen conventionele explosieven 5.2.1 Ruimtelijk planproces 5.2.2 Mandatering 5.3 Openbare orde en veiligheid 5.3.1 MIP 5.4 Communicatie 5.5 Financiën
14 14 14 15 15 15 15 16
Bijlagen: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Definities en begrippen Veiligheidsafstanden Wet en regelgeving conventionele explosieven uit de 2e WO Projectgebieden binnen Arnhem Plattegrond van Arnhem met “kans van aantreffen gebieden” Beleidsregels uitvoering Bijdragebesluit kosten opsporing en ruiming conventionele explosieven Tweede Wereldoorlog 2006 (tot 1 oktober 2009) 7. Protocol “Toevalstreffer CE uit de 2e WO”
ONDERWERP
2. Conventionele explosieven uit de 2e WO 2.1 Algemeen 2.2 Risicoperceptie e 2.3 Tijdelijke opslag van conventionele explosieven uit de 2 WO 2.4 Conventionele explosieven en grondroerende werkzaamheden 2.5 Wet en regelgeving
PAGINA
4 4 4
Handleiding “Omgaan met conventionele explosieven uit de 2e WO binnen de gemeente Arnhem”
1. Inleiding 1.1 Waarom een handleiding omgaan met Conventionele Explosieven 1.2 Wat is er al gebeurd 1.3 Leeswijzer
3
Inhoudsopgave
4
PAGINA
Handleiding “Omgaan met conventionele explosieven uit de 2e WO binnen de gemeente Arnhem”
ONDERWERP
1. Inleiding 1.1 Waarom een handleiding omgaan met Conventionele Explosieven (CE) e
In en rondom Arnhem hebben tijdens de 2 WO allerlei oorlogshandelingen plaatsgevonden. Arnhem behoort dan ook tot de zwaarst getroffen regio’s uit de 2e WO. Na de 2e WO zijn veel van de explosieven opgeruimd. Daarnaast hebben er na de 2e WO allerlei grondroerende werkzaamheden plaats gevonden waarbij veel explosieven zijn aangetroffen. Deze explosieven zijn door een Explosieven OpruimingsDienst van Defensie (EODDEF) onschadelijk gemaakt en tot ontploffing gebracht. Tot 1971 is veel geruimd maar onbekend is op welke locaties CE zijn gevonden en onschadelijk gemaakt. Vanaf 1971 heeft de EODDEF bijgehouden waar binnen Arnhem CE zijn geruimd. De laatste jaren krijgen we steeds meer vragen over de mogelijke aanwezigheid en de risico’s van explosieven uit de 2e WO. De vragen komen van bedrijven die grondroerende werkzaamheden binnen Arnhem gaan uitvoeren zoals aannemers en adviesbureaus. Dit heeft enerzijds te maken met toenemende bouwactiviteiten maar ook - onder andere door de vuurwerkramp in Enschede - met de maatschappelijke ontwikkeling ten aanzien van de acceptatie van risico’s door de aanwezigheid van explosieve en gevaarlijke stoffen. In 1999 is het Bijdragebesluit in werking getreden. Hierdoor kunnen private ondernemingen opsporingswerkzaamheden uitvoeren. Voorheen werd zowel het opsporen als het ruimen door de EODDEF uitgevoerd. Op basis van dit Bijdragebesluit kan de gemeente in aanmerking komen voor een bijdrage in de kosten voor opsporingswerkzaamheden. Per 1 oktober 2009 is het Bijdragebesluit vervallen. Met ingang van 1 januari 2010 ontvangen e gemeenten de rijksfinanciering voor het opsporen van CE uit de 2 WO via een regeling in het Gemeentefonds. Deze handleiding is een nadere uitwerking van een in 2003 door het college van Burgemeester en Wethouders vastgestelde notitie over NGE (Niet gesprongen explosieven). De notitie uit 2003 was te algemeen van opzet en daardoor in praktijksituaties onvoldoende toe te passen. Daarnaast is op 1 januari 2007 de Beoordelingsrichtlijn “Opsporen van conventionele explosieven”(BRL-OCE) voor gecertificeerde aannemers in werking getreden. Daarom is deze handleiding opgesteld waarbij ook de laatste ontwikkelingen op het gebied van CE uit de 2e WO zijn meegenomen. Het uitgangspunt van deze handleiding is dat er binnen Arnhem tijdens grondroerende werkzaamheden altijd een kans op het aantreffen van CE is. Door deze handleiding zal de huidige werkwijze niet fundamenteel veranderen alleen is Arnhem nu verdeeld in “kans van aantreffen gebieden”. Het gaat dan om een hoge, verhoogde, verlaagde en lage kans van aantreffen van CE tijdens grondroerende werkzaamheden. Op basis van deze indeling kan worden aangegeven of er extra maatregelen moeten worden getroffen.
1.2 Wat is er al gebeurd Op 9 december 2003 is door het college van Burgemeester en Wethouders de notitie preventief onderzoek (opsporen en verwijderen) van Niet Gesprongen Explosieven (NGE) uit de 2e WO binnen de gemeente Arnhem vastgesteld. Er wordt nu niet meer gesproken over NGE (Niet Gesprongen Explosieven) maar over CE (Conventionele Explosieven). De basis van deze notitie is dat we door middel van een risicoafweging aangeven of er preventief naar CE moet worden gezocht. Deze risicoafweging is onder andere gebaseerd op historisch onderzoek, grondwerkzaamheden na de 2e WO en de uit te voeren grondroerende werkzaamheden. In deze risicoafweging is niet de explosiviteit van het CE dat al jaren in de grond zit meegenomen. Hiernaar is landelijk nog onvoldoende onderzoek gedaan. In de praktijk blijkt bovengenoemde notitie niet voor alle situaties toepasbaar te zijn. Deze handleiding is een verdere uitwerking van de notitie.
1.3 Leeswijzer
In hoofdstuk 4 van deze handleiding “Omgaan met conventionele explosieven uit de 2e WO binnen de gemeente Arnhem” wordt de risicoafweging verder uitgewerkt. Hierdoor kan op een eenduidige manier worden aangeven hoe we omgaan met de mogelijke aanwezigheid van CE. In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op wat we weten over de risico’s van CE en de wettelijke achtergronden. In hoofdstuk 3 geven we aan wat de consequenties zijn van de op 1 januari 2007 in werking getreden Beoordelingsrichtlijn Opsporen Conventionele Explosieven (BRLOCE). In hoofdstuk 5 zal verder worden ingegaan op de uitvoering zoals de advisering, communicatie en financiën.
5
PAGINA
Handleiding “Omgaan met conventionele explosieven uit de 2e WO binnen de gemeente Arnhem”
ONDERWERP
2. Conventionele Explosieven 2.1 Algemeen Conventionele explosieven zijn explosieven die niet als zelfgemaakt, nucleair, biologisch of chemisch kunnen worden aangemerkt. CE zijn gemaakt voor oorlogsdoeleinden. Over de risico’s van CE uit de 2e WO - die al ruim 60 jaar in de bodem liggen - is niet veel te zeggen. Het is aannemelijk dat de explosiviteit is afgenomen maar de explosiviteit kan ook juist zijn e toegenomen. De werking van CE uit de 2 WO is gedurende de jaren dus minder voorspelbaar geworden. CE worden bij mensen nog vaak als zeer risicovol ervaren. De kans om te overlijden ten gevolge van een verkeersongeluk is echter nog altijd vele malen groter dan de kans op het aantreffen van CE met een ongeval als gevolg. Vooral direct na de 2e WO hebben zich in Nederland ongevallen met dodelijke afloop voorgedaan. Deze ongevallen vonden plaats tijdens het opruimen en onklaar maken van CE e uit de 2 WO. Het laatste ongeval dateert uit 1972. Binnen Arnhem hebben zich geen ongevallen met dodelijke afloop voorgedaan. Ook zijn er sporadisch slachtoffers gevallen doordat burgers met behulp van een metaaldetector explosieven aantroffen en dit vervolgens thuis zelf gingen demonteren. Dat er tijdens het uitvoeren van grondroerende werkzaamheden wat kan gebeuren blijkt uit een ongeval in Duitsland (2006). Een wegwerker heeft tijdens werkzaamheden met een freesmachine een bom uit de 2e WO geraakt. Hierdoor is de bom ontploft waardoor de freesmachine in twee stukken is gebroken. De wegwerker is hierbij omgekomen. Deze incidenten zijn zeldzaam maar zijn niet uit te sluiten.
2.2
Risicoperceptie Mensen lopen bepaalde risico’s in hun leven. Risicoperceptie is de beleving van deze risico’s. Een vrijwillig genomen risico zoals bergbeklimmen of roken zal makkelijker worden aanvaard dan een even groot maar niet vrijwillig genomen risico. Risico is de kans dat iets op kan treden maal het effect (dodelijke slachtoffers). De overheid hanteert risiconormen. Hierbij wordt rekening gehouden met het feit dat frequent optredende gebeurtenissen elk met een klein aantal doden (wegverkeersongevallen) gemakkelijker aanvaard worden dan minder vaak optredende gebeurtenissen elk met een groot aantal doden (vliegverkeersongevallen). Terwijl het aantal doden per jaar voor de eerste soort ongevallen veel groter zal zijn.
De indeling van gevaarlijke stoffen – waaronder CE - vindt plaats volgens de Europese overeenkomst ADR voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg. Het ADR kent dertien klassen van gevaarlijke stoffen. ADR klasse 1 “Ontplofbare stoffen en voorwerpen” is onder andere van toepassing op CE, munitie maar ook vuurwerk. Klasse 1 is op basis van hun kenmerk weer onderverdeeld in subklassen. In onderstaande tabel staan de verschillende subklassen met hun belangrijkste kenmerk. CE behoren tot subklasse 1.1. Subklasse 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
Kenmerk (reactie op invloeden van buiten) Massa-explosie Scherfwerking Massabrand met intense warmtestraling Geen/gering warmtestraling Zeer weinig gevoelige stoffen
Het kenmerk (effect) van subklasse 1.1. is een massa-explosie die kan bestaan uit fysische effecten zoals een optredende luchtschok (overdruk effect), de uitworp van brokstukken en scherven en hitte. De omvang van deze fysische effecten hebben een relatie met de hoeveelheid ontplofbare stof die aanwezig is. Bij stoffen of voorwerpen die tot de ADR klasse 1 behoren is een effectgerichte benadering nodig. Dit in tegenstelling tot de giftige en brandbare vloeistoffen en gassen. Deze stoffen hebben een risicobenadering. Bij een risicobenadering hou je naast het effect ook nog rekening met de kans dat iets op kan treden. De reden van deze effectgerichte benadering bij explosieve stoffen is dat een explosie zeer plotseling en zonder waarschuwing vooraf kan optreden en dat de effecten ook momentaan optreden. Daardoor is er geen tijd om tot ontruiming over te gaan. Indien er tijdens grondroerende werkzaamheden een conventioneel explosief wordt aangetroffen zal deze veilig worden gesteld door de aannemer en vervolgens ter plaatse door de EODDEF worden gedemonteerd en - bij aanwezigheid van bebouwing – worden overgebracht naar een tijdelijke opslag. Vervolgens worden de ingezamelde explosieven tot ontploffing gebracht. Dit noemen we gecontroleerde vernietiging.
ONDERWERP
2.3 Tijdelijke opslag van conventionele explosieven uit de 2e WO
PAGINA
Kans op overlijden per jaar 10-3 = 0,1% 10-4 = 0,01% 10-6 = 0,0001% 10-6 = 0,0001% 10-7 = 0,00001% 10-? = 0,00………
Handleiding “Omgaan met conventionele explosieven uit de 2e WO binnen de gemeente Arnhem”
Activiteit/Gebeurtenis roken wegverkeer vliegverkeer aardbeving bliksem conventioneel explosief
6
Over de risico’s van CE uit de 2e WO zowel tijdens het uitvoeren van grondroerende werkzaamheden en vervolgens gedurende de opslag is niet veel te zeggen, omdat er nog niet e veel onderzoek naar is verricht. Daarnaast zijn er door de aanwezigheid van CE uit de 2 WO binnen Arnhem nog geen grote incidenten geweest. Het feitelijke risico van CE is niet hoog. In de beleving van mensen is het risico (gepercipieerde risico) van een conventioneel explosief uit de 2e WO wel hoog. Vindt er een ongeval plaats door de aanwezigheid van een e conventioneel explosief uit de 2 WO dan kan dit enige impact hebben. Een ongeval met een conventioneel explosief zal sneller de publiciteit halen dan een verkeersongeval. De kans om te overlijden door de aanwezigheid van CE zal vele malen kleiner zijn dan de kans om te overlijden door een verkeersongeval. Naast een geringe kans van aantreffen is er ook nog een geringe kans op het daadwerkelijk exploderen van het aangetroffen conventionele explosief waarbij het ook nog uitmaakt of er een bom of granaat wordt aangetroffen. Het jaarlijkse risico van overlijden in de rijke industrielanden door een bepaalde activiteit of gebeurtenis waaraan men is blootgesteld ziet er - in onderstaande tabel - als volgt uit. CE zal onderaan in deze tabel komen te staan.
7
PAGINA
Handleiding “Omgaan met conventionele explosieven uit de 2e WO binnen de gemeente Arnhem”
ONDERWERP
Voor de tijdelijke opslag van CE en de hierbij in acht te nemen veiligheidsafstanden (bijlage 2) tot objecten kan gebruik worden gemaakt van de Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Door het treffen van extra veiligheidsmaatregelen kunnen deze afstanden worden verkleind. Voor de veiligheidsafstanden (bijlage 2) tijdens demontagewerkzaamheden en gecontroleerde vernietiging moet gebruik worden gemaakt van de afstanden zoals genoemd in de Ministeriële Publicatie 40-45 (MP 40-45)1.
2.4 Conventionele explosieven en grondroerende werkzaamheden. Over het risico van CE tijdens grondroerende werkzaamheden is niet altijd wat te zeggen. Er is een kans op het aantreffen van een conventioneel explosief. Onduidelijk is wat gedurende jaren de invloed van geofysische bodemomstandigheden op het explosief is geweest. Door roestvorming kan het ontstekingsmechanisme onbetrouwbaar zijn geworden. Daarnaast kan de stabiliteit van de springstof veranderd zijn. Dit zijn allemaal factoren die van invloed zijn op het effect van een explosief dat al ongeveer 60 jaar in de bodem ligt. Dit betekent dat de risico’s van CE moeilijk zijn in te schatten. Het risico kan grotendeels worden weggenomen door altijd – voordat er grondroerende werkzaamheden plaatsvinden - preventief naar CE te zoeken. Het nadeel hiervan is dat dit hoge kosten met zich meebrengt. Daarnaast zullen de projecten ernstige vertraging oplopen. De kosten zijn dan wel voor maximaal 80% subsidiabel maar van de kosten komt eerst een drempelbedrag (€ 2,5 per inwoner van Arnhem) voor rekening van het project. De kosten die na aftrek van het drempelbedrag overblijven komen voor subsidie in aanmerking. Overigens valt een gedeelte van Arnhem nog onder de oude subsidieregeling van 90% (zie paragraaf 3.2). Dit betekent dat het kan voorkomen dat de kosten voor het preventief opsporen van CE hoger uitvallen dan de overige projectkosten. In dit soort gevallen is het de vraag of de kosten opwegen tegen de eventuele risico’s van CE. Daarom hebben we er niet voor gekozen om altijd preventief naar CE te zoeken maar het aantreffen van CE zoveel mogelijk uit te sluiten door vooraf onderzoek te doen naar de mogelijke aanwezigheid van CE en door het treffen van eventuele voorzorgsmaatregelen. In hoofdstuk 4 zal dit verder worden uitgewerkt.
2.5 Wet en regelgeving Landelijke wet- en regelgeving met betrekking tot CE betreft vooral de Gemeentewet, Wet rampen en zware ongevallen, Arbeidsomstandighedenbesluit, het Bijdragebesluit 2006, de Beoordelingsrichtlijn “Opsporen van conventionele explosieven” (BRL-OCE) en de Wet milieubeheer (bijlage 3). De Gemeentewet geeft aan waar de beslissingsbevoegdheid om al dan niet naar CE te zoeken ligt en wie in het kader van de openbare orde en veiligheid verantwoordelijk is. In de Wet rampen en zware ongevallen is opgenomen dat indien sprake is van grote risico’s voor de bevolking als gevolg van de (vermoede) aanwezigheid van CE de gemeente in aanmerking kan komen voor een rijkssubsidie. Deze subsidiemogelijkheid staat omschreven in het Bijdragebesluit 2006. Per 1 oktober 2009 is het Bijdragebesluit vervallen en ontvangen gemeenten het geld via een regeling in het Gemeentefonds. Een gemeente komt namelijk alleen voor deze subsidie in aanmerking als het explosievenonderzoek door BRL-OCE gecertificeerde aannemers wordt uitgevoerd. De medewerkers van deze aannemers moeten gekwalificeerd zijn om de werkzaamheden met betrekking tot CE uit te voeren. De eisen waaraan de aannemers moeten voldoen staan in de BRL-OCE (Beoordelingsrichtlijn “Opsporen van conventionele explosieven”). Deze certificeringregeling is ook opgenomen in het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit). De Wet milieubeheer is van toepassing op de tijdelijke opslag van CE - netto explosieve massa meer dan 1 kg - in een depot dat vervolgens in een springput tot ontploffing kan worden gebracht. Voor opslagen korter dan een half jaar is een gedoogbesluit nodig. Aan dit gedoogbesluit zijn voorwaarden verbonden. Deze voorwaarden zijn dezelfde als bij een milieuvergunning alleen is de procedure voor een gedoogbesluit korter. Een uitzondering op dit gedoogbesluit vormt de opslag van CE met een netto-explosieve massa van maximaal 10 kg. In dit geval is er geen gedoogbesluit nodig maar wordt er aangesloten bij de eisen voor een opslagvoorziening voor het tijdelijk veilig stellen van CE (tot maximaal 10 kg) zoals die staan vermeld in bijlage 7 van de BRL-OCE.
1
De Ministeriële Publicatie 40-45 (MP 40-45) is in concept en nog niet vastgesteld.
PAGINA
Handleiding “Omgaan met conventionele explosieven uit de 2e WO binnen de gemeente Arnhem”
ONDERWERP
Huidige situatie en consequenties nieuwe wet en regelgeving
8
3
3.1 Inleiding Omdat bij de sector Stadsingenieurs de projectvoorbereiding plaatsvindt – en er vaak vragen over CE binnenkomen - is hier door de jaren heen kennis opgebouwd over CE. De sector adviseert (in- en externen) over de mogelijke aanwezigheid van CE op een bepaalde locatie. Voor deze locatie wordt een risicoanalyse uitgevoerd. De risicoanalyse bestaat, naast een e historisch onderzoek, uit een onderzoek naar grondroerende werkzaamheden die na de 2 WO op deze locatie hebben plaatsgevonden. Ook wordt in de risicoanalyse de uit te voeren werkzaamheden (bijvoorbeeld heiwerkzaamheden) meegenomen. De risicoanalalyse zegt nog niets over de risico’s van CE die al jaren in de grond zitten. Hiernaar is nog onvoldoende onderzoek gedaan. Het uiteindelijke advies is gebaseerd op deze risico analyse. In het advies wordt aangeven of er preventief naar CE moet worden gezocht. Als er daadwerkelijk naar CE moet worden gezocht gaat de BRL-OCE gecertificeerde aannemer aan de slag. De gecertificeerde aannemer houdt tijdens de grondroerende werkzaamheden rekening met de mogelijke aanwezigheid van CE. Het preventief onderzoeken naar CE brengt extra kosten met zich mee waarvoor tot 1 oktober 2009 subsidie kon worden aangevraagd. Met ingang van 1 januari 2010 ontvangen gemeenten geld via een regeling in het Gemeentefonds.
3.2 Bijdragebesluit (tot 1 oktober 2009) Voor het opsporen van CE kan de gemeente subsidie aanvragen bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK). Het bedrag dat ieder jaar voor gemeenten beschikbaar komt voor het opsporen en ruimen van CE wordt jaarlijks door de minister van Binnenlandse Zaken vastgesteld. De subsidie wordt alleen toegekend als de opsporingswerkzaamheden zijn aangemeld vóór aanvang van de graafwerkzaamheden. Particulieren die voor subsidie in aanmerking willen komen kunnen dit via de gemeente aanvragen. Met ingang van 1 mei 2006 is de uitvoering van de subsidieaanvraag ondergebracht bij het agentschap Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). Het ministerie van BZK blijft beleidsmatig (zorg adequate regelgeving, opnemen van het subsidiebedrag in de begroting) verantwoordelijk voor de subsidieregeling. De kosten voor opsporing van CE zijn niet geheel declarabel. Er is namelijk per aangemeld projectgebied een niet declarabel deel (drempelbedrag) en een declarabel deel. Het niet declarabele deel (drempelbedrag) wordt bepaald door het aantal inwoners van de gemeente Arnhem en bedraagt € 2,5 per inwoner (prijspeil vanaf 2003). Over het declarabele deel kan maximaal 80% subsidie worden verkregen. Deze maximale subsidie van 80% geldt met ingang van 1 januari 2003. Tot 1 januari 2003 werd voor het bepalen van het drempelbedrag uitgegaan van een bedrag van € 0,35 per inwoner – met een maximum van 100.000 gulden - en een maximale subsidie van 90%. De gemeente Arnhem heeft voor 1 januari 2003 een aantal projectgebieden (zie bijlage 4) aangewezen en aangemeld bij het ministerie van BZK. Voor deze gebieden is de oude subsidieregeling nog van toepassing. Voor projecten binnen de gebieden die nog niet zijn aangemeld is de nieuwe subsidieregeling van toepassing. Dit betekent dat voor deze projecten een niet declarabel deel (drempelbedrag) van € 350.000 geldt. Deze kosten maken onderdeel uit van de totale projectkosten. Bij de subsidieaanvraag moet ook het procescertificaat (opsporen van conventionele explosieven) van het bedrijf worden gevoegd. In de Beleidsregels uitvoering Bijdragebesluit kosten opsporing en ruiming explosieven Tweede Wereldoorlog 2006 staat vermeld welke kosten wel en welke kosten niet voor subsidie in aanmerking komen (bijlage 6). Het daadwerkelijk onschadelijk maken van aangetroffen explosieven (het ruimen) is nog steeds exclusief voorbehouden aan de EODDEF.
9
PAGINA
Handleiding “Omgaan met conventionele explosieven uit de 2e WO binnen de gemeente Arnhem”
ONDERWERP
BRL-OCE Met ingang van 1 januari 2007 is er een certificeringregeling (BRL-OCE) gekomen voor bedrijven die opsporingswerkzaamheden naar CE uitvoeren. Deze regeling is opgenomen in het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit). Naar aanleiding van het opnemen van de certificeringregeling in het Arbeidsomstandighedenbesluit is ook het Bijdragebesluit geactualiseerd.
3.3 Regeling na 1 januari 2010 Het Bijdragebesluit is met ingang van 1 oktober 2009 komen te vervallen in verband met een kabinetsbesluit om het aantal specifieke uitkeringen terug te dringen. Dit Bijdragebesluit is met ingang van 1 oktober 2009 komen te vervallen in verband met een kabinetsbesluit om het aantal specifieke uitkeringen terug te dringen. Per 1 januari 2010 krijgen gemeenten de uitkering via een regeling uit het Gemeentefonds. Voor de verschillende gemeenten komt de uitkering als volgt tot stand: 1. Amsterdam, Rotterdam en Den Haag (G3) krijgen ieder een vast, met name genoemd, bedrag. 2. 27 met name genoemde gemeenten (veelgebruikers) krijgen een uitkering van € 2000 per opgeleverde nieuwbouwwoning. 3. Voor alle andere gemeenten (vangnet) geldt dat zij 70% ontvangen van het bedrag dat bij gemeenteraadsbesluit is gereserveerd voor het geval ze conventionele explosieven uit de 2e WO moeten opsporen en/of ruimen. Gemeenten die onder 1 of 2 vallen kunnen achteraf niets meer declareren. De gemeente Arnhem valt onder de veelgebruikers (punt 2).
3.4 Samenvatting De sector Stadsingenieurs geeft op basis van een uitgevoerde risicoanalyse een advies over de mogelijke aanwezigheid van CE. Indien er tijdens grondroerende werkzaamheden CE kunnen voorkomen worden de werkzaamheden uitgevoerd door een BRL-OCE gecertificeerde aannemer. Met ingang van 1 januari 2007 komt een gemeente alleen voor een subsidie voor het opsporen van CE in aanmerking als de werkzaamheden worden uitgevoerd door een BRL-OCE gecertificeerd bedrijf.
10
PAGINA
Handleiding “Omgaan met conventionele explosieven uit de 2e WO binnen de gemeente Arnhem”
ONDERWERP
4. Hoe gaan we om met de mogelijke aanwezigheid van CE 4.1 Inleiding In verband met het uitvoeren van grondroerende werkzaamheden zijn er in Arnhem door de jaren heen verschillende historische onderzoeken uitgevoerd. Hierbij is aangegeven of er tijdens de werkzaamheden CE kunnen voorkomen. Een historisch onderzoek (probleeminventarisatie) valt niet onder de BRL-OCE certificeringregeling. Een gemeente kan zelf aangeven of het noodzakelijk is om preventief naar CE te zoeken. Op basis van de aanwezige historische onderzoeken en aanvullend onderzoek hebben we Arnhem verdeeld in kans van aantreffen gebieden.
4.2 Kans van aantreffen e
Er is altijd een kans dat er in Arnhem CE worden aangetroffen. Na de 2 WO is veel oorlogspuin geruimd maar ook binnen Arnhem verplaatst. Daarom is er een protocol “Toevalstreffer CE uit de 2e WO”opgesteld (bijlage 7). e
Op basis van historisch onderzoek (gevechten tijdens de 2 WO) kunnen we wat zeggen over de kans van aantreffen van CE tijdens grondroerende werkzaamheden. Voor bepaalde delen van Arnhem is die kans groter dan voor andere delen. De “kans van aantreffen” kaart (bijlage 5) is gebaseerd op het verzamelen van historisch feitenmateriaal. Dit historisch feitenmateriaal is opgebouwd uit door de gemeente Arnhem goedgekeurde historische onderzoeken. Het historisch feitenmateriaal vormt de probleeminventarisatie en is een onderdeel van het in de BRL-OCE genoemde vooronderzoek. Nog niet alle gebieden binnen Arnhem zijn door middel van een probleeminventarisatie in kaart gebracht. Afhankelijk van de ontwikkelingen binnen de overgebleven gebieden wordt er een probleeminventarisatie - als onderdeel van het vooronderzoek - uitgevoerd. Hierdoor wordt Arnhem verdeeld in kans van aantreffen gebieden. Voor wat betreft de kans van aantreffen onderscheiden we de volgende gebieden: • • • •
hoge kans van aantreffen CE rood verhoogde kans van aantreffen CE oranje verlaagde kans van aantreffen CE geel lage kans van aantreffen CE groen
Hoge kans van aantreffen CE rood Op basis van historisch onderzoek kunnen we voor bepaalde delen van Arnhem aangeven dat de kans van aantreffen van CE tijdens grondroerende werkzaamheden hoog is. Dit zijn de gebieden waar oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden en na de 2e WO geen grootschalige grondroerende werkzaamheden. Het gaat hier niet om het stedelijk gebied maar vooral om het buitengebied van Arnhem maar ook om de parken binnen Arnhem. In dit gebied moeten voor en tijdens grondroerende werkzaamheden altijd maatregelen met betrekking tot CE worden getroffen. o o o
oorlogshandelingen geen grootschalige grondroerende werkzaamheden na de 2e WO geen stedelijk gebied (buitengebied en parken)
•
extra maatregelen met betrekking tot CE
Opmerking Bij kleinschalige grondroerende werkzaamheden binnen dit gebied is alleen een projectplan nodig als het om een vrijgave gaat. Bij het detecteren van de bodem ten behoeve van het plaatsen van bijvoorbeeld grondboringen (bodemonderzoek) of het graven van een proefsleuf gaat het niet om een vrijgave maar om het vinden van verstoringen.
o o o
oorlogshandelingen geen grootschalige grondroerende werkzaamheden na de 2e WO stedelijk gebied (vooroorlogse wijk)
•
extra maatregelen met betrekking tot CE (uitzondering hierop bij grondverzet van minder dan 100 m3 grond, geen extra maatregelen en het protocol “Toevalstreffer CE uit de 2e WO” volgen) bij meer dan 100 m3 grondverzet maatwerk per project
•
Verlaagde kans van aantreffen CE geel Dit zijn gebieden waar oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden. Tevens hebben we te e maken met stedelijk gebied (naoorlogse wijk). Na de 2 WO hebben hier grootschalige grondroerende werkzaamheden plaatsgevonden. Het gebied wordt vervolgens behandeld als een lage kans van aantreffen gebied. Wel kunnen er CE worden aangetroffen. Dus het protocol toevalstreffer CE uit de 2e WO wordt gevolgd.
o o o
oorlogshandelingen grootschalige grondroerende werkzaamheden na de 2e WO stedelijk gebied (naoorlogse wijk)
• •
geen extra maatregelen met betrekking tot CE e protocol “Toevalstreffer CE uit de 2 WO”
Opmerking: De ambitie van de gemeente Arnhem is om ondergrondse hoofdstad van Nederland te worden. Dit betekent dat er veel ondergronds gebouwd is en gaat worden. Voorbeelden van ondergrondse bouwwerken zijn de Willemstunnel, de Hogeschool voor de Kunsten de parkeergarages bij Arnhem Centraal en het Musis kwartier en de kabel en leidingentunnel bij Arnhem Centraal. Indien het gaat om grondroerende werkzaamheden voor dit soort ondergrondse bouwwerken (waarbij je ook nog kunt denken aan zwembaden, bioscopen of theaters) dan moet er binnen het gebied verlaagde kans van aantreffen een advies aan de CE adviseur worden gevraagd.
ONDERWERP
Voorbeeld van maatwerk Vervanging van de oude riolering. Deze oude riolering is na de 2e WO in de grond gekomen. Het gaat dus om naoorlogs grondverzet. Op basis hiervan is niet nodig om extra maatregelen te treffen. De nieuwe riolering komt echter een halve meter lager in de grond te liggen. In dit geval betekent het dat er voor die extra halve meter maatregelen moeten worden getroffen.
PAGINA
3
Wordt er meer dan 100 m grond verzet dan is het afhankelijk van de mogelijkheden en/of het project of er extra maatregelen moeten worden getroffen. Dit betekent dat het binnen het gebied verhoogde kans van aantreffen CE vooral gaat om maatwerk. Per project wordt zo bekeken of er en zo ja welke maatregelen er moeten worden getroffen.
Handleiding “Omgaan met conventionele explosieven uit de 2e WO binnen de gemeente Arnhem”
Een uitzondering hierop zijn de grondroerende werkzaamheden waarbij het grondverzet gering is waardoor de kans op CE ook klein is. Voorbeelden hiervan zijn boringen ten behoeve van bodemonderzoeken of het grondverzet voor het plaatsen van bijvoorbeeld een 3 bushokje. Over het algemeen gaat het hierbij om werkzaamheden waarbij minder dan 100 m grond wordt verzet (kleinschalige projecten). In dit geval worden er geen extra maatregelen getroffen maar wordt het protocol “Toevalstreffer CE uit de 2e WO” gevolgd.
11
Verhoogde kans van aantreffen CE oranje Het gaat hier om een vooroorlogse wijk binnen het stedelijk gebied waar oorlogshandelingen e hebben plaatsgevonden. Binnen deze gebieden hebben vooral vóór de 2 WO grootschalige e grondroerende werkzaamheden plaatsgevonden. Na de 2 WO alleen kleinschalige werkzaamheden (riolering). Dit betekent dat er een verhoogde kans van aantreffen van CE uit de 2e WO binnen deze gebieden is. Het gebied wordt vervolgens behandeld als een “hoge kans van aantreffen CE” gebied.
geen extra maatregelen met betrekking tot CE protocol “Toevalstreffer CE uit de 2e WO”
ONDERWERP
• •
PAGINA
geen oorlogshandelingen
Handleiding “Omgaan met conventionele explosieven uit de 2e WO binnen de gemeente Arnhem”
o
12
Lage kans van aantreffen CE groen Op basis van historisch onderzoek kunnen we voor bepaalde delen van Arnhem aangeven dat de kans van aantreffen van CE tijdens grondroerende werkzaamheden laag is. Dit zijn de gebieden waar uit het historische vooronderzoek volgt dat er geen oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden. In deze gebieden worden geen extra maatregelen getroffen. Wel kunnen er CE voorkomen. In dit geval wordt het protocol “Toevalstreffer CE uit de 2e WO” gevolgd.
PAGINA ONDERWERP
Oorlogshandelingen
Handleiding “Omgaan met conventionele explosieven uit de 2e WO binnen de gemeente Arnhem”
(bij grondroerende werkzaamheden)
13
4.3 Schema
nee
ja
nee
Stedelijk gebied
ja
Vooroorlogse wijk
nee
ja
Hoog
Verhoogd
3
> 100m
Verlaagd ©
Laag
nee
ja
Maatwerk per project
Extra maatregelen
Geen extra maatregelen Protocol “Toevalstreffer CE uit de 2e WO”
Bijlage 5 is een plattegrond van Arnhem met hierop de verschillende “kans van aantreffen” gebieden. Op basis van de huidige (2007) gegevens is voor ongeveer 10% van het oppervlak van Arnhem de kans van aantreffen CE hoog, voor ongeveer 50% is deze kans laag. Voor de overige 40% is deze kans verhoogd of verlaagd.
4.4 Extra maatregelen Bij extra maatregelen gaat het erom dat de grondroerende werkzaamheden worden uitgevoerd door een BRL-OCE gecertificeerd bedrijf. Het gecertificeerde bedrijf zal op basis van het vooronderzoek een projectplan opstellen. Dit projectplan moet in het kader van de openbare orde en veiligheid door het bevoegde gezag (gemeente Arnhem) goedgekeurd. Dit projectplan wordt pas goedgekeurd als het, door de opdrachtgever, geaccepteerde werkplan volgens het format van de gemeente Arnhem is opgesteld. Daarna kan er met de graafwerkzaamheden worden gestart. In dit projectplan en werkplan staan onder andere de maatregelen die moeten worden genomen in het kader van veiligheid. © Wanneer het gaat om grondroerende werkzaamheden tbv een groot ondergronds project (parkeergarage, tunnel) die in de regel binnen dit gebied niet voorkomt moet er een advies aan de CE adviseur worden gevraagd.
14
PAGINA
Handleiding “Omgaan met conventionele explosieven uit de 2e WO binnen de gemeente Arnhem”
ONDERWERP
5. Uitvoering 5.1 Algemeen Binnen de gemeente Arnhem vinden allerlei grondroerende werkzaamheden plaats. De dienst Stadsbeheer geeft op basis van deze handleiding een advies over de kans van aantreffen van CE binnen een bepaald gebied. Gaat het om een hoge, verhoogde, lage of verlaagde kans van aantreffen. Naar aanleiding hiervan wordt er aangegeven of er maatregelen moeten worden getroffen. Als er vervolgens tijdens de grondroerende werkzaamheden daadwerkelijk een conventioneel explosief wordt aangetroffen dan is de burgemeester in het kader van de openbare orde en veiligheid verantwoordelijk.
5.2 Advisering kans van aantreffen conventionele explosieven 5.2.1. Ruimtelijk planproces In het ruimtelijk planproces is op verschillende momenten een advies nodig over de mogelijke aanwezigheid van conventionele explosieven tijdens grondroerende werkzaamheden. Naast het ontwikkelen van een terrein voor woningbouw (ontwerptraject) moet een ruimtelijk planproces juridisch worden verankerd in een bestemmingsplan (planologisch traject). Deze trajecten lopen vaak tegelijkertijd. Het ruimtelijke planproces bestaat uit verschillende fasen. Eerst is er de initiatieffase, dan de definitiefase, ontwerpfase, voorbereiding/uitvoering fase en als laatste de beheer/nazorg fase. Deze fasen zijn ook beschreven in de bundel “Randvoorwaarden en kwaliteitseisen Stadsbeheer, op weg naar beheerbewuste planvorming” (gele bundel). In deze gele bundel heeft de dienst Stadsbeheer aangegeven welke randvoorwaarden en eisen aan fysieke e projecten worden gesteld. De randvoorwaarden en eisen met betrekking tot CE uit de 2 WO zijn ook in deze gele bundel opgenomen. In het kader van het bestemmingsplan (planologisch traject) stelt de sector Regie van de dienst Stadsbeheer een MilieuAspectenStudie (MAS) op. Deze MAS geeft een beschrijving van verschillende milieuonderwerpen (externe veiligheid, lucht, geluid etc.) toegespitst op het bestemmingsplangebied. De laatste jaren wordt in de MAS ook cultuurhistorie en archeologie meegenomen. In de MAS kan nu ook een advies over de kans van aantreffen van CE binnen het plangebied worden opgenomen. Sector Stadsingenieurs De werkzaamheden voor de sector Stadsingenieurs liggen vooral in de voorbereiding/uitvoeringsfase. In de voorbereidingsfase worden bestekken geschreven en vergunningen aangevraagd. Voor zowel het schrijven van een bestek als het toetsen van een bouwaanvraag moet een advies over de kans van aantreffen worden gevraagd. Op basis van het schema (paragraaf 4.2) kan dan worden aangegeven of er extra maatregelen moeten worden getroffen. Het advies maakt onderdeel uit van de werkomschrijving als onderdeel van het bestek. De uitvoeringsfase is de fase waarin daadwerkelijk door een BRL-OCE gecertificeerd bedrijf preventief naar CE wordt gezocht. Voordat een BRL-OCE gecertificeerd bedrijf aan de slag kan moet het bevoegde gezag (gemeente Arnhem) in het kader van openbare orde en veiligheid het projectplan beoordelen. Op basis van het Arbobesluit mogen alleen BRL-OCE gecertificeerde bedrijven preventief naar CE zoeken. De BRL-OCE gecertificeerde aannemer is vervolgens verantwoordelijk voor de uit te voeren werkzaamheden met betrekking tot CE. Het bedrijf heeft hiervoor speciaal opgeleid en gekwalificeerd personeel in dienst. Wordt er daadwerkelijk een explosief gevonden dat onschadelijk moet worden gemaakt dan ligt de verantwoordelijkheid in het kader van openbare orde en veiligheid bij de burgemeester.
15
PAGINA
Handleiding “Omgaan met conventionele explosieven uit de 2e WO binnen de gemeente Arnhem”
ONDERWERP
5.2.2 Mandatering Voordat een BRL-OCE gecertificeerd bedrijf aan de slag kan moet het bevoegde gezag (gemeente Arnhem) in het kader van openbare orde en veiligheid het projectplan beoordelen. De burgemeester dient hierbij een verklaring te ondertekenen dat wordt ingestemd met het projectplan. Met ingang van 15 juli 2009 is dit gemandateerd aan het afdelingshoofd milieu van de sector Regie van de dienst Stadsbeheer.
5.3 Openbare orde en veiligheid
e
Als er tijdens werkzaamheden daadwerkelijk een conventioneel explosief uit de 2 WO wordt aangetroffen dat onschadelijk moet worden gemaakt, dan is de burgemeester in het kader van openbare orde en veiligheid verantwoordelijk. Dit betekent dat de gemeente ervoor moet zorgen dat er in het kader van de openbare orde en veiligheid voldoende veiligheidsmaatregelen worden getroffen. Door de aanwezigheid van dit explosief kan een verstoring van de openbare veiligheid ontstaan. Hierdoor kan het nodig zijn dat er een gecoördineerde inzet van diensten en organisaties van verschillende disciplines is vereist om de dreiging weg te nemen of de schadelijke gevolgen te beperken. Het kan bijvoorbeeld zijn dat een bepaald woongebied moet worden ontruimd omdat een conventioneel explosief onschadelijk moet worden gemaakt. e Het aantreffen van een conventioneel explosief uit de 2 WO en het onschadelijk maken van dit explosief komt meestal niet verder dan de GRIP 2 fase van het rampenplan (zie bijlage 3). In GRIP fase 2 komen de kernteamleden van het regionaal operationeel team (ROT) en het gemeentelijke beleidsteam (GBT) bijeen.
5.3.1 MIP (Milieu-incidentenplan) Binnen de gemeente Arnhem hebben we het Milieu-IncidentenPlan (MIP). Het plan omschrijft welke organisaties en hulpdiensten binnen de regio Arnhem betrokken zijn bij de afhandeling van een milieu-incident en biedt een tiental protocollen voor de verschillende milieuincidenten. Er is ook een protocol brand/explosie. Bij het aantreffen van een conventioneel explosief gaat het om een incident te vergelijken met de GRIP fase 0/1 van het rampenplan. Naast het protocol brand/explosie uit het MIP is er in het kader van deze beleidsnota een protocol “Toevalstreffer CE uit de 2e WO” opgesteld (bijlage 7).
5.4 Communicatie
Als er tijdens graafwerkzaamheden een conventioneel explosief uit de 2e WO wordt aangetroffen dat onschadelijk moet worden gemaakt dan zal hierover met omwonenden gecommuniceerd moeten worden. In dit geval spreken we over crisiscommunicatie. Vanuit de Concernstaf van de gemeente Arnhem vindt de crisiscommunicatie plaats. Naast de crisiscommunicatie is er de risicocommunicatie. Risicocommunicatie gaat over de e situatie dat er nog geen ramp of crisis – het vinden van een explosief uit de 2 WO – gaande is. Tot op heden communiceert de gemeente Arnhem niet actief over de mogelijke aanwezigheid van CE uit de 2e WO. Naar aanleiding van deze handleiding wordt de plattegrond van Arnhem met de kans van aantreffen gebieden op de site van de gemeente Arnhem geplaatst.
5.5 Financiën Op basis van artikel 15 van de Beleidsregels uitvoering Bijdragebesluit kosten opsporing en ruiming conventionele explosieven Tweede Wereldoorlog declareert de sector Stadsingenieurs de kosten voor de werkzaamheden die samenhangen met de mogelijke 2 aanwezigheid van CE bij het ministerie van BZK . Door het in werking treden van de Beoordelingsrichtlijn “Opsporen van conventionele explosieven “(BRL-OCE) zijn de werkzaamheden met betrekking tot CE toegenomen. Dit komt vooral omdat er meer om een advies door zowel in- als externen over de kans van aantreffen van CE wordt gevraagd. Daarnaast moet er in het kader van de BRL-OCE een projectplan worden goedgekeurd. Om ervoor te zorgen dat er binnen de dienst Stadsbeheer voldoende kennis over CE aanwezig is wordt aanbevolen om 1 a 2 medewerkers de opleiding basiskennis CE te laten volgen. Deze opleiding basiskennis CE is ook van belang voor de toezichthouders (directievoerders) van de sector Stadsingenieurs. De kosten voor deze opleiding kunnen betaald worden uit het reguliere opleidingsbudget.
2
Met ingang van 1 oktober 2009 is het Bijdragebesluit vervallen en verloopt de rijksfinanciering via het Gemeentefonds
16
PAGINA
Handleiding “Omgaan met conventionele explosieven uit de 2e WO binnen de gemeente Arnhem”
ONDERWERP
BIJLAGE 1 Definities en Begrippen Conventionele explosieven (CE) Conventionele explosieven zijn explosieven die niet als zelfgemaakt, nucleair, biologisch of chemisch kunnen worden aangemerkt. CE zijn gemaakt voor oorlogsdoeleinden. Voorbeelden hiervan zijn vliegtuigbommen, granaten, mijnen, raketten, munitie, vliegende bommen (V1 en V2) etc. Waar in deze handleiding wordt gesproken over CE uit de 2e WO bedoelen we munitie vanaf 20 mm. Conventionele explosieven kunnen op verschillende manieren worden aangetroffen: • afgeworpen; • verschoten/gegooid/gelegd/weggeslingerd; • opgeslagen/gedumpt/begraven; • als restanten uit springputten of explosie; • als onderdeel van (vliegtuig)wrakken en/of gezonken vaartuigen. Wordt er tijdens graafwerkzaamheden een conventioneel explosief gevonden dan komt een Explosieven OpruimingsDienst van Defensie (EODDEF) om het explosief onschadelijk te maken. Zowel de luchtmacht, landmacht als de marine heeft een EOD. Bevoegd gezag Burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem voor het opsporen en ruimen van CE. De burgemeester van Arnhem voor de openbare orde en veiligheid. Kans van aantreffen gebied De gemeente Arnhem is in een viertal kans van aantreffen gebieden (hoog, laag, verhoogd, verlaagd) verdeeld. Op basis van deze gebiedsindeling wordt aangegeven wat de kans van e aantreffen van conventionele explosieven uit de 2 WO tijdens grondroerende werkzaamheden is en welke extra maatregelen moeten worden getroffen. Vooroorlogsewijk Een woonwijk van voor 1940. Naoorlogsewijk Een woonwijk van na 1945. Stedelijk gebied Gebied waarbij het oorspronkelijke landschap vrijwel geheel vervangen is door bebouwing, wegen en aangelegd groen en water. Buitengebied Gebied waar weinig grondroerende werkzaamheden hebben plaatsgevonden en waar weinig woningbouw is. Effectgerichte benadering Benadering waarbij je gaat kijken tot welke afstand een calamiteit een bepaald effect (overlijden, verwonding) heeft op een persoon die zich daar onbeschermd bevindt. Het effect overlijden is van belang voor de risicobenadering. Het effect verwonding is niet van belang voor het risico maar wel voor de hulpverlening. Risicobenadering Een risicobenadering is een benadering waarbij je naast het effect van de calamiteit ook de kans dat deze calamiteit kan optreden meeneemt. Risico is de kans maal het effect. Bij de risicobenadering gaat het om een effect dat dodelijk is. Wanneer het effect verwonding is dan is dit van belang voor de hulpverlening en niet voor het risico. Historisch onderzoek Verzamelen en analyseren van historisch feitenmateriaal met betrekking tot de 2e WO. Dit historische feitenmateriaal is de probleeminventarisatie als onderdeel van het vooronderzoek.
17
PAGINA
Handleiding “Omgaan met conventionele explosieven uit de 2e WO binnen de gemeente Arnhem”
ONDERWERP
Vooronderzoek Bestaat uit twee afzonderlijk uit te voeren activiteiten, de probleeminventarisatie en de probleemanalyse. Het doel van het vooronderzoek is onder andere het vaststellen van de vermoede aanwezigheid van conventionele explosieven. Protocol Toevalstreffer CE uit de 2e WO Protocol dat aangeeft hoe te handelen als er tijdens grondroerende werkzaamheden een conventioneel explosief wordt aangetroffen. Extra maatregelen De grondroerende werkzaamheden worden uitgevoerd door een BRL-OCE gecertificeerd bedrijf. Deze werkzaamheden en de maatregelen in het kader van de veiligheid staan beschreven in het projectplan. Bijdragebesluit 2006 (tot 1 oktober 2009) Bijdragebesluit kosten opsporing en ruiming conventionele explosieven Tweede Wereldoorlog 2006 BRL-OCE Beoordelingsrichtlijn opsporen conventionele explosieven EODDEF Explosieven Opruimingsdiensten Defensie. Deze afkorting is een verzamelnaam voor het geheel aan explosievenopruimingsdiensten (EODKL Explosievenopruimingsdienst Koninklijke Landmacht, EODKLu Explosievenopruimingsdienst Koninklijke Luchtmacht, DDGKM Duik- en DemonteerGroep Koninklijke Marine) Externe Veiligheid Externe veiligheid is de kans op overlijden van mensen buiten de grenzen van een inrichting of transportmedium als rechtstreeks gevolg van een ongeval met (gevaarlijke) stoffen binnen de grenzen van de inrichting dan wel het transportmedium. Externe veiligheid heeft dus betrekking op de veiligheid van degene die niet bij de risicovolle activiteit zelf zijn betrokken, maar als gevolg van de activiteit wel risico’s kunnen lopen zoals omwonenden. ADR Accord europeen relatif au transport international des marchandises Dangereuses par Route. Europese overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg.
18
PAGINA
Handleiding “Omgaan met conventionele explosieven uit de 2e WO binnen de gemeente Arnhem”
ONDERWERP
BIJLAGE 2 Veiligheidsafstanden In acht te nemen veiligheidsafstanden3 tijdens demontagewerkzaamheden De afstand is afhankelijk van de netto-explosieve massa van het explosief. Onderstaande tabel bevat naast het gebied dat volledig moet worden ontruimd ook de schervengevarenzone (veiligheidsafstanden fragmenten). Dit is het gebied waar bij een explosie rekening met scherfwerking moet worden gehouden. Binnen de schervengevarenzone mogen geen mensen aanwezig zijn tenzij ze zich bevinden in een gebouw met harde bovendekking. Met overige fragmenten wordt bedoeld fragmenten van bijvoorbeeld vliegtuigbommen zoals ophangogen en bodemplaat die zich verder verplaatsen dan fragmenten van de bommantel. De beschermingsconstructie die door TNO is gebruikt om de veiligheidsafstand met beshermingsconstructie te bepalen bestaat uit ISO-containers (zeecontainters verzwaard met zakken zand). Netto-explosieve massa (ladinggewicht) kg 0-0,5 0,5-1,0 1,0-1,5 1,5-2,0 2,0-2,5 2,5-3,0 3,0-3,5 3,5-4,0 4,0-4,5 4,5-5,0 5,0-10 10-15 15-20 20-25 25-50 50-75 75-125 125-250 250-500 500-750 NEG > 750
Straal volledig te ontruimen gebied (m) 50 50 50 50 50 50 50 50 50 50 60 75 75 75 100 125 175 250 350 450 550
Veiligheidsafstanden fragmenten (m) 200 250 310 360 410 460 510 560 610 670 700 800 860 880 970 1020 1130 1320 1540 1690 2000
Veiligheidsafstand overige fragmenten (m) 1140 1420 1660 1720 1780 1940 2040 2260 2630 3050 3050 3050
Veiligheidsafstand met beschermingscontructie (m) n.v.t n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. 250 250 250 500 -
Voor Explosieven met een NEG groter dan 2000 kg moet de EODDEF per geval een veiligheidsafstand inschatten. 1
In acht te nemen veiligheidsafstanden bij gecontroleerde vernietiging Netto-explosieve massa (ladinggewicht) kg
15 kalibers ingegraven (m)
0-5 5-10 10-15 15-20 20-25 25-50 50-75 75-125 125-250 250-500 500-750 NEG >750
25 55 65 70 70 75 80 90 105 120 150 150
5 kalibers ingegraven en 10 kalibers zandoverdekking op het maaiveld (m) 40 90 110 115 115 125 135 150 175 200 250 250
Op het maaiveld met 15 kalibers zandoverdekking (m) 50 110 130 140 140 150 160 180 210 240 300 300
Voor Explosieven met een NEG groter dan 2000 kg moet de EODDEF per geval een veiligheidsafstand inschatten. 3
Ministeriële regeling 40-45, Voorschrift opruimen en opsporen explosieven, 1 januari 2006
19
PAGINA
Handleiding “Omgaan met conventionele explosieven uit de 2e WO binnen de gemeente Arnhem”
ONDERWERP
In acht te nemen veiligheidsafstand2 bij de opslag van conventionele explosieven waarvoor een milieuvergunning nodig is Bij de veiligheidsafstanden wordt onderscheid gemaakt in een A-, B- en C-zone. De A-zone ligt op een afstand van 2/3 van de B-zone en de C-zone ligt op een afstand van 2 maal de Bzone. Binnen de C-zone zijn niet toegestaan - gebouwen met vliesgevels of gordijngevelconstructies; - gebouwen met zeer groot aaneengesloten glasoppervlakten waarin zich als regel een groot aantal personen bevindt. Binnen de B-zone zijn niet toegestaan - objecten die niet binnen de C-zone zijn toegestaan; - (geprojecteerde = volgens het bestemmingsplan) kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten zoals omschreven in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), dit zijn objecten waarin mensen gedurende een groot gedeelte van de verblijven zoals woningen, kantoren, scholen, ziekenhuizen, bejaardentehuizen, verpleeghuizen, sport en kampeerterreinen bestemt voor recreatieve doeleinden. Binnen de A-zone zijn niet toegestaan - objecten die niet binnen de C-, en B-zone zijn toegestaan; - spoorwegen; - autosnelwegen en autowegen; - druk bevaren waterwegen (minimaal 10.000 passages per jaar); - parkeerterreinen (voor meer dan 10 voertuigen.
Netto explosieve massa (kg) 14,1 25 50 75 100 125 150 175 200 204,1 500 750 1000 2000 5000 6000
A-zone (m) B-zone (m)
C-zone (m)
41 87 141 173 196 214 228 240 251 254 254 254 254 254 254 270
124 260 242 520 588 642 684 720 752 762 762 762 762 762 762 810
62 130 212 260 294 321 342 360 376 381 381 381 381 381 381 405
In bovenstaande tabel is uitgegaan van een enkelvoudige opslag in een lichte gebouwconstructie.
2
Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik, ministerie van VROM, 19 juli 2006
20
PAGINA
Handleiding “Omgaan met conventionele explosieven uit de 2e WO binnen de gemeente Arnhem”
ONDERWERP
BIJLAGE 3 Wet en Regelgeving Gemeentewet Op basis van artikel 160 van de Gemeentewet ligt de beslissingsbevoegdheid om al dan niet tot het opsporen en ruimen van CE over te gaan bij het college van burgemeester en wethouders. De burgemeester is verantwoordelijk voor de openbare orde en veiligheid binnen de gemeente. Op basis van de artikelen 175 en 176 van de Gemeentewet kan de burgemeester voor het handhaven van de openbare orde of voor het beperken van eventueel gevaar bevelen of algemeen verbindende voorschriften opstellen voor de locatie waar naar CE wordt gezocht.
Wet rampen en zware ongevallen De Wet rampen en zware ongevallen bepaalt dat elke gemeente een rampenplan voor het hele gebied van de gemeente moet vaststellen. Het rampenplan geeft de organisatie en coördinatie van de diensten, instanties en individuele personen betrokken bij de bestrijding van rampen en zware ongevallen weer. Verschillende risico’s, rampen en zware ongevallen kunnen een gemeente bedreigen waaronder een ongeval met explosieven stoffen zoals CE. Daarnaast is in artikel 25 lid 3 bepaald dat gemeenten een bijdrage kunnen ontvangen voor de kosten die voorvloeien uit het opsporen en ruimen van CE uit de 2e WO.
Rampenplan Het rampenplan geeft de organisatie en coördinatie van de diensten, instanties en individuele personen betrokken bij de bestrijding van rampen en zware ongevallen. Wanneer een e ongeval (aantreffen van een bom uit de 2 WO) de omvang van een zwaar ongeval of ramp aanneemt zal ook de bestrijdingsorganisatie zich uitbreiden van de normale hulpverlening tot de hulpverlening zoals in het rampenplan omschreven. Deze opschaling vindt plaats volgens de gecoördineerde regionale incidenten bestrijdingsprocedure de zgn. GRIP fasen. GRIP 0 (bronbestrijding). Er is een bom uit de 2e WO aangetroffen (incident). GRIP 1 (bronbestrijding). Burgemeester wordt geïnformeerd en de ambtenaar openbare orde en veiligheid (AOV-er) wordt gealarmeerd. GRIP 2 (bron en effectbestrijding). Commissaris van de Koningin wordt geïnformeerd. GRIP 3 (bevolkingsproblemen). Burgemeester geeft aan dat het rampenplan in werking wordt gesteld. Minister van BZK wordt geïnformeerd. GRIP 4 (bevolkingproblemen meerdere gemeenten). Regionale coördinatie
Milieu-incidentenplan Binnen de regio Arnhem is een Milieu-IncidentenPlan opgesteld. Het plan omschrijft welke organisaties en hulpdiensten binnen de regio Arnhem betrokken zijn bij de afhandeling van een milieu-incident en biedt een tiental protocollen voor de verschillende milieu-incidenten. Per protocol wordt aangegeven wie wanneer en door wie gealarmeerd dan wel geïnformeerd dient te worden. Ook de taken en bevoegdheden per instantie staan beschreven in het plan.
Wet milieubeheer Een munitiedepot met springput voor de tijdelijke opslag (minimaal een half jaar) van CE valt onder de werking van de Wet milieubeheer (categorie 3 van het Inrichtingen en Vergunningenbesluit) als de netto explosieve massa (NEM) meer dan 1 kg bedraagt. In deze gevallen betekent dit dat er een milieuvergunning moet worden aangevraagd. Deze milieuvergunning zal door de gemeente Arnhem (bevoegde gezag) worden verleend. Aan deze milieuvergunning zijn voorschriften verbonden. Op 1 januari 2008 is het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) in werking getreden. In het kader van het Activiteitenbesluit zijn munitiedepots met springput een type C inrichting. Bij een type C inrichting is het Activiteitenbesluit (algemene voorschriften) gedeeltelijk van toepassing naast de milieuvergunning. De aanvraag voor deze milieuvergunning wordt onder andere getoetst aan de Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Indien een munitiedepot met springput korter dan 6 maanden nodig is kan er een verzoek tot gedogen worden ingediend. In dit geval zal er een gedoogbesluit worden genomen waaraan voorwaarden worden verbonden. Een uitzondering op dit gedoogbesluit vormt de opslag van CE met een netto-explosieve massa van maximaal 10 kg. In dit geval is er geen gedoogbesluit nodig maar wordt er aangesloten bij de eisen voor een opslagvoorziening voor
21
PAGINA
Handleiding “Omgaan met conventionele explosieven uit de 2e WO binnen de gemeente Arnhem”
ONDERWERP
het tijdelijk veilig stellen van CE (maximaal 10 kg) zoals die staan vermeld in bijlage 7 van de BRL-OCE. Op 12 augustus 2003 heeft de gemeente Arnhem voor een locatie binnen Schuytgraaf een milieuvergunning verleend voor het opslaan en onklaar maken van CE die binnen het plangebied Schuytgraaf zijn gevonden. Dit plangebied is voordat met de grondroerende werkzaamheden werd begonnen preventief op CE onderzocht.
Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik Op 26 juli 2006 is door het ministerie van VROM de Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik gepubliceerd. Op grond van het beleid in deze circulaire dient rond iedere opslagplaats voor ontplofbare stoffen, waaronder tijdelijke opslag van conventionele explosieven, een veiligheidsafstand (zie bijlage 2) te worden aangehouden tot kwetsbare objecten zoals woningen, kantoren en winkels. De veiligheidsafstand is afhankelijk van de hoeveelheid ontplofbare stof die wordt opgeslagen en van eventueel effectbeperkende maatregelen die zijn getroffen. Het externe veiligheidsbeleid voor de opslag van ontplofbare stoffen is gebaseerd op het minimaliseren van de kans op letsel door het uitsluitend beschouwen van de effecten en niet de risico’s (kans maal effect) van een calamiteit bij een dergelijke opslag.
Ministeriële publicatie 40-45 (MP 40-45), Voorschrift opruimen en opsporen van explosieven, 1 januari 2006 De MP 40-45 is bestemd voor zowel militaire als civiele autoriteiten elk op hun eigen gebied verantwoordelijk voor de openbare orde en veiligheid (en dus voor het verkennen, opsporen en opruimen van CE uit de 2e WO) op zowel beleidsbepalend als beleidsuitvoerend niveau. Het geeft regelgeving voor explosieven opruiming en opsporing in het kader van Nationale en Koninkrijkstaken.
Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs) De Wet vervoer gevaarlijke stoffen gaat over het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, per spoor en via de binnenwateren. In het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen en in het Besluit vervoer ontplofbare stoffen krijgsmacht is de Wet vervoer gevaarlijke stoffen verder uitgewerkt. In het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen zijn routeplichtige stoffen aangewezen waaronder ontplofbare stoffen met een netto explosieve massa van meer dan 20 kg waarvoor de gemeente routes mag aanwijzen. Ook Arnhem heeft een dergelijke route aangewezen, waarvoor bij afwijkingen van deze route een ontheffing bij de gemeente Arnhem (afdeling Vergunningen) moet worden aangevraagd. In bovengenoemde besluiten is vastgelegd dat de explosieven opruimingsdiensten van het Ministerie van Defensie een ontheffing hebben van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Dit betekent dat deze diensten niet verplicht zijn om gebruik te maken van de aangewezen route voor gevaarlijke stoffen en dus bij de gemeente Arnhem ook geen ontheffing hoeven aan te vragen. Overigens zullen de CE die tijdens graafwerkzaamheden worden gevonden en overgebracht naar een springput over het algemeen niet aan een netto explosieve massa van 20 kg komen.
Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit) In het Arbobesluit wordt voorgeschreven dat bedrijven die zich bezighouden met het opsporen van CE moeten zijn gecertificeerd. Voor de eisen waaraan moet worden voldaan om een certificaat te kunnen verkrijgen wordt in de Arbeidsomstandighedenregeling verwezen naar een door een College Van Deskundigen, met vertegenwoordigers van alle betrokkenen, opgestelde private beoordelingsrichtlijn.
Bijdragebesluit kosten opsporing en ruiming conventionele explosieven Tweede Wereldoorlog 2006 (Bijdragebesluit 2006) tot 1 oktober 2009 Op 1 januari 1999 is het onder het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) vallende Bijdragebesluit kosten ruiming explosieven Tweede Wereldoorlog 1999 (Bijdragebesluit 1999) in werking getreden. Het Bijdragebesluit is gebaseerd op artikel 25, lid 3 van de Wet rampen en zware ongevallen. Hierdoor is de markt voor het opsporen van CE vrijgegeven. Het uiteindelijke ruimen van explosieven mag alleen worden uitgevoerd door de verschillende Explosieven Opruimingsdiensten van het Ministerie van Defensie (EODDEF). Het Bijdragebesluit geeft aan dat het voor gemeenten in bepaalde gevallen mogelijk is om voor de kosten van opsporingswerkzaamheden een rijkssubsidie te ontvangen. Projectontwikkelaars, eventuele burgers kunnen niet rechtstreeks deze subsidie aanvragen.
22
PAGINA
Handleiding “Omgaan met conventionele explosieven uit de 2e WO binnen de gemeente Arnhem”
ONDERWERP
Deze aanvraag moet via de gemeente lopen. Dit geldt alleen als er wordt voldaan aan de voorwaarden in de “Regeling eisen civiele explosieven opsporingsbedrijven en opruimer explosieven van 10 december 2002”. De eisen uit deze regeling kwamen inhoudelijk overeen met de eisen voor opsporing en ruimen die door de EODDEF worden gehanteerd. Gevolg hiervan was dat private partijen het personeel bij de EODDEF wegkochten. Door een certificeringregeling (BRL-OCE) in het Arbobesluit (artikel 4.10) op te nemen worden de opsporingseisen specifiek afgestemd op de werkzaamheden die private partijen mogen uitvoeren. Naar aanleiding van bovengenoemde wijziging van het Arbobesluit is ook het Bijdragebesluit 1999 geactualiseerd. Op 14 december 2006 is het Bijdragebesluit kosten opsporing en ruiming conventionele explosieven Tweede Wereldoorlog 2006 (Bijdragebesluit 2006) in werking getreden. Het Bijdragebesluit 1999 is hierbij ingetrokken. In het Bijdragebesluit 2006 wordt verwezen naar de in het Arbobesluit genoemde BRL-OCE. Dit betekent dat gemeenten per 1 januari 2007 alleen voor subsidie in aanmerking komen als de opsporingswerkzaamheden door een - zoals genoemd in het Arbobesluit - BRL-OCE gecertificeerd bedrijf zijn uitgevoerd. Het Bijdragebesluit is niet van toepassing op de kosten van de opsporingen en ruimingen die het gevolg zijn van door het Rijk geïnitieerde projecten. Voorbeelden hiervan zijn de aanleg van wegen, spoorlijnen en dijkverbeteringen. Deze kosten zullen worden meegenomen in de projectkosten en geheel voor rekening van het Rijk komen. In de Beleidsregels uitvoering Bijdragebesluit kosten opsporing en ruiming explosieven Tweede Wereldoorlog 2006, 15 december 2006 staat vermeld welke kosten wel en welke kosten niet voor subsidie in aanmerking komen (bijlage 6).
Beoordelingsrichtlijn “Opsporen van conventionele explosieven” (BRL-OCE) 8 februari 2007 De BRL-OCE bevat de eisen waaraan een bedrijf moet voldoen om gecertificeerd te kunnen worden voor het opsporen van conventionele explosieven. Daarnaast bevat de BRL-OCE eisen op het gebied van de organisatie en het management van het opsporingsbedrijf en de deskundigheid en examinering van personeel. De BRL-OCE bestaat uit 2 deelgebieden. Deelgebied A is de opsporing (vooronderzoek) en deelgebied B is de civieltechnische opsporing. Een bedrijf kan voor een van deze deelgebieden of beide gecertificeerd zijn. Binnen het opsporingsproces bestaat de opsporing (deelgebied A) uit: • detecteren (vaststellen van (mogelijke) aanwezigheid van CE met behulp van detectieapparatuur); • lokaliseren (het 3-dimensionaal vastleggen van de plaats van het CE op basis van de meetwaarden); • laagsgewijs ontgraven (door middel van een graafmachine wordt het CE blootgelegd); • identificeren (vaststellen of het om een CE gaat en vervolgens om wat voor soort CE); • tijdelijk veiligstellen van de situatie (geen handelingen aan het explosief zelf, de tijd tot de overdracht aan de EODDEF); • de overdracht aan de EODDEF (indien de werkzaamheden worden uitgevoerd door een BRL-OCE gecertificeerd bedrijf zorgt de Senior OCE-deskundige voor de overdracht); • procesverbaal van oplevering aan de opdrachtgever en het bevoegde gezag . De civieltechnische ondersteuning (inzetten van civieltechnisch materieel) ten behoeve van het opsporingsproces omvat deelgebied B. Het opsporingsproces is gebaseerd op het vooronderzoek. Het vooronderzoek bestaat uit een probleeminventarisatie en een probleemanalyse. De probleeminventarisatie omvat het verzamelen van (historisch ) feitenmateriaal. Deze inventarisatie hoeft niet door een gecertificeerd bedrijf te worden uitgevoerd. De gemeente Arnhem heeft de probleeminventarisaties laten uitvoeren.
23
PAGINA
Handleiding “Omgaan met conventionele explosieven uit de 2e WO binnen de gemeente Arnhem”
ONDERWERP
In de BRL-OCE zijn eisen opgenomen waaraan een dergelijke inventarisatie moet voldoen. De probleeminventarisatie dient als basis voor de verdere uitvoering van het vooronderzoek. Op basis van de probleeminventarisatie wordt de probleemanalyse uitgevoerd. De probleemanalyse valt weer wel onder de certificatieplicht. Dit betekent dat alleen gecertificeerde bedrijven de probleemanalyse kunnen uitvoeren. De probleemanalyse bestaat uit: • vaststellen vermoede aanwezigheid, soort en hoeveelheid CE; • verschijningsvorm van de vermoede CE (afgeschoten, gegooid, gelegd etc); • inventarisatie locatiespecifieke omstandigheden (waaronder bodemstructuur, relevante geofysische omstandigheden, uitgevoerde bodemonderzoek, voormalig, huidig en toekomstig gebruik); • vaststellen en afbakenen van het verdachte gebied (driedimensionale afbakening verdacht gebied); • evaluatie van de risico’s van de vermoede CE in relatie tot het toekomstige gebruik van de locatie. De resultaten van de probleemanalyse worden vervolgens in een rapport vastgelegd. Dit rapport wordt voorgelegd aan de betreffende gemeente. Voordat met de daadwerkelijke opsporing wordt begonnen stelt het bedrijf een projectplan op. Dit projectplan moet door het bevoegde gezag in het kader van openbare orde en veiligheid worden goedgekeurd. Dit plan beschrijft de onderlinge relatie tussen de betrokken partijen, de planmatige voortgang, afspraken, toezicht, documentatie en procedures om de werkzaamheden op een adequate en veilige wijze uit te kunnen voeren. De medewerkers van het gecertificeerde bedrijf moeten dus gekwalificeerd zijn om deze werkzaamheden uit te voeren. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) zal een certificerende instelling aanwijzen die de bedrijven gaat auditeren. Op basis van deze audit krijgt het bedrijf iedere keer een verlenging van hun procescertificaat “Opsporen Conventionele Explosieven (OCE)”.
Circulaire berging vliegtuigwrakken De ministeries van BZK en Defensie hebben in samenspraak met het ministerie van Justitie de Circulaire berging vliegtuigwrakken opgesteld. De circulaire is geldig van 1 juli 2005 tot 1 juni 2009 en beschrijft de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de verschillende overheden en andere betrokkenen bij het bergen van vliegtuigwrakken en stoffelijke resten uit de Tweede Wereldoorlog en de opsporing en ruiming van de hierbij aanwezige conventionele explosieven.
24
PAGINA
Handleiding “Omgaan met conventionele explosieven uit de 2e WO binnen de gemeente Arnhem”
ONDERWERP
Projectgebieden binnen Arnhem
BIJLAGE 4
25
PAGINA
Handleiding “Omgaan met conventionele explosieven uit de 2e WO binnen de gemeente Arnhem”
ONDERWERP
BIJLAGE 5 Plattegrond van Arnhem met “kans van aantreffen gebieden” De plattegrond van Arnhem met kans van aantreffen gebieden is opgebouwd uit verschillende lagen die zijn samengevoegd. Er is een laag met de uitgevoerde historische onderzoeken een laag met de plaatsen waar oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden en een laag met vooroorlogse en naoorlogse wijken. Opmerking Historische onderzoeken kunnen nog wel eens verschillende resultaten laten zien. De consequentie hiervan is dat een groter gebied als verdacht van explosieven moet worden aangemerkt. De grijze gebieden op de plattegrond zijn de gebieden waar nog geen historische onderzoeken zijn uitgevoerd. Daarnaast zijn er gebieden waar al wel een opsporing heeft plaatsgevonden maar die nog niet is vrijgegeven (Schuytgraaf).
26
PAGINA
Handleiding “Omgaan met conventionele explosieven uit de 2e WO binnen de gemeente Arnhem”
ONDERWERP
BIJLAGE 6 Beleidsregels Uitvoering Bijdragebesluit kosten opsporing ruiming conventionele explosieven Tweede Wereldooorlog 2006 (geldig tot 1 oktober 2009)
27
PAGINA
Handleiding “Omgaan met conventionele explosieven uit de 2e WO binnen de gemeente Arnhem”
ONDERWERP
28
PAGINA
Handleiding “Omgaan met conventionele explosieven uit de 2e WO binnen de gemeente Arnhem”
ONDERWERP
29
PAGINA
Handleiding “Omgaan met conventionele explosieven uit de 2e WO binnen de gemeente Arnhem”
ONDERWERP
BIJLAGE 7 Protocol “Toevalstreffer conventioneel explosief (CE) uit de 2e WO” Wat te doen bij het aantreffen van een conventioneel explosief uit de 2e WO.
Verdacht object gevonden (werknemers informeren) Aannemer legt het werk stil. Aannemer beoordeelt de situatie. Indien het gevonden object (CE) een direct gevaar oplevert voor de openbare orde en veiligheid zal de politie worden geïnformeerd 026-3555555 Meldkamer Regionale Alarmcentrale Brandweer (RAC) De politie geeft een melding door aan het EOCKL De ruimploeg van de EODDEF komt vervolgens om het conventioneel explosief onschadelijk te maken Indien een conventioneel explosief onschadelijk moet worden gemaakt informeert de politie de burgemeester en de ambtenaar openbare orde en veiligheid (026-3555555 RAC)
Indien voor de ruiming van een conventioneel explosief een woongebied moet worden ontruimd dan zal de burgemeester de nodige (nood)maatregelen treffen.
Indien de grondroerende werkzaamheden door een BRL-OCE gecertificeerde aannemer worden uitgevoerd zal de senior explosievendeskundige van de aannemer bij aanwezigheid van een conventioneel explosief de politie en de toezichthouder voor het project (Stadingenieurs) alarmeren. Indien er daadwerkelijk een conventioneel explosief onschadelijk moet worden gemaakt wordt de Burgemeester en de ambtenaar Openbare orde en Veiligheid geïnformeerd.