STEUNPUNT ONDERNEMEN EN REGIONALE ECONOMIE NAAMSESTRAAT 61 – BUS 3550 BE-3000 LEUVEN TEL + 32 16 32 66 61 | FAX + 32 16 37 35 11
[email protected] www.steunpuntore.be
Beleidsrapport STORE-B-12-008
De determinanten van firma groei in Vlaanderen Jonas Debrullea,b,d, Stijn De Ruyttera,b en Jozef Koningsa,b,c a
Steunpunt Ondernemen & Regionale Economie (STORE)
b
Vlaams Instituut voor Economie & Samenleving (VIVES), Faculteit Economie en Bedrijfswetenschappen, KU Leuven
c
Centrum voor Economische Studiën (CES), Faculteit Economie en Bedrijfswetenschappen, KU Leuven d
IÉSEG School of Management
19 december 2012
De resultaten in dit rapport geven de mening van de auteurs weer en niet deze van de Vlaamse overheid: de Vlaamse Gemeenschap/het Vlaams Gewest is niet aansprakelijk voor het gebruik dat kan worden gemaakt van de in deze mededeling of bekendmaking opgenomen gegevens.
Samenvatting Deze beleidspaper gebruikt data van startende ondernemingen tussen 2001 en 2009 om te onderzoeken welke factoren bijdragen tot ondernemingsgroei. Groei wordt hierbij gedefinieerd als gemiddelde tewerkstellingsgroei per jaar. De wet van ‘Gibrat’, die stelt dat groei en grootte van een onderneming onafhankelijk zijn, wordt verworpen. Er bestaat namelijk een negatieve correlatie tussen beiden, consistent met de recente literatuur over ondernemingsgroei. We onderscheiden vier clusters van factoren ter verklaring van ondernemingsgroei: (i) financieel kapitaal, (ii) menselijk kapitaal, (iii) sociaal kapitaal en (iv) management systemen. Ten slotte bekijken we ook de rol van internationalisering. We vinden dat sociaal kapitaal geen impact heeft op de ondernemingsgroei van jonge starters en financieel kapitaal heeft slechts een matige impact. Daarentegen, menselijk kapitaal en het gebruik van management systemen in de onderneming dragen sterk bij tot de groei van starters. Een toename van het eigen vermogen bij de opstartfinanciering met 10 % leidt tot een stijging van de groei met 0,7%. Het opleidingsniveau van de leidinggevende is eveneens positief gecorreleerd. De groeipremie van een hoger diploma op universitair niveau bij de leidinggevende bedraagt zo’n 5 %. De determinanten van het sociaal kapitaal die onderzocht worden zijn ‘bonding’, ‘bridging’ en het afkomstig zijn uit een ondernemersfamilie. Bonding en bridging kijkt naar de mate waarmee de leidinggevende gebruik maakt van een netwerk van mensen om materiële voordelen zoals financiering of immateriële voordelen zoals informatie te verkrijgen. Bij ‘bonding’ gaat het om netwerken die gelijkaardige mensen samenbrengen (zoals familieleden). Bij ‘bridging’ daarentegen gaat het om een netwerk die verschillende soorten mensen samenbrengt (zoals een serviceclub). Alle drie de variabelen die sociaal kapitaal meten zijn niet statistisch significant. Met betrekking tot het implementeren van goede managementpraktijken vinden we dat de afwezigheid van een ondernemingsplan leidt tot een gemiddelde daling van de jaarlijkse groei met 5%. Hoe uitgebreider de HR-procedures, hoe hoger de groei. Een uitbreiding van deze procedures met 1 niveau (met een schaal die gaat tot 12) verhoogt de groei met 1,4%. Startende ondernemingen die exporteren, hebben een groei die zo’n 6% hoger is.
1
I.
Inleiding
Het proces van ‘creatieve destructie’, zoals geformuleerd door Schumpeter (Capitalism, Socialism and Democracy, 1942), waarbij nieuwe ondernemingen in de markt komen die oude, minder innovatieve en minder productieve ondernemingen vervangen, gebeurt nog steeds op grote schaal. Bartelsman et al. (2004) zien een grote omloop van startende en falende ondernemingen in tal van landen. Voor hun studie gebruiken ze een dataset van bedrijven afkomstig uit 24 landen. Voor de geïndustrialiseerde landen (zoals Frankrijk, Nederland en Denemarken) bevindt de totale verhouding van geboorte en faling van ondernemingen (waarbij deze verhouding wordt gedefinieerd als de som van het percentage startende en falende ondernemingen) zich tussen de 20 en 25 percent. ‘Creatieve destructie’ is doorgaans een weerspiegeling van een gezonde herschikking van productiefactoren (arbeid, kapitaal) waarbij de minst productieve, vaak oude, ondernemingen uit de markt worden geduwd door startende, meer productieve ondernemingen. Dit is vooral van belang in hightech industrieën, waar nieuwe ondernemingen de productiviteit verhogen omdat ze beter in staat zijn om de laatste technologieën te benutten (Bartelsman et al., 2004). Dus het proces van creatieve destructie leidt vaak tot substantiële productiviteitsgroei en kan tevens een verklaring bieden voor sterke macro-economische productiviteitsgroei (bv. De Loecker & Konings, 2006). Echter, de literatuur1 heeft meermaals gedocumenteerd dat de kans op faling van deze nieuwe ondernemingen erg hoog is. Tussen de 20 en de 40 percent van de startende ondernemingen gaat in faling gedurende de eerste twee jaar van hun bestaan. Slechts de helft van de startende ondernemingen is nog actief na hun zevende jaar. Maar het zijn net deze ‘survivors’ die het meest productief zijn en van belang zijn voor groei en doorgroei. Startende ondernemingen die succesvol zijn, hebben immers de neiging om sterk te groeien. Het lijkt daarom relevant om na te gaan welke factoren van belang zijn voor de groei van startende ondernemingen. In deze studie wordt er, met behulp van een steekproef van startende Vlaamse ondernemingen tussen 2001-2009 nagegaan welke determinanten een rol spelen in de groeimogelijkheden van een onderneming. Deze groei zal uitgedrukt worden in de gemiddelde jaarlijkse groei van de tewerkstelling, een maatstaf die vaak wordt gehanteerd in de literatuur (bv. Evans, 1987; Konings, 1995; Sleuwaegen en Goedhuys, 2002). In sectie II wordt ingegaan op de theorie van ondernemingsgroei, waarbij wordt aangegeven welke determinanten van belang kunnen zijn. In sectie III wordt de steekproef van Vlaamse ondernemingen voorgesteld, samen met de kenmerken van de determinanten die we gebruiken in onze analyse. In het bijzonder onderscheiden we vier clusters van factoren ter 1
Zie o.m. Bartelsman et al. (2004); Evans (1987)
2
verklaring van ondernemingsgroei: (i) financieel kapitaal, (ii) menselijk kapitaal, (iii) sociaal kapitaal en (iv) management systemen. Verder bekijken we ook de rol van internationalisering. In de laatste sectie ten slotte worden de resultaten van de statistische analyse besproken.
3
II.
Theorie van firma groei
De groei van ondernemingen is reeds verschillende decennia een belangrijk onderzoeksthema, zowel in de literatuur betreffende industriële organisatie 2 als in de ondernemerschapsliteratuur. De meest eenvoudige theorie veronderstelt dat de groeivoet onafhankelijk is van de grootte van de onderneming, wat een lognormale distributie van ondernemingen genereert. Deze theorie staat bekend als de wet van ‘Gibrat’ (1931): elke onderneming in elke grootteklasse heeft dezelfde kans op proportionele groei (Goos en Konings, 1999). Sinds het werk van Evans (1987), Dunne et al. (1988) en Hall (1987) werd deze theorie in vraag gesteld. Deze auteurs vonden dat groei afhankelijk was van de grootte en de leeftijd van de onderneming en dat de variantie van deze groei varieerde met de grootte. Een aantal recente theoretische modellen bieden hier een antwoord op. Twee van deze modellen worden hier kort besproken, namelijk het passieve leermodel van Jovanovic (1982) en het actieve leermodel van Pakes en Ericson (1989). Het passieve leermodel vertrekt vanuit de assumptie dat ondernemingen verschillende efficiëntieniveaus hebben (op basis van kosten). Elke individuele onderneming kent echter bij de start niet exact wat zijn onderliggend efficiëntieniveau is. Gedurende het leerproces dat plaatsvindt nadat ondernemingen zijn toegetreden, leren ze hun relatieve efficiëntie kennen. Hierdoor zullen deze ondernemingen groeien indien nodig en uittreden als hun efficiëntie niet toereikend blijkt. Dit verklaart waarom initieel kleine ondernemingen een hogere groei kunnen hebben dan initieel grote ondernemingen. Anders gezegd, wanneer een goede onderneming klein begint, bevindt deze onderneming zich onder zijn optimale grootte en zal zij hierdoor een grote groeinoodzaak ervaren. Daarentegen zal een slechte onderneming die klein begint uittreden als het zijn optimale efficiëntieniveau leert kennen. Een onderneming die groot begint zal krimpen als zijn efficiëntieniveau laag ligt. Een onderneming, ten slotte, die groot begint met een hoog efficiëntie niveau heeft een hogere kans om gestart te zijn op zijn optimale grootte en zal hierdoor minder geneigd zijn om te groeien. Dit alles leidt ertoe dat er een negatieve correlatie bestaat tussen groei van een onderneming en haar initiële grootte. Eveneens bestaat er bijgevolg een negatieve correlatie tussen de groei van een onderneming en haar leeftijd, gezien een onderneming zich pas na oprichting geleidelijk aan haar optimale grootte aanpast. Een verfijning van dit passieve leermodel is het actieve leermodel. In dit model zijn de ondernemingen niet meer passief onderworpen aan hun gegeven efficiëntie, maar kunnen ze door bijkomende investeringen hun concurrentiële positie verbeteren. Ook in dit meer 2
Voor een overzicht: zie Sutton (1997)
4
uitgebreid model is het resultaat een negatieve correlatie tussen de groei van een onderneming enerzijds en haar leeftijd en grootte anderzijds. De voorliggende studie dient in deze context geïnterpreteerd te worden. Goos en Konings (1999) vinden deze negatieve correlatie ook terug voor ondernemingen in Vlaanderen. Kleine en jonge ondernemingen in Vlaanderen kunnen blijkbaar betere groeicijfers voorleggen. Gecombineerd met het feit dat oudere ondernemingen een lagere kans hebben om te blijven bestaan, wijst dit op een proces van Schumpeteriaanse creatieve vernietiging dat de Vlaamse economie kenmerkt. Een recente studie van Haltiwanger et al. (2010) stelt dit beeld wat bij. Als er enkel gekeken wordt naar de relatie tussen grootte en groei van de onderneming, dan is deze relatie inderdaad negatief. Wanneer de leeftijd van een onderneming mee onderzocht wordt, is de relatie minder eenduidig. De negatieve correlatie tussen grootte en groei verdwijnt en kan zelfs positief worden. De negatieve correlatie wordt immers vooral gedreven door leeftijdseffecten. De correlatie tussen leeftijd en groei is negatief, en omdat startende ondernemingen meestal klein zijn, leidt dit tot een negatieve correlatie tussen grootte en groei. Het zijn dus vooral jonge ondernemingen die sterk bijdragen tot groei. Gezien het falingscijfer van startende ondernemingen hoog is (Bartelsman et al., 2004), en het vooral deze startende ondernemingen zijn die bijdragen tot groei, is het van belang om na te gaan welke factoren bijdragen tot de groei van deze ondernemingen. In de literatuur worden tal van determinanten gesuggereerd die ondernemingsgroei kunnen onderbouwen. Fundamenteel voor onderzoek naar de determinanten van groei, is het uitgangspunt dat deze determinanten een blijvend effect zullen uitoefenen op de onderneming, zelfs nadat de firma en de omgeving gewijzigd zijn. Ondernemingen met sterkere startwaarden zijn beter in staat om gewijzigde omstandigheden aan te kunnen. Ondernemers die gekenmerkt worden door een betere voorbereiding en die gebruik kunnen maken van de ervaring van anderen, zijn beter in staat om te reageren op problemen die later in het proces opduiken, zelfs als deze problemen niet voorzien waren bij de start (Cooper, Gimeno-Gascon & Woo, 1994). Deze determinanten kunnen onderverdeeld worden in een 5-tal groepen, die hier kort toegelicht worden. Financieel kapitaal Een eerste belangrijke groep heeft te maken met het financieel kapitaal van een onderneming. Het lijkt aannemelijk dat de hoeveelheid kapitaal waarover een onderneming beschikt sterk inspeelt op diens groeimogelijkheden. Cooper en Gimeno-Gascon (1992) vonden in hun metaanalyse dan ook dat van acht eerdere studies, er zes wezen op een positieve relatie tussen initieel kapitaal en groei. Naast de hoeveelheid kapitaal waarover een (startende) onderneming beschikt, speelt de wijze waarop dit kapitaal verworven werd ook een significante rol. Bosma et al. (2004) stellen vast 5
dat de ondernemingsgroei van startende bedrijven belemmerd wordt door moeilijkheden betreffende het vergaren van het nodige startkapitaal. Deze auteurs onderzoeken eveneens in hoeverre overige persoonlijke inkomsten bijdragen tot de groei van deze startende ondernemingen. Indien de leidinggevende naast deze onderneming over nog een andere bron van inkomsten beschikt, verlaagt dit de groei. Dit duidt op een ‘hedging’ gedrag van de sleutelmanager. Menselijk kapitaal De theorie betreffende menselijk kapitaal wijst op het belang van kennis voor de groeimogelijkheden van ondernemingen. Hierbij gaat het om de kennis die aanwezig is bij de leidinggevende en bij mogelijke andere managers betrokken bij de onderneming. Mensen met een hoger menselijk kapitaal hebben meer cognitieve vaardigheden, onderscheiden makkelijker opportuniteiten, en weten beter op deze opportuniteiten in te spelen. Recent onderzoek van Sutton (2005) en Bloom et al. (2012) toont aan dat het menselijk kapitaal, aanwezig in de onderneming, een belangrijke rol speelt voor het economisch succes van een onderneming. Zo vinden Bloom et al. (2012) dat hoger opgeleide leidinggevenden in een onderneming zorgen voor een betere management-score. Deze score is vervolgens positief gecorreleerd met ondernemingsgroei, gedefinieerd als groei van de omzet. Eén determinant van dit menselijk kapitaal is het opleidingsniveau waarover de leidinggevende beschikt. Hierbij kan het gaan om het aantal jaren onderwijs waarover hij/zij beschikt, maar ook over het feit of hij/zij al dan niet extra opleidingen heeft gevolgd. Davidsson en Honig (2003) vinden voor beide aspecten een positieve relatie met firma groei. Wel waarschuwen deze auteurs voor een te hoog menselijk kapitaal (bv. een te hoog opleidingsniveau) dat een negatieve rol kan spelen. Het effect van dit menselijk kapitaal op groei verloopt volgens hen dan ook curvi lineair. Konings en Vanormelingen (2012) komen tot de conclusie dat ‘on-the-job training’ binnen Belgische ondernemingen de productiviteit van een werknemer doet toenemen. De stijging van de loonkost die hier ook een gevolg van is, is minder groot dan deze productiviteitstoename. Konings et al. (2012) ten slotte vinden dat een extra investering van 10 percent in firmaspecifiek menselijk kapitaal aanleiding geeft tot een gemiddelde productiviteitsgroei van 0,2 percent. De ervaring waarover een ondernemer beschikt, speelt ook een rol. Hierbij kan het gaan om ervaring als ondernemer, managementervaring, of ervaring in de sector van de huidige onderneming. Voor deze ervaringsaspecten wordt er een positief effect gevonden op de ondernemingsgroei (Davidsson, 1991). Merk op dat tal van andere aspecten van menselijk kapitaal eveneens onderzocht worden. Zo focussen Baum en Locke (2004) op innerlijke 6
aspecten van leiderschap, zoals passie, vastberadenheid, een goede communicatie en krachtdadigheid. Ook voor deze determinanten werd een positieve relatie met de groei van de onderneming onderscheiden. Sociaal kapitaal Nauw aansluitend bij menselijk kapitaal bevindt zich sociaal kapitaal. De theorie van het sociaal kapitaal kijkt naar de (mogelijke) voordelen die men kan halen uit een netwerk van mensen. Deze voordelen kunnen materiële voordelen zijn zoals financieel kapitaal, alsook immateriële voordelen, zoals informatie over mogelijke opportuniteiten. Het netwerk waarover een leidinggevende beschikt kan bestaan uit familieleden, buren, vrienden, medeleden van een serviceclub, vakorganisaties. In de literatuur wordt er meestal een onderscheid aangebracht tussen twee vormen van sociaal kapitaal, namelijk ‘bonding’ en ‘bridging’ sociaal kapitaal (Davidsson en Honig,2003; Nahapiet en Ghoshal, 1998). Bij bonding sociaal kapitaal of sterke verwantschappen gaat het om relaties gestoeld op een blindelings vertrouwen. Hierbij kan gedacht worden aan familieleden en dichte vrienden. Bij ‘bridging’ sociaal kapitaal daarentegen gaat het om losse contacten waarbij geen sterke vertrouwensrelatie aan de basis ligt. In dit geval is het netwerk eerder opgebouwd uit zwakke bindingen. Hierbij kan gedacht worden aan professionele relaties en lidmaatschappen (bv. een serviceclub). Davidsson en Honig (2003) vinden een positieve relatie voor tal van bonding-determinanten (bv. vrienden of buren met ondernemerservaring, ouders met ervaring) en voor tal van bridging-determinanten (bv. lid van een serviceclub). Hoe sterker men gebruik maakt van deze netwerken, hoe hoger de kans is voor het opstarten van een onderneming en voor het tot stand brengen van een eerste verkoop. Organisatorisch kapitaal (Managementpraktijken) Een andere groep van determinanten situeert zich op organisatieniveau. Hoe een onderneming zich al dan niet systematisch organiseert, kan ook de ondernemingsgroei bepalen. Hierbij kan bij de start van een onderneming gedacht worden aan het ondernemingsplan. Wat wil de onderneming produceren, gaat men zich richten op een niche of niet, hoeveel van de omzet wil de onderneming uit de export halen? Of het al of niet opstellen van een businessplan leidt tot betere resultaten, is lang niet zeker. Zo vinden Lange et al. (2007) dat er geen verschil in performantie was tussen startende ondernemingen die een geschreven ondernemingsplan opgesteld hadden en deze die dit niet gedaan hadden. Het Human Resource (HR) management binnen een
onderneming is eveneens belangrijk. Bloom en Van Reenen (2010) beschrijven enkele aspecten van een efficiënte HR-oplossing. Een belangrijke vorm van HR management vormt de prestatiegerichte verloning. Daarnaast zijn ook andere aspecten belangrijk. Bloom en Van Reenen maken een overzicht van tal van deze aspecten. Voorbeelden hiervan zijn de criteria die 7
ondernemingen gebruiken om nieuwe werknemers aan te werven, of de juiste mensen gepromoveerd worden, hoe informatie tussen werknemers gedeeld wordt, de mate waarin werknemers opgeleid worden in just-in-time, etc. Huselid et al. (1997) gaan na in hoeverre bepaalde HR-praktijken ingeburgerd zijn in de onderneming. Voorbeelden hiervan zijn opleidingen voor de werknemers, informatiesystemen voor werknemers en sociale programma’s. Deze blijken vaak positief gecorreleerd met een hogere productiviteit voor de onderneming. Omgevingsfactoren Naast deze “interne” determinanten die een rol spelen inzake groeimogelijkheden en overlevingskansen van startende ondernemingen, bestaan er ook “externe” determinanten. De sector waarin deze onderneming zich bevindt, is hiervan een voorbeeld. Sommige sectoren worden gekenmerkt door een lage tewerkstellingsgroei (De Ruytter et al., 2012). Een kans wagen met een nieuwe onderneming in een dergelijke sector kan gevaarlijker zijn dan in een dynamische, snel groeiende sector. Ook de concurrentie die een sector ondervindt, zowel vanuit het binnen- als uit het buitenland, bepaalt de groeimogelijkheden van de startende onderneming. Startende ondernemingen beschikken over een beperkte hoeveelheid resources. De beslissing om deze resources in te zetten moet dan ook steeds goed doordacht zijn. De strijd aangaan met grote, volwassen firma’s is daarom niet makkelijk. Dit zal immers leiden tot prijsdalingen en lagere marges, wat de groei van de jonge onderneming belemmert (deze belemmering geldt voor alle ondernemingen die met deze firma’s in concurrentie moeten gaan). Eisenhardt en Schoonhoven (1990) kijken hoe de groei van ondernemingen mede bepaald wordt door de markt waarin de onderneming actief is en de concurrentie die deze onderneming ondervindt. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen drie verschillende markten waarin een onderneming actief kan zijn, namelijk groeimarkten, volwassen markten en opkomende markten. Actief zijn in een groeimarkt levert een hogere groei op dan actief zijn in ofwel een volwassen ofwel een opkomende markt. Naast de markt waarin een jonge onderneming actief is, is ook de aanwezige concurrentie belangrijk. Eisenhardt en Schoonhoven (1990) vonden, verrassend genoeg, geen relatie tussen de marktmacht waarover de grootste firma’s beschikken (gemeten als de omzet van de vier grootste ondernemingen in de markt ten opzichte van de totale omzet) en de groeimogelijkheden van startende ondernemingen binnen die markt. Nu er een algemeen beeld geschetst is van mogelijke determinanten die de groei van startende ondernemingen kunnen bepalen, buigen we ons over de impact van deze determinanten op Vlaamse startende ondernemingen. 8
III.
Methode
III.1. Data De bedrijven die in dit onderzoek aan bod komen zijn afkomstig uit de START-databank. Deze databank is gebaseerd op een tweejaarlijkse ondervraging van startende ondernemingen, die werd georganiseerd in het kader van het Steunpunt Ondernemen en Internationaal Ondernemen (STOIO). Deze ondervraging gebeurde per post, en dit in de jaren 2003, 2005, 2007 en 2009. Hierbij gaat het uitsluitend om startende vennootschappen tussen de 1 en de 3 jaar oud. Deze vennootschappen moeten beschikken over minimum 1 en maximum 49 werknemers en hun hoofdzetel dient in het Vlaams Gewest gelegen te zijn. Terwijl de eerste drie START-onderzoeken (2003, 2005 en 2007) enkel van een vooraf gedefinieerde vragenlijst gebruik maken, werd in 2009 elke leidinggevende ook uitgenodigd tot een semi-structureel interview. De economische gegevens van deze startende ondernemingen (hierbij denken we aan omzet, tewerkstelling en toegevoegde waarde) kunnen we aan de hand van het ondernemingsnummer uit de Amadeus-databank (Bureau van Dijk) achterhalen. De tewerkstelling van de onderneming bij de oprichting werd eveneens op deze manier verkregen. Om ondernemingsgroei te meten, maken we gebruik van een identieke maatstaf als Evans (1987). Deze maatstaf kijkt naar de evolutie van de tewerkstelling binnen een onderneming. Een alternatief zou zijn om de evolutie van de omzet als maatstaf te nemen. Daar de beschikbaarheid van omzetgegevens eerder beperkt was, opteren we voor de gemiddelde jaarlijkse groei van de tewerkstelling in de onderneming. Kleine ondernemingen zijn immers niet wettelijk verplicht om hun omzet te rapporteren. Concreet definiëren we de gemiddelde jaarlijkse ondernemingsgroei als volgt: =
ln
− ln
III.2. Determinanten van ondernemingsgroei Uiteenlopende determinanten van groei (die reeds in sectie II aan bod kwamen) werden bevraagd in het kader van het START-onderzoek. Daarnaast onderscheiden we enkele controlevariabelen die ook hun impact kunnen hebben op de firmagroei. In tabel 1 geven we een overzicht van de voornaamste variabelen:
9
Tabel 1: Determinanten van firmagroei, per groep Groep Financieel kapitaal Menselijk kapitaal Sociaal kapitaal
Organisatorisch kapitaal
Omgeving Controlevariabelen
Determinant Financiering door eigen middelen Opleidingsniveau leidinggevende Managementervaring leidinggevende Bonding Bridging Ondernemersfamilie Ondernemingsplan HR-procedures Export Concurrentie Tewerkstelling bij oprichting Faling
De aanwezigheid van financieel kapitaal die er is bij een startende onderneming wordt gemeten aan de hand van het percentage van de opstartfinanciering die afkomstig is uit de eigen middelen. De hypothese is hier dat hoe hoger dit percentage, hoe meer gedreven de leidinggevende zal zijn om de onderneming te doen groeien. Om het menselijk kapitaal te meten wordt er gebruik gemaakt van de informatie omtrent het opleidingsniveau en de managementervaring waarover de leidinggevende beschikt. Hierbij gaat het om dummy-variabelen. Dit houdt in dat deze variabele slechts twee waarden kan aannemen, namelijk 1 of 0. Bij opleidingsniveau wordt er gekeken naar het al of niet beschikken over een diploma hoger onderwijs, waarbij het niveau gelijkaardig is aan dat van universiteit. Beschikt men niet over een dergelijk diploma, neemt de variabele een waarde aan van 0, beschikt de leidinggevende wel over een dergelijk diploma, dan neemt deze variabele een waarde aan van 1. Bij managementervaring van de leidinggevende wordt de grens getrokken bij 5 jaar. Wanneer de leidinggevende over minimum 5 jaar managementervaring beschikt, neemt deze variabele de waarde 1 aan. Bij sociaal kapitaal speelt bonding en bridging sociaal kapitaal een rol. Opnieuw gaat het hier om twee dummy-variabelen, die nagaan in hoeverre beide varianten aan sociaal kapitaal binnen de onderneming voorkomen. Bij bonding sociaal kapitaal ligt de nadruk op relaties met familie en vrienden, bij bridging sociaal kapitaal op zakenrelaties. Indien de onderneming van dit netwerk gebruik maakt, neemt de variabele een waarde aan van 1. Ook het feit of een leidinggevende al dan niet afkomstig is uit een ondernemersfamilie, kan de groei van de startende onderneming bepalen.
10
De sterkte van een ondernemingsplan wordt gemeten aan de hand van het aantal aspecten dat in dit ondernemingsplan aan bod komt. Er komen maximum 4 aspecten aan bod, namelijk een omschrijving van de te ontwikkelen producten of diensten, de risicograad van de onderneming, het al of niet aanwezig zijn van een investeringsplan en een markt- en omgevingsanalyse. Zodra er minimum één van deze vier aspecten in voorkomt, krijgt deze dummy-variabele een waarde van 1, bij geen enkel aspect neemt de variabele een waarde van 0 aan. De sterkte van de aanwezige HR-procedures geeft eveneens blijk van organisatorisch kapitaal. In de STARTenquête wordt gepeild naar 12 mogelijke HR-activiteiten. Het aantal activiteiten die in de onderneming plaatsvinden, vormt dan de index voor HR. Hoe meer aspecten er aan bod komen in de onderneming, hoe hoger deze index dus. Deze activiteiten verwijzen onder andere naar het al of niet plaatsvinden van regelmatige functioneringsgesprekken, het al of niet aanwezig zijn van een personeelsverantwoordelijke, of er al of niet voorzien wordt in specifieke opleidingen, etc. Het al dan niet op export gericht zijn van de startende onderneming wordt eveneens opgenomen. De leereffecten die samengaan met exporteren kunnen een startende onderneming immers helpen met de groei. Bovendien wijst export op een zekere ambitie van de startende onderneming. De rol van internationalisering werd recent nog meer in de verf gezet door onder meer Bernard et al (2012). Deze auteurs concluderen dat de meest productieve ondernemingen doorgaans actiever zijn in internationale markten via export. Maar net door deze aanwezigheid in exportmarkten, versterken ondernemingen zich. Dit noemt men ‘learning from exporting’ in de literatuur. De mate waarin de startende onderneming concurrentie ondervindt, zowel van binnenlandse als van buitenlandse concurrenten, vormt tenslotte de belangrijkste omgevingsfactor waarmee de onderneming geconfronteerd wordt. Naast deze determinanten die de groei van de startende organisatie kunnen verklaren, worden nog een aantal controlevariabelen opgenomen. Een eerste duidt op de tewerkstelling van de onderneming bij aanvang. De impact die de grootte van de onderneming heeft op groei kan hiermee geschat worden. Volgens de wet van ‘Gibrat’ is de groei van een onderneming onafhankelijk van de grootte. Deze wetmatigheid werd al in tal van onderzoeken tegengesproken. Ook het al of niet falen van de onderneming kan een rol spelen. Tabel 2 biedt een overzicht van de ondernemingen die in de gebruikte databank vervat zitten. Voor elke tweejaarlijkse ondervraging wordt het aantal ondernemingen weergegeven, samen met de gemiddelde groei van deze ondernemingen. Eveneens bevat deze tabel de gemiddelden van de opgenomen determinanten. Dit gebeurt voor alle firma’s, dus zonder onderscheid van het tijdstip van de ondervraging. Onze steekproef bevat in totaal 554 startende ondernemingen met een gemiddelde jaarlijkse groei van 14,34 percent. Uit tabel 2 merken we verder dat het 11
gemiddelde percentage van de eigen middelen die gebruikt wordt in de opstartfinanciering hoog is. Zo’n 65 percent van deze opstartfinanciering bestaat uit deze eigen middelen. Het percentage leidinggevenden die over een diploma hoger onderwijs op universitair niveau beschikken is relatief laag, namelijk 28,68 percent. De ervaring waarover ze beschikken is duidelijk hoger. De leidinggevenden in 64,91 percent van de ondernemingen heeft een minimale ervaring van vijf jaar. Het aantal leidinggevenden die gebruik maken van hun sociaal kapitaal, in de vorm van bonding en bridging van netwerkrelaties, ligt hoog, namelijk 68,3 en 84,85 percent respectievelijk. Zowat de helft van de leidinggevenden zijn afkomstig uit een ondernemersfamilie. Wat organisatorisch kapitaal betreft, hebben zo’n 57 percent een ondernemingsplan, en zijn er gemiddeld ongeveer zes HR-procedures. Zowat een derde van deze startende ondernemingen exporteren. Bijna 90 percent van de ondernemingen geven aan dat ze concurrentie ondervinden vanuit het binnen- of het buitenland. Bij de oprichting tellen deze ondernemingen gemiddeld een drietal werknemers. Zo’n 14,2% van de ondernemingen in de steekproef ten slotte krijgen te maken met faling.
12
Tabel 2: Gemiddelde Groei en Determinanten van Groei: Samenvattende Statistieken
Aantal ondernemingen Gemiddelde groei (in %) Gemiddelde percentage eigen financiering Percentage leidinggevenden met hoger diploma Percentage leidinggevenden met ervaring hoger dan 5 jaar Percentage leidinggevenden met bonding sociaal kapitaal Percentage leidinggevenden met bridging sociaal kapitaal Percentage leidinggevenden uit een ondernemersfamilie Percentage ondernemingen met een ondernemingsplan Gemiddeld aantal HRprocedures (tussen 0 en 12) Percentage ondernemingen die exporteren Percentage ondernemingen die concurrentie ondervinden Gemiddeld aantal werknemers bij oprichting Percentage ondernemingen die falen
2003 192 8,9 72,85
2005 98 14,5 67,19
2007 154 19 66,74
2007 110 15,37 59,23
Totaal 554 14,34 64,47
27,23
34,69
30,26
23,64
28,68
70,53
71,13
59,48
57,27
64,91
55,71
64,58
69,93
77,27
68,3
72,86
78,13
88,89
92,73
84,85
56,52
51,02
51,32
39,09
48,93
79,17
72,95
29,87
41,85
56,86
6,23
5,74
5,27
5,97
5,7
32,96
36,46
32,68
35,19
33,96
88,67
86,11
84,93
88,68
87,13
3,06
3,09
2,99
2,96
3,03
19,25
14,29
10,07
10,58
14,12
III.3. Methode De impact op de groei van de startende onderneming wordt gemeten met behulp van een lineaire regressie. In deze regressie wordt rekening gehouden met “fixed effects” afkomstig van de sector waartoe de onderneming behoort. In het bijzonder schatten we het volgende model: g i = α 0 + α 1 ln(tewerkstelling ) start + α 2 FC i + α 3 HC i + α 4 SC i + α 5 OC i + α 6 CONC i + Exit i + ε i Waarbij g staat voor gemiddelde jaarlijkse ondernemingsgroei, subscript i staat voor onderneming i, FC staat voor financieel kapitaal, HC voor menselijk kapitaal, SC voor sociaal kapitaal, OC voor organisatorisch kapitaal (managementpraktijken), CONC voor ondervonden concurrentie en Exit ten slotte voor het al of niet falen van de startende onderneming. 13
Deze determinanten worden stapsgewijs in de regressie gebracht. Dit laat ons toe om de robuustheid van de verschillende factoren na te gaan. Dit betekent dat er gestart wordt met een regressie met 1 variabele, vervolgens wordt de regressie uitgebreid met een tweede variabele, enzoverder. In de volgende sectie worden de resultaten van deze regressies nader bekeken. Merk op dat een gebrek aan variabiliteit tot vertekening van de resultaten kan leiden. Uit tabel 2 blijkt bijvoorbeeld dat zo’n 87 % van de ondernemingen in de steekproef concurrentie ondervindt. Dit gebrek aan variabiliteit kan leiden tot een verkeerde inschatting van het effect dat deze variabele heeft op de ondernemingsgroei. Faling is een ander voorbeeld hiervan. Slechts 14 % van de ondernemingen werd met faling geconfronteerd. Opnieuw is de variabiliteit van deze variabele dus miniem. Van de ondernemingen die falen zijn er bovendien maar 13 waarvan de groei gekend is.
14
IV.
Resultaten
Tabel 3: Impact van de determinanten op de groei (1) Groei ln(Tewerkstelling -0.0254** bij oprichting) (0.0102) Percentage eigen 0.000429* financiering (0.000268) Dummy Opleidingsniveau Dummy ervaring
(2) Groei -0.0236** (0.0105) 0.000443* (0.000269) 0.0696** (0.0230) -0.0108 (0.0215)
(3) Groei -0.0233* (0.0124) 0.000653* (0.000334) 0.0661** (0.0278) -0.0203 (0.0256) 0.0221 (0.0312) 0.0120 (0.0281) -0.0260 (0.0230)
(4) Groei -0.0359** (0.0126) 0.000708** (0.000332) 0.0460* (0.0267) -0.0331 (0.0248) 0.00457 (0.0286) 0.0170 (0.0262) -0.0249 (0.0221) 0.0480** (0.0238) 0.0154*** (0.00447)
(5) Groei -0.0249* (0.0139) 0.000731** (0.000364) 0.0539* (0.0311) -0.0313 (0.0279) -0.00566 (0.0333) 0.01000 (0.0301) -0.0118 (0.0248) 0.0251 (0.0263) 0.0137** (0.00483) 0.0558** (0.0244) 0.0208 (0.0341)
368
305
304
263
Dummy bridging sociaal kapitaal Dummy bonding sociaal kapitaal Dummy ondernemersfamilie Dummy ondernemingsplan Index HRactiviteiten Dummy export Dummy concurrentie Dummy Exit N
370
(6) Groei -0.0261* (0.0138) 0.000744** (0.000363) 0.0530* (0.0312) -0.0326 (0.0280) -0.00533 (0.0334) 0.0102 (0.0301) -0.0136 (0.0249) 0.0245 (0.0262) 0.0138** (0.00484) 0.0570** (0.0242) 0.0204 (0.0339) -0.0424 (0.0437) 263
Nota: Fixed effects schattingen voor de periode 2001-2009; Robuste standardfouten tussen haakjes;*** staat voor statistische significantie op het 1% niveau,** op het 5% niveau, * op het 10% niveau 15
Tabel 3 toont de resultaten van de statistische analyse. Deze tabel geeft aan in hoeverre de onderzochte determinanten een rol spelen in de groei van startende ondernemingen. In alle regressies geldt de tewerkstellingsgroei als afhankelijke variabele. In elk van deze regressies worden één of meerdere onafhankelijke variabelen toegevoegd. De grootte van de onderneming bij aanvang is significant in elk van deze regressies. Zoals verwacht, gebaseerd op eerder onderzoek van Goos en Konings (1999), is de impact van deze variabele negatief op de groei van de onderneming. Een onderneming die een grotere tewerkstelling kent bij aanvang, zal zijn tewerkstelling minder zien groeien in de daarop volgende jaren. Een voorbeeld kan hierbij verhelderend zijn. Als er gekeken wordt naar regressie 6 (die alle verklarende determinanten bevat) zorgt een toename van 10% in de tewerkstelling bij de start tot een daling van de daaropvolgende groei met 0,26%. Deze elasticiteit ligt in de lijn van wat er in andere studies werd gevonden. De rol die financieel kapitaal speelt, is eveneens significant in elk van de zes regressies. Echter, de impact ervan is klein. De relatie tussen het percentage opstartfinanciering afkomstig uit eigen middelen en ondernemingsgroei is (licht) positief. Hoe meer eigen vermogen de onderneming bevat (relatief gezien), hoe hoger de tewerkstellingsgroei in de daaropvolgende periode. Opnieuw kan er gewezen worden naar regressie 6. Een toename van het eigen vermogen met 10 % leidt tot een stijging van de groei met slechts 0,7%. Wat menselijk kapitaal van de leidinggevende betreft, is de relatie sterker. Het opleidingsniveau van de leidinggevende draagt steeds significant en positief bij tot ondernemingsgroei. Uit regressie 6 blijkt dat een onderneming die over een dergelijk leidinggevende beschikt gemiddeld 5% meer groei kent. De managementervaring waarover die leidinggevende beschikt lijkt daarentegen minder relevant. Uit deze analyse blijkt de impact van sociaal kapitaal op ondernemingsgroei eerder laag. Zowel ‘bonding’ sociaal kapitaal als ‘bridging’ sociaal kapitaal blijken niet significant. Opvallend is dat het afkomstig zijn uit een ondernemersfamilie een negatieve invloed uitoefent op de groei van de startende onderneming. Ook voor ‘bridging’ sociaal kapitaal is deze relatie in een aantal regressies negatief. Wat organisatorisch kapitaal betreft (managementpraktijken), verloopt de relatie zoals verwacht. Hoe hoger het aantal HR-procedures, hoe hoger de groei van de startende onderneming. Het al of niet aanwezig zijn van een ondernemingsplan is niet altijd significant, maar de relatie verloopt zoals verwacht. Indien de onderneming over een dergelijk plan beschikt, gaat dit gepaard met een sterkere groei. Het maximaal aantal aspecten die in een ondernemingsplan kunnen voorkomen zijn 4. Bij nul aspecten neemt de dummy-variabele de waarde 0 aan. Bij één, twee, drie of 4 aspecten heeft de variabele de waarde 1. Ten slotte blijkt
16
ook uit regressie 6 blijkt dat een onderneming die exporteert gemiddeld gezien een hogere tewerkstellingsgroei kent van 5,7 %. De concurrentie waarmee een startende onderneming geconfronteerd wordt, leidt tot een positieve impact op groei, echter deze relatie is niet statistisch significant verschillend van nul. Dit druist in tegen de verwachting dat grote concurrentie een belemmering vormt voor tewerkstellingsgroei. Een laatste variabele die in de regressie wordt opgenomen, is de falingsvariabele. Deze variabele komt echter ook niet als statistisch significant naar voor.
17
V.
Conclusies en beleidsimplicaties
Aangezien startende ondernemingen een belangrijk rol spelen in het genereren van groei, is het van belang om na te gaan wat nu juist de determinanten zijn die deze groei verklaren. Uit eerder onderzoek kwam reeds naar voor dat de wet van ‘Gibrat’ niet altijd opgaat. De groei van een onderneming is immers niet onafhankelijk van haar grootte. Ook uit dit onderzoek komt de negatieve correlatie tussen groei en grootte van startende ondernemingen naar voor. De volgende conclusies komen op basis van het onderzoek naar voor: •
•
•
•
•
Het financieel kapitaal, gemeten als het percentage van het startkapitaal dat afkomstig is uit de eigen middelen van de leidinggevende, hangt samen met een sterkere groei van de onderneming. Een toename van het eigen vermogen met 10 % leidt tot een stijging van de groei met 0,7%. Deze hogere financiering met eigen middelen kan de betrokkenheid van de leidinggevende verhogen, wat mogelijk leidt tot een hogere groei. Voor het menselijk kapitaal is de conclusie minder eenduidig. Het opleidingsniveau van de leidinggevende is positief gecorreleerd met de groei van de onderneming. Een onderneming die over een dergelijk leidinggevende beschikt kent gemiddeld 5 % meer groei. Managementervaring van de leidinggevende is, verrassend genoeg, negatief gecorreleerd met ondernemingsgroei, maar deze relatie is niet statistisch significant verschillend van nul. De impact van ‘bridging’ en ‘bonding’ sociaal kapitaal op ondernemingsgroei blijkt niet significant verschillend van nul. Bovendien is de relatie met ondernemingsgroei niet eenduidig. Afkomstig zijn uit een ondernemersfamilie, ten slotte, is negatief gecorreleerd met firma groei, maar statistisch gezien zijn deze effecten te verwaarlozen. Het organisatorisch kapitaal, ook wel managementpraktijken genoemd, waarover een startende onderneming beschikt is daarentegen wel statistisch significant. Het aanwezig zijn van een ondernemingsplan hangt samen met een sterke firma groei. Dit geldt eveneens voor de uitgebreidheid van de HR-procedures. Startende ondernemingen die op export gericht zijn, de derde variabele, worden ook gekenmerkt door een sterke tewerkstellingsgroei in de volgende periode. Een onderneming die exporteert heeft gemiddeld gezien een hogere groei van 5,7 %. De mate van concurrentie waarmee de startende onderneming geconfronteerd wordt, een determinant van de omgevingsfactoren, gaat samen met een sterke groei. De groei van een onderneming die met concurrentie te maken krijgt is gemiddeld gezien zo’n 2 % hoger. Dit is verrassend, aangezien verwacht werd dat het aanwezig zijn van concurrentie een rem zou vormen op tewerkstellingsgroei. Opnieuw is deze relatie echter niet statistisch significant verschillend van nul. 18
De resultaten van deze studie kunnen een aantal richtingen geven voor het beleid dat gericht is op startende ondernemingen. De rol die eigen financiering speelt bij het bevorderen van groei wijst op het belang die eigen betrokkenheid van de ondernemer speelt in dit proces. Wanneer financiële overheidsondersteuning wordt aangeboden aan starters is het daarom van belang om te waken over eigen inbreng van de ondernemer. Het belang van opleidingsniveau toont aan dat blijvend inzetten op het onderwijs een cruciaal element van een ondersteunend beleid vormt. Hierbij gaat het zowel om formele opleidingen als het aanmoedigen van “on-the-job training”. Het positieve effect die HR-procedures en een ondernemingsplan hebben op groei wijst eveneens in dezelfde richting. Startende ondernemers goed inlichten en onderrichten in deze managementpraktijken van ondernemerschap (dit kan gebeuren met de hulp van middenstandsorganisaties, executive training, etc) kan hierbij een grote rol spelen. Ten slotte, de exportgerichtheid van starters lijkt een belangrijke impact te hebben op groei. Het begeleiden van starters naar die internationale exportmarkten is daarom belangrijk.
19
Referenties Bartelsman, E., Haltiwanger, J. & Scarpetta, S. (2004), “Microeconomic Evidence of Creative Destruction in Industrial and Developing countries,“ IZA Discussion Paper, No. 1374. Baum, J. & Locke, E. (2004), “The Relationship of Entrepreneurial Traits, Skill, and Motivation to Subsequent Venture Growth,” Journal of Applied Psychology, 89(4), pp. 587-598. Bernard, A., Blanchard, E., Van Beveren, I. & Vandenbussche, H. (2012), “Carry-Along Trade,” NBER Working Paper Series, No. 18246. Bloom, N., Genakos, C., Sadun, R. & Van Reenen, J. (2012), “Management Practices across firms and countries,” Academy of Management Perspectives, 26(1), pp. 12-33. Bloom, N. & Van Reenen, J. (2010), “Human resource management and productivity,” In O. Ashenfelter and D. Card, eds., Handbook of Labor Economics. Vol. 4, North-Holland, Amsterdam. Bosma, N., van Praag, N., Thurik, R. & de Wit, G. (2004), “The Value of Human and Social Capital Investments for the Business Performance of Startups,” Small Business Economics, 23, pp. 227-236. Cooper, A. & Gimeno-Gascón, F. (1992), “Entrepreneurs, processes of founding, and new firm performance,” In D. Sexton and J. Kasarda, eds., The State of the Art in Entrepreneurship. Boston, MA: PWS Kent Publishing Co. Cooper, A., Gimeno-Gascón, F. & Woo, C. (1994), “Initial Human and Financial Capital as Predictors of New Venture Performance,” Journal of Business Venturing, 9, pp. 371-395. Davidsson, P. (1991), “Continued Entrepreneurship: Ability, Need and Opportunity as Determinants of Small Firm Growth,” Journal of Business Venturing, 6, pp. 405-429. Davidsson, P. & Honig, B. (2003), “The role of social and human capital among nascent entrepreneurs,” Journal of Business Venturing, 18, pp. 301-331. De Loecker, J. & Konings, J. (2006), “Job reallocation and productivity growth in a post-socialist economy. Evidence from Slovenian manufacturing,” European Journal of Political Economy, 22, pp. 388408. De Ruytter, S., Goesaert, T., Konings, J. & Reynaerts, J. (2012), “Sectoranalyse van de Vlaamse Industrie,” Beleidsrapport STORE. Dunne, T., Roberts, M. & Samuelson, L. (1988), “Patterns of Firm Entry and Exit in U.S. Manufacturing Industries, “ Rand Journal of Economics, 4, pp. 495-515.
20
Eisenhardt, K. & Schoonhoven, C. (1990), “Organizational Growth: Linking Founding Team, Strategy, Environment, and Growth Among U.S. Semiconductor Ventures, 1978-1988,” Administrative Science Quarterly, 35(3), pp. 504-529. Evans, D. (1987), “The Relationship between Firm Growth, Size and Age: Estimates for 100 Manufacturing Industries,” Journal of Industrial Economy, 35(4), pp. 567-581. Goos, M. & Konings, J. (1999), “Firm Growth in Belgium,” Tijdschrift voor Economie en Management, 44(4), pp. 449-465. Hall, B. (1987), “The Relationship between Firm Size and Firm Growth in the U.S. Manufacturing Sector,” Journal of Industrial Economics, 35(4), pp. 583-600. Haltiwanger, J., Jarmin, R. & Miranda, J. (2010), “Who Creates Jobs? Small vs. Large vs. Young,” NBER Working Paper 16300. Honig, B. (1998), “What determines success? Examining the human, financial, and social capital of Jamaican microentrepreneurs,” Journal of Business Venturing, 13, pp. 371-394. Huselid, M., Jackson, S. & Schuler, R. (1997), “Technical and Strategic Human Resource Management Effectiveness as Determinants of Firm Performance,” The Academy of Management Journal, 40(1), pp. 171-188. Jovanovic, B. (1982), “Selection and the Evolution of Industry,” Econometrica, 50(3), pp. 649-670. Konings, J. (1995), “Gross Job Flows and the Evolution of Size in U.K. Establishments,” Small Business Economics, 7(3), pp. 213-220. Konings, J., Reynaerts, J., Goesaert, T. & De Ruytter, S. (2012), “De Sleutelrol van Globale ondernemingen in Vlaanderen,” VIVES Briefing 25 juni 2012. Konings, J. & Vanormelingen, S. (2012), “The impact of training on productivity and wages: firm level evidence,” revise and resubmit Review of Economics and Statistics. Lange, J., Mollov, A., Pearlmutter, M., Singh, S. & Bygrave, W. (2007), “Pre-start-up Formal Business Plans and Post-start-up Performance: A Study of 116 New Ventures,” Venture Capital, 9(4), pp. 237-256. Nahapiet, J. & Ghoshal, S. (1998), “Social capital, intellectual capital, and the organizational advantage,” Academy of Management Review, 23(2), pp. 242-266. Pakes, A. & Ericson, R. (1989), “Empirical Implication of Alternative Models of Firm Dynamics,” Working Paper, Yale University. Schumpeter, J. (1942), “Capitalism, Socialism and Democracy,” Harper and Brothers, New York. Sleuwaegen, L. & Goedhuys, M. (2002), “Growth of firms in developing countries, evidence from Côte d’Ivoire,” Journal of Development Economics, 68, pp. 117-135. 21
Sutton, J. (1997), “Gibrat’s Legacy,” Journal of Economic Literature, 35(1), pp. 40-59. Sutton, J. (2005), “Competing in Capabilities: An Informal Overview,” Lecture LSE. Yli-Renko, H., Autio, E. & Tontti, V. (2002), “Social capital, knowledge, and the international growth of technology-based new firms,” International Business Review, 11, pp. 279-304.
22